Part 15
Dutri trad binnen. Othomar lag op een divan van tijgervellen voor zijne schrijftafel. Hij was vermagerd; hol stonden zijne oogen, zijn tint was mat: tenger slank stak zijn hals uit den lossen omgeslagen kraag van het zijden hemd, waarover hij een fluweelen buis droeg. Hij had een boek in de hand, opengeslagen. Djalo, de colley, lag op den grond.
Dutri, als goed prater, begon met vlugge zinnen, die elkaâr op de hielen zaten, zijn verzoek voor te dragen...
—De hertogin? herhaalde Othomar mat. Neen, neen...
Dutri praatte door, werd weemoedig, gebruikte woorden van zachte, insinueerende treurigheid. Over Othomars gelaat trok eene uitdrukking op, die daar vreemd was en nieuw, den laatsten tijd: het was of de weemoed van zijn gelaat zich verhardde in eene strakke koppigheid; eene stilzwijgende onverzettelijkheid.
—Neen, sprak hij nogmaals, en onverzettelijk koppig ook klonk zijne stem; excuzeer me bij hare Excellentie, Dutri. En waar... waar zoû ze me willen zien?
—Ik bracht die moeilijkheid ook onder de oogen van hare Excellentie, maar misschien als Uwe Hoogheid zoo genadig was... zoû men toch...
Othomar sloot de oogen en wierp het hoofd achterover; zijne hand viel slap op den kop van den colley. Hij antwoordde niet meer, en zijne lippen waren vast op elkaâr geklemd.
Dutri aarzelde nog: wat kon hij doen, wat zoû hij Alexa zeggen...
Maar de deur ging open; de keizerin kwam binnen. De Handkus was geëindigd; den mantel en de kroon had zij afgelegd, maar zij droeg nog het stijfzware toilet van zilverbroché. Koud zag ze Dutri aan en boog even het hoofd, dat hij gaan zoû; de adjudant maakte zich verward uit de voeten, zonder zijn gewonen tact.
Othomar was half opgerezen.
—Mama!...
Zij zette zich bij hem, streek met de hand over zijn hoofd.
—Hoe gaat het?
Hij glimlachte, knipte met de oogen zònder te antwoorden.
—Wat deed Dutri hier?
—Hij vroeg me... och mama, laat dat, vraag er niet naar...
—Wat is u mooi! Mag ik u ook mijn Handkus geven?
Aanhalig, schertsend nam hij hare hand en kuste ze. Zij nam hem het boek uit de vingers, las den majesteitschennenden titel.
—Lees je weêr, Othomar... Je weet, je mag zooveel niet lezen. En waarom al die vreemde boeken...?
Op tafel lagen Lasalle, Marx, werken van Russische nihillisten, een brochure van Bakounine, brochures van Zanti... Het werkje, dat hij las, was van een bekenden Liparischen anarchist, getiteld: “Het onrecht bij de gratie Gods”; het wierp alles omver: het geloof en den staat; het richtte zich rechtstreeks tot de gekroonde machthebbende dwingelanden; rechtstreeks sprak het Oscar aan.
—Is het om beter te worden, dat je zulke dingen leest, Othomar? vroeg ze met een smartelijk verwijt.
—Mama, ik moet toch zien wat ze willen...
—En wat willen ze?
Hij zag peinzend voor zich.
—Ik weet niet wat ze willen, ik begrijp ze niet. Ze zeggen heele lange zinnen, en altijd weêr de zelfde, met altijd weêr de zelfde woorden. Ik begrijp alleen dat ze, alles wat bestaat afkeuren en iets anders willen. Maar soms toch...!
—Wat soms?
—Soms zeggen ze vreeselijke dingen, vreeslijk omdat ze wáarheid schijnen, mama. Als ze over God spreken, mama, en bewijzen, dat hij niet bestaat, als ze onze geheele staatsinrichting een onding vinden, alle gezag verwerpen, het onze ook... Ze spreken soms als kinderen, die in éens zouden kunnen praten en oordeelen, en dan spreken ze soms in eens klaar en dan komen er heele primitieve gedachten bij me op: als God bestaat, waarom onrecht en ellende en ons gezag, om welk recht? O God, mama, welk recht hebben wij te heerschen over anderen, over millioenen?! Zeg het me, maar redeneer van het begin, redeneer niet van achteren af; begin niet bij ons, begin bij onze éerste heerschers, onze geweldenaren; welk recht hadden zij, en vloeit het onze alleen voort uit het hunne? O, die raadsels, die eenvoudige raadsels, wie lost ze op, mijn God, wie lost ze op...
Elizabeth was bleek geworden: ze zag hem aan of hij krankzinnig ware geworden.
—Wie geeft je die boeken? vroeg ze hard, heesch, angstig.
—Dutri, Leonie; Andro heeft er mij ook gehaald.
—Ze zijn gek! riep de keizerin uit, opstaande. Waarom vraag je ze?
—Ik wil weten, mama...
—Othomar, riep ze. Wil je doen wat ik vraag?
—Ja mama, antwoordde hij zacht; maar ga weêr zitten, en... en wees niet boos. En... en zeg niet Othomar. En... en ga u verkleeden, o, ik kan u niet zien in dit toilet: u is zoo ver van me af; uw stem klinkt niet tot me toe, en ik durf u niet omhelzen, u is mijn moeder niet; u is de keizerin. Mama, o mama...
Zijne stem riep om haar. Eene machtige aandoening werd in haar wakker.
—O mijn jongen! riep ze uit; een halve snik brak in hare keel.
—Ja, ja, noem me zoo... Mama, laat ons elkaâr weêr gauw terugvinden, laten wij elkaâr niet verliezen. Wat is uw verzoek?
—Geef mij al die boeken.
—Ik zal ze u geven; ze maken me toch niet gelukkiger!
—Maar waarom ben je ongelukkig, mijn jongen, mijn jongen!
—Mama, kijk de wereld, kijk ons land, zie ze lijden, zie ze verdrukt worden! Wat zal ik ooit voor ze kunnen doen! Machteloos zal ik altijd zijn, niettegenstaande àl onze macht. O, het wordt zoo donker voor me, ik zie niets meer, ik heb geen hoop, alleen utopisten hopen nog, maar ik... ik hoop niet meer, want ik kan niets, ik kan niets...! O God, mama, het heele land valt op me neêr en het verplettert me: en ik kan niets, ik kan niets, ik kan niets... Ik zal moeten regeeren; ik zal het niet kunnen, mama. Wat ben ik? Een arme zieke jongen: hoe kan ik keizer worden? Ik weet niet waarom het is, mama en hoe het komt, maar ik voel me niet als een aanstaande keizer, ik voel me als een zwak kind! Ik voel me als uw kind, als uw jongen, en niets meer...
Hij scheen zich te willen werpen in hare armen, maar wierp zich integendeel achteruit, alsof hij schrikte van haar schitterend toilet; mat knakte zijn hoofd hem op de borst, vielen zijne armen slap. Zij zag zijne beweging; haar eerste gevoel was spijt in haar hoftoilet bij hem te zijn gekomen, verlangend als zij was geweest hem te zien en zich niet gunnende den tijd zich te verkleeden. Maar deze spijt ging als eene vluchtige emotie door haar heen, want het duizelde haar hevig na, alsof een afgrond aan hare voeten gapend openging, of de aarde week, en het zwarte niets zich uitbreidde. Een wanhoop van volslagen machteloosheid verdronk hare ziel. Vaag strekte zij de armen uit en sloeg ze als tastende om zijn hals, met dwalende oogen.
—Mijn jongen, spreek zoo niet meer, want... als je zoo spreekt, ontneem je mij ook mijn kracht! fluisterde zij bang. Want wat is er aan te doen: je moet, wij moeten allemaal...
—Vergeef me, mama, maar ik, ik zal niet kunnen. O, ik zie het nu helder in. Ik ben niet opgewonden, ik ben kalm. Ik zie het: ik voorspel u, dat het nooit gaan zal...
—Maar papa is nog zoo jong en zoo sterk, mijn jongen; en als je ouder wordt...
—Hoe ouder ik word, hoe minder het zal gaan, mama. Ik ben er altijd als kind bang voor geweest, maar ik heb het nog nóoit zoo wanhopig ingezien als nu. Neen, mama, het zal niet gaan. Ik heb, nu ik ziek ben, allen tijd over om er over na te denken en ik zie nu het slot van al onze moeite voor me...
Wanhopig tuurden zijne oogen op den grond; zij, radeloos, hing nog half aan hem; eene dreigende huivering scheen door de kamer te ademen.
—Mama...
Zij antwoordde niet.
—Ik moet u mijn besluit meêdeelen...
—Welk besluit...
—Wil u het aan papa zeggen?
—Wat, wat, Othomar, mijn jongen?
—Dat ik niet trouwen kan... met Valérie, omdat...
—Later, later, je hòeft niet nu te trouwen...
—Neen, mama, het kan nóoit, omdat ik...
Zij zag hem smeekend aan, vragend.
—Omdat ik afstand wil doen... van mijn rechten... ten behoeve van Berengar...
Zij antwoordde niet; slap zakte ze tegen hem aan, niet wetende hoe te troosten en op te beuren en zacht klagend begon ze te snikken. Het was of hare ziel, langzaam, maar aanhoudend, tot ze overvloeide, vol smart gegoten werd. Zij verweet zichzelve alles. Hij was haar kind: zij had den aanstaanden keizer van Liparië deze zwakte ingeboren. En de openbaring van dit smartelijk mysterie der herediteit voor hare radelooze oogen, ontnam haar al hare kracht, al haren moed, al hare macht van berusting.
—Mama... herhaalde hij.
Zij snikte door.
—Wees niet zoo wanhopig... Berengar zal beter zijn dan ik... U zal het aan papa zeggen, niet waar... Of neen, laat het, als het u zooveel kost: ik zal het zelf doen...
Zij schrikte zenuwachtig uit hare radeloosheid op.
—O God, neen; Othomar, neen, spreek er hem niet over, hij is zoo driftig; hij zoû je... hij zoû je vermoorden! Beloof me, dat je er hem niet over spreken zal! Ik zal het doen, o mijn God, ik zal het doen...
Maar eene resurrectie trilde in haar op.
—Maar, Othomar, ik bid je, waarom moet het? Je bent nu ziek, maar je zal beter worden en dan... dan zal je anders denken!?
Hij tuurde voor zich uit; zijn voorgevoel doorsidderde hem: hij zag zijn droom weêr; de straten van Lipara, die zich vulden met krip, tot aan den hemel, waar zij het zonlicht floersden. En over zijn gelaat kwam weêr de nieuwe trek van verharding, van onverzettelijke koppigheid, die haar hem niet herkennen deed; hij schudde het hoofd langzaam heen en weêr, heen en weêr.
—Neen, mama, ik zal nooit anders denken. Geloof me, het zal zoo beter zijn.
Toen zij hem zoo zag, stortte hare nieuwe hoop weêr in en zij snikte weêr. Snikkend stond zij op; in haar verdriet groef zich eene leêgte; zij verloor iets: haar zoon.
—Gaat u weg? vroeg hij.
Zij knikte van ja, snikkend.
—Vergeeft u me?
Zij knikte nog eens van ja. Toen lachte zij hem even toe, een lach vol wanhoop, de kracht missende hem te kussen, en zij ging, steeds snikkende.
Hij bleef alleen, en stond op. Midden in de kamer bleef Othomar staan; strak zagen zijne oogen op den colley.
—Waarom moet ik haar verdriet doen! dacht hij.
Alles in zijne ziel deed hem pijn.
—Waarom ben ik met Herman op reis gegaan? vroeg hij zich weêr af. In die eerste dagen van rust ben ik zoo gaan denken. En professor Barzia zegt toch: rust... Wat weet hij van me af? Wat weet de eene mensch van den andere af...
—Djalo! riep hij.
De colley kwam, schuddende, aan, blij.
—Djalo, wat is goed, hoe moet de wereld zijn? Moeten er koningen en keizers zijn, Djalo,... of moeten we maar allemaal weggaan?
De hond zag hem aan, heftig kwispelstaartend; in eens sprong hij op, likte hem in het gezicht.
—En waarom, Djalo, moet de eene mensch den andere altijd verdriet doen? Waarom moeten vorsten hun volk verdriet doen? Blijft het leven dan altijd het zelfde, eeuwen door...!
Othomar was op den divan in-een gezakt; zijne hand viel over den hond neêr, die haar hartstochtelijk likte.
—O! snikte hij. Mijn volk, mijn volk...!
— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —
Op het voorplein van het Imperiaal reden op dit oogenblik de laatste rijtuigen weg; de kijkende menigte, achter de grenadiers, zag nieuwsgierig naar het even schitterende der mooie dames door de glazen der equipages heen. Die van de hertogin van Yemena was het allerlaatst.
IV.
Een doffe geest scheen te waren door de geluidelijke marmeren ruimten van het Imperiaal; eene vale melancholie scheen er de timbres van stem en weêrkaatsingen te dempen en er een zwaar web van atmosfeer te hangen, van de hooge plafonds af. Het was het najaar; de eerste feesten zouden plaats hebben; het eerste hofbal werd gegeven. Maar het scheen gegeven te worden, omdat het niet anders kon: het was een loom, officieel, slepend feest. De intimere kringen van het Imperiaal, die van de hertogin van Yemena en van het corps diplomatique, betreurden de kleinere réunies in de kleinere salons der keizerin. Zij beschouwden die groote bals als noodzakelijke corvées! de kleinere bals echter der keizerin werden altijd als allerliefste feesten gewaardeerd. Maar de keizerin had gezegd, dat ze niet plaats zouden hebben, om de ziekte van den kroonprins. Op dit eerste groote bal waren de Majesteiten maar een kort oogenblik verschenen, met de quadrille d’honneur...
Over de schitterende stemming van feestelijke vorstelijkheid, zoo kort geleden de gewone atmosfeer van het paleis, zeefde een grauwe asch neêr. De diners, vroeger de splendeurs van iederen dag, werden bekort, alleen de noodzakelijkste invitaties gedaan. De keizer zelve bleef in een voortdurend norsche stemming: de Legerwet, om de uitbreiding der strijdbare macht, werd nog altijd in het Huis der Standen in zijn principe aangevallen en de keizer wilde volstrekt zijn minister van Oorlog handhaven; daarbij was hij, met dat tikje kinderlijkheid in zijn energie, nog niet zijne teleurstelling te boven omtrent het uitstel van het huwelijk van den hertog van Xara. Dat zijne Liparische wereld niet ging, zooals hij wilde dat ze gaan zoû, scheen hem voortdurend te irriteeren.
Noch de keizerin, noch de prins zelve hadden het oogenblik gunstig geacht om den keizer het treurige besluit meê te deelen. Maar juist hierom was de keizerin in stilte weêr gaan hopen. Er was nog niets gezegd: het vernederende geheim bestond nog alleen maar tusschen haren zoon en haar. Vernederend, want waarom zoû hij voor den lande afstand doen? Welk voorwendsel zoû genoeg schijn hebben om dat ware motief van zwakte en onmacht te verbergen? En hij was toch haar kind, en dat van Oscar. Ondoenbaar scheen het der keizerin Othomars wensch aan zijn vader bekend te maken, en dien te zeggen, dat zijn eigen zoon zich geene heerscherskracht voelde. O, zoo zij haar kind die vernedering had kúnnen besparen, wat zoû zij er niet voor willen opofferen! Maar was hij waàrlijk zoo onmachtig om zich te beheerschen, en zich fier op te richten, onder het gewicht nog maar van zijne prinsekroon? Zoo zij hem maar had kunnen zèggen op zijn moedelooze woorden, maar ze had alleen kunnen snikken, alleen kunnen toegeven aan zijne wanhoop; te vergeefs had zij de geheime veer in zijne ziel gezocht, die hem zich zoû doen verheffen uit de krachteloosheid, waarin de rust van zijn nadenken hem had doen neêrzakken... En toch voelde zij, dat er eene geheime veer bestaan moest, omdat zij die instinctmatig vermoedde in iedere ziel hunner evenboortigen: het was het mysterie hunner vorstelijkheid; de reden dat zij vorsten waren; de reden van hun recht. Zij had dat aanbiddelijk naïve geloof, dat in hen, gekroonde hoofden, éene essence van eigenschap eenig is, waarom zij zijn boven de menigte. De enkele druppel van een heilig bloed door hunne aderen, een enkele atoom van neêrgedaalde goddelijkheid, die glans deed schijnen door gehéel hunne ziel. Zij geloofde aan het excluzief hoog rechtmatige van Majesteit in hen. Omdat zij hieraan geloofde, als zij geloofde aan hare zondigheid van mensch tevens en aan de absolutie van haren biechtvader, den aartsbisschop van Lipara, zoû zij ook nooit éen oogenblik kunnen twijfelen aan hun goddelijk recht van heerschers. Wat men ook dacht, of schreef, of anders wilde, zij hàdden recht: hiervan was zij zeker, als zij zeker was van de Drie-eenheid. Dat Othomar aan God getwijfeld had, was haar uniek voorgekomen, maar het had haar niet zóo neêrgeslagen als zijn ongeloof aan hun recht. Miste dan alleen hij die essence van eigenschap, dien heilig gouden bloeddrup, die goddelijke atoom? En zoo hij ze miste, zoo hij, de kroonprins, Majesteit miste, was dit monsterachtig gemis dan hàre schuld, de schuld eener moeder, die gebaard heeft?
Het vermoeden van deze schuld verpletterde haar, en vóor zij nog met Oscar had durven spreken, vernederde zij zich voor den aartsbisschop. De prelaat, ontzet over wat er kiemde in de mysterieuze melancholie van het Imperiaal, had haar nauwelijks kunnen troosten. Uren bleef zij daarna liggen voor haar crucifix. Zij bad met heel hare ziel, bad om klaarheid in haarzelve en in haren zoon, bad om kracht en dat de vonk mocht neêrdalen in Othomar. Toen zij zoo gebeden had, zoo lang en met zulke overtuiging, kwam, als eene uitstorting van heiligen geest, eene berusting over haar neêr. Ze vond zichzelve weêr, ze wachtte af, vond haar geloovige fatalisme terug, dat niets gebeurt dan wat gebeuren moet en goed is... Het slechte gebeurde niet. Zoo het moest, dat Othomar de vonk ontvangen zoû, zoû dat goed zijn; zoo het moest, dat hij afstand deed, zoû dat ook goed zijn, o God, goed zijn van eene vreemde, ondoorzienbare goedheid...!
Omdat de dagen voorbij gingen, zonder dat de keizerin nog met den keizer gesproken had, hoopte zij weêr; hoopte zij, dat Othomar zich terug zoû vinden en niet meer zoû willen zijne eigene vernedering. Maar zij scheen te hopen ondanks alles, want iederen keer, dat zij Othomar weêr zag, vond zij hem doffer en matter, radeloozer onder de zekerheid zijner zwakte. Professor Barzia, die zelve den prins behandelde en hem in het paleis zijne dubbele, daagsche koudwaterdouche toediende, scheen zich over lichamelijke zwakte het minst ongerust te maken. De prins was niet forsch, maar de professor ried, in zijn fijn gestel, het element, dat geworden was uit de eerste sensueel-ruwe kracht van het geslacht Czyrkiski; het Slavische element, dat zich geënerveerd had door zijne Romaansche bijmengingen, maar zich had behouden: eene geheime taaiheid, iets onverdelgbaars van onbewuste fermiteit, dat, als een fondament, héel onder lag en waarop veel tengers en fragiels zich scheen omhoog te bouwen. Wat ruwe kracht was geweest, meende de professor in taaiheid terug te vinden, wat wreedheid en sensualiteit, in ontzenuwing, totnogtoe door zelf beheersching en spontaan plichtsbesef in evenwicht gehouden, maar, in deze oververmoeidheid, plotseling zich openbarend. Barzia vond duidelijk in Othomar terug den spruit zijner vaderen, en hij meende, dat, al had de rijke materialiteit van het eerste vorstenbloed zich meer vergeestelijkt—of het nu dunner vloeide door fijner aderen,—dit bloed toch niet zóo verarmd was, dat men het delicate van dezen aanstaanden keizer uitputting van ras kon noemen. Misschien tintte Barzia’s plotselinge sympathie voor den prins deze fyziologische diagnoze met te veel optimisme; hoe ook, de professor vreesde het minst voor die tengerheid, voor die zenuwzwakte zelfs; wat hij vreesde, was, of de psychische kwaliteiten, waarom de prins hem in eens zoo lief was geworden, zich zouden kunnen handhaven in deze periode van moedeloosheid en matheid. Spontaan, onoverdacht, onberekend, wist hij die deugden in den prins te zijn, als een, hem onbekende schat; zouden zij te-loor gaan, nu, in deze treurige dagen, of zouden ze blijven, zich ontwikkelen misschien, zich louteren, Othomar in moreele kracht bijgeven, wat hij in fyzieke miste, en zóo hem genezen? Want de professor wist het: zij waren het eenige wat hem genezen kon...
Othomar zelve dacht niet over zijn deugden, noch over zijn bloed: hij dacht aan zijne toekomst en dacht aan ze met eene ieder uur aangroeiende, wanhoop. Als de keizerin aan Barzia vroeg, of die rust den prins goed zoû doen en afleiding niet beter ware, beweerde de professor, dat de prins den laatsten tijd genoeg afleiding had gehad. Hij moest zijne vermoeidheid eerst te boven komen en geheel; waarmeê de prins op dit oogenblik ook zijne hersenen bezighield kwam er minder op aan...
Maar Barzia meende dit niet geheel en al en zoû het zeker in het geheel niet gemeend hebben, zoo hij geweten hadde, waarover de prins dacht en zoo hij alzoo diens totale veêrkrachteloosheid van ziel gehéel hadde kunnen beoordeelen.
En de dagen gingen voorbij. Othomar sprak niet meer met de keizerin over zijn besluit, om haar dit leed zoo min mogelijk aan te doen; de keizerin sprak er ook niet over en hoopte.
Maar in Othomars overpeinzing kwam het ieder oogenblik terug als een wiel: hij kon niets voor zijn volk, dat hij toch liefhad; hij kon het niet regeeren, hij zoû afstand doen van zijne rechten en van zijn kroonprinselijken titel: Berengar zoû hertog van Xara worden...
De kleine prins kwam zijn broêr iederen dag even zien; altijd droeg hij zijn kleine uniform, had hij zijn stevig airtje van een miniatuur-generaal en Othomar zag hem glimlachend onderzoekend aan.
Ging er in de middeneeuwsche hersentjes van het kind niets om van een wensch naar heerschen, ging er door zijn heftig hartje geen jaloezie? Othomar herinnerde zich uit Liparië’s historie, uit de wreede tijden hunner eerste middeneeuwen, dat vreeslijke drama—men toonde op St. Ladislas de kamer nog waar het gespeeld was—: die tweede zoon zijn ouderen broeder doorpriemend uit kroonzucht en het lijk werpende uit een boograam in den Zanthos, die vloeide onder aan den burcht. Wat was er over van zulken naijver in dit kind? En al was zulke naijver geheel geaffineerd in minder saillante gevoelens, zoû er toch geen onmetelijk geluk gaan door Berengars kleine prinsenziel, als hij zoû weten, dat hij kroonprins mocht zijn en eenmaal worden zoû: keizer! Maar wat zoû het kind denken van hèm, Othomar, die al deze heerlijkheid vrijwillig weggaf? Zoû het hem minachten, terwijl het hem dankbaar was, of zoû het een loerend mysterie vermoeden achter al die grootheid, die Othomar van zich wierp, en achterdocht koesteren...
Dan trok hij het ventje met een stil medelijden naar zich toe, maar voelde met pleizier het harde vleesch van zijne flinke ledemaatjes, hoorde met genot naar zijne korte, doorhakkende zinnetjes. Daarna rende Berengar weg en Djalo mocht met hem meêrennen door het park: na een uur bracht hij den hond bij Othomar terug en sprak hij met gewicht van zijne lessen, die begonnen.
En als Berengar weg was, lag Othomar in zijne lange droomuren over hem te denken, beschouwde hij zijn broêr al geheel en al als kroonprins en wischte hij zichzelven weg uit de rij der toekomstige souvereinen, dacht hij er aan wat hij doen zoû als hij genezen was, en alle purper had afgeschud, herinnerde hij zich zijn oom Xaverius, die abt was van een klooster, stelde hij zichzelven voor, studeerende, schrijvende werken over historie en sociologie...
V.
Het waren de dagen van het najaar; dikwijls vergrauwde het zonneblauw van den hemel; des morgens waaiden de winden uit het Noorden, bliezen over de zee tot zij staalkleurde; dan kwam de zon door en scheen ze nog heel warm een paar uren lang met een enkele vlaag, koud, aan de hoeken der straten, verraderlijk in eens aanflapperend; dan, tegen vier uur, half vijf, bluschte de zon en bleef de atmosfeer alleen hare kilte uitademen, ijzig aan de open haven, tusschen de witte paleizen, in straten en op pleinen.
Het was een ongezonde tijd: de keizerin en Berengar hadden een kou gevat op een rijtoer in een open rijtuig; ze hielden beiden hunne kamer en Othomar, op zijne beurt, kwam ze opzoeken; de keizerin hoestte, de kleine prins had koorts; er waren nooit zoovele zieken als in dezen tijd, beweerden de doktoren. En eene melancholie bleef hangen in de ruimte van het Imperiaal, over de geheele stad, waar men, in de opera en op de feesten, de keizerlijke familie niet meer verschijnen zag. Nooit waren de dagelijksche diners in het Imperiaal zoo kort geweest, met zoo weinig genoodigden, en het maakte een onoverkomelijk treurigen indruk, de keizerin niet te zien naast den keizer, in hare delicate, fijn vorstelijke majesteit, maar de prinses Thera, aan wie het onmogelijk scheen de barsche, ontevreden trekken van Oscar te doen opklaren. Othomar wist niet, dat men zich over de keizerin zelfs ongerust maakte; zij ontving hem altijd met alle blijmoedigheid, die zij, trots hare pijn op de borst, kon verzamelen; de doktoren zeiden hem niets, niemand gaf hem de bulletins, men wilde hem sparen en ook, men maakte zich in het Imperiaal zelve minder ongerust dan in de stad, dan door het land.
Maar de kleine prins ontving Othomar met minder zachtmoedigheid dan de keizerin en het waren iederen dag stille woeden, bouderies op de doktoren, die hem in zijn bedje hielden.