# Magie bij de Grieken en de Romeinen

## Part 9

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/magie-bij-de-grieken-en-de-romeinen-15215/index.md

De wereld is één levend organisch wezen[70] waarin gelijkgestemde deelen ook op afstand op elkaar vermogen in te werken. Als eene snaar van onder in beweging wordt gebracht, plant die beweging zich ook naar het boveneinde voort; zijn twee snaren gelijk gestemd, dan heeft, wanneer de eene getokkeld wordt, ook de andere vaak er als 't ware een gevoel van[71]. Er is ééne Al-ziel, waardoor het geschieden kan, dat tooverzangen en magische kunsten de menschen tot elkaar voeren, en dat een zacht gefluisterd woord het verafliggende beïnvloedt en op ontzaggelijken afstand zich verneembaar maakt[72]. De magie is dus mogelijk door de sympathie (samen-aandoenlijkheid), d.w.z. door den organischen of wil men, den dynamischen samenhang in de wereld.

Onwillekeurig denkt men hierbij aan de moderne en reeds herhaaldelijk door ons vermelde leer der telepathie, d.w.z. der gedachteoverbrenging, of juister, der overbrenging van gedachtebeelden, indrukken, gevoelens buiten de gewone zintuigelijke kanalen om, eene theorie, die, zooals wij in hoofdstuk II gezien hebben, reeds Aristoteles flauw voor den geest zweefde.

De ware magie is de liefde in het Al en haar tegendeel, de haat. De menschen zijn tot liefhebben geboren; wat liefde verwekt, trekt tot elkaar aan; zoo ontstond de tooverkunst die de eene ziel met de andere verbindt. Door de melodie van de bezwering, door de gebaren van den toovenaar wordt de ziel, d.w.z. haar niet-redelijk deel, medegesleept evenals zulks ook door gebaren en uitroepen geschiedt die medelijden wekken[73].

Ook de wijze is, in zooverre hij aan het niet-redelijke deel heeft, vatbaar voor magische invloeden en zou er zelfs ziekte, lichamelijk ongemak of den dood door kunnen lijden. Zoo noodig zal hij die booze krachten door afwerende tooverij krachteloos maken[74].

Dat Plotinus ook de doodenbezwering als reëel erkende, blijkt uit het slot van de verhandeling "Over de onsterfelijkheid der ziel", onloochenbaar de scherpzinnigste critiek, die oudtijds op het materialisme is geoefend, waarin hij spreekt van "de orakelen der goden, welke gebieden om den toorn van verongelijkte zielen te verzoenen en aan dooden eerbewijzen te betoonen" en van "vele zielen, die vroeger in menschen woonden" en "niet ophouden, de menschen weldaden te bewijzen", diegenen nl. die ook "door openbaring van orakelspreuken hulp verleenen"[75]. Blijkbaar heeft Plotinus hierbij ook aan de gevallen gedacht, door ons in het eerste en derde hoofdstuk vermeld.

Zelfs de demonen kunnen, daar ook in hen iets niet-redelijks is, door tooverij worden beïnvloed en degenen, die hen aanroepen, verhooren[76].

Na deze theoretische uiteenzettingen gaan wij over tot de belangrijkste gegevens omtrent de antieke magie, nl. de zg. tooverpapyri, die men sinds ongeveer het midden der vorige eeuw met grooten ijver is gaan opsporen en publiceeren. Deze officiëele stukken, om ze aldus te noemen, die meestal uit de derde eeuw n. Chr. of later dateeren, bevatten zeer oude bestanddeelen en leeren ons niet slechts de tooverij in hare zonderlingste vormen kennen, maar ook het toenmalige leven in zijne bonte verscheidenheid. Eene groote ruimte neemt ook hier de zinnelijke liefde in, zooals reeds de inhoudsopgave van den 3274 regels langen tooverpapyrus uit de "Biblothèque nationale" te Parijs ons leert. Wij ontleenen uit dezen "grooten Parijschen tooverpapyrus" de navolgende uiterst kenschetsende passages, te beginnen met v. 1496-1593:

"Liefdesopwekking bij een offer van mirre.

Offer mirre op een kolenvuur en spreek daarbij de bezwering uit. Bezwering. Gij zijt mirre, de bittere, de lastige, de verzoening-bewerkende onder strijdenden, de schroeiende en tot beminnen dwingende alwie zich niet bekommeren om de liefde. Allen noemen U mirre, ik echter noem U de vleeschverterende en hartontvlammende. Ik zend U niet ver weg naar Arabië, ik zend U niet naar Babylon, maar ik zend U naar Athenodōra de dochter van Perictionē opdat gij mij van dienst moogt zijn bij haar, opdat gij haar naar mij toe moogt voeren. Indien zij zit, niet moge zij zitten, indien zij tot iemand spreekt, niet moge zij spreken, indien zij naar iemand kijkt, niet moge zij kijken, indien zij naar iemand toegaat, niet moge zij naar hem toegaan, indien zij rondwandelt, niet moge zij rondwandelen, indien zij drinkt, niet moge zij drinken, indien zij eet, niet moge zij eten, indien zij iemand kust, niet moge zij kussen, indien zij zich vermeit in eenig genot, niet moge zij zich vermeien, indien zij slaapt, niet moge zij slapen, maar mij alleen, Callicles, moge zij in gedachte houden, naar mij alleen verlangen, mij alleen liefhebben, alle mijne verlangens vervullen. Dring tot haar in niet door hare oogen, niet door haar ribben, niet door hare nagels, niet door haar navel, niet door hare ledematen, maar door hare ziel en blijf in haar hart en brand haar binnenste, haar borst, hare lever, haar adem, hare beenderen, haar merg, totdat zij kome naar mij, Calliclēs, mij lief hebbende en doe al wat ik verlang, omdat ik U, mirre, bezweer bij de drie namen Anocho, Abrasax, Trō en den meer achterhalenden en sterkeren Kormeiōth, Iaō, Sabaōth, Adōnai opdat gij mijne opdrachten moogt vervullen, mirre! Zooals ik U verbrand en zooals het in Uw vermogen is, aldus verbrand van haar die ik bemin, Athenodōra, de hersenen, brand uit haar en wring er uit het binnenste, doe het bloed uit haar uitdruppelen totdat zij kome tot mij, Calliclēs, den zoon van Timocleia. Ik bezweer U bij Marparkourith, Nasaari, Naiemarepaiparine, Kouri. Ik werp U in 't brandende vuur en ik bezweer U bij den albeheerschenden god, den altijd levenden; ik bezwoer U en bezweer U ook nu, U, Adōnai, Barbar Iaō, Zagourē Arsamōsi, Alaous, Kaisalaōs, ik bezweer U, die den mensch stelt tot leven, hoor! hoor! O groote God Adōnaie, Ethuia, Zelfverwekker, Altijdlevende God, Eiōē, Iaō, Aïō, Aïō, Phneōs Sphintēs Arbathiaō, Iaō, Iaē, Iōa Aīoōn, Ouēr, Gonthiaōr, Rarael, Abra Brachasoroormerphergar, Marbaphriouiringx, Iaō, Sabaōth, Maskelli, Maskellō. De bezwering: Amousōe, Anouringch, Phnoukentabaōth, Sousaephinphesēch, Maphirar Anourin Ibanaoth, Arouēr, Chnouph, Anoch, Bathi, Ouchiarbas, Babaubar, Elōai. Voer naar mij Athenodōra, de dochter van Perictionē, naar mij, Callicles, den zoon van Timocleia, op den dag van heden, in deze nacht, in dit uur Mouloth, Phorith Phthoith, Phthōuth, Peniōn. Ik roep ook u aan die het vuur beheerscht Phthananoch, verhoor mij, gij Eene, Eeniggeboren Mane, Bia, Baï, Baï, Churir, Oou, Thadein, Adōnai, Erounouni, Miōōnch Chioutiai, Marmar, Auo, E, voer Athenodōra de dochter van Perictionē naar mij Calliclēs den zoon van Timocleia nu, nu, reeds, reeds, snel, snel!"

De namen van den minnaar, de beminde en de moeders hebben wij ter wille van de grootere levendigheid zelf er in gevoegd; in den tekst staat N.N. Dat men bij eene bezwering den naam van de moeder en niet dan bij uitzondering dien van den vader noemt, zal wel een overleefsel zijn van het z.g. moederrecht, d.w.z. de gewoonte om de afstamming naar de moeder, in plaats van, zooals thans, naar den vader, te bepalen. Van het moederrecht dat bij tal van primitieve volkeren heerscht, zijn n.l. ook bij de oude oostersche volkeren sporen te vinden.

Overigens hebben wij deze bezwering in haar geheel weergegeven, met al de tooverwoorden. Want blijkbaar is het niet slechts de accentuatie, maar ook het aantal dier tooverwoorden, wat het gewenschte effect bewerken moet. Zooals de lezer al spoedig ziet, zijn er Hebreeuwsche uitdrukkingen onder; ook Egyptische bestanddeelen zijn te constateeren, maar veel blijft uit den aard der zaak onzeker en onbegrijpelijk.

Slechts van "Abrasax" willen wij, omdat het straks te pas komt, vermelden dat de getallenwaarde ervan (in 't Grieksch worden de getallen door letters aangegeven) 365 bedraagt.

Aan Theocritus' in II en Vergilius' in III vermelde idyllen herinnert de navolgende "Wonderbaarlijke liefdestooverboei" (v. 296-433), die wij slechts gedeeltelijk aanhalen:

"Neem leem van een pottebakkerswiel en vorm twee beeldjes, een mannelijk en een vrouwelijk; maak het mannelijke als den gewapenden oorlogsgod, met een zwaard in de linker hand, en een slag doende neerkomen op haar rechter sleutelbeen, haar zelve met de armen op den rug geboeid en op de knieën neergezonken."

Dan moet de magiër op verschillende lichaamsdeelen van de vrouw tooverwoorden schrijven en vervolgens dertien bronzen naalden nemen en het beeldje in dier voege doorprikken, dat hij allereerst een in de hersenen steekt met de woorden: "Ik doorprik de hersenen van u, Simaitha" en zoo voort met de overige lichaamsdeelen. Daarna moet hij op een looden plaatje eene bezwering inkrassen en uitspreken, voorts het plaatje aan de beeldjes vastbinden met een draad uit een weefsel na in dien draad driehonderd vijf en zestig knoopen te hebben gemaakt en zeggen: "Abrasax houd vast!" Het toovergerei wordt bij zonsondergang, naast de zerk van een ontijdig gestorvene of van een gewelddadig gedoode neergelegd met de bloemen van dat jaargetijde er bij. In de bezwering zelf; worden de onderaardsche goden en in 't bijzonder de blijkbaar aan dieplek verbonden "doodengeest" aangeroepen; overigens lijkt ze zeer op de eerst-aangehaalde bij het mirre-offer, maar is langer en hartstochtelijker, zooals o.m. blijkt uit v. 396-406:

"Ik bezweer u, doodengeest, bij den geduchten grooten Oaeō Baphrenemounothilarikriphia Eueai Phirkiralithonuomener Phabōeai, dat gij Simaitha naar mij voert en dat zij haar hoofd met mijn hoofd samenvoege en hare lippen met mijne lippen ... en liefde met mij, Meleagros, uitoefene, al haar leven lang."

Aan deze "tooverboei" na verwant is (v. 1390-1495) de navolgende

"Liefdesopwekking door medehulp van helden, zwaardvechters of gewelddadig omgekomenen.

Laat van het brood dat gij eet, een weinig over, breek het, maak er zeven brokken van, ga naar eene plek waar helden, zwaardvechters en slachtoffers van geweld gedood zijn, spreek de bezwering over de brokken uit en werp ze neer en raap mest op van de plek waar gij dit doet en werp hem binnen bij haar die gij begeert en ga en leg U te ruste neer. De bezwering, uit te spreken over de brokken, is als volgt:

"Aan de schikgodinnen, de noodzakelijkheden, de tooverijen, 't verderf, de afgunst, de dooden, de ontijdig en gewelddadig omgekomenen werp ik voedsel toe, o gij driehoofdige, nachtelijke, slijkverslindende maagd, sleutelhoudster Persephassa, kind van den Tartarus, norsch kijkende, geduchte met vurige slangen omgorde! Philogynes mengde de overblijfselen van zijn eigen voedsel met tranen en bittere zuchten opdat gij hem bijstaat, die door kwellingen is bevangen, gij rampzalige helden, gij die op deze plek wordt vastgehouden, gij lichtverstokenen, lotmisdeelden, rampzaligen, staat Philogynēs bij, die zwoegt in zijn hart ter wille van Misandra, de goddelooze en onreine. Voert haar in kwellingen hierheen, zoo snel mogelijk. Eioutabaōth, Takerba, Abrathiaō, Lalaoith, Iōsachōtou, Allalethō, en gij heerscheres, slijkverslindende, Sunatra, Kabibau, Baras, Enphnoun, schikgodin, Ereschiga Neboutosoualēth, zend de wraakgodin ... die de zielen der afgetobde dooden met vuur opwekt; gij rampzalige helden en ongelukkige heldinnen, gij die op deze plek, die op dezen dag, die op dit uur [door mij wordt aangeroepen] ... verhoort mij en wekt Misandra op in deze nacht en neemt haar den zoeten slaap weg van de oogleden en geeft haar hatelijken kommer, geducht verdriet en laat haar mijne sporen nazoeken en willen wat mijne verlangens zijn totdat zij verricht heeft wat haar opgedragen wordt door mij, o heerscheres Hecatē, Phorba, Phorba, Barbarō, Phōrphōr, Phōrbai, godin der wegen, zwarte dog!"

Wanneer gij met dit te doen binnen drie dagen niets hebt uitgericht, maak dan gebruik van het volgende dwangmiddel: ga naar dezelfde plek en doe hetzelfde met de brokken, maar offer dan op kolenvuur den mest van eene zwarte koe en zeg dit en raap weer den mest op en werp hem weer zooals gij weet [dat ge doen moet]. De bezwering bij het offer is de navolgende:

"O onderaardsche Hermes en onderaardsche Hecatē en onderaardsche Acheron en gij, rauwverslindende onderaardschen en onderaardsche god, en onderaardsche helden en onderaardsche Amphiaraos, en onderaardsche dienstbaren en onderaardsche geesten en onderaardsche misdrijven en onderaardsche droomen en onderaardsche eeden en onderaardsche hoofdgodin en onderaardsche Tartarus en onderaardsche tooverij en onderaardsche Charōn en onderaardsche wapendragers en dooden en demonen en zielen van alle menschen komt heden; schikgodinnen en nooddwang, brengt tot vervulling hetgeen geschiedt bij deze liefdesopwekking, opdat gij tot mij voert Misandra, de dochter van Aretē, tot mij, Philogynēs, den zoon van Laïs, omdat ik u aanroep, de in-den-beginne-geboren Chaos, de Erebos, het huiveringwekkende water van den Styx, de stroomen der vergetelheid, de acherousische poel van het doodenrijk, Hecatē en Plouto en Kora, de onderaardsche Hermes, de schikgodinnen en de straffen en de Acherōn en gij Aiakos, deurwachter der eeuwige sluitboomen, open ze zoo snel mogelijk, en gij sleütelhouder Anoubis, wachter! Zendt voor mij naar boven de schimbeelden dezer dooden tot dienstbetooning in dit uur, zonder uitstel, opdat zij, optrekkende, naar mij, Philogynēs toevoeren Misandra, de dochter van Aretē. Isis stapte met haar echtgenoot-broeder op de schouders, Zeus, neergedaald van den Olympus, staat en wacht op de schimmen der dooden, die gaan naar Misandra en doen wat ik opdraag. Alle onsterfelijke goden kwamen en alle godinnen om te zien de schimmen dezer dooden. Draalt dus niet en weest niet traag, maar zendt, o goden, de schimbeelden dezer dooden, opdat zij gaan naar Misandra en doen wat ik opdraag, omdat ik u bezweer bij Jao en Sabaōth en Adonai ... Bourrephaomias, Salkē, Hadesbeheerscher, Sesengen. Dit is de spreuk: Baliaba, Erechcharnoi, Aberidouma, Salbachthieiserseratho, Eiserdaomi, Sisiphna, Sisa, Edoube, Achcharitonēs, Aber, Phnouba, Jabaldenathi Ithrouphi, zendt naar boven de schimbeelden dezer dooden naar Misandra de dochter van Aretē, om te doen wat ik opdraag".

Deze bezweringen bestaan voor een groot gedeelte uit verzen en fragmenten van verzen, blijkbaar aan de tragedie en het epos ontleend, zooals immers ook in deze papyri herhaaldelijk versregels uit Homerus als tooverspreuken worden aangehaald. Homerus was voor de Grieken vrijwel hetzelfde als voor christelijke volkeren de Bijbel en het is een feit dat ook verzen uit den Bijbel voor tooverdoeleinden zijn aangewend.

Het uiterst onaesthetische gebruik om mest als toovermiddel in het huis van de beminde te werpen, schijnt ook nu nog in zekere landen voor te komen en berust blijkbaar op het geloof, dat het "mana" van een overledene ook voorwerpen welke op de plek komen te liggen waar hij gestorven of begraven is, vermag te doortrekken en er zoodoende tooverkracht aan te verleenen. Viezigheden komen overigens in de tooverpapyri slechts vrij sporadisch voor.

Hoe men den toorn van een godheid als magisch middel moet gebruiken, wordt voornamelijk in v. 2455-2705 uiteengezet. Men moet nl. na allerlei voorbereidingen zich tot de maangodin wenden (v. 2472-2492):

"Moge de godin Actiophis mij toeblinken en mijne heilige stem hooren! Ik treed op om mijne aanklacht uit te spreken tegen de vuile en onreine Simaitha. Want zij gaf uwe heilige mysteriën aan de menschen ter kennis prijs.... Ontruk haar den slaap, geef haar verschroeiing der ziele, tuchtiging des geestes en verbijstering, en verdrijf haar uit ieder oord en ieder huis, voer haar aldus naar mij, Philogynes."

En in den dwangspreuk (v. 2574-2621,2643-2674) wordt beweerd dat Simaitha aan de godin een gruwelijk offer brengt onder welks bestanddeelen zich ook een ongeboren resp. een jong kind bevindt, zooals wij reeds in hoofdstuk III terloops hebben vermeld.

Hoogst opmerkelijk is in de bovenvermelde "Liefdesaantrekking", evenals trouwens ook in andere bezweringen de overspannen eisch dat het geheele doodenrijk, dat alle goden moeten samenwerken, om één minnaar zijn zin te laten krijgen. Allerzonderlingst bovenal is de mythologie er bij gehaald; Grieksche, Egyptische, Joodsche, Babylonische goden, scherp omlijnde figuren en vage abstracties worden om strijd aangeroepen.

Van edeler aard zijn de voorschriften (v. 154-285), die de toovenaar Nephotes aan Psammetichus, den koning van Egypte zou hebben gegeven, ten einde in het weerspiegelende water zelf de gedaanten van goden of overledenen te zien en hunne stem te vernemen, de hydromantie, die, zooals wij tegen het einde van hoofdstuk I zagen, reeds de legendaire Romeinsche koning Numa Pompilius zou hebben beoefend.

Zij vereischt allerlei voorbereidingen, waarvan wij hier een en ander willen vermelden. Men moet zich, met zwarte klimop bekransd, in bijzijn van een inwijder, op zuiver linnen neerleggen, zich de oogen met een zwarten riem laten omhullen, de houding van een doode aannemen en met gesloten oogen tegen de zon gekeerd (v. 171-178), eene bezwering (v. 179-208), driemaal uitspreken (208 vlg.). Dan ontvangt men. aldus "gewapend" een zeker teeken van den god en moet, onder dankbetuigingen, op een aarden reukschaal wierook offeren, die zonder insnijding in de boomschors is verkregen (v. 209-219).

Het voorschrift omtrent de eigenlijke handeling luidt (v. 223--231) aldus:

"Neem een bronzen vat of schaal of beker, zooals gij wilt, doe er water in, als gij de hemelgoden aanroept, regenwater, als gij de aardgoden aanroept, zeewater, als gij Osiris of Sarapis aanroept, rivierwater, als gij dooden oproept, bronwater, houd het vaatwerk op uwe knieën, giet er olie van onrijpe olijven op, en zeg, terwijl gij u er zelf over heen bukt, in het vaatwerk den daartoe vereischten tooverspreuk en roep welken god gij wilt, aan, en vraag hem waarover gij wilt en hij zal u antwoorden."

Bij deze tooverhandeling, die den koning alleen wordt medegedeeld (v. 254 vlgg.), dient men ook een amulet te dragen, en wel een zilveren plaatje, waarop de naam van den grooten god is geschreven (v. 257 vlgg.).

Aangaande het betooveren van knapen, reeds in III en IV herhaaldelijk vermeld, geeft o.m. de de zg. "neerval"-tooverij van "Salomo" (v. 850--929) ons nadere opheldering, eene handeling, die overigens ook met volwassen mannen kan worden verricht en waaromtrent eveneens de meest stipte geheimhouding wordt geboden (v. 851--856):

"Ik bezweer U bij de heilige goden en bij de hemelsche goden, aan niemand de tooverhandeling van Salomo mede te deelen en ze niet met den eerste den beste te verrichten, als niet eene noodzakelijke aangelegenheid u dwingt, opdat niet de goden voortdurenden wrok tegen u koesteren".

Daarna volgt eene aanroeping tot een god, om den magiër door middel van een man of knaap omtrent welke zaak hij wil in te lichten. De handeling zelf moet onder den blooten hemel plaats vinden en het medium op ongebrandetichelsteenen worden neergezet. Driedaagsche onthouding van sexueelen omgang, het gebruik van zekere planten als beschermmiddelen en zekere kleedingstukken zijn vereischt (v. 897--904). Voorts wordt (v. 904--915) den magiër geboden:

"Hef uwe handen ten hemel naar de stralen van de zon toe en spreek de bezwering zeven keer uit, offer uitnemenden wierook op hout van wijnstokken, na wijn of bier of honig of melk van eene zwarte koe te hebben geplengd en zeg vervolgens in 't oor van den betreffenden man of knaap zeven keer de tooverspreuk en hij zal terstond neervallen; maar gij zet u neer op de tichel-steenen en vraag hem uit en hij zal alles naar waarheid uiteenzetten. Gij moet hem en ook u zelf bekransen met een krans van geel Sint-Janskruid. De god is op die plant gesteld".

Ter onttoovering moet de magiër de woorden Ananak, Arbeouēri en Aeēiou[o-,] d.w.z. de opeenvolging der Grieksche klinkers, in 't oor fluisteren en indien de uitwerking uitblijft, eene zekere soort sesam op kolenvuur offeren met eene eenigszins gewijzigde bezwering en het verzoek tot den god: "Heer, ga heen naar uwe eigene tronen en bewaar (het medium) voor alle ellende (916--922).

Bij diergelijke tooverijen wordt ook wel gebruik gemaakt van eene lamp, waarin zich zuivere olie bevindt (v. 1094 vlg.). De magiër spreekt met geslotene oogen de tooverspreuk uit (v. 958) en kijkt eindelijk naar de vlam van de lamp, waarin de aangeroepene god moet verschijnen (v. 1104--1114). Vaak liet men echter ook, zooals een Egyptisch tooverboek uit dien tijd ons leert, een knaap, over wiens hoofd men eene bezwering uitsprak, in het licht zien; had de verschijning niet plaats, dan moest de knaap met zijn mond naar de lamp toegekeerd eene zekere formule zeggen. En dan openbaarde de god zich aan den knaap op het gegeven oogenblik.

Die "neerval"-tooverij zoowel als het gebruik maken van eene lamp, roepen ons onwillekeurig eene zekere beschuldiging te binnen, tegen den romancier-wijsgeer Apuleius gericht, zooals wij in IV hebben vermeld.

De aanroepingen, in die tooverpapyri tot de hoogere machten gericht, zijn soms van verbijsterende grootschheid. Vlg. bijv. de navolgende tot den minnegod (v. 1748--1796):

"Ik roep U aan, den leidsman van alle wording, U, die Uwe vleugelen uitspreidt over de geheele wereld, U, den ongenaakbare en onmeetbare, die in alle zielen de levenwekkende rede inblaast, U, die alle dingen hebt samengevoegd door Uwe macht, Eerstgeborene, Grondvester van het Al, goudvleugelige, zwartglanzende, die de bezadigde redeneeringen wegbergt en duistere razernij inblaast U, de verborgene, en die heimelijk aan alle zielen het niet te aanschouwen vuur der verwekking toedeelt, U, die de hand legt op al het bezielde, die niet met vermoeienis kwelt, maar met het smartelijk genot van de wellust, uit wien alles is ontstaan! Gij brengt bij Uwe ontmoeting leed aan, nu eens bezadigd, dan weer onberedeneerd, gij, door wien de menschen tegen de plicht in durven te handelen en dan de toevlucht nemen tot U, den zwartglanzende! Gij, jongste, wettelooze, onverzoenlijke, onverbiddelijke, onzichtbare, onlichamelijke, razernijverwekker, boogschutter, fakkeldrager van alle geestelijke waarneming, heerscher over alle verborgenheden, beschikker over de vergetelheid, oervader van het zwijgen ... kom, gij, onnoozel als gij ver-, wekt wordt in 't hart, machtigste als gij volgroeid zij't, ik roep U aan, den onverbiddelijke, bij Uwen grooten naam Azarachtharaza, Lathaiathal, Uuu, Lathaiathallalaph, loioio, Ai, Ai, Ai, Ai, Ouērieu Oiai ... Eerstverschijnende, in-de-nacht-ver-schijnende, in-de-nacht-U-verblijdende, nachtverwekker, verhoor mij!"

De volgende aanroeping, uit een der tooverpapyri van de Leidsche bibliotheek[77] is niet min der indrukwekkend:

