Magie bij de Grieken en de Romeinen

Part 8

Chapter 8 3,581 words Public domain Markdown

In zake de beheksing van den slaaf (c. 42-52) ontkent Apuleius niet, dat deze in zijne tegenwoordigheid was neergevallen (c. 44 vlg.), schrijft dit echter aan epilepsie toe: "Dat moet wel de grootste toovenaar van allen zijn, in wiens tegenwoordigheid die slaaf lang kan blijven staan" (c. 43). Echter komen de bijzonderheden van deze beschuldiging, zooals wij in ons laatste hoofdstuk zullen zien, vrij goed overeen met hetgeen ons de tooverboeken aangaande diergelijke handelingen leeren.

Van het nachtelijke offer, eene echte tooverpractijk, door de wet verboden, maakt Apuleius zich (57-60) grootendeels met grappen, insinuaties en sofismen af. Zijne tegenargumenten zijn weinig steekhoudend en zelfs is het vermoeden geopperd, dat hij, na zijne vrijspraak, er een en ander ten gunste van de rhetorische werking aan zou hebben geretoucheerd.

Het geheimzinnige beeld (c. 61-65) verklaart Apuleius voor een onschuldig voorwerp van particuliere vereering; het was echter een ebbenhouten beeld (c. 61), van Mercurius (de Latijnsche naam voor Hermes, z.b. hoofdstuk I) met een kleed om de schouders (c. 63), en juist zulke beelden van Mercurius, den god-toovenaar, werden, zooals in de tooverpapyri te lezen staat, voor magische doeleinden vervaardigd.

Vat men alles samen, dan bevestigt de "Apologie" wat men a priori van den auteur der "Metamorphosen" kon verwachten, n.l. dat hij, die zich op elk gebied van wetenschap bewoog, ook het "occultisme" beoefende, al was het dan ook niet met booze bedoelingen.

Apuleius, wien in geval van veroordeeling de doodstraf wachtte, bleef dan ook, ondanks zijne vrijspraak, bij zijne tijdgenooten voor een magiër doorgaan en werd in latere eeuwen met Apollonius van Tyana op ééne lijn gesteld.

De magie werd echter ook destijds, zoo noodig, voor officieele doeleinden gebruikt.

Keizer Marcus Aurelius (161-180) verzekert wel is waar in zijne "Zelfbeschouwingen" (I, 6) geen geloof te slaan aan hetgeen wonderdoeners en toovenaars omtrent bezweringen en het bannen van demonen en soortgelijke practijken vertelden, maar toen het Romeinsche rijk door de Marcomannen uit Bohemen en andere volksstammen uit aangrenzende streken werd bedreigd, riep hij overal priesters vandaan, liet vreemdsoortige plechtigheden verrichten en Rome op allerlei manieren reinigen, zoodat dit zelfs zijn vertrek naar het leger vertraagde[62]. Ook heeft hij blijkbaar den "leugenprofeet", Alexander van Abonouteichos (z.b.), begunstigd en wordt bericht, dat een Egyptisch magiër, Arnouphis, toen het Romeinsche leger, door de Quaden ingesloten en door afschuwelijken dorst gekweld werd, Hermes (Mercurius z.b.) en andere goden door middel van tooverkunsten bezwoer en zoodoende een regenval veroorzaakte, die de Romeinen verkwikte terwijl eene felle onweersbui de vijanden teisterde[63]. Zooals bekend hebben kerkelijke schrijvers dit "wonder" aan de gebeden van Christelijke soldaten toegeschreven.

Van een later keizer, Didius Julianus, wiens bewind (in 193) slechts kort duurde, wordt bericht dat hij aan alle kanten bedreigd "door middel van magiërs verscheidene handelingen liet verrichten waardoor hij meende, den haat van 't volk te kunnen kalmeeren en de wapenen der opgestane soldaten te kunnen bedwingen. Want ze offerden sommige offerdieren, die bij den Romeinschen eeredienst niet hooren, en hieven profane gezangen aan. Julianus nam ook zijne toevlucht tot die tooverij, waarbij, naar verluidt, een spiegel gebruikt wordt en geblinddoekte knapen, over wier kruin eene bezwering is uitgesproken, een blik in de toekomst slaan. Toen dan zou de knaap de aankomst van Severus en het aftreden van Julianus hebben gezien"[64].

Van spiegels in engeren zin, d.w.z. metaalspiegels, is bij de magie der Grieken en Romeinen slechts zeer zelden sprake. Opmerking verdient echter hetgeen de reeds vroeger genoemde Pausanias, in zijne "Beschrijving van Griekenland" (VII, 21, 12) bericht, dat nl. voor een zeker heiligdom van de godin Demeter (Ceres) zich eene bron bevond, die men ter wille van zieken in dier voege raadpleegde dat men een spiegel aan een dun koord liet neerzakken, totdat de rand ervan het wateroppervlak eventjes aanraakte. Na vervolgens tot de godin gebeden en reukwerk gebrand te hebben, zag men in den spiegel, die den zieke levend of gestorven vertoonde.

In de Middeleeuwen daarentegen en later bediende men zich voor magische doeleinden bij voorkeur van uiterst kunstig vervaardigde spiegels, of van bijzonder geslepene kristallen. Bij het raadplegen ervan werden allerlei bezweringen tot engelen en geesten gericht, die, naar men geloofde, alsdan verschenen en in heel enkele gevallen zelfs hunne stem lieten hooren. In den laatsten tijd is ook het "kristal-zien" proefondervindelijk onderzocht en gebleken, dat zich daarbij, naast waardelooze fantasiebeelden, ook visioenen voordoen, die op "helderziendheid" en wellicht nog op andere geheimzinnige krachten en invloeden wijzen.

Bij de Christenen bleef de afkeer tegen de magie bestaan maar de feiten zelve werden erkend. Allermerkwaardigst is te dien opzichte de navolgende uitspraak in de eerste apologie (c. 18) van Justinus den martelaar (± 154):

"De doodenbezweringen, de visioenen van onbedorven knapen, de oproepingen van menschelijke zielen en wat de magiërs droomenzendende geesten en bijzitters [helpende geesten] noemen en hetgeen verricht wordt door hen, die in deze dingen ervaren zijn, mogen U ervan overtuigen dat de zielen ook na den dood nog waarnemingsvermogen bezitten; let ook op de menschen, die door de zielen van overledenen gegrepen en geschokt worden, welke men eenstemmig bezetenen en waanzinnigen noemt, op de zoogenaamde orakelen bij U, van Amphilochus, van Dodona en Pytho en wat er verder van dien aard is...."

Amphilochus, een mythisch figuur evenals Trophonius (z.b.), werd op verscheidene plaatsen vereerd; te Dodona (in Epirus) was een orakel van Zeus en te Pytho (Delphi) een van Apollo.

Tatianus, een jongere tijdgenoot van Justinus, haalt in zijne "Rede tot de Grieken" zooveel mogelijk de booze geesten er bij, (c. 16):

"De demonen, die aan de menschen bevelen geven, zijn niet de zielen der gestorvenen."

Het schijnt hierbij niet te onpas, op te merken dat de Grieken en Romeinen geen scherpe grenslijn trokken tusschen demonen, d.w.z. bovenmenschelijke intelligenties, en overledenen en vaak de overledenen zelven als demonen beschouwden. Wellicht de meest frappante uitspraak dienaangaande is de navolgende van den reeds bovengenoemden Maximus uit Tyrus in "Voordracht" XV, 6:

"De ziel houdt het lichaam dat altijd in vloed en golfslag drijft en geschud en geslingerd wordt, bijeen en legt het vast voor anker, en wanneer die pezen en de adem en al het andere waardoor het lichaam, als met touwen, zoolang aan de ziel vastgeankerd was, verslappen, dan vergaat het lichaam en zinkt in de diepte, maar zij zelf ontzwemt den dood, ze is haar eigen vaartuig, houdt zich zelf bijeen en blijft onwrikbaar. En zulk eene ziel draagt reeds den naam van "demon", een voedsterling van den ether, uit de aarde naar ginds verhuisd, evenals uit een onbeschaafd volk naar Grieken, en uit eene wettelooze en door een tiran overweldigde en door onlusten geteisterde stad naar eene met goede wetten, die door een koning wordt bestuurd en vrede geniet".

Van amuletten en toovermiddelen wil Tatianus niets af weten (c. 17):

"Alle soorten van wortelen die men gebruikt, de magische toepassing van pezen en beenderen, hebben uit zich zelf geen uitwerking. Zij zijn slechts het werktuig, waarvan de demonen zich in hunne boosheid bedienen; zij hebben het bijzondere gebruik van ieder dier heelmiddelen vastgesteld en wanneer zij zien dat de menschen genegen zijn om de hulp aan te nemen, die ze hun door dit middel geven, dan slagen ze er in, ze tot slaven te maken terwijl ze hen bijstaan."

Tatianus beweert, dat de demonen de menschen eerst ziek maken en dan, opdat men zich te meer aan hen zou verslaven, gehoor geven aan de bezweringen, die zij zelf hebben ingevoerd (c. 18):

"De demonen genezen niet, maar vangen de menschen met list...zij dringen in de ledematen van zekere menschen, wekken vervolgens door droomen het geloof aan hunne macht op, bevelen de zieken in het openbaar te verschijnen, ten overstaan van allen, en na de eerbewijzen te hebben genoten, die men hun toekent, vliegen zij uit het lichaam van deze zieken en maken een einde aan de ziekte, die zij zelven hadden veroorzaakt en herstellen de menschen in hun vroegeren toestand."

Van de Gnostieken uit het tijdperk der Antonijnen zij hier een zekere Marcus vermeld, aangaande wien wij bij den hl. Irenaeus in diens werk "Tegen de ketterijen" (I, 13)(Ed. Massuet) lezen: "Hij bewerkt dat bekers met gemengden wijn, terwijl hij voorgeeft ze te wijden en de formule van aanroeping lang maakt, in purperen en roode kleur schitteren, zoodat het schijnt dat de "Genade, die boven alles is" door zijne aanroeping haar bloed in dien beker druppelt en de aanwezigen ten zeerste verlangen uit dien kelk te proeven, opdat de Genade, door den magiër aangeroepen, ook in hen vloeie". Naar bericht wordt, wierp Marcus te dien einde een zeker vocht in den beker, dat het mengsel langzamerhand kleurde. Irenaeus verzekert ook, (I, 21), dat bij de gnostieke inwijding een doop plaats vond en dat sommigen hier zekere hebreeuwsche namen aan toe voegden "om de inwijdelingen meer te doen ontstellen" en ook dat zij dezen met sap van balsem inwreven. Die fragmentarische en verwarde berichten zijn thans door de nieuwe vondsten eenigszins opgehelderd. In een koptisch geschrift toch worden de drie doopen, nl. die met water, met vuur en met den H. Geest uitvoerig beschreven, die Jezus zijn jongeren toedient alvorens hun de mysteriën mee te deelen waardoor de ziel "de oorden van den onzichtbaren God" vermag te "doorwandelen" (z.b.). Ten behoeve van den eersten doop moeten de discipelen uit de handen van een man en eene vrouw die rein zijn van sexueelen omgang, twee kruiken wijn ontvangen en wijnranken halen. Jezus maakt vervolgens een offer gereed, plaatst een wijnkruik links en den anderen rechts van het offer, gelast den discipelen zich in linnen kleeren te hullen, steekt in hun mond en legt in hunne handen zekere kruiden en stelt hen voor het offer. Daarna spreidt Jezus kleeren van linnen uit, zet een beker met wijn en legt brooden overeenkomstig het aantal der discipelen er op en bekranst de discipelen met olijftakken. Na een gebed van Jezus geschiedt een wonder: de wijn aan de rechter zijde van het offer wordt tot water; dan treden de discipelen voor Jezus, die ze doopt en hun de brooden toereikt. Daarop volgt de vuurdoop, waarmee waarschijnlijk de zelfontvlamming van een reukwerk is bedoeld, terwijl de ceremoniën voorts met die bij den eersten doop vrijwel overeenstemmen. Bij den derden doop worden aan het reukwerk "overblijfselen van safraan", balsem en honig toegevoegd en de discipelen met myrtetakken bekranst. Een bewalming met wierook en andere stoffen dient om uit de discipelen de "boosheid" van de "heerschers" in de lagere gebieden van de andere wereld te verwijderen[65]. Ook legt Jezus den discipelen wierook in den mond en deelt hun ten slotte de reeds boven vermelde geheimzinnige woorden en teekenen mede. Blijkbaar hebben diergelijke ceremoniën, met zekere variaties, in de mysteriën der Gnostieken plaats gevonden.

De benoodigdheden zoowel als de handelingen bij deze gnostieke mysteriën komen bijna alle ook elders in de magie voor. Gedeeltelijk is dit reeds gebleken, omtrent enkele bijzonderheden echter willen wij nog een en ander in 't midden brengen.

Onthouding van sexueelen omgang is vaak een vereischte voor het slagen van magische handelingen. De minste tijdruimte hierbij is, zooals wij reeds in III aanstipten en later nog blijken zal, drie dagen. Voor eene zekere oproeping van Aphrodite, (Pap. Paris. 3209) moet men zeven dagen, voor de bezwering, vermeld in het "Achtste boek van Mozes", één en veertig dagen zuiverheid betrachten[66]. Apollonius van Tyana bleef, naar verluidt, gedurende zijn geheele leven, sexueel rein[67].

Dergelijke voorschriften vindt men bij vrijwel alle volkeren. Ook de Hindoes achten bij zelfstandige tooverhandelingen het inachtnemen van onthouding gedurende ten minste drie dagen noodzakelijk. De Chineesche magiërs ontzeggen zich o.m. ook sexueele genietingen en bij de primitieve volkeren moeten de toovenaars zich door wekenlange en uiterst strenge onthoudingen op de uitoefening van hun beroep voorbereiden.

De hoofdreden hiervan is, dat de geslachtelijke omgang als verontreinigend wordt beschouwd. Men gaat daarbij niet uit van "ethische" of maatschappelijke overwegingen; of de handeling in quaestie bijv. echtelijk of buitenechtelijk is, doet niets ter zake. Maar men vreest, dat booze demonen, door de wellust aangetrokken, den mensch binnendringen en hem zoodoende onrein maken. Het "animisme" doet zijn machtigen invloed ook op het sexueele leven gelden.

Linnen is eveneens bij de magie vaak in gebruik In den Pap. Par. wordt (v. 3094) den magiër bevolen, een rein kleed van Indisch linnen om te doen, en Apollonius van Tyana zou zijn leven lang linnen gewaden hebben gedragen. Onder het Romeinsche bewind werd een Egyptisch priester van lageren rang aangeklaagd, omdat hij o.m. wollen kleedingstukken droeg[68]. Waarschijnlijk geloofde men in overoude tijden dat linnen een uitstekend geleider is voor dat geheimzinnige, en reeds herhaaldelijk door ons vermelde "mana". Ook de "magnetiseurs" verkondigen dergelijke theorieën.

Wierook is, zooals wij ook later nog zullen zien, eene der voornaamste benoodigdheden bij de magie. In een tooverpapyrus wordt o.m. den magiër bevolen, zijn mond met een wierookkorrel te berooken[69]. En in onze Oost is het branden van benzoë, eene soort wierook, algemeen in zwang, en wel teneinde booze geesten te verjagen, eene bedoeling, die men zeker ook oudtijds had bij het gebruik van reukwerk.

Vatten wij de uitkomsten van dit hoofdstuk samen, dan blijkt, dat aan het einde der tweede eeuw n. Chr. de realiteit der magie en, in verband hiermede, de inwerking van "demonen" vrijwel algemeen werd erkend. Bij de discussies, die van toen af over dit onderwerp werden gehouden, ging het hoofdzakelijk om de vragen: "Hoe moet men de magie uit een wijsgeerig standpunt verklaren?" en "Hoe moet men haar uit een religieus oogpunt beoordeelen?"

*Litteratuur.*

#P.J. Veth#, Java, 2'e. dr. bew. d. Snelleman e. Niermeyer IV [1907].

#Göttsching#, Apollonius v. Tyana, dissertatie Leipzig [1889].

*#K. Kiesewetter#, Der Occultismus des Altertums [1896].

#G.R.S. Mead#, Apollonius of Tyana [1901].

#Canney#, Apoll. of T., in Enc. Rel. Eth. I [1908].

#Th. Whittaker#, Apollonius of Tyana a. other essays [1909].

#J.J. Hartman#. De Avondzon des Heidendoms. Het leven e.d. werken v.d. Wijze v. Chaeronea 2'e dr. [1912].

#G. Abernetty#, De Plutarchi qui fertur de superstitione liber, dissert. Königsberg [1911].

#B. Freire-Marreco#, Charms a. Amulets, in Enc. Rel. Eth. III [1910].

#F.T. Elworthy#, Evil Eye, in Enc. Rel. Eth. V. [1912].

#R. Lasch#, Die Ursache u. Bedeutung d. Erdbeben im Volksglauben, in Arch. f. Religionswiss. V [1902].

#Wallis#, Prodigies a. portents, in Enc. R.E.X. [1918].

#Frazer#, Scapegoat [1914].

#F. Schwally#, Semitische Kriegsaltertümer. I. Hft. Der hl. Krieg im alten Israël [1901].

#P. Fiebig#, Antike Wundergeschichten. Zum Studium der Wunder des Neuen Testamentes, in kl. Texte f. Vorl. u. Ueb. hsg. v. H. Lietzmann No. 79 [1911].

*#A. de Rochas# L'extériorisation de la motricité, 4'e uitg. [1906].

#E. Feilding, W.H. Baggally, H. Carrington#, Report o.a. series o. sittings with Eusapia Palladino, in Proceedings o.t. Society Psychical Research, Vol. XXIII [1909].

#Riess#, Aberglaube, in Pauly, Real.-Enc. cl. Alt. 2'e dr. I [1894].

#Doutté#, Magie et Religion d. l'Afrique d. Nord (1909).

#Stanley#, Through the dark continent, Vol. I [1878].

*#Graillot#, Le culte de Cybèle, Mère des Dieux à Rome et dans l'empire Romain, in Bibl. écol. françaises d'Athènes e.d. Rome, fase. 107 [1912].

*#Cumont#, Textes e. Monuments fig. rel. a. mystères d. Mithra I [1899].

#S. Krauss#, D. Leben Jesu n. jüdischen Quellen [1902].

#Anrich#, Das antike Mysterienwesen in seinem Einfluss auf das Christentum [1894].

#J. de Zwaan#, Imperialisme v. d. Oud-christelijken geest (1919).

#H. Weinel#, Die Wirkungen des Geistes und der Geister im nach-apostolischen Zeitalter (1899).

#Bousset#, Kyrios Christos, Geschichte des Christusglaubens v. d. Anfangen d. Christentums bis Irenaeus, in Forsch. z. Rel. u. Lit. d. Alt. u. Neu. Test. 21 Hft. (1913).

#Thimme#, Alexander von Abonuteichos. Ein Beitrag zur Glaubwürdigkeit Lucians, in Philologus XLIX (1890).

*#O. Seeck#, Gesch. d. Unterg. d. ant. Welt Bd. III (1909).

#Couperus#, De verliefde Ezel [1918].

#E.E. Sikes#, Hair a. nails in Enc. R. E. VI [1913].

#M. Bartels#, Die Medizin der Naturvölker [1893].

#K. Kiesewetter#, Die Geheimwissenschaften [1895].

#P. Monceaux#, Apulée magicien, in Revue d. deux mondes LXXXV [1888].

#P. Vallette#, L'apologie d'Apulée. Thèse, Paris [1908].

#S. Dill#, Alexand o. Abonoteich., in Enc. R. E. I, (1908).

#K.H.E. de Jong#, Dienstweigering bij de oude Christenen (1905).

#M. Ott#, Thundering Legion, in The Catholic Encyclopedy XIV [1912].

#A. Lang#, Crystal-Gazing, Enc. R. E. IV [1911].

*#T. Dempsey#, The Delphic oracle, its early history, influence a. fall.(1918).

#Puech#, Rech s.l. disc. a. Grecs d. Tatien (1903).

*#E. Fehrle#, Die kultische Keuschheit im Altertum, in Religionsgesch. Ver. u. Vor. VI (1910).

* * * * *

HOOFDSTUK V.

*Het geloof gerechtvaardigd door de wijsbegeerte.*

De derde eeuw n. Chr. wordt geestelijk beheerscht door het zg. Neoplatonisme, dat de leer van Plato en die van Aristoteles tot één geheel trachtte te verwerken, maar tevens ook veel aan de Pythagoreëen en de Stoa ontleende. De Neoplatonici, vol van belangstelling voor cosmologische en psychologische problemen, kenden ook aan de magie eene plaats in hun systeem toe en hebben ze in hare hoogste uitingen ten slotte als iets van goddelijken aard beschouwd.

Van den stichter der Neoplatonische school, Ammonius Saccas (gest. ± 242), die niets schriftelijks heeft achtergelaten, weten wij zeer weinig met zekerheid, al is er reden om aan te nemen, dat zijne verdiensten ook op zielkundig gebied nog niet naar waarde zijn geschat. Van zijn leerling Plotinus (203-269) daarentegen zijn ons alle geschriften overgebleven en gelukkig is dit ook het geval met zijne biographie, geschreven door zijn eigen volgeling Porphyrius (± 233 - ± 303), een man van litterair talent en critische waarheidsliefde.

De levensbeschrijving van Plotinus is vooral uit een zielkundig oogpunt belangrijk. Porphyrius toch verzekert dat zijn leermeester buitengewone psychische gaven bezat en twee door hem vermelde feiten behooren rechtstreeks tot het gebied der magie.

Wij geven Porphyrius zelf het woord (c. 10):

"Van hen, die zich voor philosofen uitgaven, zag Olympius uit Alexandrië, die korten tijd discipel van Ammonius was geweest, met verachting op Plotinus neer, daar hij gaarne zelf den eersten rang had ingenomen. Olympius bestookte Plotinus ook in dier voege, dat hij zelfs door tooverijen den schadelijken invloed der gesternten op hem wilde doen werken. Daar hij echter gevoelde dat zijne poging op hem zelf terugsloeg, zeide hij tot zijne vertrouwelingen, dat de zielskracht van Plotinus groot was, zoodat deze de tegen hem gerichte aanvallen tegen de kwaadwilligen zelven vermocht te keeren. Plotinus verzette zich dan ook, wanneer Olympius tegen hem werkte en zei dan: "Nu wordt het lichaam van Olympius als een in elkaar gewrongen geldbeurs saamgetrokken en wel zóó, dat zijne ledematen zich tegen elkaar wrijven." Aangezien Olympius aldus vaak in de onaangename situatie had verkeerd van eerder zelf te lijden dan Plotinus te deren, hield hij met zijne pogingen op."

Zooals reeds in hoofdstuk III is gebleken, werden de sterrewichelaars, die vooral sinds het optreden van Posidonius (±135-±51 v. Chr.) steeds meer aanhangers wonnen, gewoonlijk met de magiërs op ééne lijn gesteld. Hier zien wij hoe astrologie en tooverij, schoon uitteraard verschillend, ineen vloeien, zooals trouwens het verschil tusschen magie en wichelarij zich niet altijd door scherpte kenmerkt. In het bovenstaande geval is wat de verklaring betreft, de mogelijkheid niet van de hand te wijzen, dat iemand, door het vaste geloof aan de macht der sterren, eene telepathische werking zou vermogen uit te oefenen en evenmin, dat degene, tegen wie ze is gericht, door een sterkeren aanleg voor supranormale krachtsuitingen, de booze bedoelingen op den belager zelf zou kunnen doen neerkomen.

Nog belangrijker is wat terstond op het bovenvermelde verhaal volgt:

"Plotinus was dan ook reeds van geboorte af, boven de andere menschen bevoorrecht [zooals uit het volgende blijkt]. Een Egyptisch priester, die naar Rome was gekomen en door een vriend met hem in kennis was geraakt, wilde eene proeve van zijne wijsheid toonen en verzocht Plotinus om mee te komen, ten einde zijn eigen demon [beschermgeest], zooals men hem noemt, te zien verschijnen. Daar Plotinus er gaarne gehoor aan gaf, geschiedde de oproeping in den Isistempel, want dit was, naar het zeggen van den Egyptenaar, de eenige reine plek, die hij in Rome had gevonden. Toen nu de beschermgeest opgeroepen werd om te verschijnen, zou een god en geen van het geslacht der demonen zijn gekomen, en zou de Egyptenaar dan ook gezegd hebben: "Gelukzalig zijt gij, dat ge een god tot beschermgeest hebt en niet een van lageren rang." Zij hadden echter den god niet kunnen ondervragen en ook niet verder kunnen zien, daar de mee aanwezige vriend de vogels, die hij tot afweer [van schadelijke invloeden] in de hand hield, worgde, hetzij uit afgunst of uit schrik. Omdat nu Plotinus een van de goddelijkere demonen tot beschermgeest had, verhief hij ook bestendig zijn goddelijk oog tot hem. En om die reden schreef hij ook een betoog "Over den demon die ons ten deel is gevallen," waarin hij pogingen doet, om gronden voor de verscheidenheid der beschermgeesten aan te voeren."

Vogels bij diergelijke bezweringen te offeren, ook door ze op een bepaald oogenblik te verstikken, was meer gebruikelijk. Daardoor toch meende men den dood te kunnen afwenden, waarmee, naar het aloude geloof, de verschijning van eene godheid den mensch bedreigde. De vogels, bij de oproeping van bovenmenschelijke wezens gedood, waren dus, naar alle waarschijnlijkheid, oorspronkelijk plaatsvervangende offers. Voorts hangt dit vogeloffer wellicht ook samen met het geloof, dat de menschelijke ziel, na den dood, de gedaante van een vogel aanneemt, een geloof, dat vooral bij de oude Egyptenaren heerschte.

Plotinus heeft getracht, de magie uit de grondstellingen van het Neoplatonisch systeem te verklaren en wel, om het in 't kort, maar zooveel mogelijk met zijn eigen woorden weer te geven, aldus: