Magie bij de Grieken en de Romeinen
Part 7
(6) En toen zij [nl. Paulus en Barnabas] het eiland [Cyprus] doorgetrokken waren tot aan de stad Paphos, troffen zij er een Joodschen toovenaar en leugenprofeet aan, met name Bar-Jezus, (7) die tot het gevolg van den stadhouder Sergius Paulus, een zeer verstandig man, behoorde. Deze ontbood Barnabas en Saulus en begeerde zeer, het woord Gods te hooren. (8) Maar Elymas, de toovenaar--want aldus wordt zijn naam vertolkt--kwam tegen hen op en trachtte den stadhouder van het geloof afkeerig te maken. (9) Maar Saulus (ook Paulus genoemd), vervuld van den Heiligen Geest, keek hem scherp aan (10) en zeide: "O gij kind des duivels, vol van alle bedrog en alle arglist, vijand van alle gerechtigheid, wilt gij eens ophouden, de rechte wegen des Heeren krom te maken? (11) Zie dan, de hand des Heeren keert zich tegen U en gij zult blind zijn en de zon voor een tijd niet zien!" En terstond viel nevel en duisternis op hem, en tastende zocht hij rond naar wie hem bij de hand zouden leiden. (12) Toen de stadhouder zag wat gebeurd was, geloofde hij, ontzet over de leer van den Heer."
Hier zien wij dus, hoe naar de Christelijke opvatting, een toovenaar-profeet door de goddelijke macht krachteloos wordt gemaakt.
Zeer opmerkelijk is ook hetgeen naar aanleiding van Paulus' prediking in Ephese wordt vermeld (Handelingen XIX, 19):
"Velen ook dergenen, die magische kunsten beoefend hadden, brachten de [toover]boeken bijeen en verbrandden ze in tegenwoordigheid van allen; men berekende de waarde ervan en kwam tot een bedrag van vijftigduizend zilverstukken."
In de "Openbaring van Johannes" wordt (XXI, 8) verzekerd, dat ook aan de toovenaars als aan de andere misdadigers "hun deel zal zijn in den poel die daar brandt van vuur en sulfer, hetwelk is de tweede dood" (vgl. ook XXII, 15).
De zg. Apostolische Vaders sluiten zich bij die zienswijze aan.
In den zg. "Brief van Barnabas" (waarschijnlijk uit de eerste eeuw dagteekenende) wordt c. 20 gewaarschuwd voor den "weg der duisternis", want het is "de weg van den eeuwigen dood met straf, waarop zich bevindt wat de ziel te gronde richt", en daaronder wordt ook de magie uitdrukkelijk genoemd.
Ook de zg. "Leer der Twaalf Apostelen" (hoogstwaarschijnlijk later dan de brief van Barnabas) zegt in c. III, 4 o.m.: "Mijn kind, wordt geen bezweerder noch astroloog noch magiër en verlang die dingen niet te zien, want uit dit alles ontstaat afgodendienst". Dit was dus bij de Christenen het groote bezwaar tegen de tooverij.
Desondanks werden zoowel Jezus zelf als zijne volgelingen in 't algemeen als magiërs beschouwd.
Het is bijv. een feit, dat de Joden Jezus voor een toovenaar uitmaakten. Volgens eene overlevering zou Jezus in Egypte de magie hebben geleerd en door middel van haar zijne wonderdaden hebben verricht. In Joodsche legenden van lateren tijd staat o.m. te lezen, dat Jezus een geheim perkament met den waren naam Gods had bezeten, dat dit hem echter afhandig werd gemaakt en hij dientengevolge zijne tooverkracht verloor. Die verhalen hebben echter, zooals van zelf spreekt, geen historische waarde. Daarentegen valt het niet te ontkennen, dat zekere wonderdadige genezingen, zooals ze in de Evangeliën worden verhaald, sterk op die van magiërs gelijken. Wanneer wij lezen, hoe Jezus doofstomheid (Marcus VII, 33) en blindheid (Marcus VIII, 23 en Johannes IX, 6) geneest door o.m. van zijn speeksel gebruik te maken, dan denken wij onwillekeurig aan de wonderdaad van Vespasianus en aan hetgeen wij verder t.p. hebben vermeld. En wanneer in Lucas VIII, 43 vlg. staat, hoe eene zieke vrouw reeds daardoor genezen wordt, dat zij den zoom van Jezus' kleed aanraakt, en hoe in v. 46 Jezus zelf verklaart te voelen dat kracht van hem is uitgegaan, dan herinnert dat ons van zelf aan de wonderdadige geneeskracht, die, zooals wij reeds in hoofdstuk II zagen, door de primitieve volkeren aan hunne opperhoofden wordt toegeschreven.
De Christenen gingen, evenals de Joden, in 't algemeen bij de Romeinen voor magiërs door. Wanneer de geschiedschrijver Suetonius in zijn "leven van Nero" c. 16, de Christenen naar aanleiding van de vervolging onder dien keizer eene soort menschen noemt van eene "nieuwe en boosdoende superstitie", dan gebruikt hij--'t geen hoogst opmerkelijk is--een woord, nl. boosdoende (malefica) dat ook bij uitstek van de tooverij in ongunstigen zin werd gebezigd. In een brief, aan keizer Hadrianus toegeschreven, worden de Christelijke presbyters voor wichelaars en dgl. uitgemaakt[56]. Met die beschuldiging van magie hangt ook het gerucht samen, dat vooral in de tweede eeuw hardnekkig werd geloofd, dat nl. de Christenen een klein kind slachtten en brood in het bloed doopten om aldus het eeuwige leven te verwerven. Aanleiding daartoe was blijkbaar de geheime viering van het avondmaal bij de Christenen en zekere uitdrukkingen, die zij voor dit sacrament gebruikten. Het griezelige, dat men van de magiërs geloofde, geloofde men ook van de Christenen, en men nam zich niet de moeite, om het feit zelf deugdelijk te bewijzen. Voorts werd het, zooals te begrijpen, als magie beschouwd, wanneer de Christenen door den naam van Jezus "duivelen" uit de bezetenen verdreven. Overigens was, zooals wij in hoofdstuk III gezien hebben, het exorcisme reeds voordien gebruikelijk.
Begunstigers daarentegen van de magie waren de zg. Gnostieken, sectariërs, van vóór onze jaartelling dateerende, echter reeds spoedig met het Christendom in aanraking gekomen. Gnosis, d.w.z. kennis, is, naar hunne opvatting, niet zoo zeer de "zelfbezinning van het intellect" als wel eene geheimzinnige openbaring, die door inwijding en sacramenten, door visioenen en extase den mensch ten deel valt. Wij zijn aangaande de Gnostieken vrij gebrekkig ingelicht en meestal slechts op de berichten van hunne tegenstanders aangewezen, maar dat zij sterk aan magie deden, is boven twijfel verheven. Zeer opmerkelijk is het, dat bovenvermelde Simon "de toovenaar" door de oude kerk werd beschouwd als de "vader der ketterijen", die "deels door goocheltoeren, deels ook door de hulp van demonen"[57] velen misleidde. Zooals wij in hoofdstuk V zullen zien, beoefenden de "Simonianen", die zich geruimen tijd wisten te handhaven, o.m. de doodenbezwering. Van Carpocrates (eerste helft der tweede eeuw) en zijne volgelingen luidt het: "Zij houden zich op met magische kunsten en bezweringen, minnedranken en toovermiddelen, bijzitters [helpende geesten] en droomenzendende geesten en de overige boosdoenarijen, bewerende de macht te hebben om reeds te heerschen over de vorsten en vormers van deze wereld, ja zelfs over al het geschapene in haar"[58]. Uit koptisch-gnostische geschriften, die men in den laatsten tijd gevonden en uitgegeven heeft, zijn wij hieromtrent een en ander te weten gekomen. In een dier boeken bijv. staat o.m. opgegeven welke symbolen en bezweringen van noode zijn, om "de oorden van den onzichtbaren God te doorwandelen". De symbolen of "zegels" bestaan uit allerlei figuren, die soms op sneeuwkristallen gelijken, de bezweringen grootendeels uit vreemdsoortige namen, als Jaldabaoth en allerzonderlingste klankverbindingen als zozeze, ja, herhalingen van enkele klinkers als bijv. eene drievoudige e. Bij iedere afzonderlijke aanroeping van gindsche "heerschers" moet men tevens een mystiek getal als bijv. 1119 "met de handen grijpen"[59]. Dergelijke practijken waren reeds in het oude Egypte gebruikelijk, zooals o.m. uit het zg. Doodenboek, feitelijk eene verzameling van tooverformulieren, blijkt.
In de tweede helft der tweede eeuw n. Chr. heeft het ongeloof nog wel eenige voorstanders onder de wijsgeeren, maar het moet hoe langer hoe meer zwichten voor de onweerstaanbare macht der pythagoreïsche en platonische philosophie. En hoe men in die kringen over de realiteit der magie dacht, leert ons bijv. de veertiende "voordracht" van Maximus, uit Tyrus, een toenmalig "conférencier", die daarin o.m. inlichtingen omtrent allerlei orakelen geeft. Vgl. inzonderheid de navolgende passage, (2, vlg.):
"In Boeotië, nabij de stad Lebadea, is een orakelgrot, genoemd naar den halfgod Trophonius. Wie hem wil raadplegen, legt een linnen, tot de voeten reikend, roodkleurig gewaad aan, neemt [honig]koeken in beide handen, en begeeft zich achterovergebogen door eene smalle opening binnen de grot. Na het een en ander te hebben gezien of gehoord komt hij weer naar boven en is zelf de tolk van wat hij waarnam. En ergens in Italië, in Groot-Griekenland, was bij het meir dat Avernus heet, een orakelgrot met priesters: psychagogen, geheeten naar hun werk [het oproepen van zielen]. Wie daar ter wille van het orakel gekomen was, deed een gebed, slachtte offerdieren, bracht plengoffers en riep de ziel van wien hij wilde, van voorouders of van vrienden, op. En dan kwam hem een schimbeeld te gemoet, wel is waar onduidelijk om te zien en moeilijk te herkennen, maar toch in staat om eene stem te laten hooren en voorspellingen te doen, en na geantwoord te hebben op hetgeen men vroeg, verdween het. Het schijnt mij toe, dat ook Homerus dit orakel kende en Odysseus er de reis heen laat doen, al heeft hij het, met dichterlijke vrijheid, ver van de Middellandsche zee verplaatst.
3. Indien deze dingen waar zijn, zooals het geval is, daar deels die orakelen ook nu nog bestaan, zooals ze waren, deels nog duidelijke sporen van den dienst en de plechtigheden bij die instellingen over zijn," enz.
Eene zeer uitvoerige beschrijving van het Trophonius-orakel geeft, uit eigen ervaring, een tijdgenoot van Maximus, nl. Pausanias, in zijne beschrijving van Griekenland "de Baedecker der oudheid" (IX, 39). Van het meir Avernus, in Campanië, is reeds in hoofdstuk III sprake geweest; hier willen wij nog slechts opmerken, dat Zuid-Italië, wegens de vele Grieksche kolonies die er waren, vaak "Groot-Griekenland" werd genoemd.
De satiricus Lucianus uit Syrië (± 120-na 180), die zich niet ontzag de meest hoogstaande philosophen te bespotten, kantte zich fel tegen alles wat maar naar magie zweemde en heeft enkele geschriften speciaal aan de bestrijding ervan gewijd.
Bekend is zijne levensbeschrijving van "Alexander den leugenprofeet" uit Abonouteichos (in Klein-Azië), die ook bij hooggeplaatste Romeinen zeer gezien was. Lucianus, zijn persoonlijke vijand, noemt hem een toovenaar (c. 1), verwijt hem, op grond van hooren zeggen, grove onzedelijkheid (c. 5) en beschuldigt hem van stelselmatig bedrog, ja zelfs van poging tot moord (c. 56 vlg.). Dit alles valt, door gebrek aan andere bronnen, moeilijk te controleeren; maar dat men Alexander niet botweg mag beoordeelen naar de critiek van iemand, die, op 't voorbeeld van Epicurus, verklaart, dat "wonderen" bedrog moeten zijn, ook al kan men dit niet aantoonen (c. 17)--daarover worden de deskundigen het toch meer en meer eens.
Van eenigszins minder inferieur gehalte is de "Menippus of doodenbezwering", waarin Lucianus genoemden satiricus, geholpen door een Chaldeeuwschen magiër, in de onderwereld laat neerdalen. De beschrijving van de hiertoe vereischte voorbereidingen en ceremoniën, hoe wonderlijk ook, is geen pure fantasie. Menippus nl. vertelt o.m., hoe de magiër hem omstreeks middernacht naar de Tigrisrivier leidde, hem reinigde, met klei afwreef, met fakkels en de zeeajuin en verscheidene andere middelen zuiverde en tevens eene bezwering mompelde, (c. 7), 't geen met andere berichten omtrent soortgelijke handelingen overeenstemt. Van de onderwereld zelve zij hier vermeld, dat, volgens onzen zegsman, Socrates daar, tengevolge van zijne vergiftiging, nog met gezwollen beenen rondliep, (c. 18).
Al zijne bitterheid heeft Lucianus echter in "De leugenvriend of de ongeloovige" bijeengegaard, om ze onbarmhartig uit te storten over iedereen die zich in dezen niet met de zienswijze der atomisten (c. 32 f.f.) kan vereenigen, 's Mans fijne en vindingrijke ironie moge uit staaltjes als de navolgende blijken: Een der "wondergeloovigen" verzekert, een blik in de onderwereld te hebben geslagen en antwoordt op de vraag of hem ook Socrates voor oogen was gekomen, aldus: "Ik zag Socrates, echter niet duidelijk, maar op de gis af, omdat hij een kaal hoofd en een dikken buik had" (c. 24). Van een ander wordt gezegd, dat hem "de ideeën zelve verschijnen, die Plato laat zien, een duister schouwspel voor zwakken van gezicht" (c. 16), waarmee de geestigheid van Lucianus in deze materie haar toppunt heeft bereikt.
Een tegenhanger van Lucianus is de grootste der toenmalige Latijnsche belletristen, Apuleius uit Madaura (heden ten dage Mdauroesch in Algiers), tevens een man van encyclopaedische kennis. Zijn bekendste werk, de kleurrijke en artistieke roman "Metamorphosen", d.w.z. "Gedaanteverwisselingen", ook wel "De gouden ezel" genoemd, vereenigt op eigenaardige wijze nuchter realisme met weelderige fantasie, losbandige dartelheid met innige devotie. De held ervan, Lucius, een jeugdig en hoogst onbezonnen geleerde, wordt nl. in een ezel veranderd en beleeft als zoodanig de zonderlingste lotgevallen, totdat hij door de genade van Isis wordt verlost en zich uit dankbaarheid aan den dienst der godin wijdt.
Uit dit boek spreekt een enthousiasme voor tooverij, zooals wij het zelden elders aantreffen. Wij willen hier het meest frappante aanhalen.
Lucius, te Hypata, een stadje in Thessalië, aangekomen, denkt over de wonderen na, die hij verwacht te zien (II, 1):
"Zoodra de zon de nacht verdreven en den dag hernieuwd had, verhief ik mij tegelijkertijd uit den slaap en uit het bed, tóch al gespannen en bovenmatig nieuwsgierig, om wat zeldzaam en wonderbaarlijk is, te leeren kennen, en bedenkende, dat ik mij midden in Thessalië bevond, dat de geheele aardkring als de bakermat der tooverzangen verheerlijkt ... bekeek ik alles stuk voor stuk met de grootste belangstelling en nieuwsgierigheid. En er was niets in dat plaatsje wat ik bij den aanblik voor dat hield wat het was, maar ik geloofde dat alles zonder onderscheid door helsch toovergemompel in eene andere gestalte was omgezet, dat de steenen, die ik er aantrof, uit menschen verhard, de vogels die ik hoorde, evenzoo bevederd, de boomen, die de stadgrens omgaven, op gelijke wijze bebladerd en dat de bronwateren vervloeide menschenlichamen waren. Reeds verwachtte ik, dat de standbeelden en schilderijen zouden gaan wandelen, de muren spreken, de runderen en soortgelijk vee profeteeren en van den hemel zelf en de zonneschijf plotseling een orakel zou neerdalen."
Daar ontmoet hij eene aanverwante, de matrone Byrrhina, die hem waarschuwt voor de booze kunsten van Pamphile (jongensgek), wier echtgenoot hem gastvrijheid verleent (2 vlg.):
"Maar ik", aldus gaat Lucius in c. 6 voort, "toch al nieuwsgierig, was, zoodra ik het altijd gewenschte woord "tooverkunst" hoorde, er zoo verre van af, om voor Pamphile op mijne hoede te zijn, dat ik integendeel er naar snakte, om mij aan zulk eene leerschool zelfs tegen eene rijke betaling gaarne over te geven en mij rechtstreeks met rassen sprong in den afgrond te storten."
De zucht naar tooverij valt moeilijk met schellere kleuren te teekenen.
Door middel van eene slavin, waarmee hij liefdesbetrekkingen aanknoopt, tracht Lucius achter de geheimen van Pamphile te komen.
Pamphile, aan haar weinig sympathieken echtgenoot ontrouw, legt zich vooral op liefdestooverij toe, waaromtrent dan ook in III, 17 vlg. een en ander wordt medegedeeld. Zij tracht afgesneden haren van dengene op wien ze verliefd is, meester te worden, en bedient zich voorts van een zeer omvangrijk tooverapparaat: allerlei soort welriekende kruiden, platen met onverstaanbare karakters bekrast, overblijfselen van verongelukte schepen, lichaamsdeelen van overledenen, bloed van vermoorden, bekkeneelen aan de tanden van roofdieren ontrukt, bezweringen, plengingen, nu eens met bronwater, dan met koeienmelk, met wilden honig ofwel met wijnmee. Na vervolgens de haren in elkaar gestrengeld en geknoopt te hebben werpt ze deze ter verbranding in een gloeiend kolenvuur.
Wij hebben verscheidene van deze toovermiddelen reeds herhaaldelijk vermeld en willen hier meer bepaaldelijk onze aandacht op de haren vestigen.
De haren toch spelen in het volksgeloof eene groote rol. Zelfs worden ze vaak als zetel van de levenskracht beschouwd. Volgens Euripides snijdt de dood een lok af van het hem gewijde slachtoffer[60]. Vergilius verhaalt in het (reeds in hoofdstuk III door ons aangehaalde) vierde boek der Aeneïde (v. 696-705), hoe Dido die "voor haar tijd" zelfmoord pleegt, niet van het lichaam kan scheiden, alvorens haar van godswege een lok van de kruin is afgesneden. En wie denkt hierbij niet onwillekeurig aan Simson, die met zijne weelderige haren tegelijk ook zijne reuzenkracht verliest?
Het is dus geen wonder, dat de haren bij liefdestooverij en envoûtement te pas komen. Lucianus vermeldt in zijne "heterengesprekken" (IV, 4), hoe voor de betoovering van een ontrouwen minnaar iets van den man zelf, zooals bijv. enkele van zijne haren, vereischt zijn. En treffend stemt het met de tooverij van Pamphile overeen, als wij lezen, hoe de magiërs bij de Tamilen op Ceylon, om iemand te envoûteeren, haren en speeksel van hem met zand van zijne voetsporen vermengd, samenkneeden en op een looden plaat uitspreiden, waarbij tevens een ontvleeschte schedel met magische, er op ingekraste karakters onmisbaar is.
Met de bovengenoemde middelen echter in een zeker geval niets kunnende gedaan krijgen, besluit Pamphile de gedaante van een vogel aan te nemen en zoo naar haar geliefde toe te vliegen. Ze begeeft zich voor dat doel naar haar bovenkamertje. (c. 21). Lucius, door de slavin gewaarschuwd, klimt, in den nacht, stilletjes de trap op en ziet door eene spleet in de deur, hoe Pamphile zich eerst van al hare kleeren ontdoet, daarna uit een gesloten kastje verscheidene busjes te voorschijn haalt, uit een ervan eene zalf neemt, deze lang met hare handpalmen wrijft en zich van de teenen tot de kruin er mee bestrijkt. Eindelijk schudt ze hare ledenmaten, die zich met veeren bedekken; ze wordt een oehoe en gaat met vollen vleugelslag er van door.
Wij zien hier dus, hoe eene zalf vereischt is, als men zich in een dier wil veranderen, en denken daarbij meteen aan de zalf, waarmede de heksen zich bestreken, ten einde naar hunne nachtelijke samenkomsten te vliegen, zooals Goethe het in Faust dichterlijk heeft beschreven. En ook wordt ons overgeleverd, dat men zich van eene diergelijke zalf bediende, om de gedaante van een wolf aan te nemen, zooals immers het geloof aan den weerwolf met dat aan den duivel en tooverij samen is gesmolten. De hoofdbestanddeelen van de zalven in quaestie waren narcotische kruiden; een occultist uit de vorige eeuw, K. Kiesewetter, die het geheim van de samenstelling meende te kennen, heeft er zelf proeven mee genomen, waarbij hij van reizen in verre gewesten en groote menschenmassa's droomde. Het geloof der heksen, op eene samenkomst te zijn geweest, waarbij de duivel het voorzitterschap bekleedde, laat zich verder door "autosuggestie" gemakkelijk verklaren.
Lucius, door dolle nieuwsgierigheid gedreven, wil nu ook een experiment met de zalf wagen, maar neemt per ongeluk een verkeerd busje en wordt zoodoende in een ezel veranderd (c. 24). Slechts het eten van rozen vermag hem de menschelijke gedaante weer te geven, maar dit valt hem niet dan na eene reeks allerellendigste wederwaardigheden ten deel (XI, 13).
Ook eene doodenbezwering wordt in onzen roman beschreven, en wel naar aanleiding van het feit, dat zeker bejaard burger eene vrouw beschuldigt, zijn neef, met wien zij gehuwd was, te hebben vermoord. Er ontstaat een oploop; het volk dreigt de vrouw te steenigen, zij echter verzekert onder tranen, onschuldig te zijn (II, 27).
"Toen dan", aldus gaat het verhaal bij Apuleius (c. 28) voort, "zeide de grijsaard: De beslissing omtrent de waarheid zij aan de goddelijke voorzienigheid overgelaten! Zatchlas is hier, een Egyptisch priester van den eersten rang, die met mij tegen eene groote belooning is overeengekomen, om den geest van den overledene voor eene korte poos uit de onderwereld terug te roepen en dit lichaam weer te bezielen." En meteen brengt hij een jongeling er bij, in linnen gewaden, met schoenen van palmbladeren en met kaalgeschoren hoofd. Lang kust hij diens handen, raakt zijne knieën aan en zegt: "Ontferm U, priester, ontferm U! Bij de gesternten des hemels, bij de godheden der onderwereld, bij de elementen der natuur, bij het zwijgen der nacht, en de heiligdommen van Coptos, bij het aanwassen van den Nijl en de geheimen van Memphis ... geef een kort gebruik van de zon en giet in de voor eeuwig gesloten oogen een weinig licht! Wij verzetten ons niet tegen het noodlot, wij ontzeggen niet aan de aarde haar eigendom, maar slechts terwille van den troost der wraak, smeeken wij om eene korte spanne levens."
De profeet, aldus vermurwd, legt een zeker kruid op den mond en een ander op de borst van 't lijk. Vervolgens aanbidt hij, naar het Oosten gekeerd, zwijgend de opkomst van den verheven zonnegod en wekt door den aanblik van dit eerbiedwaardig tooneel de belangstelling der aanwezigen voor een zoo groot wonder op (29).... Reeds begon de borst op en neer te gaan, reeds de pols hersteld te kloppen, reeds het lichaam door geest te worden vervuld; daar verrijst het lijk en spreekt de jongeling".
Nog meer echter dan die roman geeft het feit te denken, dat Apuleius zelf van tooverij is aangeklaagd (tusschen 155 en 158). Hij was nl. in het huwelijk getreden met eene rijke maar veel oudere weduwe en had daardoor de verwanten van haar eersten echtgenoot tegen zich in 't harnas gejaagd. Men beweerde, dat het huwelijk door verbodene kunsten tot stand was gekomen en diende eene aanklacht tegen Apuleius in, waartegen deze zich in zijne "Apologie", die ook de kerkvader Augustinus als "zeer inhoudsrijk en welsprekend" roemt[61], met goed gevolg verdedigde.
De aanklagers legden Apuleius o.m. ten laste, dat hij zeldzame visschen had gekocht om er toovermiddelen uit te bereiden, dat hij een slaaf had behekst en voor eene lamp aan den voet van een altaar had doen neervallen, dat hij in de woning van een vriend nachtelijke offers had gebracht en dat hij een geheimzinnig beeld voor magische doeleinden met zich voerde.
Deze punten van beschuldiging waren geenszins, zooals men vroeger waande, bespottelijk, maar integendeel, zooals het onderzoek in den laatsten tijd heeft aangetoond, van zeer ernstigen aard, daar ze overeenstemden met hetgeen men toenmaals van de tooverij en hare benoodigdheden geloofde.
Apuleius verdedigt zich hiertegen in dier voege dat hij de lachers op zijne zijde tracht te krijgen, bij bijzonderheden van weinig beteekenis lang blijft stilstaan en allerlei uitweidingen maakt, die zeer zeker veel wetenswaardigs bevatten--ook wij hebben er in III een en ander uit geput--maar die toch kennelijk bedoelen, de aandacht van den toehoorder en lezer af te leiden. Op zekere gewichtige beschuldigingen gaat de verdediger zoo weinig mogelijk in.
Aangaande de visschen tracht Apuleius (in c. 30 vlg.) uitvoerig aan te toonen, dat de magiërs er zich niet van bedienen en roept o.a. in (c. 30) uit: "Hoe zou een stomme en koude visch in staat zijn om den minnegloed te doen ontvlammen?", maar het staat vast, dat toch wel eens visschen voor liefdestooverij werden gebruikt, en Apuleius heeft dus niet anders gedaan, dan om de moeilijkheid heen praten.