Magie bij de Grieken en de Romeinen

Part 6

Chapter 6 3,572 words Public domain Markdown

Medea toch, zooals in de vierde acte haar voedster--eene in de antieke drama's onmisbare figuur--uitvoerig beschrijft, "stort al hare toovermiddelen uit en brengt te voorschijn, wat ook zij zelf lang vreesde; zij ontplooit de geheele menigte der rampspoeden (v. 677-679)..... Aangetrokken door de tooverzangen is de geschubde schare uit de eenzame schuilhoeken opgedaagd" (684 vlg.). Medea maakt vergif uit planten gereed, "perst het zwadder uit de slangen, mengt er deelen van onheilspellende vogels onder, het hart van den droeven oehoe, het ingewand, levend aan een gekuifden uil uitgesneden; dit alles legt de in misdaden bedrevene afzonderlijk; in sommige middelen zit de verterende kracht van 't vuur, in andere het kille ijs der trage koude. Ze voegt bij de vergiften woorden, niet minder te vreezen. Daar laat zij 't gedruisch van haren razenden tred hooren en spreekt de bezwering uit; reeds bij de eerste klanken beeft de wereld" (731--39).

En in de derde acte van zijn "Oedipus" wordt met even sombere kleuren de oproeping van Laïus, 's konings vader geteekend. De scenerie is doodsch, een afgelegen bosch. "In 't midden staat een ontzaglijke boom, die met dichte schaduw de mindere stammen drukt en zijne takken met wijden omvang uitbreidende, alleen het woud beschermt. Onder hem bevindt zich eene sombere waterplas, die licht noch zon kent, onbewegelijk door eeuwige kou. Een slijkerig moeras omringt den tragen poel" (v. 542--547). Hierheen begeeft zich de grijze toovenaar en verricht de magische plechtigheden. Zijne stem vindt gehoor. "Het geheele bosch daalde om zich weer met zijn loof te verheffen. Het eikenhout kreeg spleten en een huivering deed het geheele woud schokken. De grond zonk weg en zuchtte diep" (574 vlgg.). Het is alsof de onderwereld zich er over verontwaardigt dat men in haar wil doordringen. Toch verschijnen de bleeke schimmen en onder hen de goden. En ten slotte verrijst, na eene herhaalde aanroeping, de schim van Laïus en laat zijne voorspellingen hooren (v. 619--658).

Niet in de poëzie alleen werden de aardbevingen aan de inwerking van bovenmenschelijke wezens toegeschreven. Ook Pythagoras zou beweerd hebben, dat de aardbevingen niets anders waren dan de samenkomsten der afgestorvenen[49]. Analoge opvattingen vermeldt ons de volkenkunde. De Balineezen beschouwen de aardbevingen als het werk van booze geesten. Volgens den koning van Dahomé veroorzaakte de geest van zijn vader de aardbeving in 't jaar 1862. De Kwakiutl-Indianen (in Britsch Columbia, Canada) gelooven, dat het geesten zijn die de aarde doen schokken. Het "animisme" zooals wij het noemen, is dus hier ver doorgevoerd.

Seneca's neef, Lucanus (39--65), een niet tot rijpheid gekomen genie, een dichter van ongekende stoutheid en gezwollenheid, tracht ook waar de magie ter sprake komt, zijne voorgangers te overtroeven. Alleruitvoerigst beschrijft hij, in het zesde boek van zijn epos "Pharsalia" het uiterlijk en de handelingen van de Thessaalsche tooveres Erichtho. Ziehier enkele, en niet eens de ergste trekken:

"Erichtho had de verfoeilijke tooverkunst tot nieuwe practijken opgevoerd. Zij vindt het een gruwel, haar doodsch hoofd aan het dak van een stad of aan een tehuis toe te vertrouwen; zij bewoont de verlaten graven en nestelt zich in de zerken, na de schimmen er uit te hebben verdreven (v. 509--512) ... Het aangezicht der goddelooze is in walgelijke vervuiling vermagerd. Haar schrikwekkend gelaat, dat geen helderen hemel kent, wordt door eene stygische bleekheid bezwaard en zwoegt onder een last van ongekamde haren (v. 515--'18) ... Zij rooft de rookende asch en de gloeiende beenderen van jongelingen midden uit de houtmijt (v. 533 vlg.) ... Worden de lijken in steenen graven bewaard, ... dan woedt zij gretig tegen alle ledematen en dompelt hare handen in de oogen; zij heeft er behagen in de kille pupillen uit te graven en kauwt de bleeke uitgroeisels der verdroogde hand. Zij breekt met haar gebit den strop van den gehangene (v. 538--544) ... Ja, dikwijls bij de begrafenis van een bloedverwant legde de afgrijselijke Thessaalsche zich op de dierbare leden, deed alsof ze eene kus wou geven, sneed het hoofd af, maakte met hare tanden den saamgepersten mond los, beet in de tong, die aan de dorre keel hing, stortte een gemurmel uit in de kille lippen en droeg eene geheime gruwelboodschap op naar de onderaardsche schimmen" (v. 564--569).

Alleronsmakelijkst! Maar die beschrijving heeft op Dante zoowel als op Goethe een diepen indruk gemaakt, en Erichtho is daardoor eene figuur in de wereldletterkunde geworden.

Artistiek daarentegen en guitig is ook hier de antagonist van Lucanus, de geestig-onhebbelijke romancier-satyricus Petronius (gest. 67), die in zijn "Gastmaal van Trimalchio" een tot dusver nog onovertroffen portret van een O-weeër heeft geleverd. Laten wij hooren, hoe in c. 62 een der helden van zijn roman, een gewezen slaaf, het navolgende griezelige avontuur met een toovenaar vertelt:

"Eens op eene keer was mijn patroon naar Capua gegaan, om wat snuisterijen van de hand te doen. Gebruik makende van de gelegenheid haal ik onzen gast over om vijf mijlen ver met me mee te gaan; 't was een soldaat, een vent als een duivel. Wij maken ons uit de voeten bij 't hanengekraai (de maan blonk als of 't middag was) en komen te midden van grafmonumenten. Mijn makker verwijdert zich achter een steen; ik ga al neuriënde verder en tel de monumenten. Toen ik vervolgens naar mijn begeleider omkeek, kleedde hij zich uit en lei al zijne kleeren naast den weg neer. De moed zonk mij in de schoenen; ik stond er als verstijfd. Maar hij maakte eenen kring om zijne kleeren heen en plotseling was hij een wolf. Denkt niet, dat ik grappen verkoop; ik zou niet willen liegen om al het geld van de wereld. Maar waar had ik het over? Wat ik begonnen was te vertellen, toen hij een wolf geworden was, begon hij te huilen en vluchtte naar de bosschen toe. Ik wist eerst niet, waar ik was; toen trad ik dichter bij om zijne kleeren op te rapen, maar die waren in steen veranderd. Als ik niet van angst verging, wie dan? Ik trok echter mijn zwaard, en hakte al den weg langs op de schimmen in, totdat ik het landhuis van mijn meisje bereikte. Als een spook trad ik binnen; bijna gaf ik mijn ziel op: het zweet brak mij uit; ik zag niet uit mijne oogen; ter nauwernood kwam ik weer bij. Mijn meisje verbaasde zich er over, dat ik zoo laat wandelde en "Als je", zei ze, "eerder gekomen was, had je ons ten minste kunnen helpen; een wolf drong onze stal binnen en al onze schapen--als een slager heeft hij ze het bloed afgetapt. Maar hij heeft er ook van gelust, al is hij ontvlucht, want onze slaaf heeft hem met de lans zijn hals doorboord." Toen ik dit gehoord had, kon ik geen oog meer dicht doen, en zoodra 't dag was, vloog ik naar 't huis van mijn makker, als een bestolen kroegbaas en toen ik op die plek kwam, waar de kleeren in steen waren veranderd, vond ik niets dan bloed. Maar toen ik thuis kwam, lag mijn soldaat in bed, als een os, en een dokter behandelde zijn hals. Ik begreep nu, dat hij een weerwolf was, en van toen af had ik geen stuk brood meer met hem kunnen proeven, al had je me doodgeslagen".

Wij zien hier, hoe het oude volksgeloof aan den weerwolf--vgl. het in hoofdstuk III aangehaalde herdersdicht van Vergilius--op romantisch-vermakelijke wijze is uitgewerkt.

Eene nadere toelichting.

Het geloof, dat men door het zwaard booze geesten vermag op de vlucht te drijven, ja zelfs te deren, is wijd verspreid. Op den Babar-archipel (ten Noord-Oosten van Timor) dragen de vrouwen zwaarden om, ter bescherming van den zuigeling, de booze geesten schrik aan te jagen. Op het eiland Nias (aan de Westkust van Sumatra) slaan mannen met hunne zwaarden links en rechts om den ziektedemon uit het huis van den patiënt te bannen en op diergelijke wijze gaan Chineezen en Japanneezen tegen den demon van de pest te werk. Maar ook aan andere wapenen werd tooverkracht toegeschreven. Jozua bijv. strekt, op bevel van God, zijne lans zoo lang tegen Aï uit, totdat die stad gevallen is (Joz. VIII, 18 en 26). Bij eene oorlogsverklaring door de Romeinen moest een zeker priester eene bebloede lans in het vijandelijke gebied slingeren. In Koningen II, 13,14--17 staat hoe Joas, koning van Israël, op bevel van den profeet Eliza, een pijl des heils tegen de Syriërs afschiet. Eene treffende parallel hiertoe is het navolgende uit eene Zweedsche sage. Tot koning Eirik kwam, toen hij door de vijanden erg in 't nauw werd gebracht, een groote man met een breeden hoed, gaf hem een rietstengel en liet hem dien met de woorden: "Odin [hoogste god der Scandinaviërs] heeft U allen !" over zijne vijanden heen afschieten.

Een exorcisme (demonenuitdrijving) ten overstaan van een Romeinsch veldheer wordt ons uitvoerig beschreven door den geschiedschrijver Flavius Josephus in diens "Joodsche oudheidkunde" (VIII, 2, 5):

"Ik was er getuige van, hoe een zekere Eleazar, een van mijne landgenoten, in tegenwoordigheid van Vespasianus, zijne zonen, de krijgstribunen en de andere menigte soldaten de bezetenen van de macht der demonen bevrijdde. De manier van genezing was als volgt: hij bracht onder de neus van den bezetene zijn ring, onder welks zegel zich een van die wortels bevond, die Salomo hiervoor had aangewezen, liet den zieke hieraan ruiken en trok hem alsdan den demon door de neusgaten naar buiten. En terwijl die mensch terstond neerviel, bezwoer hij den demon onder aanroeping van Salomo en opzegging van diens bezweringen, nooit meer in hem terug te keeren. Daar Eleazar echter de aanwezigen er volkomen van wilde overtuigen, dat hij die kracht bezat, zette hij voor den zieke in de nabijheid een beker, met water gevuld, of een voetbekken en beval den demon, om bij zijn uittreden uit den mensch, deze gereedschappen omver te werpen en de toeschouwers te leeren: begrijpen, dat hij den patiënt had verlaten. Dit geschiedde en het verstand zoowel als de wijsheid van Salomo bleek duidelijk."

Het exorcizeeren zelf was niet het meest wonderbaarlijke en laat zich door suggestie gemakkelijk verklaren. Merkwaardig echter is, dat hier, in afwijking van de procedure bij andere bezweringen, een physisch feit als bewijs van de demonische inwerking er aan toe is gevoegd. Dat n.l. demonen of goden diergelijke raadselachtige bewegingen konden veroorzaken, werd toenmaals zelfs door diegenen geloofd die in de physische wetenschappen niet onbedreven waren. Heden ten dage denkt men hierbij onwillekeurig aan zekere verhalen omtrent de Indische "fakirs" en aan de "spiritistische" mediums. Wat de fakirs betreft, is een dergelijk feit, schoon wel eens door geloofswaardige personen bericht, tot dusver o.w. nog niet streng wetenschappelijk vastgesteld. Bij eenige mediums daarentegen zijn analoge verschijnselen van telekinesie, d.w.z. beweging uit de verte buiten de bekende krachten om, herhaaldelijk onder goede voorwaarden van controle waargenomen, zoodat hunne realiteit op redelijke gronden bezwaarlijk te loochenen valt. Maar het zijn en blijven hooge uitzonderingen, feiten, die zich niet zoo maar op commando kunnen voordoen en daarom zijn wij eerder geneigd aan te nemen, dat het door Josephus vermelde feit aan zekeren jongleurtruc te danken was, die trouwens ook later nog herhaaldelijk is toegepast.

Tacitus, reeds in hoofdstuk III door ons aangehaald, vermeldt in Historiën IV, 81 hoe zijn oudere tijdgenoot, keizer Vespasianus (69--79) zelf eene wonderdadige genezing verrichtte:

"Gedurende die maanden, dat Vespasianus te Alexandrië de passaatwinden en eene rustige zee afwachtte, gebeurden er vele wonderen, waaruit de gunst des hemels en eene zekere genegenheid der goden jegens Vespasianus bleek. Iemand van het mindere volk uit Alexandrië, bekend als ooglijder, wierp zich voor zijne knieën neer en smeekte hem jammerend om genezing van zijne blindheid, op aanraden van den god Serapis, dien het aan gelooverij lijdende volk boven de anderen vereert. Hij verzocht den keizer zich te verwaardigen, zijn wangen en oogkringen met het vocht van zijnen mond te besproeien. Een ander, met eene lamme hand, verzocht, op aansporing van denzelfden god, door den keizerlijken voet te worden getreden. Vespasianus lachte er eerst om en weigerde; toen ze bleven aandringen, ging hij weifelen; nu eens vreesde hij een mal figuur te slaan, dan weer vatte hij door hun gesmeek en de taal van vleiers, hoop; tenslotte beval hij geneesheeren te onderzoeken of zulke blindheid en lamheid door menschelijke hulp te genezen was. De medici zeiden, na allerlei discussies, dat bij de eene het gezichtsvermogen niet vernietigd was en terugkeren zou, als de beletselen verwijderd werden; van den andere kon het verstijfde lid weer door aanwending eener heilzame kracht hersteld worden. Misschien was dit de wil der goden en de keizer voor de volvoering daarvan uitgekozen; en tenslotte zou als het geneesmiddel slaagde, de keizer er de eer van hebben, als het faalde, de spot de ongelukkigen treffen." Toen gaf Vespasianus, in de meening dat zijn geluk geen grenzen kende en niets verder ongeloofelijk was, zelf met een blij gelaat, en te midden van de gespannen verwachting der aanwezige menigte, aan het verzoek gehoor. Terstond werd de verlamde hand weer lenig en herblonk voor den blinde het daglicht. Zij die er getuigen van waren, vermelden nog beide feiten, nu er met een leugen niets te verdienen valt".

Men vergunne ons hier eene uitweiding.

Aan het speeksel wordt ook elders geneeskracht toegeschreven. Bij de Romeinen meende men door eene dagelijksche bestrijking 's morgens met speeksel druipoogigheid te kunnen genezen[50]. De Joden geloofden, dat bespuwing een goed middel tegen oogziekten was, zooals blijkt uit het volgende merkwaardige Talmoedverhaal: Toen een man van zijne vrouw eischte om Rabbi Meïr in 't gezicht te spuwen, veinsde de beroemde leeraar pijn aan zijn oog te lijden, opdat de vrouw, in 't belang van den huiselijken vrede, aan den wensch van haar man zou kunnen voldoen. De Islamieten gelooven nu nog, dat door het lichaamsvocht van hunne sjeichs (heiligen) baraka (zegen, genade, d.w.z. een fluïde, levenskracht of genezingskracht) kan worden overgebracht. Van de Wakerewé, een volksstam in Midden-Afrika, bericht Stanley dat de onderdanen zich door hun koning in de handen lieten spuwen en dan vervolgens hunne oogen bestreken, blijkbaar omdat zij aan het vocht van den koninklijken mond geneeskracht toeschreven. Dit alles laat zich gemakkelijk verklaren door het primitieve geloof, dat het lichaam o.m. van opperhoofden, zooals wij reeds in hoofdstuk II hebben vermeld, van "mana", eene magische kracht of zelfstandigheid is doortrokken. Men kan nog verder gaan en hierin een hoofdfactor zien van de reliquieënvereering. Vaak immers wordt ook aan het lijk en het gebeente van een heilige wonderkracht toegeschreven. Het "mana", om maar die uitdrukking te gebruiken, is ook na den dood nog in de overblijfselen van eene bevoorrechte persoonlijkheid aanwezig.

Keeren wij nu tot Vespasianus terug.

Verdient het al onze aandacht dat die bejaarde, nuchtere, practische keizer eene wondergenezing verrichtte, niet minder opmerkelijk zijn de berichten bij Philostratus, dat Vespasianus[51], evenals zijn zoon Titus[52], achting voor Apollonius van Tyana zouden hebben gevoeld, die daarentegen door den achterdochtigen Domitianus (z.b.) den broeder en opvolger van Titus werd vervolgd[53].

Hadrianus (117-138), de veelzijdigste en bedrijvigste aller keizers, was een en al belangstelling voor de magie en wij lezen dan ook in den grooten tooverpapyrus uit Parijs (v. 2446-2455), dat Pachrates, de "profeet" uit Heliopolis (in Egypte) hem "de macht van zijne goddelijke magie toonde" en dat de keizer, "uit bewondering voor den profeet, beval hem eene dubbele remuneratie uit te keeren".

Hadrianus stichtte voorts ter eere van Antinoüs, een jongeling, die zich voor den keizer zou hebben opgeofferd, eene stad, Antinoöpolis (in Egypte) en wijdde hem een cultus. Van welken aard die cultus is geweest kan men opmaken uit de woorden van een Christelijk schrijver[54]:

"Indien iemand met waarheidsliefde en onpartijdigheid de geschiedenis van Antinoüs onderzoekt, zal hij vinden, dat tooverkunsten en wijdingen der Egyptenaren de oorzaken zijn, dat hij in Antinoöpolis ook na zijn dood nog iets schijnt te verrichten. Zoo iets wordt ook in andere tempels, naar verluidt, door de Egyptenaren en diegenen, die in diergelijke kunsten bedreven zijn, bewerkstelligd. Zij vestigen nl. op zekere oorden voorspellende of genezende demonen, die echter vaak ook hen kwellen, die iets schijnen te hebben misdreven aangaande verbodene spijzen of het aanraken van een dood menschelijk lichaam, om zoodoende den grooten en onbeschaafden hoop schrik aan te jagen. Van dien aard is ook hij, die te Antinoöpolis in Egypte voor een god wordt gehouden, van wiens wondermacht zwendelaars allerlei leugens verzinnen, terwijl anderen, door den aldaar gevestigden demon bedrogen, en nog weer anderen door hun boos geweten overtuigd, eene straf meenen te ondergaan, hun door Antinoüs als god opgelegd."

Op het bannen van demonen naar zekere oorden en meer bepaaldelijk in standbeelden, komen wij in hoofdstuk V terug; hier willen wij er voornamelijk op wijzen, hoe een destijds ingestelde cultus bovenal een magisch karakter droeg.

Het is ook juist in den tijd, dien wij nu behandelen, dat de Oostersche, in de Helleensch-Romeinsche wereld ingedrongen, religies zich eene overheerschende positie onder de beschaafde kringen verwerven, en het spreekt van zelf, dat dit de toch al sterke neiging van het publiek voor het magische nog meer deed toenemen.

De dienst der Egyptische goden werd omstreeks het midden der eerste eeuw, zij het dan ook onder een zekere beperking, officieel erkend. Otho (in 69 keizer) vierde dikwijls de Isisfeesten openlijk in het linnen plechtgewaad. Vespasianus (z.b) betrad te Alexandrië alleen in eigen persoon den tempel van Serapis, ten einde den god over zijn heerschappij te raadplegen[55]. Van toen af aan zijn de keizers begunstigers van den "Alexandrijnschen" cultus. Onder Hadrianus werden de Egyptische goden voor het eerst op de keizerlijke munten afgebeeld. Geen wonder, dat zulke illustre voorgangers ook op dit gebied hunne volgelingen hadden. Hier zij slechts vermeld, dat ook Plutarchus, hoezeer aan de oud-vaderlandsche gebruiken gehecht, warme sympathie voor Isis en Osiris koesterde, zooals uit zijn geschrift over beide goden genoegzaam blijkt.

Ongeveer omstreeks denzelfden tijd als de Isisreligie verkreeg ook de dienst van de Klein-Aziatische godin Cybele, die twee eeuwen lang in Rome slechts een zeer beperkten kring van vereerders mocht hebben, door de gunst van keizer Claudius (41-54) groote uitbreiding. Magie was ook aan dezen cultus niet vreemd; men beoefende er o.m. het "hypnotisme", echter onder den naam van "Corybantisme", afgeleid van de Corybanten, figuren uit de Cybele-mythe, die ook afzonderlijk vereerd werden.

Eveneens blijken de aanhangers van den oorspronkelijk Perzischen Mithrasdienst, die sinds den tijd van Vespasianus het Romeinsche rijk binnendrong, zich vaak op de tooverkunst te hebben toegelegd.

De Oostersche religies, die toenmaals in het Westen zulk eene opgang maakten, leefden dus met de magie in vrede; de nieuwe wereldgodsdienst daarentegen, het christendom, veroordeelde de tooverij van meet af aan ten strengste.

Laten wij dienaangaande het Nieuwe Testament raadplegen.

Wij lezen vooreerst in de Handelingen der Apostelen, VIII:

(5) Philippus trok naar de stad Samaria en predikte hun den Christus. (6) Het volk luisterde eensgezind en vlijtig naar hetgeen Philippus zeide en zag de teekenen, die hij verrichtte. (7) Want de onzuivere geesten voeren uit vele bezetenen met groot geschreeuw; ook werden vele jichtlijders en lammen weer gezond gemaakt. (8) En er ontstond eene zeer groote vreugde in die stad. (9) Er was echter in die zelfde stad een man met name Simon, die reeds vroeger tooverkunsten verrichtte en het volk in verrukking gebracht had door te zeggen dat hij zelf iets bijzonders was, (10) wien allen, van den kleinste tot den grootste aanhingen en zeiden: "Deze is de kracht Gods, die "de Groote" heet", (11) En zij hingen hem aan, omdat hij langen tijd hunne zinnen door tooverij verrukt had. (12) Maar nu zij Philippus geloofden, die de blijde boodschap van het koninkrijk Gods en van den naam van Jezus Christus verkondigde, lieten zij zich doopen, mannen zoowel als vrouwen. (13) En ook Simon zelf werd geloovig en na gedoopt te zijn bleef hij voortdurend bij Philippus en toen hij de teekenen en groote krachten zag, die er geschiedden, ontzette hij zich. (14) Toen nu de apostelen in Jeruzalem hoorden, dat Samaria het woord Gods aangenomen had, zonden zij tot hen Petrus en Johannes. (15) Dezen kwamen en baden voor hen, dat zij den Heiligen Geest mochten ontvangen. (16) Want deze was nog op niemand hunner neergedaald, maar zij waren alleenlijk gedoopt in den naam van den Heer Jezus. (17) Toen legden zij de handen op hen en zij ontvingen den Heiligen Geest. (18) En als Simon zag, dat door de handoplegging der apostelen de Heilige Geest geschonken werd, bood hij hun geld aan (19) en zeide: "Geeft ook mij deze macht, opdat hij, wien ik de handen opleg, den Heiligen Geest ontvangt". (20) Petrus echter zeide tot hem: "Uw geld ga met U ten verderve, omdat gij gemeend hebt, dat de gave Gods door geld verkregen wordt! (21) Gij hebt part noch deel aan dit woord, want uw hart is niet oprecht tegenover God. (22) Bekeer U dan van deze uwe boosheid en bid God, of misschien deze overlegging uws harten U vergeven wordt, (23) want ik zie, dat uwe ziel vol is van bittere gal en dat gij verstrikt zijt in ongerechtigheid. (24) Doch Simon antwoordde en sprak: "Bidt gijlieden voor mij tot den Heer, dat niets over mij kome van hetgeen gij gezegd hebt."

De oudste Christenen gingen dus, zooals wij zien, van het gezonde principe uit, dat de uitdeeling der goddelijke gaven vrij moet zijn van winstbejag, overigens echter werd tusschen de "wonderen" in naam van den Christus of in naam van andere godheden verricht, geen scherpe grenslijn getrokken.

Hoogst kenschetsend is verder het navolgende verhaal, eveneens uit de Handelingen der Apostelen, XIII: