# Magie bij de Grieken en de Romeinen

## Part 5

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/magie-bij-de-grieken-en-de-romeinen-15215/index.md

De Egyptische godsdienst, dien wij, tengevolge van de talrijke ons bewaard geblevene gedenkstukken, zelfs wat kleine bijzonderheden betreft, vrij nauwkeurig kunnen reconstrueeren, was in wezen magie.

Het geloof, dat men door zekere woorden en handelingen invloed vermag uit te oefenen op de onbezielde zoowel als op de bezielde wezens, heerschte van af de oudste tijden bij de Egyptenaren en was met al hun doen en laten innig verbonden.

En evenals de menschen, weten ook de goden zich niet te helpen zonder magie; ook zij hangen zich amuletten om, om zich te beschermen en gebruiken tooverformulieren om elkaar te bedwingen. Allermerkwaardigst is bijv. het navolgende verhaal, dat wij sterk verkort, maar toch zooveel mogelijk met de woorden van het oorspronkelijke weergeven, hoe n.l. de godin Isis, die de kennis heeft van geweldige tooverformulieren, den zonnegod Re zijn diepste geheim weet te ontlokken.

Re was oud geworden en leed aan de gebreken van den ouderdom. Het speeksel droop uit zijn mond op den grond neer. Isis mengde dit met aarde, vormde er eene slang van en legde die neer op de plek, waarlangs Re zou voorbijkomen. De zonnegod werd door de slang gebeten; de adem des levens verliet hem; zijne kaken trilden en al zijne ledematen beefden. Het vergif verspreidde zich door zijn geheele lichaam, evenals de Nijl door de landstreken van Egypte. Re riep de goden om hulp aan: "O gij goden, die uit mij zijt ontstaan! Eene verschrikkelijke ramp heeft mij getroffen. Mijn hart voelt haar, maar mijne oogen zien haar niet; ik weet niet wie mij dit heeft aangedaan. Nooit heb ik zulk eene pijn gevoeld; geen ziekte kan meer wee veroorzaken als dit. Ik ben een vorst, de zoon van een vorst, ik heb menigten van namen en menigten van gedaanten; mijn wezen is in ieder god. Ik kwam te voorschijn om neer te zien op hetgeen ik had gemaakt, ik schreed door de wereld, die ik geschapen had, toen iets mij stak, maar ik weet niet wat. Brengt tot mij mijne kinderen, de goden, die woorden van macht en de taal der magie bezitten, en monden die weten hoe ze uit te spreken". De kinderen van iederen god kwamen en ook Isis kwam, met zich brengende hare woorden van magische kracht; haar mond was vol van den adem des levens, want hare amuletten overwinnen de pijnen der ziekte en hare woorden doen weer herleven de kelen van hen die gestorven zijn. En zij zeide: "Wat is er gebeurd, o heilige vader? Heeft eene slang U gebeten en heeft een ding dat gij geschapen hebt, zijn hoofd tegen U opgeheven? Voorwaar het zal neergeworpen worden door mijne machtige woorden en ik zal het wegdrijven buiten het bereik van uwe stralen". De heilige god zeide: "Ik ging langs mijn pad om te zien wat ik geschapen had, toen ik gebeten werd door eene slang, die ik niet zag. Is het vuur? Is het water? Ik ben kouder dan water en gloeiender dan vuur. Mijn oog heeft geen kracht, ik kan den hemel niet zien; het zweet loopt van mijn aangezicht als in den zomertijd". Toen zeide Isis tot Rē: "Noem mij uwen geheimen naam, heilige vader, want al wie bevrijd zal zijn door uwen naam, die zal leven". Rē gaf toen allerlei namen op, maar het vergif werd niet uit zijn lichaam weggenomen; het vrat dieper door en de groote god kon niet langer gaan. Toen zeide Isis tot Rē": "Wat gij gezegd hebt, is niet uw ware naam. Noem hem mij en het vergif zal verdwijnen". Eindelijk gaf de groote god toe, dat zijn naam in Isis zou overgaan en Isis, de heerscheres over woorden met tooverkracht, zeide: "Wijk, vergif, ga weg van Rē. Ik ben het die het overwonnen vergif ter aarde doe neervallen, want de naam van den grooten god is van hem genomen. Moge Rē leven en het vergif sterven! Moge het vergif sterven en Rē leven". Dit waren de woorden van Isis, de machtige heerscheres, de meesteres der goden, die Rē bij zijn eigen naam kende.

Dat speeksel aarde vermag te bezielen, berust op het reeds in hoofdstuk II vermelde geloof aan het "mana", eene kracht of zelfstandigheid, waarmee het lichaam van goden en bevoorrechtte menschen zou zijn doortrokken en die ook buiten de sfeer van het lichaam om, drager van het psychische zou blijven. De wonderdadige werking van speeksel zal ook later nog wel eens ter sprake komen.

Veel belangrijker echter is de rol, die de naam in de tooverkunst speelt. En het is dan ook volstrekt geen wonder, dat de naam, de kortste vertegenwoordiger van iemands persoonlijkheid, van de oudste tijden af aan tooverkracht scheen te bezitten. Volgens het primitieve denken is de naam een deel, en wel een belangrijk deel van dengene die hem draagt. Hij is een dubbelganger en tevens ten nauwste met zijn drager verbonden. Zoo kwam men er toe om aan kinderen, ja ook aan steden, een geheimen naam te geven, waarop een kwaadwillige en een vijand geen vat zou kunnen hebben. Bovenal echter kan de naam van een god niet zonder uitwerking worden uitgesproken; de god is verplicht er antwoord op te geven en te handelen overeenkomstig den eisch van wie hem aanroept.

Zoo was ook van ouds her een mysterie verbonden met den naam van den god der Hebreeën; slechts in zeer bijzondere omstandigheden mocht men hem op de lippen nemen en vandaar dan ook het uitdrukkelijk verbod: "Gij zult den naam Uws Gods niet ijdellijk gebruiken", een verbod, dat thans, nu men den magischen achtergrond ervan niet meer voor oogen heeft, maar al te vaak wordt overtreden.

En toch is ook heden ten dage het geloof aan de mysterieuze kracht van den naam nog niet geheel verdwenen; nog zijn sommigen er van overtuigd, dat onze namen een geheimzinnigen invloed zouden uitoefenen op onze lotgevallen en telkens weer hoort men den spreuk aan voeren: nomen est omen, d.w.z.de naam is een voorteeken.

Van alle Egyptische goden traden reeds in oude tijden Isis en Osiris sterk op den voorgrond. De mythen aangaande hen zijn ons echter in haren samenhang slechts in het verhaal bij Plutarchus (± 100 n. Chr.) overgeleverd[42], die wel is waar klaarblijkelijk uit goede bronnen put, maar zich wel eens tendentieuze uitleggingen veroorlooft. Volgens de traditie was Osiris, de weldadige god, door zijn broeder Set (of, zooals de Grieken hem noemden, Typhon), de verpersoonlijking van het booze, verraderlijk omgebracht en in veertien stukken verscheurd, maar door de bezweringen van zijne gade Isis en hun zoon, Horus, weer samengevoegd en tot het leven teruggeroepen geworden. Het menschelijke tot het goddelijke verheffende, ging men iederen overledene als een Osiris beschouwen, die door de bezweringen van zijn zoon als van een anderen Horus, het eindelooze leven verkrijgt. En nog verder in die richting doorgaande geeft de magiër vaak zich zelf voor den een of anderen god uit, teneinde door den goddelijken naam zijn wil grootere kracht bij te zetten.

Enkele voorbeelden:

"Ik ben Rē, in dezen zijn geheimzinnigen naam "Hij-die-was-in-den-oceaan", zijne pijlen tegen zijne vijanden afschietende".

Of, als men zich tegen een vijand keert:

"Verwijder U, want ik ben Horus, trek U terug, want ik ben de zoon van Osiris. De magie van mijne moeder [Isis] is de bescherming van mijne leden".

Door eene of andere mythe te vermelden meent de magiër de daden te kunnen verrichten, die daarin aan een god worden toegeschreven.

"Ik wil alle booze en slechte dingen, die neerkomen op N, den zoon van M., verbannen, evenals Rē zich zelf voor zijne vijanden redde, evenals Chnoem zich redde voor Sobk, evenals Horus zich redde voor Set."

Wij komen later nog op dergelijke bezweringen herhaaldelijk terug.

Dat de hoofdgoden van den Alexandrijnschen cultus, Osiris, Isis, Horus en de raadselachtige, maar, wat zijne werkingssfeer betrof, met Osiris vereenzelvigde Sarapis, als begunstigers van de magie bij uitnemendheid werden beschouwd, spreekt van zelf. Men verhaalde van hen tallooze wonderen; men verwachtte van hen in den droom goeden raad te ontvangen; men schreef hunne namen op amuletten. De Egyptische priesters gingen voor toovenaars door, en Egypte voor het tooverland bij uitnemendheid.

Niet slechts de Egyptische, maar ook de Joodsche religie deed zich in de Grieksch-Romeinsche wereld gelden. En ook bij de Joden stond de magie toen in grooten bloei, ondanks de strengste verboden en de wreedste vervolgingen. De Joodsche tooverspreuken hadden gezag bij de naburige volkeren. In de Koptische en Grieksche tooverlitteratuur speelt de god der Joden, Iao, Sabaoth, eene groote rol; ook de namen van aartsvaders, van Jozua (Jezus) en Salomo komen er herhaaldelijk in voor. Een lang exorcisme (verdrijving van een boozen geest door bezwering), dat wij nog over hebben[43], is blijkbaar afkomstig van een Joodsch-Orphisch genootschap.

Nog in latere eeuwen hebben de Joden den naam van toovenaars, meestal in ongunstigen zin, behouden. Het geloof aan den "ritueelen" moord, nl. dat de Joden bij hun Paaschfeest of tot andere doeleinden het bloed van een Christenkind gebruiken, behoort nog niet tot het verleden, al ontbreekt het ook ten eenenmale aan deugdelijke bewijzen. Maar ook de hoogere magie, zooals zij in de Kabbala, de Joodsche geheimleer uit de middeleeuwen, werd geleeraard, heeft de aandacht van velen, en niet altijd van de minst begaafden, getroffen. Er is in onze dagen, voornamelijk in Frankrijk en Engeland, veel belangstelling voor Kabbalistiek, waarbij het echter aan degelijke studies over dit ingewikkelde onderwerp maar al te zeer ontbreekt.

Keizer Tiberius is in 19 n. Chr. ook tegen de vereerders van Isis en de Joden met de wreedheid hem eigen, opgetreden, zooals o.m. Tacitus het in zijn Annalen (II, 85) vermeldt:

"Er is ook verhandeld over het verdrijven van de Egyptische en Joodsche religies en een senaatsbesluit genomen om vierduizend vrijgelatenen, met die superstitie besmet, wier leeftijd het toeliet, naar het eiland Sardinië te verbannen, ten einde aldaar de roovers in bedwang te houden; als ze door het slechte klimaat omkwamen, zou er niets aan verloren zijn; de overigen moesten Italië verlaten, tenzij ze voor een bepaalden datum de uitheemsche godsdiensten zouden hebben afgezworen."

Al die wreedheid was te vergeefs.

*Litteratuur.*

*#L. Fahz#, De poetarum romanorum doctrina magica, uit Religionsgesch. Vers. u. Vorarb. II Bd. 3 Hft. (1904).

#W. J. Dilling, s.v. Knots, in Enc. rel. a. eth. VI (1914).

#Fraser#, Taboo and the perils of the soul (1914).

#Skeat#, Malay Magie (1900).

*#L. Blau#, Das jüdische Zauberwesen (1898).

#J. A. Mac Culloch, s.v. Lycanthropy, in Enc. rel. eth. VIII (1915).

#E. Penquitt#, De Didonis Vergilianae exitu, Dissert. Königsberg (1910).

*#R. Wünsch#, Aus einem griechischen Zauberpapyrus, in Kleine Texte f. Vorles. u. Üb. hrg. v. H. Lietzmann, No. 84 (1911).

#J. Heckenbach#, De nuditate sacra sacrisque vinculis, uit Religionsgesch. Vers. u. Vorarb. IX, 3 (1911).

#W.Y. Sellar#, s.v. Lucretius, in Encyclopaedia Britannica,-lle uitg. XVII (1911).

#P.J. Hamilton-Grierson#, s.v. Brotherhood (Artificial), in Enc. rel. eth. II (1909).

*#Riess#, s.v. Astrologie, in Pauly, Real-Enc. class. Alt. 2e uitg. Bd. II (1896).

*#A. Bouché-Leclercq#, L'astrologie grecque (1899).

*#F. Cumont#, Astrology and religion among the Greeks and Romans (1912).

*#G. Lafaye#, Histoire du culte des divinités d'Alexandrie (1884).

*#W. Drexler#, s.v. Isis, in Roscher, Lex. d. Myth. Bd. II (1890--97).

*#F. Cumont#, Die oriental. Religionen im röm. Heidentum, vert. v. G. Gehrich, 2e uitg. (1914).

#Erman#, Ägypten u ägyptisches Leben im Altertum II (1887).

#Budge#, Egyptian magie, 2e uitg. (1901).

#Lange#, Die Ägypter, in Chantepie de la Saussaye Lehrbuch d. Religionsgesch. 3e uitg. I (1905).

#G. Roeder#, Urkunden z. Religion d. alt. Agypten (1915).

#H. Schmidt#, Namenglauben im Alten Testament, in Die Religion in Gesch.u.Gegenwart IV (1913).

#G. Roeder#, s.v. Set, in Roscher, Lex.d.Myth. 63. Lfg. (1910).

#A.H. Gardiner#, s.v. Magic (Egyptian), in Enc. rel eth. VIII (1915).

*#T. Witton Davies#, Magic, Divination a. Demonology among the Hebrews and their neighbours (1898).

*#M. Gaster#, Magic (Jewish), in Enc. rel. eth. VIII (1915).

* * * * *

HOOFDSTUK IV.

*Nederlaag der ongeloovigen.*

Sinds ongeveer het midden van de eerste eeuw onzer jaartelling neemt het geloof in het wonderbaarlijke en magische eene hooge vlucht. De grootste persoonlijkheden op intellectueel gebied erkennen de realiteit der magie; magie en wijsheid worden als identiek beschouwd. De keizers zelf gaan de tooverij begunstigen en de felle protesten van enkelen bewijzen slechts, hoe weinig zij de teekenen dier tijden verstaan. Allerlei omstandigheden werken als bij afspraak samen tot de nederlaag der ongeloovigen.

Wij willen een en ander nader toelichten. Dat de magie met wijsheid en wetenschap wordt gelijkgesteld komt meer voor. De Arabieren gebruiken het woord ilmoe (wetenschap) ook voor hetgeen op "occultisme", zooals wij het noemen, betrekking heeft. Vandaar het Javaansche ngèlmoe, de kennis der geheime tooverformulieren, een wonderlijk mengelmoes van Polynesische, Hindoesche en Mohammedaansche bestanddeelen. De Javanen jagen deze "wetenschap" ijverig na en meenen door haar al het mogelijke te kunnen gedaan krijgen. Maar niet alle tooverspreuken zijn even machtig en bij een rechtsgeding bijv. zal de verliezende partij hare nederlaag aan de grootere kracht van de bezweringen der tegenpartij toeschrijven.

Wellicht het meest typische voorbeeld van een magiër-wijsgeer is Apollonius van Tyana (in Klein-Azië), omtrent wien wij echter niet zoo goed zijn ingelicht als wij het zouden wenschen. De uitvoerige levensbeschrijving toch, die de belletrist en kunstkenner Philostratus op last van de keizerin Julia Domna (gest 217), van hem te boek stelde, is rijk aan onwaarschijnlijke verhalen en overbodig vertoon van belezenheid; bovendien heeft men, wellicht niet zonder reden, vermoed, dat zij de strekking had, een tegenbeeld te zijn van de Christusverhalen der evangeliën.

Of Apollonius werkelijk, zooals Philostratus verhaalt, het grootste gedeelte der toenmaals bekende wereld doorkruiste om de menschen tot handhaving der oudvaderlijke zeden en zoo mogelijk tot inachtneming van de Pythagoreesche leeringen en leefwijze aan te sporen, blijft eene opene vraag, maar het lijdt geen twijfel dat hij door allerlei wonderbaarlijke handelingen aanleiding gaf, als magiër te worden beschouwd. Het verhaal bijv. dat hij een gestorven meisje in 't leven terugriep[44], wijst onmiskenbaar op wonderdadige genezingen, door hem verricht.

Philostratus is echter met zulke wonderen niet tevreden en verhaalt o.m. dat Apollonius te Ephese eene epidemie vooruit gevoelde en haar vervolgens, op verzoek van de inwoners, deed ophouden door den demon der pest, die zich als een oud bedelaar voordeed, te laten steenigen. En toen de Ephesiërs, op aansporen van den profeet, den steenhoop opruimden, zagen ze, inplaats van dat monster, een hond er onder liggen, van uiterlijk op een dog gelijkend, zoo groot als de grootste leeuw, verpletterd door de steenen en met schuim op den muil[45]!

Eén wonderbaarlijk feit betreffende Apollonius is historisch vrij goed geboekstaafd, en wel het volgende: In 't jaar 96 n. Chr. hield de wijze, reeds op hoogen leeftijd, te Ephese eene openlijke voordracht. Onder 't spreken raakt hij gaandeweg afgeleid, zwijgt, doet eindelijk eenige stappen vooruit en roept: "Stoot hem neer, den tyran, stoot hem neer!" Daarna keert hij zich tot zijn gehoor en zegt: "Heden--op dit oogenblik is keizer Domitianus gedood" en spoedig kwam een bericht uit Rome, dat Apollonius' visioen schitterend bevestigde[46].

Over 't geheel genomen heeft Apollonius blijkbaar reeds bij zijne tijdgenooten en zeer zeker bij de nakomelingschap den indruk gemaakt van eene hoogstaande persoonlijkheid. Zelfs van kerkvaders zijn ons gunstige oordeelen over hem bewaard gebleven. Hieronymus verklaart: "Die man vond overal iets te leeren, en altijd vorderingen makende, overtrof hij telkens weer zich zelven"[47]. En Augustinus zegt: "Veel beter, dat moet men erkennen, was Apollonius, dan de bewerker en bedrijver van zoovele liefdesschandalen, dien ze Jupiter noemen[48]", eene zinspeling op de vaak hoogst onkuische verhalen aangaande dien oppersten god.

Plutarchus (±46 n. Chr.-±120 n. Chr.) die door zijne levensbeschrijvingen zulk een ontzaglijken invloed heeft uitgeoefend, Plutarchus, die in zeldzame mate practisch inzicht met het geloof in het onzienlijke vereenigde, geeft ook bewijzen van zijne belangstelling voor het aanhangige onderwerp. Wel is waar wordt de "angstvallige vrees voor bovenmenschelijke wezens" in zijn geschrift hierover (c. 10 en 13) voor erger dan zelfs atheïsme verklaard, maar dit is blijkbaar zonder nadenken, in eene oogenblikkelijke opwelling, van een ongeloovigen moralist overgenomen. Immers elders handhaaft Plutarchus de realiteit van vele verschijnselen en handelingen, die nu nog bij menigeen voor ongeloofwaardig doorgaan.

Zoo vinden wij bijv. in zijne "Huwelijksvoorschriften" het navolgende (c.5):

"De jacht door middel van vergif vangt den visch wel is waar spoedig en gemakkelijk, maar zij maakt hem voor spijs ongeschikt. Zoo hebben ook de vrouwen die zekere liefdesdranken en tooverijen tegen de mannen verzinnen en hen door wellust overweldigen, zinnelooze, onverstandige en bedorvene levensgezellen. Immers ook Circe had geen baat van hare tooverkunst en kon niets met hare slachtoffers beginnen toen ze zwijnen en ezels geworden waren, maar Odysseus, die zijn verstand had en bedachtzaam met haar omging, had ze uitermate lief."

En in zijne "Tafelgesprekken" wijdt hij (V,7) eene uitvoerige discussie aan het "booze oog" en maakt daarin energiek tegen de ontkenners front(1):

"De feiten steunen op wonderbaarlijke wijze de faam. En al weten wij er de reden niet van, daarom mogen wij toch de geschiedenis geen geloof ontzeggen, daar immers van duizenden dingen wier zelfstandigheid helder voor oogen ligt, de reden ons ontgaat."

"Wij kennen menschen, die door hun aanblik inzonderheid kinderen deren, wier vochtig en zwak gestel door dezen wordt aangedaan en eene ongunstige verandering ondergaat, terwijl dit minder overkomt aan vaste lichamen, die reeds hun beslag hebben gekregen."

Wat de verklaring van het feit in quaestie betreft, verwerpt Plutarchus de hypothese der atomisten (6), in II door ons vermeld, en neemt zijn toevlucht tot de theorie der uitstroomingen (2):

"De reuk toch en de stem en de ademhaling zijn zekere uitstroomingen der levende wezens en deelen, die de zintuigen treffen en [allerlei] doen ondergaan ... Het ligt voor de hand, dat dit het meest door de oogen gebeurt, want het gezicht, dat zeer bewegelijk is, verspreidt met het fluïde, dat een flikkerenden glans uitzendt, eene wonderbaarlijke kracht, door welke de mensch zoowel veel lijdt als bewerkt. Immers, de mensch, door de zichtbare dingen aangedaan, verkeert in dienovereenkomstige genoegens en onaangenaamheden; en tot de verliefdheden, die toch de grootste en felste aandoeningen der ziel zijn, geeft het gezicht de aanleiding, zoodat de minnaar versmelt, wanneer hij naar de schoonen kijkt, en er als 't ware naar toegetrokken wordt. Daarom dient men zich ook te verwonderen over diegenen, die meenen dat de mensch door het gezicht wel aangedaan en gekrenkt wordt, maar geenszins er iets door doet en schade toebrengt".

Plutarchus vermeldt ook de meening, dat zekere amuletten tegen den nijd beschermen, omdat het booze oog door hunne vreemde gestalte wordt afgewend en minder in het slachtoffer doordringt (3).

Wij vinden inderdaad op tal van amuletten, die nog bewaard zijn gebleven, allerzonderlingste afbeeldingen. Voornamelijk speelt het oog zelf daarbij eene groote rol. Sommige onderzoekers hebben dan ook reeds bij de primitieve stammen het bestaan vermoed van de theorie, dat dezelfde kracht, die eene werking uitoefent, ze ook vermag op te heffen, dat dus het gelijke met het gelijke, en in ons geval het oog met het oog moet worden bestreden. Tegenwoordig heerscht echter onder de ethnologen de opvatting, dat zulk eene systematische gedachte van de primitieve volkeren niet is te verwachten, maar eene reeds gevorderde beschaving veronderstelt. De ware verklaring zou deze zijn: De primitieve volkeren gelooven, dat geesten, hetzij overledene menschen, hetzij bovenmenschelijke wezens, het door ons reeds in hoofdstuk II vermelde "mana", eene kracht of zelfstandigheid, ook aan onbezielde voorwerpen kunnen mededeelen. Al wat door iets bijzonders den primitieven mensch als drager van die geheimzinnige kracht toeschijnt, bijv. steenen van een eigenaardigen vorm, dient als amulet. Het amulet vermag dus, om het zoo uit te drukken, door uitstraling van "mana" de kracht van het booze oog te breken. Aangenomen, dat deze verklaring voor de primitieve volkeren opgaat, dan wekt toch het feit, dat wij op Grieksche amuletten o.m. de afbeelding vinden van het gedrochtelijke Gorgo- of Medusahoofd, met slangen omwonden en met wijd geopenden, starenden blik, onwillekeurig de gedachte op, dat men de bedoeling had, door zulke schrikgestalten de booze demonische machten op de vlucht te jagen.

Het behoeft verder wel geen betoog, dat hetgeen van dit geloof aan het booze oog op waarheid berust, blijkbaar hoofdzakelijk door de inwerking der hypnose en suggestie moet worden verklaard.

Plutarchus--om tot hem terug te keeren--acht ook wonderdadige genezingen niet uitgesloten, zooals o.m. het door ons in hoofdstuk II aangaande Pyrrhus vermelde uit zijne biographie van dien koning is geput.

Van de realiteit der doodenbezwering is hij vast overtuigd. De verhalen over Calondas en Pausanias, die wij in ons eerste hoofdstuk hebben aangehaald, zijn bij hem te vinden. En in zijn levendig geschreven dialoog "Over den genius van Socrates" verhaalt hij (c.16) hoe een Pythagoreëer door middel van een droom verneemt dat een zijner geestverwanten is overleden (de Pythagoreeërs konden, heette het, door een zeker teeken in den droom onderscheiden of het beeld van een doode dan wel van een levende verscheen) en in den waan, dat deze niet naar eisch ter aarde was besteld, zich naar het graf begeeft, 's avonds plengoffers brengt en de ziel bezweert terug te keeren om hem te verkondigen, hoe in deze te handelen. In 't verloop van de nacht ziet hij wel is waar niets, maar verbeeldt hij zich, eene stem te hooren, die zegt, dat voor het lijk overeenkomstig den ritus was gezorgd en dat de ziel zich reeds heeft afgescheiden voor eene nieuwe geboorte.

En naar aanleiding van het feit, dat in zijn vaderstad Chaeronea een zekere Damas door zijne medeburgers in het bad was vermoord, vermeldt Plutarchus in het leven van Cimon (I):

"Daar gedurende langen tijd zekere verschijningen op die plek gezien en zuchten gehoord werden, zooals onze voorouders verzekerden, liet men de deuren van het bad dichtmetselen; en tot nu toe nog meenen zij, die nabij deze plek wonen, dat schrikwekkende gezichten en stemmen er aan verbonden zijn."

Bij de Latijnsche auteurs speelt de magie ook in dien tijd geen geringe rol.

Seneca (gest. 65 n. Chr.), de veelzijdigste en beroemdste schrijver van zijn tijd, evenzeer een virtuoos in verzen als in proza, schept in het beschrijven van tooverijen veel genoegen, al is dan ook iets zoo willekeurigs als de magie met het Stoïcijnsche determinisme dat hij overigens huldigt, moeilijk overeen te brengen. Eene groote plaats neemt de magie, zooals van zelf spreekt, in zijn treurspel "Medea" in, dat blijkbaar door Euripides (vgl. hoofdstuk II) is geïnspireerd.

