# Magie bij de Grieken en de Romeinen

## Part 4

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/magie-bij-de-grieken-en-de-romeinen-15215/index.md

Breng asch, Amaryllis, naar buiten en werp ze over uw hoofd heen in de stroomende beek, maar zie niet om. Hiermede wil ik Daphnis aanvallen; hij geeft niets om goden noch om tooverzangen.

Trekt, o mijn zangen, Daphnis van de stad weg naar mijn huis!

Zie! de asch heeft, terwijl ik draal met haar weg te dragen, van zelf het altaar met trillende vlammen aangetast; het zij een goed voorteeken! Er is zeker iets aan de hand; Hylax blaft op den drempel. Moet ik het gelooven, of droomen zij, die minnen, wakende?

Houdt op, mijn zangen, houdt op! Daar komt Daphnis al van de stad".

Hierbij enkele opmerkingen.

De symbolieke beteekenis van knoopen in de magie is gemakkelijk te vatten. Door het leggen van een knoop wil men boeien, wil men zekere handelingen van personen of uitwerkingen van voorwerpen verhinderen. Knoopen zijn dan ook vooral in de liefdestooverij gebruikelijk. Bij de Arabieren legt een meisje, om een man tot zich te trekken, knoopen in diens zweep. Volgens het oude volksgeloof kon eene heks door tooverij met knoopen een verderfelijken invloed op het huwelijksleven uitoefenen. Maar de macht van den knoop strekt zich nog veel verder uit. De Finsche toovenaars, heette het, vermochten door het leggen van knoopen den wind zelf vast te leggen. En onwillekeurig denken wij hierbij ook aan den Gordiaanschen knoop. Gordius toch, een der oudste koningen van Phrygië (in Klein-Azië) had, naar de overlevering luidt, een wagen aan Zeus, den hoogsten god, gewijd en aan dien wagen het juk met de dissel door een knoop verbonden, die niet gemakkelijk was los te maken. Een orakel verkondigde, dat diegene koning over Azië zou zijn, welke dien knoop vermocht te ontwarren. Alexander de Groote vervulde die godspraak door den knoop met het zwaard door te hakken[24]. Dat het getal drie en andere oneven getallen, eene groote rol in de magie spelen, is eveneens een feit. De toovergodin Hecate werd vaak met drie aangezichten afgebeeld. Herhaaldelijk wordt den toovenaar eene sexueele onthouding van drie dagen voorgeschreven. Mephisto moet drie keer door Faust worden uitgenoodigd, alvorens hij diens vertrek mag binnentreden. Voor eene zekere oproeping van den god Apollo was een lauriertak met zeven bladen vereischt[25]. De toovenaars op het schiereiland Malakka gebruiken zijden draden van zeven kleuren. In de Joodsche toovervoorschriften wordt ronduit verklaard, dat de even getallen beneden tien bepaald ongunstig zijn.

Het geloof, dat een mensch de gedaante van een wolf of ook wel van een ander dier kan aannemen, is bij zeer vele volkeren heerschende. In de zestiende en zeventiende eeuw beschouwde men den weerwolf als een dienaar des duivels en menigeen werd zoodoende het slachtoffer van den brandstapel. Dat de wolf in oude tijden aan primitieve volkeren een demonisch wezen toescheen en in verband werd gebracht met tooverij is geen wonder; voorts hebben ook krankzinnigheid en hallucinaties bij het geloof aan den weerwolf eene groote rol gespeeld.

Van tegenovergestelde strekking als de bezwering in het bovenvermelde herdersdicht is eene episode uit het vierde boek van de Aeneïde, het onafgewerkt tot ons gekomen heldendicht van Vergilius. De dichter laat aldaar (v. 478--498) Dido, de koningin van Carthago, gemarteld door eene noodlottige liefde voor Aeneas, die haar op goddelijk bevel verlaten moet, aldus tot hare zuster spreken:

"Ik heb een middel gevonden--wensch er mij geluk mee--dat mij hem [Aeneas] zal teruggeven of mij van mijne liefde zal bevrijden. Aan den rand van den Oceaan, waar de zon ondergaat, houdt het gebied der Aethiopiërs op, waar het hemelgewelf met zijne fonkelende sterren op de schouders van den ontzaglijken Atlas zich wentelt. Vandaar is eene priesteres van 't Massylische volk mij gewezen, die den tempel der Hesperiden en den boom met de gouden appelen bewaakte, die den draak aldaar voedde door hem vochtige honig[koeken] toe te dienen, bestrooid met slaapwekkenden papaver. Deze belooft door tooverzangen de harten van wie zij wil, van liefde te bevrijden, maar bij anderen eene felle hartstocht op te wekken, het water in de stroomen tot staan te brengen en de sterren te doen terugkeeren op hare baan. Zij roept de nachtelijke schimmen op. Gij zult den grond onder hare voeten hooren grommen en de esschen van het gebergte zien neerdalen. Ik roep de goden en U, geliefde zuster, tot getuigen, dat ik tegen wil en dank het wapen der magische kunst te baat neem. Richt gij in het geheim een brandstapel op 't binnenplein hemelhoog op en leg het zwaard van den man, dat hij, de booswicht, in mijn vertrek vastgehecht achterliet, en al zijne kleeren en het bruidsbed, mijn verderf, er boven op. De priesteres gebiedt mij, al wat mij aan dien verfoeilijken man herinnert, te vernietigen."

Ook hier weer eene symbolische handeling, waaraan eene reëele uitwerking wordt toegeschreven. Het vernietigen van voorwerpen die op eene ongelukkige liefde betrekking hebben, moet ook aan die liefde zelf voorgoed een einde maken.

Aan den wensch van Dido wordt voldaan en het verhaal gaat (v. 504--519) aldus door:

"Maar nadat op het binnenplein van 't paleis een ontzaglijke brandstapel uit blokken van pijnboom-en eikenhout hemelhoog was opgericht, versiert de koningin de plaats met guirlanden uit cyprèssentakken gevlochten en, met volkomen besef van wat zij gaat doen, legt zij de kleeren, het achtergelatene zwaard en het beeld van Aeneas op het rustbed [bovenop den brandstapel]. Er staan altaren rondom en de priesteres, met loshangende haren, roept driemaal het honderdtal goden, den Erebus, de Chaos, de driedubbele Hecate, de drie aangezichten van de maagd Diana met bulderende stem aan. Ook had zij vocht gesprenkeld, dat water uit het meir Avernus moest verbeelden en kruiden bijeengegaard, afgesneden bij maneschijn met bronzen sikkel, tierige kruiden vol van zwart venijn.... Dido zelf stond naast het altaar, met het offermeel in de reine handen, één voet ontbloot, in een los kleed en riep, den dood voor oogen, de goden tot getuigen aan".

Dido, die slechts voor den schijn die magische handelingen laat verrichten, stort zich ten laatste in het zwaard van Aeneas en de brandstapel wordt ontstoken.

Dat ook aan het getal honderd eene bijzondere uitwerking werd toegeschreven, blijkt uit den grooten Parijschen tooverpapyrus v. 252, waar sprake is van een magischen godennaam, die uit honderd letters bestaat.

Bij het meir Avernus, dat in Campanië te midden van huiveringwekkende bosschen lag, was, naar men beweerde, een toegang tot de onderwereld; vandaar dat dit meir bij de magie dikwijls ter sprake kwam, zooals wij nog herhaaldelijk zullen zien.

De symboliek van het loshangende haar, den ontblooten voet en het ontgordelde kleed is vrij duidelijk. Al hetgeen boeit zou bij deze plechtigheid hinderlijk zijn, waar het geldt den knellenden band der liefde los te maken. Maar ook bij andere magische handelingen komen dezelfde gebruiken voor, blijkbaar oorsponkelijk met de bedoeling om de raadselachtige kracht, waarvan reeds in hoofdstuk II sprake is geweest, ongestoorder te laten werken; later is dit alles een bloot overleefsel.

Ook Medea laat, zooals wij straks zullen zien, bij bezweringen het haar neerhangen. Van Apollonius van Tyana (in Klein-Azië) een der beroemdste magiërs, wordt verzekerd, dat hij dit gebruik zijn leven lang in acht nam[26]. Bij de Mohammedanen laat de geestenbezweerder het haar loshangen en hetzelfde doen ook de tooverartsen in het Zuiden van Vóór-Indië.

Wat de ontblooting van één voet betreft, heeft men op eene Grieksche vaas eene afbeelding gevonden van een man met zijn ontblooten rechtervoet op de huid van een offerdier en met zijn geschoeiden linkervoet op den grond[27]. De tweehonderd Plataeers, die in den Peloponnesischen oorlog door de linies der hen belegerende Spartanen heenbraken, hadden slechts hun linker voet geschoeid[28]. Blijkbaar was het een aloud gebruik, eene soort wijding, door diegenen in acht genomen, die een levensgevaarlijk waagstuk beproefden.

Vastgeknoopte kleeren en gordels werden over 't algemeen bij tooverhandelingen als hinderlijk beschouwd. Vandaar dat bijv. ook Medea, zooals spoedig blijken zal, hare kleeren los draagt. Bij het exorcisme, d.w.z. de uitbanning van booze demonen, mocht, volgens het Joodsche gebruik, de patiënt slechts één gewaad, en wel zonder gordel, dragen. Opmerkelijk is ook, dat te Rome de Flamen Dialis, een der hoogste priesterlijke ambtenaren, geen knoop in zijn kleedij mocht dragen en dat de Mohammedaansche bedevaartgangers bij hun tocht naar Mekka hetzelfde gebruik in eere houden.

De Epicurist Horatius (65--8 v. Chr.), zanger van wijn, liefde en vaderlandsche deugd, tracht op alle mogelijke manieren de magie hatelijk en bespottelijk te maken. Herhaaldelijk richt hij aanvallen tegen eene zekere Canidia, waarvan wij in 't midden willen laten of zij al dan niet eene historische persoonlijkheid is geweest. O.m. beschrijft hij in zijn vijfde "Epode" op allergriezeligste wijze hoe een geroofde knaap van voornamen stand door Canidia en hare helpsters, Sagana, Veia en Folia, wordt doodgemarteld (15--38):

"Canidia, het onopgeschikte hoofdhaar omwonden met gezwollen adders, gebiedt wilde vijgeboomen, uit graven opgewoeld, doodsche cypressen, veeren en eieren van de gekuifde uil, besmeerd met het bloed van de afschuwelijke pad en kruiden uit Thessalië en Iberië [Georgië], vruchtbaar aan vergiften, alsmede beenderen, ontrukt aan den muil van eene hongerige teef, in Colchische [magische] vlammen te verbranden. Maar Sagana, opgeschort, sprenkelt door het geheele huis heen water uit den Avernus en lijkt met haar te berge rijzend haar op een zeeëgel of op een rennend everzwijn. Veia, door geen gewetenswroeging afgeschrikt, groef, al hijgende van 't werk, met haar hard houweel een kuil, opdat de knaap, er ingegraven en met zijn mond er boven uit stekende als een zwemmer, die slechts met zijn kin zich boven 't water verheft, door den aanblik van twee- of driemaal in den loop van den langen dag verwisseld eten zou wegsterven, opdat zijn uitgesneden merg en dorre lever voor de bereiding van een minnedrank zouden dienen".

Bij de magie is wel eens meer sprake van kinderoffers. Op eene afbeelding, die ons uit de oudheid is overgebleven, schijnt het offeren van een kindje te worden voorgesteld[29]. In een tooverpapyrus wordt voorgeschreven, hoe men, om eene vrouw in zijn macht te krijgen, den toorn van de maangodin tegen haar moet opwekken: men moet haar nl. beschuldigen dat zij o.m. een ongeboren of een jong kind offert[30]. Dit is, zooals van zelf spreekt, slechts eene fictie. Daar echter het griezelige eene zekere bekoring heeft, achtte men ook later nog de tooverij met het offeren van kinderen en soortgelijke gruwelen verbonden. Vooral in het heksengeloof speelt dit eene rol, zooals men o.m. kan opmaken uit de bereiding van het tooverbrouwsel in de vierde akte van "Macbeth", waarbij onder andere zonderlinge en onsmakelijke ingrediënten ook de vinger van een bij de geboorte vermoorden zuigeling voorkomt.

Met groote ironie verklaart de dichter, in de zeventiende epode, dat hij voor de tooverkunsten van Canidia zwicht:

"Reeds geef ik het gewonnen aan Uwe krachtige wetenschap, ik bid en smeek U bij het rijk van Proserpina, bij de niet aan te tasten majesteit van Diana, bij de boeken met tooverzangen, die de gesternten, aan den hemel vastgehecht, vermogen omlaag te roepen, Canidia, houd eindelijk op met Uwe bezweringen en laat den vluggen toovertol achteruit draaien [ten einde de betoovering daardoor op te heffen] (v. I--7)".

"Ik ben te over reeds door U gestraft, o veel geliefde van matrozen en straatventers! Gevlucht is mijn jeugd en de blozende kleur verliet de beenderen, omhuld met eene vaalbleeke huid; mijn haar is grijs geworden door Uwe tooverwalmen; geen rust ontspant mij van het werk, de nacht verjaagt den dag, de dag de nacht en mijne benauwde borst vindt geen verlichting. Dus word ik, rampzalige, gedrongen om te gelooven wat ik ontkende, dat Sabellische bezweringen de borst tot in het diepst schokken en je hoofd vaneen splijt door een Marsisch tooverlied. Wat wil je meer? (v. 19--30)."

Aan de Sabellen en Marsen, volksstammen in Midden-Italië, van oudvaderlijken eenvoud, schreven de verfijnde Romeinen het bezit van tooverkrachten toe. Ook dit verschijnsel is zeer opmerkelijk. Volkeren van eene "hoogere cultuur" zijn licht geneigd aan te nemen, dat volkeren die, zooals het heet, "op een lageren trap van ontwikkeling staan," in de magie uitmunten. De Hindoes beschouwden de oerinwoners van Indië als toovenaars en zoo ook de Zweden de Finnen. De Hollanders vermoeden vaak bij de Javanen het bestaan van eene "stille kracht". En het is dan ook niet onmogelijk, dat volkeren, die te kort schieten in het uitdenken van machinerieën--dit toch beschouwt men gewoonlijk als het meest sprekende kenmerk van eene "hoogere cultuur"--daarentegen meer begaafd zijn met zekere geheimzinnige krachten die het wezen uitmaken der magie.

En eindelijk worden in eene satire (I, 8) Canidia en Sagana, die 's nachts er op uit gaan om dooden te bezweren, door Horatius op zulk eene wijze gehoond, dat wij de reproductie ervan maar liever achterwege laten, en met de opmerking volstaan, dat de bestrijders der magie het zoo nauw niet nemen.

Ovidius (43 v. Chr. - ± 17 n. Chr.), de meest ingenieuze en meest irreligieuze van alle Romeinsche dichters, steekt althans op minder onhebbelijke wijze den draak met de tooverkunst. Hooren wij, uit een zijner minnedichten (I, 8,5--16) de navolgende beschrijvingvan eene oude koppelaarster, tevens magicienne:

"Zij kent de tooverkunsten en de zangen van Circe; zij doet de snelle wateren zich terugbochten naar hunne bron; zij weet goed wat een kruid, wat een band, rondom een draaienden toovertol gewonden, vermag; ... als zij wil, hoopen zich wolken aan den geheelen hemel op; als zij wil, blinkt de dag aan den helderen trans. Bloed zag ik, (zou je 't gelooven?), van de sterren neerdruppelen; het gelaat der maan was purpurrood van bloed. Ik vermoed, dat zij, van gedaante veranderd, door de nachtelijke schaduwen vliegt en dat haar oud lichaam zich met veeren overdekt; ik vermoed het, en 't wordt beweerd; ook schittert eene dubbele pupil in hare oogen."

Dit laatste is ons ook van de Thibii, eene volksstam aan de Zwarte Zee, bericht, van wie men verder vermeldde, dat zij de macht van het booze oog (vgl. II) uitoefenden en in 't water niet onderzonken[31].

In zijn "Remedie tegen de liefde", overigens "een geneesmiddel erger dan de kwaal", keurt hij (248--260) het gebruik van magische middelen af:

"Meent iemand, dat de booze kruiden van het Thessalische land en de magische kunsten hulp kunnen brengen, dan zie hij wel toe! Dat is de oude manier van giftmengerij: mijne muze biedt met hare gewijde zangen eene onschuldige hulp. Volgt gij mij, dan zal geen schim op bevel uit den grafheuvel te voorschijn treden; geen tooverkol zal door gruwelijke bezwering den grond doen splijten; geen veldgewas zal van den eenen akker naar den anderen over gaan; en de zonneschijf zal niet plotseling bleek zien. De Tïber zal, als gewoonlijk, naar de wateren der zee loopen, de maan als gewoonlijk, met een sneeuwwit span voortrijden. Geen hart zal door bezweringen van kommer verlost worden, geen liefde voor brandende zwavel op de vlucht slaan ..."

Men schreef nl. reeds in overoude tijden aan zwavel eene reinigende kracht toe en ook in de liefdestooverij werd er gebruik van gemaakt.

Ovidius verklaart verder (v. 289 vlg.):

"Wïe gij ook zijt, die hulp verlangt van onze kunst, ontzeg aan giftmengerij en tooverzangen geloof."

Maar met dat al was de magie als litterair onderwerp ook voor hem onmisbaar. Het werk, waaraan hij bovenal zijn naam te danken heeft, zijn immers de "Metamorphosen," d.w.z. gedaantewisselingen, eene reeks verhalen uit de mythologie, die telkens met verandering van lichaamsvormen, dus met tooverij, eindigen. En de episode van Medea is zeer zeker niet de minste in dit bij uitstek kleurrijke en schilderachtige dichtwerk. Eén greep (VII, 180-188):

"Toen de maan in haar volsten glans en met gevulde schijf op de landen neerzag, verliet Medea het huis, gehuld in ontgordelde kleeren, één voet ontbloot, de haren over de naakte schouders neergolvende; onverzeld gaat ze met zwervende schreden door de stomme stilte der middernacht; diepe rust had menschen, gevogelte en wilde dieren ontspannen; de heggen zijn zonder gefluister; onbewogen zwijgt het loof; de vochtige lucht zwijgt; de sterren alleen flikkeren."

Hierbij eene opmerking.

Er is hier sprake van "ontbloote schouders." Diergelijke ontblootingen en zelfs algeheele naaktheid komen bij de tooverij meer voor. In een fragment uit eene Grieksche tragedie wordt uitdrukkelijk gezegd, dat Medea naakt de benoodigde tooverkruiden maait[32]. Op eene vaas vindt men afgebeeld, hoe twee naakte toovenaressen de maan omlaag halen[33]. In de tooverpapyri wordt voorgeschreven, dat de knaap, die bij zekere handelingen onmisbaar is, naakt moet zijn[34]. Bij het exorcisme, dat aan den doop voorafging, moest oudtijds, inzonderheid volgens het ritueel der Grieksche kerk, de doopeling ontkleed worden. Dit alles sluit goed aan bij het boven vermelde feit, dat men knoopen en gordels bij tooverhandelingen ongewenscht achtte: het geheimzinnige "mana" immers moet zoo vrij mogelijk kunnen werken.

De liefdestooverij was meer dan eene bloote litteraire fictie.

Tooverdranken waren ook toen veel in gebruik en er wordt zelfs vermeld, dat Lucretius Carus (± 97 v. Ch.--55(?) v. Ch.) door het toedienen ervan in zijne geestvermogens zou zijn gekrenkt en derhalve zijn beroemd leerdicht "Over de natuur der dingen", eene uiteenzetting van Epicurus' systeem slechts in zijne heldere oogenblikken zou hebben geschreven. Men heeft wel is waar dit bericht in twijfel getrokken, maar er zijn omstandigheden, die sterk voor de waarheid ervan pleiten: het gedicht is niet alleen onvoltooid, maar heeft ook verscheidene lacunes en plotselinge overgangen; daarenboven doet de inhoud er onwillekeurig aan denken, dat de auteur aan hallucinaties leed, 't geen immers met groote dichterlijke begaafdheid best kan samengaan.

Maar ook andere tooverijen werden blijkbaar herhaaldelijk in practijk gebracht.

Van Catilina, een energiek, maar ook onbesuisd man, die in 63 v. Chr., zooals bekend, eene poging deed om de regeering te Rome omver te werpen, vertelden sommigen, dat hij, na het houden van eene opruiende toespraak, om zijne deelgenoten nauwer aan zich te verbinden, menschenbloed, met wijn vermengd, in bekers liet rondreiken; eerst nadat ze onder vervloekingen, zooals deze bij zekere plechtigheden gebruikelijk waren, den drank hadden geproefd, zou hij hun zijn plan hebben geopenbaard.

Aldus de geschiedschrijver Sallustius (87--35 v. Chr.), die echter verklaart, geen genoegzame bewijzen ervoor te hebben (Samenzw. v. Cat. 22), terwijl een later auteur zelfs verhaalt, dat de saamgezworenen een kind slachtten en bij de ingewanden ervan den eed aflegden[35]. Dat men zich door het storten en ook wel door het drinken van bloed tot trouwe kameraadschap verplichtte[36], kwam meer voor en zoodoende zou het bericht omtrent Catilina eene kern van waarheid kunnen bevatten zonder dat men daarom noodzakelijkerwijs aan het allerergste behoeft te denken.

Hoe het zij, de vrees voor de magie was zoo groot, dat men herhaaldelijk van overheidswege er maatregelen tegen nam. Onder Augustus werden door zijn alvermogenden gunsteling, Vipsanius Agrippa, de toovenaars en de vaak met hen op ééne lijn gestelde sterrewichelaars, uit Rome verdreven (33 v. Chr.)[37]. En in 't jaar 28 v. Chr. moest Anaxilaos uit Larissa (in Thessalië), "een Pythagoreeër en magiër", Italië verlaten[38].

Maar ook de vervolgers onthielden zich niet van occultistische, resp. magische practijken. Agrippa zelf had samen met Octavianus, zooals hij oorspronkelijk heette, zich den horoscoop laten trekken[39], en de keizer droeg, ten einde niet door den bliksem te worden getroffen, altijd en overal het vel van een zeekalf bij zich als afweermiddel[40].

Het optreden van Agrippa had niet, of slechts tijdelijk, het gewenschte gevolg: onder keizer Tiberius moesten (waarschijnlijk in 16 n. Chr.) de astrologen en magiërs wederom uit Italië worden verjaagd. Zelfs werd één hunner, L. Pituanius, van de Tarpejische rots afgeworpen (de straf op hoogverraad) en lieten de consuls P. Marcius buiten de Esquilijnsche poort (aan de Oostzijde van Rome), na met trompetgeschal het sein te hebben gegeven, op de ouderwetsche manier, d.w.z. door geeseling en onthoofding, terechtstellen. Aldus bericht de beroemde geschiedschrijver Tacitus in zijne Annalen (II, 32).

Meer opzien baarde, in 't jaar 20 n. Chr., het proces van Piso, dien men beschuldigde, Germanicus, een neef van den keizer en een zeer populair veldheer, door vergif uit den weg te hebben geruimd. "Er werden", zooals Tacitus in Ann. (II, 69) verzekert, "op den grond en bij de muren overblijfsels van opgegravene menschelijke lichamen en tooverspreuken en vervloekingen en de naam van Germanicus op looden tafels ingekrast en halfverbrande asch met smetstof bestreken en andere toovervoorwerpen gevonden, waardoor men gelooft dat zielen aan de onderaardsche machten gewijd worden". Piso, hoewel hij openlijk zijne vijandschap tegen Germanicus had betuigd, ontkende hem te hebben vergiftigd, maar pleegde, aan zijne vrijspraak wanhopende, zelfmoord.

Men verzekert verder, dat Tiberius zelf vrij was van angstvallige gelooverij, maar toch de astrologie beoefende (Ann. VI,20 vgl.), en, als er onweer dreigde, voor de securiteit een laurierkrans op het hoofd droeg[41], omdat men geloofde, dat dit loof door den bliksem niet wordt getroffen.

Er is een factor, die reeds lang in werking, zich van die tijden af met groote kracht doet gelden, nl. de invloed van Oostersche gedachten, gebruiken, godsdiensten, eene strooming, aan welke men den naam Oriëntalisme heeft gegeven.

De Romeinen, tot dusver onweerstaanbaar voortdringende, hadden eindelijk in 't Oosten een tegenstander gevonden, dien ze niet vermochten te overweldigen: de Parthen. De schitterende overwinning, door de Parthen in 53 v. Chr. op Crassus behaald, die tengevolge hiervan met leger en al zijn ondergang vond, is een keerpunt in de geschiedenis. En terwijl het Romeinendom aldus door het Oosten op het slagveld werd gestuit, onderging het tevens in steeds toenemende mate den invloed van het Oosten op geestelijk gebied. Het is geen toeval, dat de invloedrijkste denker der eerste eeuw v. Chr., Posidonius (reeds in 't begin van dit hoofdstuk genoemd) uit Syrië afkomstig was. Aan Posidonius bovenal is het o.m. toe te schrijven, dat eene door en door Oostersche leer, de astrologie, in Rome tot aanzien kwam. Zooals wij zagen, werd de astrologie door de wetgevers met de magie op ééne lijn gesteld, en inderdaad kwamen beide niet slechts vaak met elkaar in aanraking, maar versmolten zij ook herhaaldelijk met elkaar, zooals nog later zal blijken.

De Oostersche godsdiensten wonnen, om het zoo uit te drukken, met den dag veld, al verzetten ook de ouderwetsch gezinde Romeinen er zich met hand en tand tegen en al deinsden zij zelfs voor vervolgingen niet terug.

In de eerste plaats was het de "Alexandrijnsche" religie, die, op instigatie van koning Ptolemaeus I (± 300 v. Chr.) uit Egyptische en Grieksche bestanddeelen samengesteld, zich reeds vroeg over de Helleensche en Romeinsche wereld ging verspreiden.

