Magie bij de Grieken en de Romeinen
Part 3
Draaihals, lok gij dien man naar mijn huis toe!
Nu offer ik de klei. Gij, Artemis, zoudt zelfs het gevoellooze staal kunnen ontroeren en wat er verder onwrikbaar is--Thestylis, de honden huilen door de stad heen; de godin is op de driesprongen; sla gauw op het bronzen bekken!
Draaihals, lok gij dien man naar mijn huis toe!
Zie daar! de zee zwijgt, de winden zwijgen, de smart echter in mijn borst zwijgt niet, maar ik verteer geheel van liefde voor hem, die mij, rampzalige, in plaats van zijne gade tot eene slechte deerne heeft gemaakt.
Draaihals, lok gij dien man naar mijn huis toe!
* * * * *
Deze franje van zijn mantel verloor Delphis, die ik nu uiteen pluk en in het woeste vuur werp. O martelende liefde! hoe hebt gij als een bloedzuiger aan mij hangende al het donkere bloed uit het lichaam gedronken!
Draaihals, lok gij dien man naar mijn huis toe!
Eene waterhagedis stamp ik fijn en breng U morgen een boozen drank. Thestylis, neem die tooverkruiden en besmeer daarmee van boven zijn deurpost zoolang het nog tijd is, en zeg, er op spuwende: "Ik vermorzel de beenderen van Delphis!"
Draaihals, lok gij dien man naar mijn huis toe!"
Deze booze tooverij, het "envoûtement", dat bij vrijwel alle volkeren voorkomt, berust in de eerste plaats op het geloof, dat de mensch doortrokken is met eene soort zelfstandigheid, die ook op de voorwerpen overgaat, waarmede hij in aanraking komt. Door op die voorwerpen, zooals in het vermelde geval op een stuk van een kleed in te werken, meent men den persoon zelf te treffen, die verondersteld wordt er altijd in psychisch contact mede te blijven. Onwillekeurig denken wij hierbij aan het veelbesprokene "magnetische fluïde" en enkele onderzoekers hebben dan ook in die richting proeven genomen, uit welke zou zijn gebleken, dat het gebruik in quaestie, schijnbaar alleronzinnigst, toch nog op eenigen rationeelen grondslag zou berusten. Zeker is het, dat bij primitieve volkeren de suggestie zulk eene onweerstaanbare uitwerking heeft, dat menigeen, zoodra hij gelooft betooverd te worden, door de bloote angst ziek wordt en wegkwijnt. Maar het envoûtement veronderstelt nog een ander geloof, n.l. dat symbolische handelingen reëele gevolgen kunnen hebben, bijv. wanneer men, zonder iets te bezitten wat met het slachtoffer in aanraking is geweest, eene figuur ervan in het zand teekent en daarin met stokken prikt. Hierbij toch wordt blijkbaar aangenomen, dat de mensch het vermogen bezit om door wilsconcentratie een ander op afstand te deren, en tevens dat die wil door eene symbolische handeling tot hoogere kracht wordt opgevoerd. De echte telepathische experimenten in aanmerking genomen--niet de publieke vertooningen tegen entree, die onlangs zoo grooten opgang hebben gemaakt--zou iets dergelijks niet als onmogelijk te beschouwen zijn, maar toch altijd wel tot de grootste uitzonderingen behooren.
Apollonius uit Rhodus, een tijdgenoot van Theocritus, verhaalt in het derde boek van zijn epos "Argonautica" op uitvoerige en dichterlijke wijze, hoe de toovenares Medea (zie boven) liefde voor Jason opvat en hem de middelen aan de hand doet zich onkwetsbaar te maken, ten einde de hem wachtende kampstrijden met goed gevolg te kunnen doorstaan. De held gaat heen, om hare aanwijzingen ten uitvoer te brengen (v. 1191--1224):
"De avondzon dook in de duistere aarde weg achter de verstafgelegen bergkruinen der Aethiopiërs. De nacht legde hare paarden het juk op; de helden maakten hunne legersteden gereed bij de kabeltouwen. Maar zoodra de lichten van het schoonblinkende beergesternte overhelden en de lucht van af den hoogen hemel volslagen kalm was geworden, stapte Jason heimelijk als een dief naar de eenzaamheid, met al zijne benoodigdheden, want hij had overdag voor alles afzonderlijk gezorgd; een ooi en melk uit de wei kwam zijn makker Argos brengen; het overige nam hij uit het schip zelf. Maar toen hij een plek zag, die bezijden het pad der menschen lag, kalm te midden van zuivere beemden, baadde hij allereerst, overeenkomstig den ritus, zijne slanke gestalte in de goddelijke rivier, en omkleedde zich met den donkeren mantel, dien Hypsipyle uit Lemnos hem vroeger geschonken had als eene herinnering aan hunne innige liefde. Na vervolgens een kuil van eene el breedte in den grond te hebben gegraven, hoopte hij gekloofd hout op, sneed een lam de keel af en strekte het naar behooren over den kuil heen uit; hij stak de blokken van onder in brand en goot gemengde plengoffers uit, Hecate-Brimo [de geweldige] aanroepende als helpster bij de kampstrijden. En na die aanroeping ging hij weer terug; de geduchte godin echter, haar vernemende uit de diepste holen, begaf zich naar het offer van Jason toe; haar omkransden schrikwekkende slangen te midden van eikenloof; ontzaglijk straalde het licht der fakkels; onderaardsche honden deden om haar heen een scherp geblaf hooren. Alle weilanden langs het pad sidderden; de moerasbewonende nimfen, die rondom de beemden van den Phasisstroom zwieren, gilden het uit. Jason beving wel de vrees, maar desondanks zag hij niet om en zijn voeten droegen hem verder, totdat hij zich onder zijne makkers had gemengd; reeds wierp de in de vroegte geboren Dageraad verrijzende zijn licht over den besneeuwden Caucasus."
Het reinigingsbad heeft hier kennelijk bovenal de bedoeling, de booze demonen af te weren, die licht op den tooverende een schadelijken invloed vermochten uit te oefenen.
Ook elders is dit heldendicht, dat inzonderheid bij de Romeinen in groot aanzien stond en sterk werd nagevolgd, rijk aan verhalen over magie.
Dat men ook in die tijden van spot en scepticisme zich, hetzij voor goede, hetzij voor booze doeleinden van tooverij bediende, blijkt uit tal van gegevens.
In eene redevoering (na 327) die op naam van Demosthenes gaat en in elk geval tot de meest boeiende lectuur uit de oudheid behoort, t.w. eene aanklacht tegen den "chanteur" Aristogiton, vinden wij vermeld dat de Atheners de "giftmengster" Theoris, "de Lemnische" met haar geheele geslacht ter dood lieten brengen en wordt de broeder van Aristogiton ervan beschuldigd, door middel van eene slavin der tooveres hare kruiden en bezweringen te hebben overgenomen ten einde, naar zijn zeggen, daardoor o.m. lijders van de vallende ziekte te genezen. (I. Rede tegen Arist. c. 79 vlg.).
Aan koning Pyrrhus (gest. 272), den bekenden tegenstander der Romeinen, werd eene wonderbare geneeskracht toegeschreven:
"Men geloofde dat hij aan miltzieken genezing bracht door een witten haan te offeren en hun, terwijl zij achteroverlagen, met den rechter voet de milt zachtjes aan te raken. Niemand was zoo arm of onaanzienlijk, dat hem niet op verzoek die behandeling werd toegestaan. Pyrrhus kreeg dan ook den haan, wanneer hij hem geofferd had, en op dit eergeschenk was hij bijzonder gesteld. Men zegt ook, dat de groote teen van dien [rechter] voet eene goddelijke kracht had, zoodat hij na zijn dood, terwijl het overige lichaam verbrand was, ongedeerd en door het vuur onaangeraakt werd gevonden"[17].
De volkenkunde levert hiertoe tal van paralleles.
Bij de primitieve volkeren heerscht algemeen de overtuiging, dat hunne hoofden eene bijzondere kracht of zelfstandigheid bezitten, die men tegenwoordig gewoonlijk met een Polynesisch-Melanesisch woord "mana" noemt, door welke zij o.m. ook zieken vermogen te genezen. Van de hoofden op de Tonga eilanden (in de Stille Zuidzee) geloofde men, dat de aanraking van hun voet aan kliergezwellen en leververharding een einde maakte. Bij de Walos (aan den Senegal) brachten moeders hunne zieke kinderen naar de koningin, die ze plechtig met den voet op den rug, de maag, het hoofd en de beenen aanraakte. Hetzelfde geloof heerschte in Europa. Toen Waldemar I van Denemarken (1157-1182) door Duitschland reisde, brachten moeders hunne kinderen tot hem met het verzoek, zijne handen op ze te leggen, in de overtuiging, dat ze dan beter zouden groeien. Van de Engelsche koningen verwachtte men wonderdadige hulp tegen klierziekten. Koningin Elizabeth (1558-1603) oefende herhaaldelijk de gift der genezing uit. Karel I zou in 1633 op één dag honderd, zijn zoon Karel II in den loop van zijne regeering (1660-1685) ten naastenbij honderdduizend klierlijders hebben aangeraakt. Ook Fransche koningen traden als wonderdadige genezers op. Dat door de kracht der suggestie de koninklijke aanraking vaak zal hebben geholpen is niet onwaarschijnlijk; of echter ook nog het "magnetische fluïde" er wel eens bij in 't spel is geweest, moeten wij vooralsnog in 't midden laten.
Wij komen later nog op diergelijke wonderdadige genezingen terug.
Wat de booze tooverij betreft, zijn ons ook uit dien tijd verscheidene plaatjes, bijna allen uit lood, bewaard gebleven, waarop men vervloekingen kraste. Een voorbeeld hiervan is het navolgende, uit Attica, van omstreeks 300 v. Chr.
"Ik boei Theagenes de tong en de ziel en het pleidooi dat hij voorbereidt; ik boei ook van Pyrrhius den kok de handen en voeten, de tong en de ziel en het pleidooi dat hij voorbereidt; ik boei ook de vrouw van Pyrrhius haar tong en haar ziel; ik boei ook Cercion den kok en Docimus den kok de tong en de ziel en het pleidooi dat zij voorbereiden; ik boei ook Cineas de tong en de ziel en het pleidooi dat hij met Theagenes samen voorbereidt; ik boei ook Pherecles de tong en de ziel en het getuigenis dat hij ten gunste van Theagenes aflegt; ik boei ook Seuthes de tong en de ziel en het pleidooi dat hij voorbereidt en de voeten en de handen en de oogen en den mond; ik boei ook Lamprias de tong en de ziel en het pleidooi dat hij voorbereidt, de handen, de voeten, de oogen en den mond, al dezen boei ik, ik doe ze verdwijnen, ik stop ze onder den grond, ik spijker ze vast; en als ze voor de rechtbank en bij den scheidsrechter iets doen, mogen ze dan niet in aanmerking komen, noch in woord, noch in daad"[18].
Hier tracht men dus zijne tegenpartij in rechten te schaden en hoopt dat hetgeen met de plaat geschiedt, ook de personen zelf zal overkomen. De symboliek hierbij verraadt een uiterst naïeven gedachtengang. Lood is zwaar, dus moet het ook op een afstand een bezwarenden invloed uitoefenen. De spijker houdt vast, dus moet hij ook op afstand iemand vastleggen. Overigens verwijzen wij naar hetgeen reeds boven over het envoûtement is gezegd.
Meestal worden bij die vervloekingen ook de onderaardsche goden aangeroepen, zooals bijv. op de navolgende plaat uit de vierde eeuw:
"Hermes, gij vastlegger en Persephone, legt vast van Parthenius en Apollonius, de zoons van Hagnotheus de tong en de ziel en de daden en de voeten en de plannen.
Hermes, gij vastlegger en Persephone, legt vast van Euxenus de ziel en het lichaam en de voeten en de handen en de daden en de plannen en de tong totdat hij naar de onderwereld is neergedaald"[19].
Ook bij de Romeinen werd de tooverij gedurende die tijden evenzeer in practijk gebracht en ook bij hen ontbrak het niet aan vervolgingen van staats- en rechtswege.
In den loop van den tweeden Punischen oorlog waren de gemoederen door de voortdurende wisselingen van den krijgskans ten zeerste geschokt. Men nam de toevlucht tot allerlei uitheemsche plechtigheden; magiërs en profeten verkregen grooten invloed op het volk. Toen (in 213) gelastte de senaat, verontrust over de toenemende verwaarloozing van den Romeinschen eeredienst, de geschriften over magische en soortgelijke onderwerpen aan de overheid uit te leveren[20].
Ook kwam het wel eens voor, dat men een landman, wiens voorspoed te zeer in 't oog liep, er van beschuldigde, tooverkunsten te hebben aangewend, zooals blijkt uit navolgend feit, dat in het jaar 157 plaats vond.
"Toen C. Furius Chresimus, een vrijgelatene, van een zeer kleinen akker meer vruchten had geoogst, dan de naburen van de meest uitgestrekte velden, ontstond er een groote afgunst tegen hem, en beschuldigde men hem, dat hij andermans vruchten door booze tooverij verlokte [d.w.z. naar zich toe lokte]. Om die reden door een magistraat, Spurius Albinus, aangeklaagd, vreesde hij te worden veroordeeld en bracht, toen de volksvergadering [waarbij hij in beroep was gekomen] tot de stemming moest overgaan, al zijn akkergereedschap naar het forum [de vergaderplaats] en haalde zijne krachtige, welgevoede en goed gekleede slaven erbij, alsmede zijne voortreffelijk gesmeede ijzeren werktuigen, zware houweelen, geweldige ploeg en en doorvoedde runderen. Daarop zeide hij: "Dit zijn mijne booze toovermiddelen, medeburgers! En al mijn zwoegen, mijne nachtwaken en zweet kan ik U niet eens vertoonen noch naar het forum brengen". Hij werd met algemeene stemmen vrijgesproken[21]."
Er is hier, zooals wij zien, sprake van het verlokken, d.w. z. naar zich toe lokken, van andermans veldgewas; die term komt ook al voor in de wet der twaalf tafelen, die wij aan het einde van ons eerste hoofdstuk hebben vermeld. Hoe stelde men zich echter dat naar zich toe lokken voor? Toch wel niet zoo, dat de rijpe korenaren van het eene veld naar het andere overliepen, al wordt dan ook, zooals later blijken zal, iets dergelijks door dichters gezegd. Om ons een juist denkbeeld te vormen van hetgeen bedoeld wordt, moeten wij op het primitieve denken van landbouwende volkeren nader ingaan.
Zooals wij kunnen opmaken uit talrijke mythen en gebruiken, die zoowel in Europa als elders voorkomen, geloofde men van oudsher dat ook de planten en de oogst bezield waren. De "korenziel" is ook nog ten onzent bekend, zij het dan ook slechts als een onbegrepen overleefsel (survival). Deze ziel wordt veronderstelt in de laatste schoof te huizen, van daar dan ook dat bij een oogst allerlei gebruiken er mede zijn verbonden. Zeer vaak wordt van de laatste schoof eene pop gemaakt, de "graanmoeder", soms met vrouwenkleeren opgetuigd. Teneinde het volgende jaar een goeden oogst te hebben wordt de pop veelal met water besprenkeld, om door deze symbolieke handeling--men spreekt ook van "sympathetische magie"--een vruchtbaarmakenden regen te bezweren. De korenziel leeft naar men aanneemt het geheele jaar lang; door eenige graankorrels uit de laatste schoof met het zaaigraan te vermengen, is men zeker van de aanwezigheid der korenziel in den oogst van het volgende jaar. In onze Oost spreekt men van eene "rijstmoeder" als draagster van eene bezielende zelfstandigheid. De rijstmoeder, d.w.z. enkele halmen van weelderigen en eigenaardigen groei, bijv. van zeven geledingen, wordt met de noodige zorg naar huis gebracht en meestal op eene afzonderlijke plek in de schuur gezet. Zoolang men de rijstmoeder heeft, is men verzekerd van den overigen oogst.
Nemen wij dit alles in overweging, dan ligt het voor de hand, dat men volgens het aloude geloof door bezweringen en tooverijen niet alleen aan het veldgewas van een ander rechtstreeks schade kon toebrengen, maar ook diens korenziel naar zich toe kon lokken en zoodoende zich den oogst van zijn buurman toeëigenen. Dat de dichters, die evenmin als anderen, den oorsprong van het geloof in kwestie kenden, het verlokken van den oogst letterlijk opvatten om hetzij hunne fantasie, hetzij hunne ironie bot te vieren, kan geen verwondering wekken.
Er werden echter aan de magie ook gunstige werkingen toegeschreven. Zoo geloofde men o.a. dat hagelslag door tooverspreuken kon worden afgeweerd en dat bezweringen de kracht hadden wonden te heelen. De oude Cato (gest. 149), de conservatieve practicus bij uitnemendheid, geeft in zijn werk over den akker bouw (c. 160) den volgenden, overigens niet zeer duidelijken raad:
"Indien iets ontwricht is, zal het door deze bezwering genezen. Neem een groen riet, vier of vijf voet lang, splijt het midden door en laten twee mannen het tegen uwe heupen aanhouden. Begin met te bezweren. Motas, vaeta, daries, dardares, astataries, dissunapiter, totdat ze [de stukken riet] samenkomen, en zwaai er [het] ijzer over heen. Wanneer ze op deze wijze zijn samengekomen en het eene stuk het andere heeft aangeraakt, grijp dan dat met de hand en snijd het rechts en links af. Bind het vast aan de plek waar de ontwrichting of de breuk is, en deze zal genezen."
Blijkbaar is ook hier magische symboliek in 't spel; evenals de stukken riet worden samengevoegd, zullen, naar men gelooft, ook de beenderen weer samengroeien.
Het zwaaien van ijzer (blijkbaar het mes) was kennelijk tegen de booze geesten gericht, die, naar men meende, er voor bevreesd waren. Hierover later meer.
De tooverwoorden zelve, van wier uitwerking men ongetwijfeld het meeste verwachtte, zijn onverstaanbaar. Zijn het woorden uit eene oude, vergetene taal en dus een overleefsel? Het oeroude heeft van zelf al iets magisch. Of uit eene vreemde taal? Ook wat uit den vreemde komt, geldt vaak voor tooverkrachtig. Of zijn het willekeurige klankverbindingen? Ook dit is dikwijls in de magie het geval, vgl. slechts het ook ten onzent gebruikelijke hocuspocus en abracadabra. Wij komen op dit onderwerp later uitvoerig terug.
Het geloof aan de kracht van het "belezen" heeft zich in landelijke streken met groote taaiheid weten te handhaven. In West-Vlaanderen bestond nog niet lang geleden het gebruik, om, tot genezing van een verstuikten paardepoot, driemaal het kruisteeken er over heen te maken en daarbij de eerste keer aulé, de tweede keer aulelé en de derde keer super aulé te zeggen. En ten onzent wordt bij gevallen van ontwrichting en dgl. nog wel eens het volgende rijm uitgesproken:
"Dit arm of poot Is verrukt of verstoot, 't Zal niet verrotten of verzweren In den naam des Heeren ...
*Litteratuur.*
#Th. Gomperz#, Griechische Denker III (1909).
#S. Seligmann#, Der böse Blick u. Verwandtes(1910).
#R. Wünsch#, Die Zauberinnen des Theokrit, in Hessische Blatter f. Volkskunde, VIII (1909).
#Frazer#, The magic art, Vol I (1913).
#A. de Rochas#, L'extériorisation de la sensibilité, 5e uitg. (1899).
#O. Berthold#, Die Unverwundbarkeit in Sage u. Aberglauben d. Griechen, in Religionsgeschtliche. Vers. u. Vorarb. hrg. v. Wünsch u. Deubner, XI Bd., 1 Hft. (1911).
#R. Wünsch#, Antike Fluchtafeln, in KI. Texte f. Vorles. u. Üb., hrg. v. H. Lietzmann, No. 20, 2e uitg. (1912).
#E.N. Fallaize#, s.v. Harvest, in Encyd, rel. eth. VI(1913).
#Frazer#, Spirits of the corn a. of the wild (1914).
#A. Kruyt#, Animisme i.d. Ind, archipel (1906).
#Frazer#, Balder the beautiful II (1914).
#A. de Cock#, Volksgebr. e. Volksgel, m. betr. t. Huisdieren, in Volkskunde, Tijdschr. v. Nederl. folklore, VII (1894).
* * * * *
HOOFDSTUK III.
*Kentering.*
De eerste eeuw vóór onze jaartelling kenmerkt zich o.m. door een steeds toenemend verzet tegen materialisme en scepticisme. De ingewikkelde atoomleer zoowel als de onvruchtbare twijfelingen lieten de dieper denkenden op den duur onbevredigd. Het Pythagoreïsme en het Platonisme herleefden. Het onzienlijke en buitengewone trok weer in verhoogde mate de aandacht. Posidonius (± 135--± 51), een der invloedrijkste denkers, de Leibniz der oudheid, evenzeer uitmuntende in de wiskundige wetenschappen als in de geschiedenis, hecht aan droomen en gelooft aan demonen.
De veranderde zienswijze der Grieksche denkers deed zich ook bij de Romeinen sterk gelden. Terentius Varro (116--27) "Rome's grootste geleerde", en geenszins blind voor de bedriegerijen op het gebied der tooverij, vermeldt als een feit, dat, toen de bewoners van Tralles (in Klein-Azië) door middel van magie den afloop van den oorlog met koning Mithradates (tusschen 88 en 63 v. Chr.) van Pontus (aan de Zuid-Oostkust van de Zwarte Zee) trachtten te weten te komen, de daartoe gebezigde knaap in water het beeld van den god Mercurius (Hermes) aanschouwde en de toekomst in 160 versregels voorspelde[22]. De Pythagoreeër Nigidius Figulus, een tijdgenoot van Varro en in kennis ter nauwernood bij hem achterstaande, bracht, door zekeren Fabius om inlichtingen gevraagd aangaande 500 denaren (zilverstukken) die hij verloren had, eveneens knapen door bezweringen in extase, waarin zij aanwezen, waar de buidel met een gedeelte der muntstukken begraven en hoe de rest verdeeld was, ook dat Cato (de jongere) een dier denaren had, en inderdaad erkende deze het muntstuk van een zijner slaven voor een offer aan Apollo te hebben ontvangen[23]. Van Vatinius, eveneens een Pythagoreeër, verzekert Cicero in de tegen hem gerichte redevoering (VI, 14, uit het jaar 56) dat hij de zielen uit de onderwereld opriep en de schimmen door het offeren van knapen gunstig stemde. Aangezien Cicero twee jaren later Vatinius heeft verdedigd, zal de laatstgenoemde gruwel wel niet als een bewezen feit zijn te beschouwen.
In de Romeinsche litteratuur dier tijden speelt de magie, inzonderheid voor erotische doeleinden, eene groote rol. Wij willen hiervan het o.i. meest belangrijke aanhalen.
De beroemdste Romeinsche dichter, de ernstige, verhevene en toch populaire Vergilius (70--19) volgt in zijn achtste herdersdicht (v 64--109) de idylle van Theocritus na, door ons in hoofdstuk II aangehaald. Ook hier weer is het eene verlatene minnares, die met medehulp van eene slavin, liefdestooverij verricht:
"Breng water en omwind dit altaar met een zachten band. Brand saprijke tooverkruiden en uitnemenden wierook, opdat ik beproeve mijn koelen echtgenoot door een magisch offer in hartstocht te doen ontvlammen; hier ontbreken slechts tooverzangen.
Trekt, o mijn zangen, Daphnis van de stad weg naar mijn huis!
Tooverzangen kunnen zelfs de maan van den hemel omlaag trekken; door tooverzangen heeft Circe de makkers van Odysseus veranderd; de kille slang in de wei barst door tooverzangen.
Trekt, o mijn zangen, Daphnis van de stad weg naar mijn huis!
Eerst bind ik deze drie draden van drie verschillende kleuren om uw beeld en voer dit driemaal rondom dit altaar; 't oneven getal behaagt aan de goden.
Trekt, o mijn zangen, Daphnis van de stad weg naar mijn huis!
Amaryllis, leg drie knoopen in de drie kleuren, Amaryllis leg de knoopen en zeg: "Ik knoop de boeien van Venus!"
Trekt, o mijn zangen, Daphnis van de stad weg naar mijn huis!
Evenals deze klei hard wordt en dit was smelt door één en hetzelfde vuur, aldus moge Daphnis voor anderen gevoelloos worden, maar voor mij in liefde opgaan! Strooi gezouten meel en ontsteek de brosse laurier met aardpek! De gevloekte Daphnis brandt mij en ik brand dezen laurier op zijn beeld.
Trekt, o mijn zangen, Daphnis van de stad weg naar mijn huis!
Zulk eene liefde als die eene vaars overmeestert, wanneer zij, door wouden en diepe bosschen heen, een stier zoekende, vermoeid en verloren naast eene waterbeek in het groene moerasriet neerzinkt en vergeet dat de late nacht haar terugroept: zulk eene liefde overmeestere Daphnis--en moge het niet bij mij opkomen hem te genezen!
Trekt, o mijn zangen, Daphnis van de stad weg naar mijn huis!
Deze kleeren liet de trouwelooze mij eens als dierbaar onderpand van hem achter, die ik nu onder den drempel zelf aan U, o aarde toevertrouw: dit onderpand staat mij borg voor Daphnis.
Trekt, o mijn zangen, Daphnis van de stad weg naar mijn huis!
Deze giftige tooverkruiden, uit Pontus bijeengegaard, gaf Moeris zelf mij; Pontus is er rijk aan. Dikwijls zag ik Moeris door die kruiden een wolf worden en zich in de bosschen verbergen, dikwijls zielen uit de diepste graven opwekken en het veldgewas elders heenvoeren.
Trekt, o mijn zangen, Daphnis van de stad weg naar mijn huis!