Magie bij de Grieken en de Romeinen

Part 2

Chapter 2 3,726 words Public domain Markdown

"Alle kruiden die er groeien om ziekten en ouderdom af te weren, zult gij leeren kennen, daar ik U alleen dit alles wil toevertrouwen. Gij zult het geweld der onvermoeide winden tot staan brengen, die zich tegen de aarde verheffen en met hun ademtocht de bouwlanden vernielen en omgekeerd zult gij, als gij het wilt, tot herstel van het evenwicht, de winden er bij roepen; gij zult eene donkere regenbui op tijd voor de menschen in droogte doen verkeeren; gij zult ook de zomerdroogte in stroomen herscheppen, die den groei der boomen bevorderen....gij zult uit de onderwereld de kracht van een gestorven man weer terugroepen."

Van de magie bij de oudste Romeinen weten wij slechts zeer weinig. Volgens latere berichten zou Numa Pompilius, de tweede, overigens legendaire koning van Rome, zich er op hebben toegelegd om, door middel van tooverij, de gestalten der goden in het weerspiegelende water te aanschouwen (hydromantie, d.i. waterwichelarij)[7] en zou zijn evenzeer legendaire opvolger, Tullus Hostilius, door een geheim offer Juppiter, den hoogsten god, getracht hebben op te roepen, maar wegens het niet in acht nemen van den juisten ritus door den vertoornden god met den bliksem zijn getroffen[8]. Zeker is het, dat de zoogenaamde wet der twaalf tafelen (ongeveer uit het midden der vijfde eeuw) dengene met straf bedreigde, die het veldgewas had betooverd of eene booze bezwering had uitgesproken.

Vatten wij de uitkomsten van ons onderzoek over de magie in de vroegste eeuwen der klassieke oudheid samen, dan valt te constateeren dat zij blijkbaar van meet af aan in Griekenland en Italië inheemsch was, dat zij wel is waar veelal angstvallig geschuwd en soms van rechtswege gestraft, maar ook in noodgevallen zelfs door regeeringen te hulp geroepen werd en dat, naar alle waarschijnlijkheid, slechts enkelen,--bijv. zeer zeker de pantheïst Xenophanes uit de zesde eeuw--hare realiteit in vollen ernst betwijfelden of ontkenden.

Litteratuur.

*#D. Tiedemann#, Disputatio de quaestione quae fuerit artium magicarum origo (1787).

*#L. Georgii#, s.v. Magie, in Pauly, Real-Encycl. d. class. Alt. IV (1846).

*#Kroll#, Antiker Aberglaube, in Samml. gemeinverst. wiss. Vorträge, N.F. Heft 278 (1897).

*#K.H.E. de Jong#, De Apuleio Isiacorum mysteriorum teste. Dissert. Leiden (1900).

*#H. Hubert#, s.v. Magia, in Daremb. e. Sagl. Dict. d. ant. gr. e. rom. T. III, 2 part. (1904).

*#Gruppe#. Griech. Myth. u. Rel. II (1906).

#E. Samter#, Die Religion der Griechen, in Aus Natur u. Geisteswelt Bd. 457 (1914).

*#A. Abt#, Die Apologie des Apuleius von Madaura u. die antike Zauberei, in Religionsgesch. Vers. u. Vorarb. hrg. v. Dieterich u. Wünsch, IV Bd. 2. Hft. (1908).

#F.B. Jevons#, Graeco-Italian Magie, in Anthropology a. t. classics. Six lectures edited by R.R. Marett (1908).

#Bouché-Leclereq#, Histoire de la divination dans l'antiquité (1879-1881).

*#Bouché-Leclercq#, s.v. Divinatio, in Daremb. e. Sagl. Dict. d. ant. gr. e. rom. T. II, I part. (1892).

*#Dubray#, Necromancy, in The Cath. Encycl. X (1911).

#Mau#, s.v. Bestattung, in Pauly, Real-Encyd. d. cl. Alt. 2e uitg. III (1899).

#Frazer#, Adonis, Attis, Osiris I (1914).

#Gruppe#, s.v. Orpheus, in Roscher, Lex. Mythol. III.

*#Zeller#, Die Philosophie d. Griechen I. 5e uitg. (1892).

*#W. T(euffel)#, s.v. Iynx, in Pauly, Real-Enc. d. cl. Alt. IV (1846).

#Gossen# s.v. Iynx, in Pauly, Real-Encyd. d. d. Alt. 2e uitg. X (1919).

*#R. Heim#, Incantamenta magica graeca latina, in Jahrbücher f. class. Philologie, v. Fleckeisen, XIX Supplementb. (1893).

*#Pfaff#, s.v. Incantatio, in Pauly, Real-Enc. d. cl. Alt. 2e uitg. IX (1916).

* * * * *

HOOFDSTUK II.

*Het bovendrijvende ongeloof.*

De tweede helft der vijfde eeuw vóór Christus is de tijd der "sophisten", die, Griekenland in alle richtingen doorkruisende, onderricht gaven in welsprekendheid en in practische levenswijsheid. Zij oefenden scherpe critiek op de van oudsher heerschende opvattingen en de eminentste van hen, Protagoras, trok zelfs het bestaan der goden in twijfel. Waarschijnlijk heeft de twijfel aan de realiteit der magie zich inzonderheid van hen uit in ruimeren kring verspreid.

Toch was het nog langen tijd veel meer de angst dan de twijfelzucht, die de houding van het groote publiek tegenover de magie bepaalde. Dit blijkt zonneklaar uit de beschouwingen dienaangaande van den dichterlijken denker, die voornamelijk door zijn stijl zulk eene bekoring op het nageslacht heeft uitgeoefend, dat hij ook nu nog door velen als de grootste Griek wordt beschouwd--Plato uit Athene (±427-- ±347).

Plato toch geloofde niet alleen dat bij de graven wel eens "schaduwachtige verschijningen" van overledenen, die een te materiëel leven hadden geleid, gezien werden;[9] hij spreekt ook van eene "kunst der bezweringen", "die eene betoovering is van slangen, spinnen, schorpioenen en andere dieren en ziekten"[10] en van eene "zwarte" magie, zooals men nu zou zeggen, die zelfs gezondheid en leven bedreigt.

In zijn laatste werk "De wetten" heeft hij het o.m. over schade, door vergif of tooverij toegebracht (XI 932^e-933^e):

"Het feit dat er twee soorten van vergiftiging onder het menschelijk geslacht gebruikelijk zijn, maakt de uiteenzetting hieromtrent langdradig. De eene n.l. is die, welke op natuurlijke wijze door lichamelijke middelen den lichamen schade berokkent; de andere die, welke door middel van zekere tooverijen, bezweringen en boeiïngen, zooals men 't noemt, werkt en zoowel aan boosdoeners de overtuiging geeft, dat zij iets diergelijks vermogen, als aan anderen het geloof, dat zij in de ergste mate door diegenen, die vermogen te tooveren, schade lijden. Het is niet gemakelijk, er achter te komen, hoe het met deze en diergelijke dingen eigenlijk gesteld is, noch, als men er achter kwam, doenlijk, anderen daaromtrent op overtuigende wijze in te lichten. En ook is het een onbegonnen werk, menschen, die om diergelijke redenen argwaan tegen elkander koesteren, te willen voorlichten, en als ze bijgeval wassen beeldjes, 't zij bij hunne deuren, 't zij bij driesprongen, 't zij bij de grafmonumenten hunner ouders zien, hen aan te sporen, niets om al dat soort dingen te geven, daar ze toch geen duidelijk inzicht dienaangaande hebben. Wij maken de wet in kwestie tweeledig en gaan in de eerste plaats iemand--op welk van beide manieren hij ook trachte schade te berokkenen--verzoeken en aanraden niet te probeeren iets diergelijks te doen en niet het gros der menschen als kinderen schrik aan te jagen en bang te maken, noch ook den wetgever en rechter te noodzaken de menschen van diergelijke angsten te genezen, daar in de eerste plaats hij, die probeert in dier voege schade te berokkenen, niet weet wat hij doet, zoowel wat de lichamen betreft, als hij geen verstand heeft van geneeskunde, als wat de tooverijen betreft, wanneer hij geen wichelaar of teekenuitlegger is. De wet aangaande vergiftiging en tooverij luide aldus: Indien iemand door vergif een ander persoonlijk of diens slaven eene niet-doodelijke schade toebrengt, of zijn kudden of bijenkorven hetzij eenige andere hetzij doodelijke schade berokkent, moet hij, wanneer hij een geneesheer is en wegens gifmengerij wordt veroordeeld, met den dood worden gestraft; als hij echter een leek is, moet de rechtbank uitmaken, welke straf of boete hij dient te ondergaan. Als iemand echter den indruk maakt van door boeiïngen of aantrekkingen of zekere bezweringen of door welke hekserijen van dien aard ook, schade te hebben berokkend, moet hij, als hij een wichelaar of teekenuitlegger is, sterven, als hij echter zonder kennis van wichelarij wegens tooverschade wordt veroordeeld, moet ook aangaande hem de rechtbank schatten, welke straf of boete hem haars inziens moet worden opgelegd."

Hoogst kenschetsend is ook het volgende (X, 909a-c):

"Wie het bestaan van goden of hunne voorzienigheid loochenen of gelooven dat ze te verbidden zijn en voorts tot het dierlijke vervallen en, de menschen verachtende, velen van de levenden verleiden en beweren de gestorvenen op te roepen en belooven de goden over te halen, d.w.z. ze door offers en gebeden en bezweringen betooverende, en zoowel particulieren als geheele families en steden ter wille van 't geld probeeren te gronde te richten,--wie hieraan blijkt schuldig te zijn, dien veroordeele de rechtbank om, overeenkomstig de wet, in de gevangenis in 't binnenland te worden opgesloten en dat nooit eenig vrij persoon toegang tot hem hebbe en dat hij de voeding, hem door de mannen der wet bepaald, uit handen van slaven ontvange; als hij sterft, dan moet men hem buiten de grenzen werpen en hem de begrafenis ontzeggen. En als een vrije hem helpt begraven dan mag wie maar wil hem wegens goddeloosheid aanklagen."

Wie hier ook maar eenigszins objectief tegenover staat, zal moeten erkennen, dat zelfs "de goddelijke" Plato zich door bigotterie en staats-fanatisme op de treurigste wijze heeft laten verblinden. Het is toch al te naïef, een kwaadwillige vaderlijk te vermanen zijn evenmenschen vooral geen schrik aan te jagen, en te onzinnig, gevangenisstraf te eischen voor diegenen, die eene geheele stad trachten te gronde te richten, maar de doodstraf voor hen, die aan een bijenkorf eene niet-doodelijke schade toebrengen! Zeer zeker is het voor Plato eene verzachtende omstandigheid, dat hij niet de laatste hand aan dit werk heeft kunnen leggen, maar eene zware verantwoordelijkheid rust op hen, die zulk verward en verderfelijk geschrijf--men denke slechts aan de heksenprocessen--gedurfd hebben te publiceeren.

Van Aristoteles (384--322), den universeelen en tevens nuchteren man der wetenschap, werd, zooals wij in hoofdstuk V nader zullen zien, verzekerd, dat hij de realiteit der magie loochende, en dit stemt ook met hetgeen ons van hem is bewaard gebleven, goed overeen. Echter heeft hij in zijn geschrift "Over het voorspellen in den slaap" erkend, dat wij somtijds in onze droomen de toekomst vooruitzien en in c. 2 getracht, de meest raadselachtige gevallen aldus te verklaren:

"Evenals wanneer iets het water of de lucht in beweging brengt, het bewogen gedeelte weer een ander gedeelte in beweging brengt en wanneer dat tot rust is gekomen, het voorkomt dat zulk eene beweging tot een zeker einddoel voortgaat, hoewel hetgeen de beweging veroorzaakte niet meer aanwezig is, aldus is er niets tegen, dat zekere bewegingen en gewaarwordingen de droomende zielen bereiken...en hoe ze ook tot [ons] geraakt zijn, 's nachts meer waarneembaar zijn, doordat ze, wanneer zij zich over dag voortplanten, eerder opgelost worden (want de lucht is 's nachts minder in beroering omdat er dan meer windstilte heerscht) en in het lichaam tengevolge van den slaap eene gewaarwording veroorzaken, omdat de slapenden meer dan de wakenden ook de kleine inwendige bewegingen gewaar worden. Deze bewegingen veroorzaken voorstellingen, waaruit men de, toekomst aangaande de betrokken voorwerpen vooruitziet."

"Dat kennissen het meest de toekomst van kennissen vooruitzien, komt door het feit dat kennissen het meest over elkaar bezorgd zijn. Want evenals ze elkaar uit de verte zeer snel herkennen en gewaar worden, aldus worden ze ook de [bovenbedoelde] bewegingen snel gewaar, want de bewegingen, die van kennissen uitgaan, zijn gemakkelijker kenbaar".

Men heeft opgemerkt dat volgens deze ietwat duistere verklaring een zeker rapport tusschen kennissen zou bestaan en dat derhalve aan Aristoteles het geloof aan "telepathie", d.w.z. "gedachteoverbrenging" of juister de overbrenging van gedachtebeelden, indrukken, gevoelens buiten de gewone zintuigelijke kanalen om, niet vreemd zou zijn geweest. Van hoe groot belang dit voor ons onderwerp is, zal spoedig blijken.

De Atomisten, die de ziel verklaarden voor een aggregaat van stofdeeltjes dat zich tegelijk met de ontbinding van het lichaam zou oplossen, werden gewoonlijk mede onder hen gerekend, die de realiteit der magie loochenden. Echter trachtte Democritus (± 400 v. Chr.) de grootste der atomisten, het geloof aan het "booze oog", dat nu nog in de landen om de Middellandsche Zee sterk leeft, te rechtvaardigen door zijne leer der "Idolen", d.w.z. ijle beelden, die door de lucht zweven en verklaarde hij het alomverspreide geloof aan goden door de verschijningen van reusachtige en lang levende, schoon niet onsterfelijke "Idolen"[11]. Er waren dan ook willekeurige hypothesen en ingewikkelde redeneeringen noodig om te ontkomen aan consequenties, die tot de realiteit van geestverschijningen en tooverij voerden. Ja, Epicurus (341-270) die de atoomleer tot een ethisch systeem verwerkte en haar zulk eene groote populariteit deed erlangen, heeft, in zijn ijver voor de wilsvrijheid, de uitspraak gedaan: "Het ware beter zich aan de fabelleer over de goden te houden, dan slaaf te zijn van het noodlot der natuurkundigen, want de fabelleer geeft toch eenige hoop, de goden door eerbetooning te kunnen verbidden, maar het noodlot oefent een onverbiddelijken dwang uit[12]", een uitspraak, die met eene plat materialistische opvatting der dingen in onverzoenlijken strijd is.

De Cynici, d.w.z. Hondschen, aldus genoemd om hunne primitieve levenswijze, die vaak ook met goede zeden in botsing kwam, verstompten zich door hun hoofddogma van de zelfgenoegzaamheid der deugd den blik voor de fijnere verschijnselen van het zieleleven. De populairste vertegenwoordiger dier richting, Diogenes (tweede helft der vierde eeuw) verzekerde dat wij na den dood in 't geheel niets meer waarnemen[13], en dat hij, lettende op droomuitleggers, wichelaars en diegenen, die aan hunne woorden geloof slaan, niets zotters vond dan den mensch[14]. Geen wonder, dat de Cynici ook in latere eeuwen een verwoeden strijd voerden tegen alles wat naar magie en het soortgelijke zweemde.

De Sceptici eindelijk (sinds ongeveer 350 v. Chr.), die tengevolge van hun twijfel aan de juistheid van onze waarnemingen en redeneeringen ook de meest alledaagsche feiten op losse schroeven stelden, wilden van het wonderbaarlijke in 't geheel niets afweten; ook zij richtten hunne wapenen onvermoeid tegen de magie en hare voorvechters, waarbij zij zich o.m. niet ontzien hebben, een man als Pythagoras voor een bedrieger uit te maken[15].

De nuchtere, materialistische, van het ongewone afkeerige wijsgeeren voerden ruim twee eeuwen lang den boventoon, voornamelijk in de kringen der "intellectueelen." Het was een tijd van "verlichting."

Bij zulk eene mentaliteit tiert van alle litteratuur-genres de comedie het meest, die immers uitteraard vijandig staat tegenover het wonderbaarlijke.

Reeds Aristophanes (± 445 - ± 385), de beroemdste dichter der oud-Attische comedie, had herhaaldelijk den draak gestoken met de tooverkunst.

In zijn "Wolken" (423) neemt een oude boer, die diep in de schuld zit, zijn toevlucht tot Socrates en vraagt hem, hoe hij zich aan de uitbetaling van de renten zou kunnen onttrekken. Na lang praten raadt Socrates den boer aan, zich in te hullen en zelf iets uit te denken. De boer jammert, maar gehoorzaamt en roept v. 746 in eens uit:

"O beste Socrates!

Socrates. Wat is er, vadertje?

Boer. Ik heb iets bedacht om van mijne rente af te komen.

Socrates. Laat eens hooren.

Boer. Zeg mij eens--

Socrates. Wat?

Boer. Als ik eene Thessaalsche toovenares geld gaf, en de maan 's nachts omlaag haalde en ze vervolgens als een spiegel, opborg in eene ronde doos en goed bewaarde--

Socrates. Wat zou je dat helpen?

Boer. Wat? Als de maan nooit weer opkwam, zou ik geen rente behoeven te betalen.

Socrates. Hoe zoo?

Boer. Omdat de rente per maand wordt uitbetaald.

Een Grieksche maand liep nl. van de eene opkomende maan tot de volgende.

En in zijn laatste stuk, Plutus (388) bespot Aristophanes (v. 649-747) de wonderdadige genezing van den blinden Plutus (god van den rijkdom) op eene manier, die de ergste straatjongen hem niet had kunnen verbeteren.

In de latere comedieschrijvers wordt al spoedig de geest van Epicurus vaardig; ook Menander (± 343/2-± 291/0) de bekendste van allen maakt hierop geen uitzondering. Dit blijkt reeds uit de titels van sommige stukken als de "Demonenvreezer" en de "Thessaalsche", die blijkbaar tot hoofddoel hadden, het wonderbaarlijke en magische te bespotten.

Met dat al was de magie in die tijden voor de letterkundigen niet slechts een voorwerp van spot. Ook hare poëtische zijde oefende eene machtige bekoring uit en de grootste dichters hebben er partij van weten te trekken.

Euripides (±481-± 406), de fijngevoeligste en wetenschappelijkste der Grieksche tragici, koos tot onderwerp van zijn beroemdste drama de tooveres Medea (431).

Medea, evenals Circe eene figuur uit de mythologie, was de dochter van Aëtes, heerscher van het wonderland Colchis, aan de kust der Zwarte Zee en ten Zuiden van den Caucasus gelegen. Jason uit Thessalië kwam tot Aëtes om het gouden vlies op te eischen, maar de koning verklaarde dit slechts aan dengene te zullen uitleveren, die een allergevaarlijksten kampstrijd met goed gevolg zou hebben daarstaan. Medea vatte liefde voor Jason op en stelde hem door toovermiddelen in staat de bovenmenschelijke taak te volbrengen; toen Aëtes des ondanks met de uitlevering van het gouden vlies talmde, hielp zij Jason dit heimelijk te ontvoeren en vluchtte zij met hem naar Griekenland, waar zij tal van jaren samen een gelukkig leven leidden.

In zijn treurspel schetst Euripides hoe Jason Medea, aan wie hij zooveel te danken had, verstoot om met de dochter van een koning in 't huwelijk te treden. Medea, vastbesloten zich te wreken, veinst in haar lot te berusten en zendt zelfs de bruid kostbare kleeren en een gouden krans ten geschenke. De uitwerking dier geschenken wordt in het navolgende tot Medea gerichtte bodeverhaal (v. 1159-1221) aanschouwelijk beschreven:

"Zij [de koningsdochter] nam de bonte gewaden en deed ze zich om, zette den gouden krans op hare lokken, schikte het haar voor den glimmenden spiegel op en lachte haar zielloos evenbeeld toe. Vervolgens stond ze van haar zetel op, ging door 't vertrek heen, bevallig stappende met blanken voet, en, boven mate verblijd met de geschenken, draaide ze vaak het hoofd om, en keek naar haar opgeheven hiel. Wat er echter op volgde, was een verschrikkelijk tooneel om te zien. Ze verandert van kleur, gaat schuinschachteruit, bevende aan hare leden en ter nauwernood voorkwam zij een val door in den stoel neer te zinken. En eene oude dienares, in den waan, dat de toorn van Pan of van een ander god op haar neerkwam [en haar tot waanzin bracht] gilde een gebed uit, totdat ze zag hoe wit schuim uit den mond vloeide, hoe ze de oogpupillen verdraaide, en geen bloed meer in 't vleesch was; toen ging ze van 't gegil tot eene luide weeklacht over. Terstond rende de eene slavin naar 't huis van haar vader, de andere naar den bruidegom om te berichten, wat de bruid overkwam. Het geheele huis dreunde van al het geloop. En reeds zou een hardlooper in stagen draf het einddoel van een renbaan hebben bereikt, toen de rampzalige met een naar gesteun uit hare sprakeloosheid ontwaakte en het oog weer opensloeg. Een dubbel onheil bestookte haar; de gouden wrong om 't hoofd zond een wonderbaarlijken stroom uit van alverslindend vuur en de fijne kleeren, uw geschenk, verteerden het blanke vleesch der ongelukkige. In brand geraakt, vliegt ze op van haar stoel, schudt het haar en het hoofd nu herdan derwaarts heen en wil den krans afwerpen. Maar de gouden band bleef vastzitten en wanneer zij 't haar schudde, ontvlamde het vuur dubbel zoo erg. Zij valt op den grond, door 't onheil overweldigd, en behalve voor haar vader moeilijk te herkennen. De stand van hare oogen, de edele vorm van het gelaat waren verdwenen, bloed, met vuur vermengd, druppelde neer uit haren kruin en het vleesch viel, door den onzichtbaren beet van het vergif, van hare beenderen af, zooals hars uit een pijnboom druppelt--een ontzettend schouwspel. Schrik belette allen, het lijk aan te raken; haar afgrijselijk lot was voor ons eene waarschuwing. Maar de rampzalige vader, in zijne onwetendheid van 't onheil, komt plotseling binnen, werpt zich op 't lijk, weeklaagt luid, slaat de armen om haar heen, kust haar en spreekt haar toe: "O arm kind, welke demon heeft U zoo schandelijk doen omkomen? Wie maakt den grijsaard, van U beroofd, een graf gelijk? Wee mij, mocht ik maar met U sterven kind!" Toen hij echter met treuren en weeklagen ophield en zijn oud lichaam weer wilde opheffen, kleefde hij vast aan die fijne kleeren als de klimop aan een laurierspruit, en 't werd eene verschrikkelijke worsteling: hij toch wilde zijne knie opheffen, maar zij hield hem vast, en als hij zich met geweld wilde losrukken, scheurde hij het grijze vleesch van zijne beenderen af. Ten slotte bezweek hij en gaf den geest. Het onheil was hem te machtig. Daar liggen ze nu dood naast elkaar de dochter en de grijze vader, een ramp, die tot tranen roert."

Theocritus, de grootste bucolische, d.w.z. landelijke dichter (eerste helft der derde eeuw) beschrijft in zijne tweede ecloga "De toovenaressen", hoe een verlaten meisje haar geliefde door magie weer tot zich tracht te trekken. Zij bezigt tot dat doel allerlei toovergerei, voornamelijk echter den draaihals, reeds in ons eerste hoofdstuk vermeld. Vandaar het refrein in het gedicht, dat wij hier gedeeltelijk laten volgen:

"_De toovenaressen_.

Waar zijn me de laurieren? Thestylis, breng ze! Waar de tooverkruiden? Omkrans de schaal met de roode wol van een schaap, opdat ik den tegenover mij hardvochtigen man, dien ik toch zoo lief heb, moge boeien, die sinds twaalf dagen, o, die ellendeling! nog maar niet komt, en niet weet of ik gestorven ben of nog in leven en niet aan mijne deur heeft geklopt, die wreedaard! Heeft Eros, heeft Aphrodite zijn wuft gemoed elders heen gevoerd? Ik ga naar de worstelschool van Timagetos, morgen, om hem te zien, en zal hem verwijten dat hij zoo met mij omspringt. Nu echter zal ik hem door de kracht van het offer boeien. Maar gij, o Maangodin, blink schoon! Want U zing ik toe, o kalme godin, en U, onderaardsche Hecate, waarvoor ook de honden sidderen, als gij schrijdt door de graven om het donkere bloed te slurpen. Wees gegroet, o Hecate, schrikwekkende en sta mij bij, tot het einde toe, bewerk dat deze kruiden niet zwakker mogen zijn dan die van Circe noch die van Medea noch die van de blonde Perimede[16].

Draaihals, lok gij dien man naar mijn huis toe!

Eerst moet het offermeel in 't vuur rooken. Maar strooi het er toch in, Thestylis! Ongeluk, waar zijn je hersens gebleven? Of steekt gij, vuilpoes, ook al den draak met mij? Strooi en zeg te gelijk dit: "Ik strooi de beenderen van Delphis."

Draaihals, lok gij dien man naar mijn huis toe!

Delphis martelde mij. Maar ik brand tegen Delphis den laurier, en evenals deze, door het vuur gegrepen, luid kraakt en plotseling is ontvlamd en wij zelfs geen asch van haar zien, zoo moge ook het vleesch van Delphis in de vlam worden verteerd.

Draaihals, lok gij dien man naar mijn huis toe!

Evenals ik dit was[sen beeld?] met de hulp der godin laat versmelten, zoo moge Delphis uit Myndos terstond door liefde versmelten. En evenals die bronzen toovertol door de kracht van Aphrodite wordt rondgedreven, zoo moge hij ronddraaien rondom mijn huis!