Magie bij de Grieken en de Romeinen

Part 14

Chapter 14 3,699 words Public domain Markdown

Hoe hij echter materie voor deze schaduwen heeft, zal ik zeggen: nergens anders vandaan dan van de offers. Want de walmen der offerdampen worden voor hem materiaal, als wol en linnen en weefsels en verven en werktuigen. En daarin hullen zich de demonen, de schaduwen ervan in de plaats van gestalten gebruikende. Daarom eischt hij een offer, tot dat van eene mier toe en verlangt hij wateren en wol en vruchten en alle dingen op aarde, om daarvan gebruik te maken tot het vormen van schijnbeelden. Evenals wij de herinneringen aan overledenen als beelden in onze gedachte hebben, en hen zien, terwijl ze niet verschijnen en met hen verkeeren terwijl ze niet bij ons zijn, aldus neemt ook de duivel afdrukken van de vormen der hem gebrachte offers en omgeeft zich en de zijnen er mee, regen gevende maar geen water, vuur makende, maar dat niet brandt, een visch gevende maar geen spijs, en goud schenkende, maar dat niet werkelijk is. Ook uit de andere stoffen schept hij vormen en toont eene stad en huizen en landstreken en bergen en vadersteden, en evenzeer ook gras en bloemen en wolstoffen en geborduurde doeken en de substantie van droomen.... En al deze schijnbeelden vormt hij, maar de goddelooze menschen stellen hem door hun dienst in staat ook dit te doen."

Cyprianus erkent dan ook (c. 11):

"Mijne weldaden gaven geen baat, daar zij geen substantie hadden ... Als ik iemand goud gaf, duurde het drie dagen, weshalve diegenen, wien ik den truc mededeelde, het snel wisselden tot schade van de wisselaars."

Augustinus, de beroemdste der kerkvaders, "een philosophisch en theologisch genie van den eerste rang", die zoo vele onderwerpen van zielkundigen aard met scherpzinnig vernuft heeft behandeld, weidt ook over de magie herhaaldelijk uit, voornamelijk in zijn hoofdwerk "De staat Gods" (tusschen 413 en 427 geschreven). Hij legt in de eerste plaats (VIII, 19) er den nadruk op, dat reeds vóór het Christendom de tooverij door de wetten zwaar werd gestraft en beroept zich o.m. op de passage uit Vergilius (z.b. III) waar Dido verzekert, tegen haar zin de toevlucht tot magische kunsten te nemen. Ook wijst hij er op, dat Apuleius, toen men hem van tooverij beschuldigde (z.b. IV), alles deed om zijne onschuld aan te toonen en zich volstrekt niet op magische vaardigheden beroemde, zooals de Christenen op hun geloof, ondanks alle vervolgingen.

Met onverholen afschuw spreekt Augustinus (in X, 9) van de "bezweringen en tooverzangen, vervaardigd door die gruwelijk nieuwsgierige kunst, de magie, met een meer verachtelijken naam goëtie, met een meer eervollen theürgie geheeten door hen, die deze practijken als 't ware trachten te onderscheiden en welke van hen, die zich aan ongeoorloofde kunsten overgeven, diegenen, die ook het volk voor boosdoeners uitmaakt, verdoemelijk achten--want zij zouden zich immers met goëtie afgeven--anderen echter voor prijzenswaardig willen laten doorgaan, die al de theürgie beoefenen. Beiden echter zijn gebonden aan de bedriegelijke gebruiken waarmee men de demonen, onder den naam van engelen vereert".

Naar aanleiding van de tooverijen van Circe, in ons eerste hoofdstuk vermeld, en van een bericht bij Varro (vgl. III begin), dat in Arcadië zij, die een zekeren poel doorzwommen, in wolven veranderd werden, maar, wanneer zij geen menschenvlees hadden gegeten en na negen jaren denzelfden poel doorzwommen, hunne menschelijke gedaante herkregen (XVIII, 17), stelt Augustinus zich (in c. 18) de vraag: "Wat moet men gelooven van de gedaanteverwisselingen, welke door de kunst der demonen de menschen schijnen te overkomen?" en beantwoordt haar op de volgende hoogst opmerkelijke wijze:

"... Als wij zeggen dat men er niet aan moet gelooven, dan staat daar tegenover, dat het ook nu nog niet aan personen ontbreekt, die verzekeren vernomen of zelf te hebben ondervonden. Ook ik hoorde, toen ik in Italië was, iets dergelijks van eene zekere streek aldaar, waar men zeide dat herbergiersters, doorkneed in die booze kunsten, gewoon waren, aan welke reizigers ze wilden of konden, iets in de kaas te geven, waardoor dezen terstond in trekdieren veranderd werden en allerlei benoodigdheden droegen en na gedanen arbeid hunne vroegere gedaante herkregen; dat echter hun geest niet dierlijk werd, maar het redelijke en menschelijke bewaarde, zooals Apuleius in zijn boek, waaraan hij den titel "De gouden ezel" gaf, vermeld of verdicht heeft, dat het hem zelf is overkomen om, door opnemen van vergif, een ezel te worden, terwijl zijne ziel die van een mensch bleef.

Dit is òf onwaar òf zoo ongewoon, dat men het te recht niet gelooft. Echter moet men onwrikbaar gelooven, dat de almachtige God alles kan doen wat Hij wil, hetzij om te straffen, hetzij om genade te betoonen, en dat de demonen ... niets bewerken dan wat Hij toelaat, wiens oordeelen vaak verborgen maar nooit onrechtvaardig zijn. In geen geval scheppen de demonen substanties wanneer zij iets dergelijks doen als waarover nu de quaestie loopt, maar zij veranderen naar 't uiterlijk hetgeen door den waren God is geschapen, zoodat het schijnt te zijn wat het niet is. Ik geloof dus geenszins dat--om van de ziel geheel te zwijgen--zelfs het lichaam op eenige wijze door de kunst of macht der demonen werkelijk in dierlijke ledematen en gestalten kan worden veranderd, maar wél, dat het voorstellingsvermogen van den mensch, dat ook in 't denken en droomen ontelbare soorten van voorwerpen afwisselend uitbeeldt, en, hoewel zelf geen lichaam, toch met wonderbaarlijke snelheid vormen aanneemt, die op lichamen gelijken, eveneens, wanneer de lichamelijke zintuigen des menschen in slaap bevangen of bedwelmd zijn, op onuitsprekelijke wijze in een lichamelijke gedaante binnen het bereik van eens anders zintuigen kan worden gebracht, zoodat, terwijl de lichamen zelven der menschen ergens liggen, wel is waar levend, maar met meer verdoofde zinnen dan ooit in den slaap, het voorstellingsvermogen als 't ware verlichamelijkt, in het beeld van eenig dier aan eens anders zinnen verschijnt, en dat de mensch ook zich zelf verbeeldt een dier te zijn, zooals hij zich dat in den droom kan verbeelden, en lasten te dragen; welke lasten, als ze inderdaad lichamen zijn, door de demonen gedragen worden, om de menschen te foppen, die deels de ware lichamen van lasten, deels de valsche van trekdieren zien. Een zekere Praestantius toch verklaarde dat het zijn vader overkomen was, bedoeld vergif in een kaas thuis tot zich te hebben genomen en op zijn bed als in slaap te liggen, waaruit hij echter op geen manier kon worden opgewekt. Na eenige dagen was hij echter als 't ware ontwaakt en had zijne ondervindingen als een droom verteld, dat hij nl. een paard was geworden en te midden van andere trekdieren voor de soldaten graan had getransporteerd, dat het Raetische heet, omdat het naar Raetië [ong. Tyrol en Zuid-Beieren] wordt vervoerd. Bij onderzoek bleek het aldus geschied te zijn als hij vertelde; en toch scheen het hem een droom toe. Een ander verklaarde, dat hij, in zijn eigen huis 's nachts, voor hij ter ruste ging, een philosoof, een van zijne beste kennissen, tot zich zag komen, die hem eenige Platonische denkbeelden uiteenzette, die hij vroeger, hoezeer er om verzocht, niet had willen uiteenzetten. En toen men dien philosoof vroeg, waarom hij in het huis van een ander had gedaan wat hij in zijn eigen huis had geweigerd te doen, zeide hij: "Ik heb het niet gedaan, maar gedroomd dat ik het gedaan had". En aldus is aan den een door middel van het voorstellingsbeeld tijdens zijn waken vertoond wat de ander in zijn droom zag.

Dit is niet door den eerste den beste, wien men voor ongeloofwaardig zou kunnen verklaren, tot mij gekomen, maar door zegslieden van wie ik niet mag aannemen, dat zij mij belogen hebben. Wat men dus zegt en ook in boeken vermeld vindt, dat door de Arcadische goden of liever demonen, menschen in wolven plachtten te worden veranderd en dat

Circe Odysseus' makkers herschiep door toovergezangen,

schijnt mij toe op deze wijze te hebben kunnen gebeuren, als het werkelijk gebeurd is."

De brandende vraag of Samuël zelf zich aan Saul heeft gemanifesteerd, liet ook Augustinus niet onverschillig.

In zijn geschrift "Over verschillende vragen" aan Simplicianus (van 397 dagteekenende) zegt hij (II. vr. IV, 1):

"Gij vraagt, of de onreine geest, die in de toovenares was, bewerken kon, dat Samuël door Saul gezien werd en met hem sprak. Maar het is een veel grooter wonder, dat Satan zelf, de vorst aller onreine geesten, met God vermocht te spreken en Hem verzocht, Job, dien allerrechtvaardigsten man, op de proef te mogen stellen.... En indien dit U schokt, dat het aan een boozen geest vrij stond de ziel van een rechtvaardige op te wekken en als 't ware uit de geheime verblijfplaatsen der dooden te voorschijn te roepen, moet het dan niet meer verbazing wekken, dat Satan den Heer zelf opnam en op de tinne des tempels zette? Op welke wijze hij het ook gedaan heeft, de manier waarop het aan Samuël overkomen is, opgewekt te worden, blijft ons evenzeer verborgen. Of men moest soms zeggen, dat het voor den duivel eene gemakkelijkere vrijpostigheid was, den levenden Heer mee te nemen van waar hij wilde en neer te zetten waar hij wilde, dan den geest van den overleden Samuël uit zijn verblijf op te wekken. Maar indien ons dit in het Evangelie daarom niet hindert, omdat de Heer wilde en toeliet dat het geschiedde, zonder eenige vermindering van zijne macht en goddelijkheid, evenals Hij door de Joden zelven, ofschoon dezen verdwaasd en vuil waren en de werken des duivels deden, zich heeft laten vasthouden en boeien en bespotten en kruisigen en dooden: dan is het ook niet absurd om te gelooven, dat door eene zekere uitzonderingsbepaling van den goddelijken wil toegestaan werd, dat de geest van den heiligen profeet, niet tegen zijn zin noch door gebiedende en noodzakende tooverkracht, maar gewillig en aan de geheime beschikking Gods, welke aan die toovenares en Saul ontging, gehoorzamende, er in toestemde om zich aan den blik des konings te vertoonen, ten einde hem door eene goddelijke uitspraak te verpletteren. Waarom toch zou de ziel van een goed mensch, als zij, door booze levenden opgeroepen, verscheen, hare waardigheid verliezen, daar ook levende goede menschen dikwijls op bevel tot boozen komen en met hen verhandelen over 't geen plicht en billijkheid vereischt, terwijl ze daarbij hunne eer en deugd ongerept bewaren en tegenover de ondeugden van de anderen zulk eene houding aannemen, als in overeenstemming is met de omstandigheden?"

Helt Augustinus hiermede tot de zienswijze van Origenes (z.b.) over, hij zou toch liever den uitweg van Tertullianus willen inslaan (2):

"Er is echter bij dit feit een andere gemakkelijkere uitweg en eene meer geschikte verklaring mogelijk, nl. om aan te nemen, dat niet werkelijk de geest van Samuël uit zijne rust is opgewekt, maar een fantoom en een spel van verbeelding door de machinatiën van den duivel zijn voorgesteld, hetwelk de Schrift daarom met den naam van Samuël noemt, omdat de beelden der dingen met de namen van datgene plegen genoemd te worden, waarvan zij beelden zijn.... Wie toch aarzelt, een geschilderd mensch een mensch te noemen?... Het is dus geen wonder, wanneer de Schrift zegt dat Samuël gezien is, indien ook bij geval slechts een beeld van Samuël verscheen, door de machinatie van hem, die zich in een engel des lichts verandert en zijne dienaren in dienaren der gerechtigheid".

Alles overwegende en geen uitspraak willende doen in de vraag of de menschelijke ziel na dit leven al of niet door magische bezweringen kan worden opgeroepen en verschijnen, komt Augustinus (3), hoewel "schoorvoetende, om niet meer nauwgezette onderzoekingen van te voren uit te sluiten" tot de conclusie om "liever aan te nemen" dat "door de booze medewerking van die toovenares" hier de eene of andere satanische illusie is te weeg gebracht.

In een later geschrift "Over de acht vragen van Dulcitius" (niet vóór 421) haalt hij in vr. VI het voorgaande betoog over de kwestie aan, voegt er echter aan toe (5):

"Maar dat ik niet te vergeefs gezegd heb, dat wij, om geen meer nauwgezette onderzoekingen van te voren uit te sluiten, [niet dan] schoorvoetende moesten aannemen, dat bij dit feit een schijnbeeld van Samuël door de booze medehulp van de toovenares is vertoond, dat heeft mijn later onderzoek mij geleerd, daar ik gevonden heb, dat in het boek van Jezus Sirach, waarin de aartsvaders van de rij af geprezen worden, Samuël in dier voege geprezen wordt, dat het heet: "Hij heeft ook nog na zijn dood geprofeteerd [XLVI, 23]". Mocht men echter ook dit boek tegenspreken op grond van den canon der Hebreeën, omdat het zich daarin niet bevindt: wat moeten wij van Mozes zeggen, die zeer zeker volgens Deuteronomium [XXXIV, 5] stierf en volgens het Evangelie [Matth. XVII, 3] met Elia, die niet stierf, aan levenden is verschenen?"

Ook in zijn geschrift "Over de vereering, de dooden te betoonen" (niet vóór 421) heeft zich Augustinus (XV, 18) op dezelfde wijze uitgelaten.

De grootste der kerkvaders is dus, wat de doodenbezwering te Endor betreft, ten slotte tot dezelfde conclusie gekomen als ook heden ten dage de meest gezaghebbende theologen en ten allen tijde de onbevangene lezers, dat nl. het verhaal in den Bijbel (I Sam. 28,5--20), zooals het er staat, eene reëele verschijning van Samuël veronderstelt.

De theürgie in den eigenlijken zin des woords, d.w.z. de kunst om met bovenmenschelijke wezens in aanraking te komen, wordt door Augustinus in den "Staat Gods" fel bestreden. Van het feit, dat de Neoplatonicus Porphyrius in zijn brief aan Anebo (z.b.) twijfelingen opperde, trekt de kerkvader in X, 11 ruim partij; het antwoord van Abammon (Iamblichus) schijnt hem te zijn ontgaan. Toch kan ook Augustinus niet alle feiten geheel wegcijferen, al beknibbelt hij ze zooveel mogelijk en al maakt hij er zich in de moeilijkste gevallen met eene uitvlucht van af:

"Wat betreft het feit, dat, zooals Porphyrius vermeldt, zij die deze, [de theürgische] vuile reinigingen volgens heiligschendenden ritus uitoefenen, sommige wonderbaarlijk schoone beelden, hetzij van engelen hetzij van goden, als met gezuiverden geest zien (indien zij ten minste iets zoodanigs zien) dan bevestigt dit het woord van den apostel dat "Satan zich verandert in een engel des lichts". Van hem toch zijn die fantomen, van hem, die, begeerende de rampzalige zielen door de bedriegelijke vereering van vele valsche goden te verstrikken en van den waren dienst des waren Gods, den eenige door wien men gereinigd en geheeld wordt, af keerig te maken, zich zelf, zooals van Proteus is gezegd,

in alle gedaanten verandert, vijandelijk vervolgende, bedriegelijk helpende, altijd verdervende [X, 10]."

Bij het vermelden van die schoone verschijningen denken wij onwillekeurig aan de bezwering der demonen door Iamblichus, boven uitvoerig beschreven.

Met dat al erkent Augustinus (X, 16.) de realiteit van andere, naar moderne opvatting veel krassere "wonderen der goden", "waarvoor de geschiedenis borg staat", "die klaarblijkelijk door hunne kracht en macht geschieden", bijv.:

"dat eene Vestaalsche maagd, wier zuiverheid in twijfel werd getrokken, het geding beslechtte door eene zeef met water uit den Tiber te vullen, zonder dat het doorliep. Deze en andere wonderen van dien aard zijn geenszins naar macht en grootte met die te vergelijken, welke, naar wij lezen, aan het volk Gods zijn geschied, hoe veel te minder die wonderen, welke door de wetten zelfs van die volkeren, die zulke goden vereerden, verboden en gestraft werden, nl. de wonderen der magie of theürgie! De meesten daarvan bedriegen slechts in schijn de sterfelijke zintuigen door het spel der verbeelding, zooals bijv. het omlaag halen der maan ... enkele schijnen wel is waar feitelijk sommige daden der vromen te evenaren, maar het doel, waardoor ze worden onderscheiden, toont dat onze wonderen buiten vergelijking de meerdere zijn."

In zake deze laatste opmerking verwijzen wij naar het onderscheid dat Origenes maakt tusschen de wonderen van Jezus en die der toovenaars (z.b.). Voorts zij van Augustinus nog eene passage aangehaald, waarin hij evenzeer op gelijke wijze als andere reeds boven door ons vermelde, christelijke schrijvers redeneert (X, 8):

"Den magiërs van Pharao werd daarom toegestaan, eenige wonderen te verrichten, ten einde op wonderbaarlijkere wijze te worden overwonnen. Zij toch werkten door middel van booze tooverijen en magische bezweringen, waaraan de booze engelen, d.w.z. de demonen, zijn onderworpen; Mozes echter heeft met grootere macht, omdat hij het recht aan zijne zijde had, in den naam Gods, die hemel en aarde schiep, met hulp der [goede] engelen hen gemakkelijk overwonnen".

Zonder de redeneeringen van Augustinus aan eene ingrijpende kritiek te onderwerpen, moeten wij er toch de aandacht op vestigen, dat hij uit het oog schijnt te hebben verloren, dat de vroegere wetten de magie geenszins als zoodanig, maar slechts wanneer zij tot booze doeleinden werd misbruikt, bestraften en dat men ook van overheidswege, zooals wij herhaaldelijk hebben opgemerkt, wel eens de hulp van toovenaars heeft ingeroepen.

Al die bestrijding door conciliën en kerkvaders heeft echter niet kunnen verhinderen, dat ook Christenen volgens de overoude methoden, tooverij uitoefenden. In Egypte bijv. zijn tooverpapyri gevonden, toebehoorende aan een magiër uit de achtste eeuw n. Chr., maar waarschijnlijk grootendeels van vroeger dateerende. Wij willen tot besluit, hier nog een en ander uit aanhalen:

"Spreuk tot vergemakkelijking der geboorte.

Toen de Heiland met zijne discipelen op den Olijfberg ging, trof hij er eene hertekoe aan, die in weeën lag. Deze schreeuwde tot hem:

"Wees gegroet, gij zoon der maagd! Wees gegroet, gij, de eerstgeborene van zijn vader en van zijne moeder! Gij zult tot mij komen en mij helpen in dit uur der benauwdheid". Hij wendde zijne oogen tot haar en zeide: "Mijn glans zoudt gij niet kunnen verdragen.... maar ik haast mij [en zend] den aartsengel Michaël tot U.... en hij neemt een scheut(?)wijns en roept mijnen naam daarbij aan en den naam van mijne twaalf apostelen en zegt: wat krom is, moet recht worden... Ik ben het die spreekt, de Heer Jezus, die [genezing] verstrekt"[111].

In de navolgende liefdes-tooverspreuk wordt ook de duivel aangeroepen:

"Sjoerin, Sjoeran, Sjoetaban, Sjoetaben, Ibonese, Sjarsaben, .... Satan de duivel, die met zijn staf op de aarde sloeg tegen den levenden God en zeide: "Ik ben ook een god"--ik bid en roep U allen heden aan, opdat gij tot mij moogt komen naar [deze dingen], die ik heden in mijne handen houd, opdat gij, zoodra ik aan Theodora ervan geef te eten of te drinken, haar hart en haar vleesch aan mij moogt boeien tot in eeuwigheid. Ja, ja!"

En in eene andere spreuk, ook tot erotische doeleinden, gaat de magiër zelfs tot dreigementen over, die onwillekeurig aan de vroeger vermelde dreigementen herinneren:

[Als gij mij niet volgt], dan daal ik neer naar de onderwereld en breng den beheerscher van den Tartarus naar boven en zeg: "Gij zijt ook een god," want ik wil mijn verlangen naar Theodora vervullen.

Hij zeide tot mij: "Verlangt gij den steen, ik breek hem stuk, het ijzer, ik maak het tot water, de ijzeren deuren, ik verbreek ze haastiglijk, tot dat ik boei het hart van Theodora aan U, ik, spoedig.

Wanneer zij hierop niet komt, dan houd ik de zon in zijn wagen op en de maan in haren loop en de sterrekroon die op het hoofd van Jezus is, totdat ik mijn verlangen vervul, haastiglijk, ja, ja!

Ik bezweer U en al uwe machten.... ik bezweer den vurigen troon, waarop gij zit, tot dat gij mijn verlangen naar Theodora, de dochter van Eudoxius, vervult. Ik bezweer Uwe amuletten. Ja, ja, terstond, terstond!"[112]

Litteratuur.

#E. Zeller#, Die Philosophie d. Griechen, Bd. III, 2e afd. 4e uitg. (1902).

#J. Burckhardt#, Die Zeit Constantins d. Grossen, 2e uitg. (1880).

#J. Geffeken#, Der Ausgang d. griech.-röm. Heidentums, in Religionswiss. Bibl. hrg. v. W. Streitberg, Bd. VI (1920).

#K.H.E. de Jong#, Hegel u. Plotin (1916).

#Ranke#, s.v. Aegypten II Religion, in Die Rel. i. Gesch. u. Geg. I (1909).

#E. Kuhnert#, Feuerzauber, in Rhein. Mus. f. Philol. Bd. XLIX (1894).

#K. Preisendanz#, Die Homeromantie. Pap. Lond. CXXI, in Philologus Bd. LXXII (1913).

The demotic magical papyrus ed. by F. Ll. Griffith a. H. Thompson (1904).

#J. de Zwaan#, Een dichter uit den tijd der Apostolische vaderen, in Onze Eeuw XI jrg. 4. deel (1911).

#Maspéro#, Étud. d. myth. e. d'arch. ég. I e. II (1893).

#C. Rasche#, De Iamblicho libri qui inscr. de myst. auctore, Dissert. Münster (1911).

#Couperus#, De berg van licht (1905).

#Lucianus#, De spiritistische séance te Endor, in De Dageraad Bd. XV (1893/94).

#De H#. boeken v. h. oude verbond. Vulgaat en Nederl. vertaling met aanteeken. kerk. goedg. II (1897).

#v. Orelli#, s.v. Saul, in Herzog, Realenc. prot. Theol. u. Kirche, 13e uitg. Bd. XVII (1906).

#A. Lods#, La croyance à la vie future e. l. culte des morts dans l'antiquité israelite (1906).

#R. Kittel#, Geschichte d. Volkes Israël, 3e uitg. Bd. II (1917).

#J. Scheftelowitz#, Der Seelen- u. Unsterblichkeitsglaube im alten Testament, in Archiv f. Religionswiss. Bd. XIX (1919).

#Kautzsch#, s.v. Urim u. Tummim, in Herzog, Realenc. 3e uitg. Bd. XX (1908).

#R. Ganschinietz#, Hippolytos' Cap. gegen die Magier, uit Text. u. Unt. Gesch. altchr. Lit. brg. v. Harnack u. Schmidt, 3 Reihe, IX. Bd. 2. Hft. (1913).

#Origenes#, Eustathius v. Antiochien u. Gregor v. Nyssa üb. d. Hexe von Endor, hrg. v. E. Klostermann, in kl. Texte f. Vorl. u. Üb. 83 (1912).

#V. Schultze#, Geschichte d. Untergangs d. gr.-röm. Heidentums Bd. I (1887).

#L. Loewenfeld#, Somnambulismus u. Spiritismus, 2e uitg. (1907).

#v. Schrenck--Notzing#, Materialisationsphänomene. Ein Beitrag z. Erforschung der mediumistischen Teleplastie (1914).

#W. Koch#, Kaiser Julian (1899).

#P. Allard#, Julien l'Apostat I, 2e uitg. (1900).

#J. Geffcken#, Kaiser Julianus (1914).

#R. Wünsch#, Antikes Zaubergerät aus Pergamum, in Jahrb. d. deutsch. arch. Inst. Ergänzungsheft VI(1905).

#Gregorovius#, Geschichte d. Stadt Athen im Mittelalter Bd I (1889).

#R. Wünsch#, Sethianische Verfluchungstafein (1898).

#K. Preisendanz#, Miszellen z.d. Zauberpapyri, in Wiener Studiën, Zeitschr. f. klass. Philol. XL Jrg. (1918) 1 Hft.

#J. Geffcken#, Der Bilderstreit des heidnischen Altertums, in Archiv f. Religionswiss. Bd. XIX (1919).

#K.H.E. de Jong#, Die Lehre vom Astralkörper bei den Neuplatonikern, in Actes d. IV^e Congres internat. d' hist. d. rel. (1913).

#C.J. von Hefele#, Conciliengeschichte, 2e Ausg. B. I (1873) e. II (1875).

* * * * *

*Slotwoord.*

Aan het einde van ons overzicht gekomen, moeten wij nog ons eigen oordeel over de realiteit en de waarde der magie uitspreken.