# Magie bij de Grieken en de Romeinen

## Part 13

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/magie-bij-de-grieken-en-de-romeinen-15215/index.md

"Valens, onbeschaafd en ruw als hij was, gaf er eerst niets om, maar door voortdurende tegenslagen van de ergste soort tot de meest verachtelijke vrees vervallen, huiverde hij, bij herinnering aan datzelfde orakel, als er maar van Azië sprake was, want hij hoorde van ontwikkelde menschen dat Homerus en Cicero van een berg Mimas hadden gesproken, die boven de stad Erythrae [in Klein-Azië] ligt. Maar na zijn ondergang en den aftocht der vijanden werd er, naar men zegt, nabij de plek, waar hij zou gevallen zijn, eene hooge verhevenheid van steenen gevonden, waaronder zich één bevond met het opschrift in Grieksche letters, dat een zekere Mimas, een voornaam man uit den ouden tijd, aldaar begraven was."

Het merkwaardigste is echter, dat, na Valens, reeds in 379 inderdaad iemand, wiens naam met "Theod" begon, den troon besteeg, echter geen Theodorus, zooals de magiërs vermoed hadden toen zij te vroeg met het raadplegen van het orakel waren opgehouden, maar Theodosius I, later de Groote bijgenaamd.

Theodosius wist echter de magie er weinig dank voor en vaardigde in 389 met zijne medekeizers Valentinianus II en Arcadius het volgende wetsbesluit uit[99]:

"Al wie hoort dat iemand met de smet van booze kunsten is bezoedeld en hem betrapt en gegrepen heeft, moet hem terstond te voorschijn slepen en aan de oogen der rechters als een vijand van het algemeene welzijn toonen. En indien iemand uit de wagenmenners of uit eenig ander soort menschen getracht heeft tegen dit verbod in te gaan, of in 't geheim zelfs iemand, die aan de booze kunst klaarblijkelijk schuldig is, heeft omgebracht, moet hij de doodstraf niet ontkomen, daar eene dubbele verdenking op hem rust van òf een openbaar schuldige aan de strengheid der wetten en de vereischte ondervraging te hebben onttrokken, ten einde hem te verhinderen zijn medeplichtigen bekend te maken, òf wellicht een particulieren vijand onder den schijn van zulk eene strafoefening met eene nog veel wreedere bedoeling te hebben uit den weg geruimd".

Tot toelichting zij hierbij opgemerkt, dat de wagenmenners toenmaals bij de wedstrijden elkaar door middel van tooverij trachtten afbreuk te doen en ook voor gewelddadigheden niet terugdeinsden.

Toen echter in 408 Rome door de Gothen, belegerd en uitgehongerd werd, was de overheid toch tot zekere hoogte bereid, om bij de magie hulp te zoeken. De gouverneur van Rome, Pompeianus, trad in onderhandeling met eenige Etruriërs, die beweerden, eene zekere stad van de haar omringende gevaren te hebben bevrijd. Ze hadden nl. door gebeden en ceremoniën volgens den voorvaderlijken ritus, geweldige bliksemstralen bezworen en zoodoende de barbaren verjaagd. Ze eischten, dat van regeeringswege zekere oude gebruiken zouden worden verricht, maar de zaak heeft haar beloop niet gehad--daaromtrent zijn de duistere en elkaar tegensprekende berichten[100] het eens. Ten slotte ging men er toe over, zich van de barbaren tegen eene ontzaglijke som vrij te koopen.

De Etruriërs--dit zij hierbij opgemerkt--waren van oudsher om hunne tooverijen bekend en zouden het geheim hebben geweten van op het onweer in te werken. Naar aanleiding hiervan heeft men wel eens vermoed, dat ze zich van electriciteit bedienden, en o.m. het door ons aan het einde van hoofdstuk I vermelde verhaal van koning Tullus Hostilius in dit verband betrokken.

Wij gaan nu tot Proclus over, den grootsten Neoplatonicus der vijfde eeuw, Proclus, die tot de eerste systematici van alle tijden wordt gerekend en met de meest subtiele dialectiek ook diep religieus gevoel vereenigde.

Proclus, in alle toenmalige wetenschappen bedreven, beoefende ook de magie. Zijn leerling Marinus vermeldt dienaangaande in de levensbeschrijving van zijn meester (c. 28):

"Hij maakte gebruik van de systasen en entychieën der Chaldeeërs en van de goddelijke en geheimzinnige strophalen [tooverwielen]. Want dit alles had hij overgenomen en de wijze van uitspreken en het andere gebruik ervan had hij geleerd van Asclepigeneia, de dochter van Plutarchus [den leermeester van Proclus]. Want bij haar alleen waren de tooverijen van den grooten Nestorius [z.b.] en de geheele theürgische bezweringsmethode bewaard gebleven, door haar vader aan haar overgeleverd. En reeds voordien had Proclus, door de Chaldeeuwsche reinigingen naar den ritus gezuiverd, uit eigen aanschouwing met lichtende verschijningen van Hecate verkeer, zooals hij ook zelf in een afzonderlijk geschrift vermeldt. Door een zekeren iynx [tooverschijf] handig in beweging te brengen deed hij regenbuien neerkomen en bevrijdde hij Attica van verderfelijke hitte. Hij legde amuletten tegen aardbevingen neer en stelde de voorspellingskunst van den drievoet op de proef".

Hierbij enkele opmerkingen.

"Systase" beteekent o.m. "samenkomst", "voorstelling", "aanbeveling"; in de magie verstaat men er blijkbaar hymnen en ceremoniën onder, waardoor men met de eene of andere godheid in relatie treedt zonder eenig letsel te ondervinden, vgl. inzonderheid den grooten tooverpapyrus uit Parijs (v. 209), uit eene passage boven door ons behandeld. "Entychie", d.w.z. "ontmoeting", zal wel ongeveer dezelfde beteekenis hebben gehad.

Wat voorts van den "grooten" Nestorius gezegd wordt, komt overeen met het bericht van den geschiedschrijver Zosimus, dat wij boven hebben aangehaald; van Nestorius had Proclus het neerleggen van amuletten tegen aardbevingen overgenomen.

Den "iynx" of tooverschijf hebben we reeds in ons eerste hoofdstuk ontmoet. Van eene soort "strophalos" en wel de "Hecatische", d.w.z. de aan Hecate gewijde, berichten latere zegslieden dat hij van goud was met een saffiersteen in 't midden en met verschillende karakters en figuren op zijne oppervlakte. Men draaide hem met een riem van stierhuid rond en stiet daarbij allerlei onverstaanbare klanken uit. In 't algemeen werden zulke toovergereedschappen, hetzij dezen een kogelronden of een driehoekigen, of welken vorm ook hadden, iynxen genoemd[101].

Evenals die "strophalos" aan het bovenvermelde toovergereedschap uit Pergamum, doen de divinatorische proefnemingen van Proclus ons onwillekeurig aan de ondervraging van den drievoet aangaande den opvolger van keizer Valens denken.

Karakteristiek is ook het volgende verhaal van Marinus (c. 29):

"Asclepigeneia, de dochter van Archiades en Plutarche en echtgenoote van Theagenes, een weldoener van mij, werd, toen ze nog een meisje en bij hare ouders was, door eene zware ziekte aangetast, waar de artsen machteloos tegenover stonden. Archiades, die op haar alleen de hoop van zijn geslacht had gevestigd, was mistroostig en vol smart, zooals te begrijpen. Toen de doktoren het opgaven, wendde hij zich, zooals hij bij de belangrijkste aangelegenheden placht te doen, tot den philosoof, als tot zijne laatste toevlucht of liever als tot een Redder en drong met smeekbeden bij hem er op aan, ook zelf onverwijld te bidden voor het behoud van zijne dochter. Proclus ging naar den Asclepiustempel om den god voor de zieke aan te roepen. Want de stad mocht zich toen nog in diens bescherming verheugen en het heiligdom van den "Redder" was nog onverwoest. Terwijl hij op de meer ouderwetsche manier zijn gebed verrichtte, kwam eene groote verandering in den toestand van het meisje en voelde ze zich in eens verlicht, want de Redder, immers als een god, genas haar gemakkelijk. Na de plechtigheden te hebben vervuld, stapte Proclus naar Asclepigeneia en vond haar verlost van de pijnen, die haar lichaam nog zoo even gekweld hadden, in een toestand van gezondheid verkeerende".

De werken van Proclus, voor zoover ze ons nog zijn bewaard gebleven, bevestigen de beweringen van Marinus.

Zoo verzekert Proclus[102] dat "de ware wijders ... door middel van levenwekkende figuren en namen aan de godenbeelden leven en beweging mededeelen" of, zooals hij het elders[103] uitdrukt, dat "de wijdingskunst ... in de godenbeelden bezieling legt ... en door middel van wekere symbolen het uit deelbare en vergankelijke materie ontstane in staat stelt om deel te hebben aan een god en door hem in beweging te worden gebracht en de toekomst te voorspellen".

Volgens de "Asclepius", een der zg. Hermetische geschriften en waarschijnlijk uit de derde eeuw n. Chr. dateerende, waren de Egyptenaren de uitvinders van dit soort magie (c. 37):

"Onze voorouders vonden eene kunst uit om goden te scheppen. Aan deze uitvinding voegden ze eene er mee overeenstemmende en aan het wezen der wereld ontleende kracht toe en deze met die uitvinding vermengende, riepen ze, daar ze geen zielen vermochten te scheppen, zielen van demonen of engelen op en banden ze in beelden door middel van heilige en goddelijke wijdingen, waardoor de beelden het vermogen konden hebben om zoowel goed als kwaad te doen."

En elders (c. 24) is er sprake van "standbeelden, bezield met gevoel en vol van geest, die groote en wonderbaarlijke dingen doen, standbeelden, die de toekomst vooruit weten en haar door lot, profeten, droomen en op vele andere manieren voorspellen, standbeelden, die ziektes veroorzaken, maar ook genezing bewerken".

Ook Origenes heeft het herhaaldelijk[104] over de magische wijding van standbeelden en Zosim zegt (V, 41) hoogst opmerkelijk "dat de standbeelden, door plechtige wijdingen geheiligd, ... zielloos zijn en niets vermogen uit te richten als iets van die wijding te loor is gegaan".

Een groot Egyptoloog, G. Maspéro, heeft er dan ook op gewezen, dat inderdaad in het oude Egypte, althans te Thebe, ten tijde van de XIX en de volgende dynastieën (dus na ± 1350 v. Chr.) de standbeelden van god Amun wonderen zouden hebben verricht. De koning raadpleegde het standbeeld, soms zelfs in 't openbaar, omtrent allerlei aangelegenheden en na elke vraag zeide het met zijn hoofd uitdrukkelijk ja, en wel twee keer. Theoretisch sprak de ziel, die in het beeld was getooverd, maar feitelijk bewoog zich het standbeeld door eene of andere mechanische verrichting, welke de priesters geheim wisten te houden.

Het geloof aan de bezieling van beelden komt ook bij primitieve volkeren voor.

Zoo maken bijv. de Papoeas op Nieuw-Guinea wanneer iemand gestorven is, beeldjes uit hout en nopen door allerlei ceremoniën de ziel van den overledene, in het beeld te gaan, dat zij vervolgens met haar in onafscheidelijken samenhang achten te zijn. Het beeld wordt bij gewichtige aangelegenheden geraadpleegd; spreekt het niet, dan is het goed, spreekt het daarentegen, d.w.z bevangt den vrager eene beving, dan is de zaak bedenkelijk. Vooral bij ziekten moet het beeld dienst doen.

Verwant hiermede is het bijv. op Celebes voorkomende gebruik, den ziektedemon in een beeld te tooveren en dit vervolgens angstvallig te schuwen.

Wij zien dus, hoe een oeroud animistisch geloof zich nu nog bij primitieve volkeren handhaaft, terwijl het bij een meer beschaafd volk (de oude Egyptenaren) aanleiding gaf tot grove bedriegerij.

Proclus vermeldt ook[105] dat "sommigen door het sap van nachtschade en andere gewassen zich in de oogen te druppelen beelden van demonen in de lucht zien", zooals dan ook werkelijk door ooginspuitingen "hallucinaties" kunnen worden opgewekt. In de tooverpapyri vindt men ook dienomtrent aanwijzingen, maar de meest belangrijke passage is te onduidelijk om haar hier aan te halen; wij moeten ons dus met een ander veel minder treffend, maar toch belangwekkend specimen behelpen[106].

"Eene bezwering ter verkrijging van een onmiddellijk visioen.

Eeim, To, Eim, Alalēp, Barbariath, Menebreio, Arbathiaōth, Iouel, Iael, Ouenēiie, Mesommias. De god kome, dien ik voor mij raadpleeg, en ga niet weg voordat ik hem zal hebben vrijgelaten. Ournaour, Soul, Zasoul, Ouot, Nooumbiaou, Thabrat, Beriaou, Achthiri, Marai, Elpheon, Tabaoth, Kirasina, Lampsourē, Iaboe, Ablanathanalba, Akrammachamarei. [Doe water] in eene bronzen kom met olie [er op, z.b.], zalf uw rechter oog met water uit een verongelukt schip en het linker met eenig koptisch antimonium met het water vermengd. Indien gij geen water uit een verongelukt schip kunt vinden, dan van een ondergedompeld uit teen gevlochten veerschuitje."

Proclus spreekt van diergelijke "autopsieën" als uit eigen ervaring en tracht ook hun ontstaan nader toe te lichten:

"De goden laten vele gestalten voor zich uitgaan en vertoonen vele afwisselende figuren; nu eens gaat een vormeloos vuur voor hen uit, dan een dat tot de gedaante van een mensch is gevormd en dan een dat weer eene andere gestalte heeft aangenomen"[107].

"Terwijl de goden zelven onveranderlijk blijven en er niets bij verkrijgen of verliezen, gaan goddelijke verschijningen voor hen uit, die in de ruimte om ons heen ontstaan. Want daar de aanschouwenden lichamelijk en de goden zelven onlichamelijk zijn, hebben de visioenen die ze aan hen, die zulks waardig zijn, toonen, iets van de toonenden, maar ook iets, dat aan de aanschouwenden verwant is. Daarom worden zij ook gezien en niet door allen gezien. Want de aanschouwenden zelven zien ze door middel van de stralende omhulsels der zielen. Men ziet ze althans vaak als de oogen omhuld zijn"[108].

De theorie, dat de mensch nog een fijner organisme dan het grofstoffelijke lichaam bezit, vindt men in Plotinus' geschriften slechts eventjes aangeduid (Enn. I, 1, 7; VI, 4, 15), maar reeds bij Porphyrius[109] is ze in dier voege ontwikkeld, dat hij verscheidene "omhulsels" der ziel aanneemt. Damascius, een denker uit de zesde eeuw, spreekt o.m. van een "sterreachtig"[110] voertuig der ziel; vandaar blijkbaar de uitdrukking, "astraal" lichaam, thans bij voorkeur door de theosophen gebezigd. Bij de spiritisten vindt men ook de uitdrukking "perisprit". Volgens onderzoekers, wier wetenschappelijkheid aan geen twijfel onderhevig is, schijnt de hypothese van zulk een ijler lichaam noodig, om zekere "mediamieke" verschijnselen te verklaren.

De Christelijke kerk heeft zich officieel, d.w.z. bij monde van concilies, tegen de magie uitgesproken.

De zesde canon (regel) van de synode, in 306 (?) te Elvira (in Spanje) gehouden, luidt:

"Indien iemand door middel van tooverij een ander doodt, mag hem, omdat hij dit misdrijf niet zonder afgodendienst kon volvoeren, zelfs bij het einde [des levens] het avondmaal niet worden toebediend".

Ook hieruit blijkt, zooals wij reeds in IV hebben gezien, dat men de tooverij in noodzakelijk verbond achtte te staan met den dienst der goden.

Opmerkelijk is ook de vierentwintigste canon van de Synode te Ancyra (in Klein-Azië), uit het jaar 314:

"Zij, die waarzeggen en de gewoonten der volkeren [d.w.z. der niet-Christenen] volgen, of lieden in huis halen teneinde toovermiddelen op te sporen of reinigingen te voltrekken, moeten in de voorgeschrevene vijfjarige boete vervallen naar de bepaalde graden van drie jaren kniebuiging en twee jaren gebed zonder offer".

De zesendertigste canon van de synode te Laodicea (tusschen 343 en 381?) bepaalt:

"De hoogere en lagere clerici mogen geen toovenaars, bezweerders, of sterrewichelaars wezen, noch zoogenaamde amuletten vervaardigen die boeien voor hunne eigene zielen zijn. Diegenen echter, die deze amuletten dragen moeten buiten de kerk worden gesloten".

De zestiende canon van eene synode, na het midden der vijfde eeuw in Ierland gehouden, liep over tooverij.

Dat men echter in de practijk niet altijd de stengste opvatting huldigde, blijkt o.m. uit hetgeen Rufinus in zijne "Kerkgeschiedenis" (omstreeks 402 geschreven) aangaande den H. Spiridion, een bisschop op Cyprus en tijdgenoot van Constantijn den Grooten, bericht (I, 5):

"Hij had eene dochter, Irene genaamd, die altijd hare plichten jegens hem trouw vervulde en die als maagd stierf. Na haar overlijden kwam iemand die zeide dat hij aan haar eenig deposito had toevertrouwd. De vader wist niets van de zaak af. Men doorzocht het geheele huis maar vond nergens het verlangde. Toch bleef hij, die het deposito had toevertrouwd, met geween en tranen aandringen; hij verzekerde zelfs aan zijn leven een einde te zullen maken, als hij het deposito niet terug kreeg. De vader, door zijne tranen bewogen, snelde naar het graf van zijne dochter en riep haar bij den naam. Toen riep zij uit het graf: "Wat wilt gij, Vader?" Hij vroeg: "Waar hebt gij het deposito van den man neergelegd?" Daarop wees zij hem de plaats aan en zeide: "Daar zult gij het ingegraven vinden". De vader keerde naar huis terug en gaf het deposito, dat gevonden werd zooals de dochter uit het graf had geantwoord, terug aan hem die het opeischte."

Die handeling van den H. Spiridion, wiens naam hoogst opmerkelijk is, doet ons onwillekeurig aan de bezwering van Melissa denken, die wij in ons eerste hoofdstuk hebben vermeld.

De kerkelijke schrijver Lactantius (omstreeks 310), om zijn vloeienden stijl als de "Christelijke Cicero" geprezen, doet ons door eene hoogst onbevangene uiting over de necromantie, onwillekeurig aan Justinus den martelaar denken (vgl. hoofdstuk IV).

Weliswaar spreekt ook hij in zijn hoofdwerk Goddelijke instellingen" (II, 16) van de "doodenbezwering en de tooverkunst en wat de menschen verder aan kwaad openlijk of in 't geheim uitvoeren", en van de "magiërs en diegenen, die het volk terecht boosdoeners noemt", weliswaar denkt ook hij hierbij zonder weifelen aan den invloed van demonen "vijanden en kwellers der menschen" (c. 15), maar als het er op aankomt, de onsterfelijkheid der ziel te bewijzen, slaat hij een geheel anderen, meer objectieven toon aan (VII, 13):

"Onwaar is het gevoelen van Democritus, Epicurus en Dicaearchus [een volgeling van Aristoteles] dat de ziel zou worden opgelost. Zij zouden zeker niet durven spreken van den ondergang der zielen in tegenwoordigheid van een magiër, die wist, dat de zielen door zekere bezweringen uit de onderwereld worden opgeroepen en tegenwoordig zijn en zich aan menschelijke oogen vertoonen en spreken en de toekomst voorspellen, en als zij [nl. de ongeloovige wijsgeeren] het dorsten, zouden zij door het feit zelf en de rechtstreeksche bewijzen weerlegd worden".

Minder onbevangen dan Lactantius was zijn jongere tijdgenoot Eustathius van Antiochië, die een verwoeden aanval heeft gericht tegen Origenes' bovenvermelde bijbellezing over de "tooveres van Endor." Daarbij neemt hij redeneeringen te baat als volgt (c. 5): "Deed de vrouw Samuël opkomen met lichaam en al of bekleed met eenigen vorm op de wijze van een schaduwomtrek? Indien ze hem zonder lichaam deed opkomen, liet ze niet Samuël weer opstaan, maar de gedaante van een geest. Want de echte Samuël is de uit ziel en lichaam samengestelde, de mensch die eene evenredige mengeling uit beide heeft", enz. Ook beweert hij (c. 12 vlg.), dat de voor Samuël zich uitgevende demon zegt: "Morgen zult gij en Uw zoon Jonathan bij mij zijn", en derhalve in tegenspraak is met de schrift, waarin uitdrukkelijk staat "dat Saul tegelijk met drie zonen gedood is, maar niet met één alleen." Origenes haalt echter c. 5 i.f. den gewonen tekst aan, nl.: "Morgen zult gij en uwe zonen bij mij zijn", en waar Eusthathius zijne tekstvariante van daan heeft, is ons onbekend.

Op hetzelfde niveau staan de beschouwingen van Gregorius van Nyssa (in Klein-Azië) over de toovenares in een brief aan den bisschop Theodosius sius (tweede helft vierde eeuw), vgl. p. 202 v/203 r:

"De demon heeft ook tegen wil en dank zich zelf verraden door de waarheid te zeggen: "Morgen zult gij en Jonathan bij mij zijn." Want indien het waarlijk Samuël was, hoe kon het dan, dat Saul, die wegens alle mogelijke boosheid was veroordeeld, bij hem zou komen? Maar 't is duidelijk, dat de booze geest, die in de plaats van Samuël gezien werd, niet loog, toen hij zeide dat Saul bij hem zou zijn. Indien echter de schrift zegt "en Samuël zeide", laat dan eene zoodanige uitdrukking een kundige niet in verwarring brengen maar laat hij meenen, dat er bijstaat "die geloofd werd Samuël te zijn", want wij vinden dat de Schrift vaak spreekt van het schijnbare in de plaats van het werkelijke."

Tot zulke redeneeringen moest men wel komen als men er van uitging dat "Samuël groot onder de heiligen, de tooverij echter eene booze zaak is" (201 v).

Hoogst belangwekkend is een geschrift dat waarschijnlijk uit den tijd van Julianus den afvallige dagteekent, nl. de legendaire "Confessie van den H. Cyprianus" (niet den kerkvader), die zijne ziel aan den duivel had verkocht, maar zich bekeerde en verlossing vond. In genoemde "Confessie" verhaalt Cyprianus uitvoerig zijn loopbaan en biecht op wat hij als toovenaar heeft misdreven. Wij halen hier een en ander uit aan, te beginnen met de uitermate kenschetsende woorden (c. 7):

"Ik was een wonderdoener als een uit den ouden tijd en gaf proeven van mijne tooverkunst; ik was vermaard als een magiër-philosoof, daar ik veel begrip had van de ongeziene dingen."

Het volgende citaat, uit c. 12, handelt over de magische vertooning van schijnbeelden, die reeds vroeger in dit hoofdstuk ter sprake is gekomen:

"Voor de grap maakte ik dat water in de woestijn scheen te stroomen en plassen in de huizen scheen te vormen."

En in c. 13 luidt het desgelijks:

"Ik liet ook dooden als levenden voorkomen en lammen als loopenden."

Maar hij gebruikte zijne tooverkunst nog voor geheel andere doeleinden (c. 12):

"Ik maakte dat vrouwen van hunne mannen naar boeleerders gedreven werden.... ik heb geheele families aan 't verderf overgeleverd."

Voor de ergste gruwelen deinsde hij niet terug (c. 11):

"Ik heb zwangere vrouwen ter wille van de demonen opengesneden ... ik heb vele ... demonen door diergelijke offers verzadigd om op die manier tot den duivel zelf te genaken. En toen ik op het punt stond naar hem toe te gaan, bracht ik hem het bloed van elk levend wezen in een gouden schaal. Hij nam het aan, besprenkelde eerst zijne kroon er mee en zijne dienstbare machten, vervolgens ook mij en zeide: "Ontvang ook gij macht over alle zielen van onredelijke en redelijke wezens."

Uitvoerig zet Cyprianus uiteen, hoe de duivel en de demonen mirakelen bewerken (5 vlg):

"In alle sterren en planten en in de scheppingen des Heeren heeft hij gelijkenissen met zich samengevlochten, tot den oorlog tegen God en Diens engelen. Daardoor brengt hij de menschen aan 't dwalen als ware hij God, hoewel hij niets in substantie bezit, maar alles bij wijze van eene schimachtige schilderij voorstelt en vertoont. Vandaar dat de demonen, wanneer zij in gedaanten verschijnen zich oplossen, al beijveren zij zich om althans door middel van beelden hunne macht te toonen.

