# Magie bij de Grieken en de Romeinen

## Part 12

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/magie-bij-de-grieken-en-de-romeinen-15215/index.md

Men heeft dit verhaal voor "mal" uitgemaakt; en vrijwel als een verzinsel beschouwd. Daarmede zijn echter de moeilijkheden, die het oplevert, niet uit den weg geruimd. Immers de "malle wonderverhalen" van Eunapius komen zeer goed overeen met wat de grootste Neoplatonische denkers hebben geleeraard. Iamblichus zelf weidt in het boven door ons aangehaalde geschrift "Over de mysteriën" (II, 3) nader uit over de schoonheid zoowel van de goden als van de demonen bij hun verschijnen. Porphyrius, de nuchterste aller Neoplatonici, geloofde, zooals wij later uit een citaat van Augustinus zullen zien, aan "wonderbaarlijk schoone beelden" van "engelen" of "goden" bij de theürgische handelingen. Plotinus spreekt in het bekendste van zijne geschriften, in het betoog "Over het schoone" (Enn, I, 6), van diegenen (c. 7) "wien eene verschijning van goden of demonen ten deel is gevallen en die niets meer willen afweten van de schoonheid der andere lichamen." Aan zulke onomwonden uitspraken van scherpzinnige en hoogstaande denkers moet o.i. toch wel eene zekere objectiviteit beantwoorden. Men heeft dan ook bij dit verhaal van Eunapius gedacht aan de zg. materialisaties, d.w.z. tastbare, soms zeer schoone, verschijningen, zich vormende uit stoffen, onttrokken aan het lichaam van zekere "mediums," en ook "critische" onderzoekers zijn geneigd, hierbij aan reëele, overigens uiterst raadselachtige, verschijnselen te denken. Maar ook afgezien daarvan laat zich de historiciteit van het boven aangehaalde geval best handhaven, wanneer men nl., met een niet onverdienstelijk occultist, aanneemt, dat daarbij eene opwekking van "hallucinaties" plaats heeft gevonden.

Vergelijkt men de beschouwingen van Iamblichus over de magie met de theorie van Plotinus, dan springt het verschil duidelijk in 't oog. Bij Plotinus domineert het abstracte, bij Iamblichus het persoonlijke. De leer der "sympathie" (z.b.) wordt door den laatstgenoemde niet bijster hoog aangeslagen; vgl. het boven reeds vermelde geschrift: "Over de mysteriën" (X, 3): "Wanneer ons van nature eene zekere geschiktheid te beurt valt om de toekomst vooruit te weten, zooals bij dieren een voorgevoel opkomt van aardbevingen of winden of stormen, dan schijnt mij dat volstrekt niet ontzagwekkend toe. Immers eene zoodanige ons aangeboren voorspellingsgave treedt bij ons op ten gevolge van scherpte van waarneming of ten gevolge van sympathie of ten gevolge van eenige andere samenwerking van natuurlijke krachten en heeft niets eerbiedwaardigs of bijzonder verhevens." Iamblichus streeft naar hooger: (4) "Alleen de goddelijke wichelarij, die van de goden afhangt, maakt ons waarlijk het goddelijke leven deelachtig, zij, die deel heeft aan de voorkennis en aan de goddelijke begrippen." De goden, die Plotinus slechts zelden noemt, zijn het overheerschende bij Iamblichus, die dan ook het gebed op onvergelijkelijk schoone wijze verheerlijkt (V, 26). Plotinus is meer monistisch-zelfgenoegzaam, Iamblichus meer pluralistisch-religieus.

Het optreden van Iamblichus, hoe men ook over hem moge denken, beduidt een ommekeer in de Neoplatonische philosophie. Het systematiseeren, reeds door Plotinus beoogd, door Porphyrius verwaarloosd, wordt nu de hoofdzaak voor den wijsgeer, die tevens met behulp van getallenspeculatie en steunende op de religieuze overleveringen van allerlei volkeren, de geheimen der onzichtbare wereld tracht te ontsluieren en in vaste formules te brengen, Iamblichus, ook nu nog door velen wordt miskend, muntte niet slechts uit door dialectische gevatheid en "scholastieke" scherpzinnigheid, maar ook door veelomvattende geleerdheid en psychologisch inzicht, Iamblichus heeft bewerkt, dat het Neoplatonisme zich nog meer dan twee eeuwen handhaafde, ja zelfs, zooals wij spoedig zullen zien, op een zeker oogenblik een ernstig gevaar voor het Christendom opleverde.

Keizer Constantius (337-361) was bijzonder op de magie en wat er mee samenhangt, gebeten; driemaal heeft hij er verordeningen tegen uitgevaardigd. In de eerste (357) staat o.m.: "De Chaldeeërs [sterrewichelaars] en magiërs en de overigen, welke het volk om de grootte hunner misdrijven boosdoeners noemt", en: "Zwijgen worde voor altijd opgelegd aan alle onbescheiden onderzoek naar de geheimen der toekomst. Want al wie aan onze bevelen gehoorzaamheid weigert zal de doodstraf ondergaan, door het wrekende zwaard neergeveld"[91]. De tweede, niet geheel duidelijke verordening (van 't zelfde jaar) luidt: "Velen, gebruik makende van tooverkunsten, aarzelen niet, de elementen in verwarring te brengen, de levens van onschuldigen te bedreigen, en durven de schimmen op te roepen ... opdat een ieder zijne vijanden door booze kunsten ombrenge. Dezen vertere het doodelijk verderf, daar zij de natuur vijandig zijn"[92]. Met vooropstelling van het feit dat bekleeders van eerambten in gewone gevallen niet aan den lijve; mogen worden gepijnigd, gelast evenwel het derde, slecht gestelde, edict (358) dat "indien eenig; magiër ... of ingewandziener of profeet ... of astroloog ... of wie iets dergelijks in mijne omgeving ... uitoefent, wordt betrapt, dan zal zijne waardigheid hem niet voor de pijnbank behoeden. Wanneer hij, hoewel van schuld overtuigd, zich met hardnekkig loochenen tegen diegenen heeft verzet, die zijne misdaad aan den dag brengen, moet hij aan de pijnbank worden overgeleverd en, terwijl de folterklauwen hem de zijden verscheuren, straffen ondergaan, zulk eene misdaad waardig"[93].

Er waren Neoplatonici, die, allicht uit vrees; voor zulke strenge bepalingen, zich van de beoefening der magie verre hielden, anderen echter legden zich, desondanks, met allen ijver op haar toe. De strijd tusschen die beide richtingen heeft, zooals uit het verhaal dienaangaande bij Eunapius, nl. in het leven van Maximus[94], blijkt, op een zeker moment verstrekkende gevolgen gehad, ook op staatkundig gebied.

Prins Julianus toch, geb. 332, zoon van een jongeren stiefbroer van Constantijn den Groote, stelde belang in de philosophie en begaf zich naar den gevierdsten der toenmalige Neoplatonici. Aedesius, maar deze, reeds oud van dagen en ziek van lichaam, verwees hem naar zijne discipelen. Toen nu een van dezen, een zekere Eusebius, in een onderhoud met den prins de logica en de dialectiek voor "het werkelijk zijnde" verklaarde, de magische kunsten daarentegen, "die de zintuigen bedriegen en betooveren", voor het werk van "wonderdoeners en van diegenen die in hunne uitzinnigheid en razernij tot zekere stoffelijke machten vervallen", wilde Julianus er meer van weten, en ten slotte zeide Eusebius:

"Er is een zekere Maximus, een van de oudere en goed onderrichte toehoorders; deze veracht ten gevolge van zijn groot vernuft en de uitnemendheid van zijn redeneervermogen de bewijzen in de logica en is tot zekere uitzinnigheden vervallen. Onlangs riep hij ons, die aanwezig waren, naar den tempel van Hecate en toonde ons vele getuigen van zijn optreden. Toen wij hem ontmoet en de godin onze vereering betoond hadden, zeide hij tot ons: "Gaat zitten, beste vrienden, en ziet wat er gebeuren zal en of ik iets boven het gros der menschen uitsteek". Nadat hij dit gezegd had en wij allen waren gaan zitten, brandde hij eene korrel wierook en mompelde tot zich zelf de eene of andere hymne en bracht het met zijne vertooning zoo ver, dat het beeld eerst glimlachte en vervolgens een zeer duidelijk lachen te zien was. Toen wij nu over dien aanblik in opschudding geraakten, zeide hij: "Maar laat niet één van U hierdoor in de war geraken, want terstond zullen ook de fakkels, welke de godin in de handen draagt, ontstoken worden", en het woord was nog niet uitgesproken, of het licht vlamde in de fakkels op. Wij stonden op dat oogenblik over dien theatralen wonderdoener versteld en gingen heen. Gij echter moet niets van die dingen bewonderen, zooals ook ik dat niet doe, maar gelooven dat de reiniging door middel van de rede iets van belang is". Maar Julianus, dit hoorende, riep uit: "Vaarwel, en houd U aan de boeken; mij echter hebt gij den man genoemd, dien ik zocht."

Dat Maximus inzonderheid door magische kunsten zulk een ontzaglijken invloed op Julianus heeft uitgeoefend, dat deze het Christendom den rug toekeerde en de oude religie in eere trachtte te herstellen, blijkt ook uit de verhalen die dienaangaande bij de Christenen in omloop waren. Wij geven hier aan een tijdgenoot, den kerkvader Gregorius van Nazianze (in Klein-Azië) het woord, die aangaande Julianus, als eene "niet ongeloofwaardige" gebeurtenis het volgende verhaalt (Rede IV, 55 vgl.):

"Hij daalde in een van de voor de meesten ontoegankelijke en vreeswekkende heiligdommen neer ... terwijl de ... in zulke dingen ervarene philosoof of juister schijnphilosoof hem vergezelde. Want ook dit is eene soort wichelarij bij hen [nl. de niet-Christenen] om in de duisternisg de onderaardsche demonen over de toekomst te raadplegen.... Toen echter de schrikbeelden den naderbij komenden, wakkeren man altijd talrijker en vreeswekkender bestookten--men spreekt van ongewone klanken, onaangename geuren, vuurstralende verschijningen en ik weet niet wat voor fratsen en fantasterijen--nam hij, door het onverwachte ontzet, want hij had zich eerst laat op zulke dingen toegelegd, tot het kruis, het oude toovermiddel, zijne toevlucht en sloeg dat tegen de schrikbeelden en maakte den vervolgde tot helper. En wat volgde is nog huiveringwekkender. Krachtig werkte het teeken, de demonen werden overwonnen, de schrikbeelden losten zich op. En wat verder? De boosheid herademde, ze vatte weer moed, weer drong zij aan, weer dezelfde schrikbeelden, weer het kruisteeken en de demonen bleven rustig. Toen was de ingewijde in verlegenheid en de inwijder in zijne nabijheid gaf eene onjuiste uitlegging van de waarheid en zeide: "Zij verafschuwden ons, maar ze vreesden ons niet: het slechtere heeft de bovenhand". Want dat zeide hij en, na hem hiermede te hebben overreed, leidde hij den discipel tot den afgrond des verderfs."

Gregorius laat het niet bij dit toch al vrij tendentieuze verhaal, maar bericht verder (c. 92) zooals trouwens hij niet alleen,[95] dat Julianus menschen zou hebben laten offeren om uit hunne ingewanden de toekomst te lezen. Aan zulke verdachtmakingen kan echter niet de minste waarde worden gehecht; de beschuldigingen van geheime moorden, waaraan eens de Christenen zelve blootstonden, keeren zij later in misplaatsten geloofsijver tegen den "afvallige".

Na den vroegen dood van Julianus (363) kwam het bewind weer in Christelijke handen en al spoedig werd het optreden tegen magie en wichelarij hervat. De keizers Valentinianus toch en Valens, waarvan de eerste het westelijke, de andere het oostelijke gedeelte van't Romeinsche rijk bestuurde, verklaarden in een besluit van 't jaar 364:

"Niemand wage het in 't vervolg, om in 't nachtelijk uur magische handelingen te verrichten."

Spoedig zouden al die wettelijke bedreigingen op eene verschrikkelijke manier ten uitvoer worden gebracht.

In 371 (of 372) trachtten eenige personen door middel van magische verrichtingen met een tafeltje te weten te komen, wie de opvolger van Valens zou zijn. Valens, hiervan verwittigd, beval terstond de wichelaars en iedereen op wie ook maar eenige verdenking rustte, in hechtenis te nemen, en al het foltertuig, waarover men toenmaals beschikte, in gereedheid te brengen. De uitvoerigste beschrijving van dit monsterproces geeft een tijdgenoot, de hoogst achtenswaardige historicus Ammianus Marcellinus, wiens verhaal ook door de andere berichten[97] steun ontvangt. Wij laten hier het belangrijkste er uit volgen (XXIX, 1, 28-42):

"Patricius en Hilarius [twee der hoofdbeschuldigden] werden binnengeleid en men beval hun de feiten van begin tot einde mede te deelen. Daar zij in den aanvang elkaar tegenspraken, werden hun de folterklauwen in de zijden gezet en eindelijk haalde men den drievoet er bij, dien zij plachten te gebruiken. In de engte gedreven, gaan zij alles van den aanvang af naar waarheid hekend maken, Hilarius het eerst:

"Wij hebben", zeide hij, "edelachtbare heeren, onder een boos gesternte, dit noodlottige tafeltje, dat gij ziet, naar het voorbeeld van den drievoet te Delphi, uit lauriertakken samengesteld; en na geheime tooverformulieren te hebben uitgesproken met al het benoodigde gerei de wijding herhaaldelijk naar den ritus te hebben verricht, brachten wij het eindelijk in beweging. De manier om het in beweging te brengen, zoo vaak wij het over geheime zaken raadpleegden, was als volgt: Na het huis aan alle kanten met Arabisch reukwerk te hebben gereinigd, zetten wij den drievoet er in 't midden neer en eene ronde schaal er zuiver boven op, uit verscheidene metalen kunstig saamgesmeed, gesmeed, op wier ronden omtrek de vier en twintig letters van het alfabet door eene ervarene hand zóó waren ingegrift, dat hunne onderlinge afstanden juist even groot waren. Iemand in linnen kleeren gehuld en met schoenen evenzeer uit linnen, voorts met een band om 't hoofd gewonden, en een tak van een vruchtdragenden boom in de hand, ging bij het tafeltje staan, na den god, die voorspellingen geeft, door de gebruikelijke formulieren gunstig te hebben gestemd, terwijl hij in alles handelde overeenkomstig de voorgeschrevene plechtigheid. Hij liet boven het tafeltje een ring zich heen en weer bewegen, hangende aan een zeer dunnen draad uit linnen en volgens de mystieke leer gewijd; deze ring, in vast tijdsverloop heen en weer gaande, werd telkens door eene enkele letter gestuit en vormde versregels, beantwoordende aan de gestelde vragen, hexameters, naar getal en maat goed afgerond, zooals die welke afkomstig zijn van het Pythische, [Delphische] orakel.... Op onze vraag, wie aan de huidige regeering zou opvolgen, werd geantwoord, dat deze in elk opzicht voortreffelijk zou zijn, en toen de ring al springende de twee lettergrepen "Theo" had aangeraakt met toevoeging van de laatste letter [d], riep een der aanwezigen uit, dat Theodorus door de beschikkingen van het onvermijdelijke noodlot werd aangewezen. Wij hebben over die zaak niets verder uitgevorscht, want het stond bij ons voldoende vast, dat deze het was, die geroepen werd".

Toen hij aldus eene zoo duidelijke bekentenis aangaande de geheele zaak aan de rechters had afgelegd, voegde hij er edelmoedig bij, dat Theodorus er heelemaal niets van afwist. De aangeklaagden, hierna ondervraagd, of zij, krachtens het orakel dat zij raadpleegden, ook vooruit wisten, wat zij zouden te verduren hebben, reciteerden die allerbekendste verzen, die duidelijk verkondigden, dat de zucht om in 't geen voor hen te verheven was door te dringen, spoedig hun het leven zou kosten, maar dat de wraakgodinnen den keizer zelf en de rechters met zwaard en brand bedreigden; het zal volstaan de drie laatste regels aan te halen:

"Hun, die door gramschap gedreven, Uw bloed wreedaardig vergieten, Wacht een' ontzettende straf. D'onverbidd'lijke Wraak uit den afgrond Zal, in de vlakten van Mimas, hun hart door de vlammen verteren!"

Na deze versregels worden ze weer met de folterklauwen mishandeld en, den dood nabij, van elkaar gescheiden. Hierna wordt, om op de werkplaats van de beraamde misdaad het volle licht der openbaarheid te laten schijnen, eene schare van hooggeplaatsten binnengeleid, die de hoofden van het plan waren. Terwijl niemand om iets anders dan om zich zelf dacht en de een de schuld op den ander wierp, begon eindelijk Theodorus, toen de rechters het hem veroorloofden, te spreken. Eerst wierp hij zich neer en smeekte om genade, daarna, geperst om te antwoorden, bekende hij, het door Eucerius te hebben vernomen, en dat hij herhaaldelijk op het punt had gestaan, het den keizer te berichten, maar door Eucerius daarin was verhinderd, die hem verzekerde, dat niet door een ongeoorloofden aanslag op de regeering, maar door den wil van het onveranderlijke noodlot het gehoopte van zelf in vervulling zou gaan. Eucerius bevestigde, onder de wreedste pijnigingen, deze bekentenis; maar Theodorus werd weerlegd door zijn eigen brief, dien hij, hoewel in duistere termen, aan Hilarius had gericht; hieruit toch bleek, dat hij vast op de voorspelling vertrouwde en dat hij niet voor de daad terugdeinsde, maar het tijdstip zocht om zijn misdadig opzet ten uitvoer te brengen.

Na deze bekentenissen worden zij verwijderd. Eutropius, die toen Gouverneur van Azië was, werd, als medeplichtig aan het komplot, voor de rechtbank gedaagd, maar als onschuldig losgelaten, dank zij den philosoof Pasiphilus, die, hoewel op de wreedste manier gefolterd, opdat hij hem door eene leugenachtige aantijging onrechtvaardig in 't verderf zou storten, zijne standvastigheid van karakter bewaarde. Hierop volgde de philosoof Simonides, wel is waar nog jong, maar in onzen tijd boven allen door strengheid van principes uitstekende. Toen deze beschuldigd werd de zaak van Fidustius te hebben gehoord, en gezien had, dat het geding niet naar waarheid, maar naar den wil van één werd beslist, verklaarde hij, dat men hem de voorspelling had toevertrouwd, maar dat hij, zooals een man van karakter past, er over gezwegen had.

De keizer, na dit alles nauwkeurig te hebben onderzocht, bekrachtigde het vonnis der rechters en beval, met ééne uitspraak, allen ter dood te brengen ... allen werden onthoofd, behalve Simonides alleen, dien de wreede opperrechter, verbitterd door zijne ernstige standvastigheid, beval levend te verbranden. Simonides, het leven als een krankzinnigen meester ontvluchtende en lachende om de plotselinge lotsverwisselingen, kwam, zonder zich te verroeren, in de vlammen om....

In de volgende dagen heeft eene menigte uit zoowat alle standen, die het moeilijk valt bij name te noemen, in het net der lastering verstrikt, de armen der beulen vermoeid, na van te voren door pijnbank en lood en zweepslagen te zijn afgemarteld. Sommigen werden zonder het minste verwijl ter dood gebracht, terwijl men er nog over verhandelde of ze moesten terechtgesteld worden; overal was eene slachting te zien, evenals van vee....

Niet erg lang daarna werd ook Maximus, de bekende philosoof, een man van groote geleerdheid, door wiens wijze lessen de keizer Julianus grondig in de wetenschap was onderricht, er van aangeklaagd, bovengenoemde verzen te hebben gehoord. Hij erkende er van te hebben geweten, maar had, als philosoof, zich verplicht geacht, er geen ruchtbaarheid aan te geven. Ja, hij had zelf voorspeld dat die uitvorschers van de toekomst er de doodstraf voor zouden ondergaan. Naar Ephese, zijne vaderstad gebracht, werd hij aldaar onthoofd en ondervond, gelijk het laatste proces hem leerde, dat de onrechtvaardigheid van een rechter gevaarlijker is dan alle beschuldigingen."

Ammianus voegt er o.m. nog (in c. 2, 3) deze karakteristieke bijzonderheden aan toe: "En opdat zelfs de echtgenooten geen tijd zouden hebben, de ellende hunner mannen te beweenen, werden terstond gerechtsdienaars er op afgezonden, die, bij 't verzegelen der huizen en het nazoeken van het huisraad van den veroordeelde, onzinnige bezweringen of recepten voor liefdedranken heimelijk verstopten, alles gereedmaakt tot verderf van onschuldigen. Als die stukken voor de rechtbank waren voorgelezen, waar men noch op grond van wet, noch van geweten, noch van billijkheid de waarheid van de leugen onderscheidde, werden de goederen geconfiskeerd en onschuldigen, onverdedigd, jongelingen zoowel als ouden, met verlamde leden, in draagstoelen naar het schavot gebracht."

Hierbij dient echter uitdrukkelijk te worden opgemerkt, dat de wreedheid van keizer Valens niet alleen door Ammianus en de aanhangers der oude religie, maar ook door Christelijke schrijvers[98] ten strengste werd veroordeeld.

Naar aanleiding van die raadpleging der godheid wenschen wij nog een en ander in 't midden te brengen.

Er is in Pergamum (in Klein-Azië) een bronzen toovergereedschap gevonden, dat aan den bovenvermelden drievoet herinnert, bestaande in hoofdzaak uit eene driehoekige bronzen plaat met afbeeldingen van Hecate, tooverwoorden, verbindingen van klinkers en allerlei magische figuren er op. Men heeft hiermede ook den z.g. scriptoskoop vergeleken, een bord met letters en woorden, waarop een driehoek van bordpapier in beweging kan worden gebracht, ten einde op spiritistische séances antwoorden te verkrijgen; ten onzent wordt echter hiertoe in plaats van dien driehoek bij voorkeur een houten kruis gebruikt, rustende op eene stift.

Het ligt voor de hand, dat het spellen van woorden door middel van tafelbeweging, zooals sinds het midden der vorige eeuw in zwang is, het geduld der vragenden al heel spoedig op eene harde proef stelt. Dientengevolge is men gewoon om, zoodra men uit eenige letters het betreffende woord meent te kunnen opmaken, terstond tot een ander woord over te gaan, hetgeen echter, zooals van zelf spreekt, tot verkeerde uitkomsten kan leiden. Maar ook in dit opzicht leert ons het moderne spiritisme de raadpleging van den drievoet, zooals ze in het bovenvermelde geval door Ammianus, onzen besten zegsman, bericht wordt, beter begrijpen.

Een geheel ander geval van tooverij dan het voorafgaande is hetgeen ons Zosimus, een niet onbetrouwbaar historicus uit de vijfde eeuw, van Nestorius, den opperpriester der Eleusinische mysteriën, bericht (IV, 18):

"Aan Nestorius, gedurende die tijden [375 n. Chr.] hierophant, verkondigde een droomgezicht, dat de held Achilles [de hoofdfiguur uit den Trojaanschen oorlog, z.b. I] van overheidswege eerbetuigingen moest ontvangen; dit toch zou de stad heil brengen. Toen hij nu het droomgezicht aan de overheden had meegedeeld en dezen, in de meening dat hij, als stokoud man, onzin praatte, er geen notitie van namen, ging hij bij zich zelf te rade wat er te doen viel en in de goddelijke dingen van jongs af aan onderricht, vervaardigde hij eene figuur van den held in een klein huisje en zette dit onder het beeld van Athene, dat in het Parthenon staat. Zoo dikwijls hij nu de gebruikelijke ceremoniën ter eere van de godin voltrok, bracht hij tegelijk ook aan den held naar zijn beste weten en overeenkomstig den ritus zijn huldebetoon, en aangezien op deze wijze de raad van den droom in vervulling werd gebracht, bleven, toen eene zware aardbeving plaats had, de Atheners alleen gespaard."

Ook uit een ander bericht, dat kort hierna ter sprake zal komen, blijkt, dat Nestorius allerlei tooverpractijken beoefende, en er bestaat dus geen reden, het hier vermelde feit in twijfel te trekken; of echter het neerzetten van het Achillesbeeldje en de te zijner eere verrichte ceremoniën de oorzaak zijn geweest, dat het onheil aan de stad voorbijging, is eene vraag van geheel anderen aard.

In 378 kwam de wreedaardige keizer Valens, die toch al sinds het bovenvermelde rechtsgeding ongeluk op ongeluk had ondervonden, rampzalig aan zijn einde. Bij Adrianopel door de Gothen overwonnen, werd hij, naar het geloofwaardigste bericht luidt, zwaar gewond eene hut binnengedragen en werd deze door de vijanden, die niet wisten met wien zij te doen hadden, in brand gestoken. Ammianus brengt (in XXXI, 14, 8 vlg.) naar aanleiding hiervan de verzen van bovenvermeld orakel in herinnering en voegt er aan toe:

