Magie bij de Grieken en de Romeinen

Part 11

Chapter 11 3,538 words Public domain Markdown

"Aldus is ook bij dat andere soort tooverij, welke, naar men gelooft, ook reeds tot rust gekomene zielen aan de onderwereld ontrukt en aan het gezicht vertoont, geen ander bedrog meer aan 't werk [n.l. dan dat der demonen]. Vooral omdat er ook een fantoom bij wordt vertoond, omdat er ook een lichaam bij wordt gevormd; en het is voor hem geen moeite, het uiterlijk gezicht te misleiden, wien het gemakkelijk valt, de innerlijke scherpte des geestes te verblinden. Aan Farao en de Egyptenaren schenen de slangen, die uit de tooverstaven ontstaan waren, ook toe lichamen te zijn [vgl. Exod. VII, 12], maar de waarheid van Mozes verslond de leugen [d.w.z. de staf van Aäron verslond de staven der toovenaars, t.p.] Veel deden ook de magiërs Simon en Elymas tegen de apostelen, maar de straf van blindheid was geen goocheltoer [z.b. IV]. Wat voor nieuws is het, als de onreine geest ook nu de waarheid naäapt? Ziet, de kettersche volgelingen van dienzelfden Simon gaan nu zoo prat op hunne kunst dat ze beloven zelfs de zielen van profeten uit de onderwereld te halen. En ik geloof dat ze dit op leugenachtige wijze vermogen. Immers het stond ook aan den "pythonischen" geest toen ter tijd even goed vrij, de ziel van Samuel na te bootsen, toen Saul, na God te vergeefs te hebben aangeroepen, de dooden raadpleegde."

Tertullianus gaat hiermede over tot het verhaal van de "toovenares van Endor", die een "pythonischen" geest bezat, aldus genoemd, omdat Pytho (Delphi) de hoofdzetel van god Apollo, den beschermheer der waarzeggers was. Daar dit verhaal ook later nog herhaaldelijk ter sprake komt, willen wij het hier, tot betere oriënteering van den lezer, in zijn geheel mededeelen.

Het staat in I Samuël 28.

"(5) Toen Saul het leger der Filistijnen zag, werd hij bevreesd en zeer ontsteld. (6) Hij raadpleegde Jahwe, maar Jahwe antwoordde hem niet, noch door droomen, noch door de uriem, noch door de profeten.

(7)Toen zeide Saul tot zijne dienaren: "Zoekt mij eene vrouw die over een onderaardschen geest beschikt, opdat ik tot haar ga en haar raadplege.'' Zijne dienaren zeiden tot hem: "Zie te Endor woont eene vrouw die over een onderaardschen; geest beschikt." (8) Toen maakte Saul zich onkenbaar, trok andere kleederen aan en ging met twee mannen derwaarts. In den nacht kwamen zij bij de vrouw, en hij zeide tot haar: "Voorzeg mij de toekomst door den onderaardschen geest; doe voor mij opkomen, dien ik U noemen zal. (9) Maat de vrouw zeide tot hem: "Gij weet wel wat Sau gedaan heeft, hoe hij de toovenarij en waarzeggerij uit het land heeft uitgeroeid. Waarom legt gij mij dan een valstrik om mij ter dood te laten brengen?" (10) Toen zwoer Saul haar bij Jahwe "Zoo waar als Jahwe leeft, gij zult om deze zaak geen straf beloopen." (11) Nu zeide de vrouw "Wien zal ik voor U doen opkomen?" Hij zeid "Doe Samuël voor mij opkomen". (12) Doch toen de vrouw Samuël zag, schreeuwde zij luidkeels en zeide tot Saul: "Waarom hebt gij mij bedroge Gij zijt Saul zelf!" (13) Maar de koning zeide tegen haar: "Vrees niet. Zeg wat gij _ziet_". Toen zeide de vrouw tot Saul: "Een Goddelijk wezen zie ik uit den grond opkomen". (14) Hij zeide tot haar "Hoe ziet het er uit?" Zij antwoordde: "Een oude man komt op; in een mantel is hij gehuld". Hier neigde Saul, begrijpende dat het Samuël was zijn aangezicht ter aarde en wierp zich neder (15)Samuël zeide tot Saul: "Waarom hebt gij mij in mijne rust gestoord door mij te doen opkomen?" Saul zeide: "Ik ben zeer beangstigd: de Filistijnen voeren oorlog tegen mij en God is van mij geweken en heeft mij niet meer geantwoord, noch door de profeten, noch door droomen, [noch door de uriem]. Daarom heb ik U geroepen, om mij te verkondigen wat ik doen moet." (16)Samuël zeide: "Waarom ondervraagt gij mij, terwijl Jahwe van U geweken is en de partij van Uwen naaste gekozen heeft? (17)Jahwe doet U zooals hij door mij gesproken heeft; hij scheurt U het koningschap uit de hand en geeft het aan Uwen naaste, aan David. (18)Omdat gij niet naar Jahwe geluisterd en zijnen toorngloed tegen Amalek niet voltrokken hebt, daarom heeft Jahwe thans evenzoo aan U gedaan. (19)Hij zal ook Israël met U in de hand der Filistijnen geven; morgen zult gij en Uwe zonen bij mij zijn en zal Jahwe bovendien het leger van Israël aan de hand der Filistijnen overleveren". (20)Toen viel Saul haasstiglijk lang uit op den grond want hij was zeer bevreesd geworden vanwege Samuëls woorden en had bovendien geen kracht, daar hij den ganschen dag en den gansenen nacht niets gegeten had".

De "uriem" waren een orakel waarbij men door het werpen van zekere loten den wil Gods trachtte te weten te komen; het antwoord kon echter, zooals uit v. 6 blijkt, ook geheel uitblijven.

Dat de toovenares Samuël, zooals hij verschijnt, een goddelijk wezen noemt, stemt goed overeen met het geloof, door ons in IV vermeld, dat de overledenen als "demonen", d.w.z. alsbovenmenschelijke wezens werden beschouwd.

Waarschijnlijk had Saul opzettelijk gevast, om zich op de doodenbezwering voor te bereiden, daar immers onthouding, althans van zekere spijzen, algemeen geacht werd eene der voornaamste voorbereidingen tot magische handelingen te zijn.

Laten we nu zien, hoe Tertullianus dit verhaal uitlegt:

"Verre zij het van ons te gelooven, dat de ziel van eenig heilige, laat staan van een profeet, door een demon te voorschijn is gehaald, daar wij weten dat Satan zelf zich in een engel des lichts [2: Cor. XI, 14], hoe veel te meer dus in een man des lichts verandert en aan 't einde [der wereld] zich zelfs voor God zal uitgeven [2 Thess. II, 4] en wonderbaarlijkere teekenen zal verrichten, om, zoo mogelijk, de uitverkorenen te verleiden [Matth. XXIV, 24]. Zou hij, zoo ooit, toen geaarzeld hebben, zich voor een profeet Gods uit te geven, vooral tegenover Saul, in wien hij zelf reeds huisde? Meen niet, dat de demon, die het fantoom; deed ontstaan een ander was dan die welke het aanbeval, maar dat dezelfde geest èn in de leugenprofetes, èn in den afvallige gemakkelijk loog, om geloof te vinden, die geest, door wien Saul's schat daar was, waar ook zijn hart was, nl. waar God niet was. En derhalve zag hij ook door middel van dengene, door wien hij geloofde te zullen zien, omdat hij hem geloofde door wien hij zag."

Als men echter het verhaal onbevangen leest, dan blijkt er duidelijk uit dat de bezweerster, maar niet dat Saul de verschijning zag, en evenmin zal een onpartijdig lezer uit het verhaal de conclusie trekken dat de schrijver ervan niet aan de realiteit van Samuël's manifestatie geloofde.

Overigens staat Tertullianus volstrekt niet zoo ongeloovig tegenover openbaringen uit eene andere wereld, als zij slechts door middel van Montanistische profetie tot hem komen. Dit leert ons hetzelfde geschrift (c. 9):

"Er is thans eene zuster bij ons, aan wie de genade der openbaringen is ten deel gevallen, die ze in de kerk, te midden van den Zondagsdienst, door de extase in den geest ontvangt; ze houdt gesprekken met engelen, soms ook met den Heer en ziet en hoort geheimenissen en doorgrondt de harten van sommigen en verstrekt geneesmiddelen aan hen, die er naar verlangen."

Ongeveer in de jaren 230-235 schreef de bisschop Hippolytus zijne "Weerlegging van alle secten", inzonderheid tegen de in IV behandelde Gnostieken gericht, waarin hij echter ook een hoofdstuk afzonderlijk aan de magiërs wijdde. Dit hoofdstuk is blijkbaar ontleend aan een recent populair-wetenschappelijk geschrift over physica en mechanica, waarbij ook de kunstgrepen der goochelaars nader ter sprake kwamen. Wij halen, als bijzonder karakteristieke proef, de verklaring van eene "godenverschijning" aan (IV, 35 vlg.):

"Dat Hecatē in vurige gedaante door de lucht schijnt te ijlen, bewerkt hij [de magiër] door eene kunstgreep als volgt: Hij verstopt een handlanger ergens waar hij het geschikt acht en neemt zijne slachtoffers met zich mee en maakt hen wijs, dat hij hun zal toonen hoe de godin in vurige gestalte door de lucht rijdt. Hij beveelt hun, voor hunne oogen op te passen en, zoodra ze de vlam in de lucht zien, zich te omhullen en op het aangezicht neer te vallen totdat hij zelf hen roept en als hij hun dat heeft uiteengezet, galmt hij in een nacht zonder maneschijn de volgende aanroeping in verzen uit:

Gij, in den Hades, op aard,' in den hemel gehuldigd, o Bombo! Gij, die in driesprongen huist, lichtdragende, nachtelijke zwerfster, Gij, die de duisternis mint en een afkeer hebt van het daglicht, Gij, die in hondengeblaf U vermeit en in moord U verlustigt, Gij, die het slagveld betreedt en de sombere kerkhoflanen, Gij, die belust zijt op bloed en den sterflingen schrik op het lijf jaagt, Gorgo! Mormo! Godin van de maan, gij, rijk aan gestalten, Moogt gij, wij bidden het U, goedgunstig ons offer genaken!

Als hij dit gesproken heeft, ziet men een vuur door de lucht ijlen en de toeschouwers, huiverende voor dien wonderlijken aanblik, omhullen zich de oogen en vallen sprakeloos ter aarde neder. Maar heel het geweldige kunststuk bestaat hierin: De handlanger, die, zooals ik zeide, verstopt is, houdt een wouw of gier vast, met werk omwonden, en steekt hem, zoodra hij hoort dat de bezwering afgeloopen is, in brand en laat hem los. De vogel, door de vlam in de war gebracht, gaat de hoogte in en bespoedigt zijne vlucht, maar die dwazen verbergen zich bij dien aanblik alsof ze iets goddelijks hadden gezien. De vogel, ronddraaiende door den vuurgloed, strijkt neer, waar hij maar kan en doet nu eens huizen dan weer hoven in vlammen opgaan."

Men heeft terecht opgemerkt, dat dit middel, zooals ook andere middelen, die Hippolytus opgeeft, kwalijk ten uitvoer is te brengen. Ook is het juist, dat voor de uitvoering van verschillende kunststukken zelf weer magische middelen benoodigd zijn, voor wier uitwerking niet de ervaring, maar de overlevering borg stond. Maar het meest merkwaardige is wel, dat Hippolytus zelf, ondanks al die mechanische kunstgrepen, ook veel aan demonische invloeden toeschrijft.

Origenes uit Alexandrië (geb. omstreeks 184), de grootste en ongelukkigste van alle oud-Christelijke schrijvers, tijdens zijn leven miskend, na zijn dood verketterd, Origenes, wiens geest vrijwel al het toen weetbare omvatte, heeft ook aan de magie zijne aandacht geschonken.

In zijn werk "Over de principiën", de eerste Christelijke dogmatiek, zegt hij (III, 3,3):

"Wat moet moet men zeggen van hen, die zij [de Grieken] geïnspireerden noemen, door wie tengevolge van de inwerking der demonen, die hen regeeren, antwoorden worden gegeven in verzen volgens de regelen der kunst? Maar ook diegenen, die men magiërs of boosdoeners noemt hebben meer dan eens door aanroeping van demonen knapen van nog teeren leeftijd zich in verzen doen uiten, die aller bewondering en verbazing wekten [z.b. III, in 't begin]. Het is aan te nemen dat dit aldus in zijn werk gaat: Evenals heilige en vlekkelooze zielen, wanneer zij zich met hun geheele hart en in volle reinheid aan God hebben gewijd, en zich vrij hebben gehouden van alle aanraking met demonen en door streng onthouding zich gezuiverd hebben en vervuld zijn van vrome en godsdienstige leeringen, daardoor deel aan het goddelijke verkrijgen en de genade der prophetie en der overige goddelijke gaven verwerven, aldus moet men veronderstellen dat ook diegenen, die de booze machten vat op zich geven, door bedrijf, leefwijze of beoefening van wat hun lief en welgevallig is, de inspiratie van dezen ontvangen en hunne wijsheid en kennis deelachtig worden."

In zijne, van 248 dateerende, verdediging van het Christendom tegen Celsus, komt hij eveneens voor de realiteit der magie op, en wel naar aanleiding van Celsus' bewering, dat het er niets toe doet, of men den hoogsten God Zeus noemt dan wel hem een anderen naam geeft (I, 24).

Met het oog op het feit, dat de toovenaars veel aan zekere namen en eene bepaalde uitspraak daarvan hechten, betoogt Origenes dat "wanneer ook de zoogenaamde magie niet, zooals de aanhangers van Epicurus en Aristoteles [z.b. II] meenen, eene zaak zonder eenige orde of verband is, maar, zooals de er in bedrevenen aantoonen, op vaste regels en grondstellingen berust, die echter slechts aan zeer weinigen bekend zijn", men gerust mag beweren, dat de namen Sabaoth, Adonai e.a., welke bij de Hebreeën met grooten eerbied worden overgeleverd, niet aan het een of andere toeval hun ontstaan te danken hebben, maar op eene zekere geheime godsleer" berusten. De namen der hoogere machten kunnen voor zekere doeleinden worden gebruikt, mits uitgesproken op eene zekere manier en in de taal van dat volk, waarbij ze behooren; de aardsche demonen zijn immers in dier voege over de verschillende landstreken verdeeld dat bijv. sommigen slechts over Egypte, anderen slechts over Perzië macht uitoefenen.

Het volgende dient tot verdere toelichting (25):

"Wie de geheime beteekenis der namen vermag te beredeneeren, zou ook veel kunnen vinden aangaande de benaming der engelen Gods, waarvan de een Michaël, een ander Gabriël, en weer een ander Raphaël heet, overeenkomstig de diensten die zij in 't heelal verrichten volgens den wil van den albeheerschenden God. Tot beschouwingen van soortgelijken aard geeft ook onze Jezus aanleiding, wiens naam alleen reeds duizenden demonen voor aller oogen uit zielen en lichamen heeft verdreven...

Wat de kwestie van de namen betreft, moeten wij nog opmerken, dat diegenen, welke in het gebruik der bezweringen ervaren zijn, beweren, dat dezelfde bezwering, in haar eigenaardigen tongval uitgesproken, ten uitvoer kan brengen wat zij belooft, maar dat ze, omgezet in eene andere taal, welke dan ook, krachteloos blijkt te zijn en niets vermag. Dus is het niet de zakelijke beteekenis der woorden, maar zijn het de hoedanigheden en eigenaardigheden der klanken die in zich de kracht hebben om dit of dat te doen".

Dit slaat blijkbaar op de tooverpapyri, waarin ook de namen van engelen en van Jezus voorkomen. Hier zij nog opgemerkt, dat Michaël beteekent: "Wie is als God?", Gabriël "Man Gods" en Raphaël "God heeft genezen".

Met dat al mogen de "wonderen" der magiërs niet met die van Jezus en de apostelen op eene lijn worden gesteld (I, 68):

"Geen van de toovenaars spoort door hetgeen hij doet, de toeschouwers tot zedelijke verbetering aan, noch onderwijst hij hen, die over de vertooningen versteld staan, in de vreeze Gods, noch proeft hij hen te overreden om zoo te leven, dat zij voor God zullen worden gerechtvaardigd. Niets van dit alles doen de toovenaars, daar zij niet kunnen of niet eens willen of geneigd zijn, om zich te bemoeien met hetgeen tot verbetering der menschen dient, daar zij immers ook zelven vol zijn van de schandelijkste en beruchtste zonden. Maar ligt het niet voor de hand, dat Hij, die door de wonderen die Hij verrichtte, de aanschouwenden tot zedelijke verbetering aanspoorde, zich zelf niet alleen aan zijne eigenlijke discipelen maar ook aan de anderen als voorbeeld van het volmaakte leven toonde?"

Het verschil tusschen de "wonderen" der magiërs en die der Christenen is dus hierin gelegen dat de laatsten eene zedelijke strekking hebben welke aan de tooverij ten eenemale wordt ontzegd. Dat echter ook Origenes bij de beoordeeling der magiërs hier geenszins de noodige objectiviteit in acht neemt, is maar al te duidelijk.

Er is ons van Origenes ook nog eene lezing bewaard gebleven over I Samuël 28, 3--25, d.w.z. over de "toovenares van Endor" (z.b.), waarin hij naast allerlei minder klemmende argumentaties ook blijk geeft van echte wetenschappelijkheid en met de grootste beslistheid de realiteit van Samuël's verschijning handhaaft. Tot hen, die zooals bijv. Tertullianus (z.b.) hier met uitvluchten aankomen als "De satan zelf neemt de gedaante van een engel des lichts aan; geen wonder dus, dat ook zijne dienaren zich voordoen als dienaren der gerechtigheid", richt de geleerdste van alle oude Christenen de nuchtere vraag (c. 4): "Maar wat is het, wat de vrouw zag?"--"Samuël". En waarom luidt het niet: "De vrouw zag een demonisch wezen, dat voorgaf, Samuël te zijn?" Maar er staat geschreven: "Saul herkende Samuël, dat hij het was." Als het niet Samuël was, had er geschreven moeten staan: "En Saul meende dat het Samuël zelfwas." Nu staat er echter geschreven: "Saul herkende", en niemand herkent iets wat niet bestaat." Voorts betoogt Origenes (c. 5 vlg.), dat de woorden, Samuël in den mond gelegd, waarheid bevatten, hetgeen er niet voor pleit dat een demon, maar dat Samuël zelf verschenen is, en tracht hen, die zich ontzetten bij de gedachte dat de heilige Samuël zich in het schimmenrijk zou bevinden (c. 3), gerust te stellen, door uitvoerig te betoogen (c. 6) dat immers Christus zelf, die toch hooger staat dan wie ook der profeten en heiligen, naar het schimmenrijk is neergedaald.

Toen Hiërocles, een hooggeplaatst ambtenaar en, naar verluidt, een medewerker van de "Diocletiaansche" vervolging (z.b.), in zijn tot de Christenen gericht "Waarheidlievend woord" de wonderen van Apollonius van Tyana (vgl. IV begin) boven die van Jezus stelde, werd hij (na 311) bestreden door Eusebius van Caesarea (later de bekende kerkhistoricus), die in een betoog tegen Philostratus' leven van Apollonius scherpe kritiek op de verhalen in quaestie oefent en, voor 't geval ze toch waarheid mochten bevatten, liefst aan de inwerking van booze geesten denkt. Vgl. bijv. de volgende redeneering (c. 31):

"Want dat hij [Apollonius] eene epidemie vooruit gevoelde, zou wel is waar kunnen schijnen niets met tooverij te maken te hebben, indien hij dit, zooals hij zelf verzekerde, aan zijne allersoberste en reine leefwijze te danken had, maar misschien was het hem ook in een onderhoud met een demon van te voren medegedeeld".

Het in-'t-leven-terugroepen van een overleden meisje, wat immers ook aan Apollonius werd toegeschreven (vgl. IV), is blijkbaar door schijndood te verklaren en dus volstrekt geen wonderdaad (t.p.).

In 313 had het groote feit plaats, dat de toestanden in het Romeinsche rijk ingrijpend veranderde: Constantijn en zijn medekeizer Licinius stelden nl. door het tolerantie-edict van Milaan liet Christendom met de andere godsdiensten gelijk. Daar echter de kerk aan andere religies het bestaansrecht ontzegde, waren deze van nu af aan feitelijk in het ongelijk gesteld en ook de magie kwam daarbij in verdrukking, al toonde Constantijn zelf, zooals uit navolgend, in 321 uitgevaardigd besluit[89] blijkt, zich in dit opzicht vrij gematigd:

"De wetenschap diergenen moet gestraft en te recht met de strengste wetten gekastijd worden, van wie men ontdekt, dat zij, gewapend met magische kunsten, iets tegen het leven van menschen ondernomen of kuische gemoederen tot wellust verleid hebben. Geen beschuldigingen echter zijn in te brengen tegen geneesmiddelen, in 't belang van menschelijke lichamen gebruikt, of tegen tooverspreuken, in landelijke streken onschuldiglijk toegepast om bij rijpen wijnoogst zich van vrees voor slagregens of schade door hagelsteenen te vrijwaren, hulpmiddelen waardoor niemands leven of goede naam gevaar loopt, maar wier uitwerking moet dienen om te beletten dat goddelijke gaven en menschelijke arbeid te niet gaan."

Het Neoplatonisme, dat in steeds toenemende mate de verdediging van de oude godsdiensten tegen het Christendom op zich nam, had toenmaals als leider den reeds bovenvermelden Iamblichus. Een geschiedschrijver van omstreeks 400, Eunapius, die zijn leven in korte trekken schetst, verzekert ons dat de gevierde wijsgeer de magie practisch beoefende. Wij wenschen hieromtrent den lezer nader in te lichten.[90]

De leerlingen van Iamblichus, wien hij een bewijs had gegeven van zijne supranormale gave, wenschten gaarne iets grooters te ervaren en hij antwoordde hun, dat dit niet van hem zelf, maar van het juiste tijdstip afhing. Toen ze zich nu eenigen tijd daarna, in het mooie seizoen, naar Gadara hadden begeven, eene Syrische stad, die om hare warme bronnen beroemd was, kwamen zij nogmaals met hetzelfde verzoek tot hem:

"Glimlachende zeide Iamblichus: "Het is wel is waar niet overeenkomstig den ritus, dit te toonen, maar om Uwentwille zal het geschieden." Hij beval zijnen begeleiders, van de inboorlingen te vernemen, hoe twee van de warme bronnen, die wel kleiner, maar liefelijker dan de anderen waren, van oudsher genoemd werden. Nadat zij aan zijne opdracht hadden voldaan, zeiden zij: "Het is volstrekt geen geheim: deze hier heet Eros [liefde] en deze in de nabijheid heeft den naam van Anteros [wederliefde]," Hij echter raakte terstond het water aan (want hij zat juist op den rand, waarover heen de stroom zich uitstortte), voegde er eene korte spreuk aan toe en riep van onder uit de bron een knaap te voorschijn. De knaap was blank van huidkleur en van tamelijke grootte; zijne goudachtige haren omglansden zijn rug en borst en over 't geheel leek hij op iemand, die zich baadde of gebaad had. Verbazing beving de vrienden, hij echter zeide: "Laten wij naar de bron hier naast gaan" en hij ging hun voor, in gepeins verzonken. Nadat hij ook daar dezelfde handeling had voltrokken, riep hij den anderen Eros te voorschijn, aan den vorige in alles gelijk, behalve dat zijne haren donkerder en met lichtblond gemengd neerstroomden. Beide knapen omhelsden hem en leunden tegen hem aan alsof hij hun eigen vader was. Hij echter gaf ze aan hunne eigen verblijven terug en ging, na zich gebaad te hebben, heen, terwijl de vrienden van; ontzag vervuld waren."

Eunapius verzekert hierbij zegslieden te volgen, "die aan andere dingen geen geloof schonken, maar voor de waarneming van het aanschouwde moesten bukken."