Magie bij de Grieken en de Romeinen

Part 10

Chapter 10 3,741 words Public domain Markdown

"Kom herwaarts tot mij ... o gij allesbeheerschende god, die de menschen den adem tot leven hebt ingeblazen, heer van wat in de wereld schoon is, verhoor mij, Heer, wiens verborgen naam niet is uit te spreken, de naam, op het hooren waarvan de demonen wegduiken ..., de naam, op het hooren waarvan de aarde draait, de onderwereld in opschudding geraakt, de rivieren, de zee, de poelen, de bronnen verstijven, de rotsen scheuren! ... Gij zijt de goede geest, gij zijt de heer, die alles verwekt en voedt en doet toenemen. Wie vormde de gedaanten der dieren, wie vond de wegen, wie is de schepper der vruchten, wie wekt de bergen ten hoogen op, wie beval de winden hun jaarlijksch werk te verrichten? ... Gij zijt de ééne onsterfelijke god, verwekker van alles en gij deelt aan alle dingen zielen toe en beheerscht alles, koning der tijdperken en heer! En de bergen beven met de vlakten en de stroomen van bronnen en rivieren en de diepten der aarde ... de hoogblinkende hemel beeft voor U en de geheele zee, o Heer! Albeheerscher, heilige en heer van allen, door Uwe macht bestaan de elementen en groeit alles!"

Maar het komt, o.m. in diezelfde bezwering[78], ook voor, dat de magiër zich met de goden vereenzelvigt:

"Ik ben het geloof, uitgestort over de menschen, en de profeet der heilige namen, de heilige, die gegroeid is uit de diepte, ik ben de heerscher die gegroeid is uit den heiligen god, ik ben de god, dien niemand ziet, noch roekeloos noemt, ik ben de heilige vogel Phenix, ik ben de heerscher, de heilige, bijgenaamd Marmauoth, ik ben de zon, die het licht heeft vertoond, ik ben Aphroditē, bijgenaamd Typhi, ik ben de heilige bestuurder der winden ik ben Kronos die het licht heeft getoond, ik ben de moeder der goden die genoemd wordt hemel, ik ben Osiris die genoemd wordt het water, ik ben Isis, die genoemd wordt de dauw, ik ben Esenephus die genoemd wordt lente, ik ben het beeld, voor de in waarheid bestaande beelden, in de gelijkenis van een krokodil, ik ben Suchos."

Terloops zij opgemerkt, dat in sommige streken van Egypte de krokodil, Souchos (Sebak) geheeten, goddelijke eerbewijzen genoot, zooals nu nog in den Indischen archipel hier en daar het geval is.

Vereenzelviging met de godheid komt vaak voor, ook in het Nieuwe Testament. In den brief aan de Galaten, II, 20 verklaart de apostel "niet ik meer leef, maar Christus leeft in mij". En zeer sterk komt dit uit in de zg. Oden van Salomo (waarschijnlijk uit de tweede eeuw dateerende). Daar toch zegt de dichter in VII, 3 van Christus:

"Hij nam mijn wezen aan, opdat ik Hem zou begrijpen, en mijn gestalte, opdat ik mij niet van Hem zou afwenden." En in XVII luidt het:

7. En Hij, die mij kende en mij opvoedde is de Allerhoogste in al zijne volmaaktheid. En hij verheerlijkte mij door zijne goedertierenheid en verhoogde mijn verstand tot de hoogte der waarheid.

8. En vandaar gaf Hij mij het pad zijner voetsporen. En ik opende de poorten, die gesloten waren.

9. En ik rukte ijzeren grendels af en het ijzer ontgloeide en vloeide en versmolt voor mij.

10. En niets vertoonde zich voor mij gesloten: Want ik was de opening van alles.

11. En ik ging tot al mijne gebondenen om hen los te maken,

Om geen over te laten gebonden of bindende.

12. En ik gaf mijne kennis mildelijk en mijn gebed in mijne liefde.

13. En ik zaaide mijne vruchten in de harten en veranderde hen in mijzelven.

En zij ontvingen mijn zegen en leefden.

14. En zij vergaderde zich bij mij en werden verlost,

Want zij waren mij tot ledematen en ik hun hoofd."

De godsdienst gaat hier in mystiek over. Het is dus zake, kortelijk ook op de mystiek onze aandacht te vestigen.

Mystiek in den meest volstrekten zin is het streven, om boven het denken uit, zich met het allerhoogste (het goddelijke) te vereenzelvigen. Dit streven vinden wij o.m. ook bij de Neoplatonici, inzonderheid bij Plotinus. Hij toch verkondigt een monisme (eenheidsleer) in den meest strengen zin des woords, d.w.z. hij wil alles tot één hoogste eenheid herleiden. Die eenheid is voor hem God, van wien echter, strikt genomen, niets te praediceeren valt; ook de uitdrukking "één" is in _dezen_ niet anders dan het gebrekkig stamelen van de hier te kort schietende menschentaal. God gaat ook boven het denken uit, want denken, hoe eenvoudig ook, veronderstelt althans eene tweeheid, nl, iets dat denkt en iets dat gedacht wordt; God echter is, als men iets van hem mag praediceeren, het meest volstrekte Eén. Zooals van zelf spreekt, is het ons doel, om ons tot God te verheffen. Dit moeten wij bereiken door ons van de hartstochten los te maken, door ons te oefenen in het "zuivere" denken, door eindelijk, van alles te abstraheeren. Dan eerst kan het ons, in _zeldzame_ oogenblikken,--Plotinus zou het in zes jaren vier keer hebben gehad[79]--te beurt vallen, om boven het denken uit, tot eenwording te geraken met het Ééne. Dit is de unio mystica, de mystieke eenwording, zooals men het in de middeleeuwen noemde bij de Oosterlingen is zij in het zg. sufisme het einddoel der geloovigen en speelt een groote rol in de Perzische litteratuur.

Keeren wij tot de magie terug, dan blijkt ten duidelijkste, hoe zeer zij van de mystiek verschilt. Voor den mysticus immers is de éénwording met het goddelijke iets lijdelijks; de magiër daarentegen geeft zich voor een god uit, om aan zijne woorden kracht tot handeling bij te zetten. Ja, hij durft zelfs, als zijnde gelijk aan de goden, de zwaarste dreigementen tegen hen uit te spreken:

"Als ge niet naar mij hoort, zal de zonnekring neerbranden en er zal duisternis zijn over de geheele bewoonde aarde en de tor [Egyptisch symbool voor de zon] zal worden uitgedoofd, totdat gij me doen zult alles wat ik schrijf of zeg, zonder overtreding"[80].

Een ander zeer kenschetsend staaltje van soortgelijke dreigementen vindt men op eene zg. vervloekingstaf el, uit Hadrumetum (in Tunis) afkomstig. De magiër toch roept, aan het slot van zijne bezwering, na zijne wenschen te hebben kenbaar gemaakt, uit: "Zoo niet, dan zal ik in de heiligdommen van Osiris neerdalen en zijn graf verwoesten en door den stroom laten meevoeren, want ik ben de groote decaan van den grooten god Achrammachalala". De decanen waren demonen van hoogen rang, aan wie de bewaking van Osiris' gebeente was toevertrouwd; door zich met hun hoofd te vereenzelvigen, wil de magiër te kennen geven, dat zijne dreigementen niet ijdel zullen zijn.

Die bedreigingen, tegen de goden gericht, wekten bij menigeen groote verontwaardiging op en zijn dan ook een der hoofdpunten in de meest diepgaande polemiek, die toenmaals is gevoerd over de magie en wat er mee samenhangt. Porphyrius toch, de bovenvermelde leerling van Plotinus, had in zijn "Brief aan [den priester] Anebo" allerlei vragen opgeworpen, inzonderheid aangaande de hoogere magie, en ronduit verklaard, dat hij met de moeilijkheden, die zich daarbij aan zijn geest voordeden, niet goed raad wist. Er kwam een antwoord, op naam van den "Leermeester Abammon". Abammon is echter (zooals blijkbaar ook Anebo) een gefingeerde naam waarachter, naar o.i. niet meer te betwijfelen valt, zich de Syriër lamblichus verbergt, een discipel van Porphyrius zelf. De titel, dien men aan dit boek gewoonlijk geeft, luidt: "Over de mysteriën".

Hooren wij nu Porphyrius' bezwaar tegen de magische dreigementen (c. 30 vlg.):

"Nog veel onredelijker is het échter, dat een mensch, die aan het toeval onderworpen is, niet slechts een demon, als het zoo uitkomt, of de ziel van een overledene, maar koning Helios [de zon] zelf of de Maangodin of een ander der hemelgoden met dreigementen schrik aanjaagt en liegt, opdat zij de waarheid zullen spreken. Want te zeggen, dat hij 'den hemel zal verbrijzelen en de geheimen van Isis zal blootleggen en het in Aby-' dos [in Egypte] verborgene zal toonen en de bark [waarop naar het Egyptisch geloof, de zonnegod het hemelruim omzeilt] zal doen stilstaan en de ledematen van Osiris voor Typhon zal uitstrooien--is er eene grootere geestesverbijstering denkbaar, dan te dreigen met hetgeen men noch zag, noch vermag, of eene meer vernederende vreesachtigheid dan om net evenals onnadenkende kinderen, voor zóó ijdele schrikbeelden en verzinsels bang te zijn?"

Het antwoord hierop luidt (VI, 5 vlg.):

"Met al dit soort van tooverspreuken bedreigen de menschen niet, zooals gij meent, de zon of de maan of den een of ander der hemelgoden (want dan zouden er nog grooter absurditeiten geschieden dan waarover gij uwen onwil betuigt), maar, zooals ik in 't voorafgaande zeide, een geslacht van in den kosmos verspreide krachten, dat geen geest des onderscheids of rede bezit, dat van een ander rede ontvangt en naar hem luistert, maar geen eigen inzicht heeft, noch het ware van het leugenachtige of het mogelijke van het onmogelijke onderscheidt. Dit geslacht wordt door het uitstooten van opeengehoopte dreigementen in beweging en tot verbijstering gebracht, daar het immers in zijn aard ligt, zelf gedreven te worden door krachtuitspraken en anderen mee te sleuren door zijne eigen verbijsterde en onbestendige verbeelding.

Maar dit heeft ook nog eene andere reden en wel als volgt. De theürg [hoogere magiër] gebiedt de kosmische machten door de kracht der geheimenissen niet meer als mensch of zich van eene menschelijke ziel bedienende, maar als in de rij der goden uitstekende gebruikt hij grootere dreigementen dan met zijn eigen wezen overeenstemt, niet als of hij alles zou doen, wat hij verzekert, maar bij een diergelijk gebruik van formules toonende hoe groot en van welken aard de kracht is, die hij bezit door zijne eenheid met de goden, welke de kennis der verborgene symbolen hem heeft verschaft".

Die symbolen bestonden uit allerlei zinspelingen op de mythologie, uit figuren, voorwerpen, uitheemsche namen en zonderlinge letterverbindingen, waarvan immers de gnostieke geschriften; (z.b. IV) en de tooverpapyri wemelen. En wanneer de symbolieke beteekenis van die woorden en klankverbindingen voor ons onbegrijpelijk is,| dan is dit, volgens Iamblichus (VII, 4) "juist het meest aanbiddenswaardige er aan; ze is immers te verheven, dan dat ze voor ons denken zou kunnen worden ontleed", vgl. ook de volgend uitspraak(II, 11): "Zoowel eene de godenwaardige voltrekking van de geheime en alle denken te boven gaande handelingen als de macht van de onuitsprekelijke en door de goden alleen begrepene symbolen geeft ons de theürgische één wording".

Aangaande die dreigementen verdient nog het volgende uit Iamblichus (VI, 7) onze aandacht:

"De demonen houden de wacht over de onuitsprekelijke mysteriën juist daarom zoo nauwgezet, omdat daardoor voornamelijk de orde in 't heelal wordt bewaard. Want daarom blijven de deelen van het Al in rij en orde, omdat de weldadige macht van Osiris zuiver en onbevlekt blijft en zich niet vermengt met de aan haar tegenovergestelde disharmonie en verwarring. Het leven van alle dingen blijft rein en onbedorven, omdat de verborgene en levenbarende en redelijke schoonheid van Isis niet in het verschijnende en zichtbare lichaam neerdaalt. In eeuwige beweging en in eeuwige wording blijft alles, omdat de loop der zon nooit stilstaat, volmaakt en zuiver blijft alles, omdat de verborgenheden in Abydos nooit worden onthuld. Waaraan nu het universum zijn behoud te danken heeft (ik bedoel aan het feit dat de geheimen altijd verborgen bewaard worden en dat het onuitsprekelijke wezen der goden nooit het tegenovergestelde lot ondergaat), daarvan kunnen de aardsche demonen niet eens hooren, dat het ooit anders zou zijn of geprofaneerd zou worden en daarom heeft eene zoodanige wijze van bezweren eenige macht over hen".

Wij komen op Iamblichus, die meer tot de vierde eeuw en tot eene andere denkrichting behoort, later terug.

Dat ook de belletrie sterk in het teeken der magie stond, blijkt o.m. uit Heliodorus' "Aethiopische verhalen", een roman die zoowel door fijne compositie als door fraaie beschrijvingen uitmunt en waaraan nog in latere tijden beroemde auteurs veel hebben ontleend. In dezen roman, die naar alle waarschijnlijkheid uit de laatste decenniën van de derde eeuw dagteekent, wordt o.m. het leven van een Isispriester, Calasiris, uitvoerig beschreven en daardoor als 't ware eene encyclopaedie van het magische gegeven. Het belangrijkste daarvan is wel de passage, waar Calasiris het onderscheid tusschen de "echte" en de "valsche" wijsheid der Egyptenaren uiteenzet (III, 16):

"De eene is vulgair en wandelt, om het zoo uit te drukken, laag op den grond, dient de spoken en geeft zich met doode lichamen af, kleeft aan kruiden en hecht aan bezweringen; haar einddoel is nooit iets goeds, noch voor haar zelve, noch voor hen, die zich van haar bedienen; meestal faalt ze in hare pogingen, en brengt ze iets tot stand, dan is het nog maar iets akeligs en armzaligs; ze laat dingen zien, waarvan in werkelijkheid niets bestaat; ze stelt verwachtingen te leur, is de uitvindster van ongeoorloofde practijken en dienares van onbeteugelde lusten; de andere daarentegen, de ware wijsheid, wier naam deze basterd zich valschelijk toeëigent, die wij priesters en profeten van jongsaf beoefenen, ziet omhoog ten hemel, heeft omgang met de goden en deel aan de natuur der machtigere wezens; ze speurt de bewegingen der sterren op en heeft tot winst de voorkennis der toekomst."

Zie hier dan het verschil tusschen "goëtie" en "theürgie" of "zwarte" en "witte" magie, zooals men het nu gewoon is te noemen. Maar het verschil ligt ten slotte meer in de bedoelingen dan in de handelingen zelf, en ook wat de bedoelingen aangaat, wordt het verschil niet altijd streng in acht genomen, daar immers Calasiris zelf herhaaldelijk verzekert (II, 33, IV, 7 en 14) door medehulp van demonen liefde op te wekken.

Bijzonder merkwaardig is in de aangehaalde passage de zinsnede, dat de lagere magie "dingen laat zien, waarvan in werkelijkheid niets bestaat." Dit wordt meer vermeld. Zoo sprak bijv. Celsus, in zijne bestrijding van 't Christendom (± 178) o.a. van lieden, die van de Egyptenaren de kunst hadden geleerd om o.m. "kostbare maaltijden en tafels met gebak en dessert te toonen, waarvan in werkelijkheid niets voorhanden is".[81] In een zekeren magischen papyrus wordt die illusie aan de tooverkracht van een geest toegeschreven: op eene wel is waar bedorvene, maar toch wat den zin betreft, duidelijke plaats, luidt het nl.: "en indien gij een maaltijd wilt aanrichten, zeg: iedere ruimte zooals het behoort ... snel en onmiddellijk, terstond ... huizen met gouden daken, muren ... glinsterende ... gij zult dit ook zien: men houdt het voor werkelijk, maar het is slechts voor het aanschouwen".[82] In een zeker Christelijk geschrift, welks auteur ons niet bekend is, worden de wonderen welke de Egyptische toovenaars tegenover de wonderen van Mozes en Aäron stelden (vgl. Exodus VII, 11, 12, 22 en VIII, 7), tot diergelijke illusies herleid: "De wonderen, door Mozes verricht, bewerkten, daar zij door middel van de goddelijke kracht geschiedden, eene reëele verandering van het voorwerp in datgene, wat tot stand kwam; de wonderen, door de bezweerders verricht, geschiedden door de kracht der demonen, die de oogen der toeschouwers in dier voege betooverden, dat ze wat geen slang was, als eene slang, wat geen bloed was, als bloed, en wat geen kikvorschen waren, als kikvorschen zagen".[83] Eene andere, realistische verklaring van deze magische vertooningen, zullen wij later ter sprake brengen.

Wij wenschen hier nog een fragment uit de beschrijving van eene doodenbezwering aan toe te voegen (VI, 14):

Calasiris en eene reisgenoote van hem zijn op een avond "terwijl de maan juist opkwam en met helder licht alles bestraalde", getuigen van een tooneel "wel is waar niet onschuldig, maar bij de Egyptische vrouwen gebruikelijk." Eene oude vrouw nl., "in de meening van een oogenblik te hebben, waarop ze niet gestoord en bespied werd, groef eerst een kuil, stak vervolgens een brandstapel aan den buitenkant ervan in brand en legde midden tusschen beide het lijk van haar zoon; ze nam een aarden mengvat van een drievoet er naast, goot honig in den kuil en wederom uit een ander vat melk en plengde wijn uit een derde. Voorts wierp ze een klomp van deeg en vet, tot het beeld van een man gevormd en met laurier en venkel bekransd, in de groeve. Hierna greep ze een zwaard en na zich in extase te hebben gebracht, riep ze de maangodin met vele barbaarsche en vreemd klinkende namen aan, sneed zich in den arm, veegde met een lauriertak zich het bloed af en besprenkelde den brandstapel; ze deed nog andere wonderbaarlijke dingen, bukte zich eindelijk over het lijk van haar kind, fluisterde hem eene bezwering in 't oor, deed hem ontwaken en noodzaakte hem door hare tooverkunsten recht op te staan."

Niet echter wijsgeeren en schrijvers alleen, maar ook keizers waren de magie toegedaan.

Caracalla (211-217), die de Isisreligie met den oud-Romeinschen eeredienst gelijk stelde, en ter eere van Apollonius van Tyana een heiligdom oprichtte[84], liet overal vandaan magiërs ontbieden en trachtte door middel van doodenbezwering te weten te komen welk een einde hem wachtte en of iemand een aanslag op de heerschappij beraamde.[85] Heliogabalus (218-222), een vurig vereerder van Cybele (z.b. IV), bediende zich ten allen tijde van "duizenden" amuletten en liet, naar verzekerd wordt, door toovenaars geheime offers van knapen uit de hoogste standen brengen, ten einde uit hunne ingewanden de toekomst te kunnen voorspellen[86]; een onzer bekendste romanciers heeft dit op artistiek-griezelige wijze beschreven.

Naar aanleiding van deze laatste beschuldiging, die, zooals (in III) bleek en nog blijken zal, ook tegen anderen is gericht, zij hier opgemerkt, dat voorzoover wij weten, de tooverpapyri, d.w.z. de officiëele bescheiden omtrent de magie, slechts in twee (reeds in III en in dit hoofdstuk vermelde) passages, die bovendien parallelplaatsen zijn, van menschenoffers melding maken en dan nog wel met afkeuring. Men kan gerust aannemen, dat althans in het Romeinsche keizerrijk niet dan bij hooge uitzondering menschen ter wille van magische doeleinden zijn gedood. De geheimzinnigheid, waarmede de toovenaars--zooals trouwens ook de Christenen--zekere handelingen verrichtten, was geen gegronde reden, om daarbij aan het ergste te denken. Het meeste bloed werd ook toen ter tijd in 't openbaar vergoten.

Alexander Severus (222-235), zachtzinnig en verdraagzaam, had in zijne huiskapel naast de beeltenissen van Orpheus en Christus ook die van Apollonius.[87] Aurelianus (270-275), een der grootste keizers, evenzeer uitmuntende in 't oorlogvoeren als in 't landsbestuur, liet zich door eene verschijning van Apollonius weerhouden om diens vaderstad te verwoesten en beloofde hem standbeelden en een tempel op te richten.[88] Daarentegen vaardigde de achterdochtige Diocletianus (284-305), aan wiens naam de wreedste van alle Christenvervolgingen in 't Romeinsche rijk verbonden is, ook strenge bepalingen tegen de magie uit.

Wij gaan nu tot de Christenen over, om hunne houding tegenover de magie nader te bepalen.

Tertullianus uit Afrika (±155-±220), een der vernuftigste en zeggingskrachtigste, maar tevens ook een der bekrompenste en onverdraagzaamste voorvechters die het Christendom ooit heeft gehad, hield de magie voor eene mixtuur van goochelarij en duivelswerk.

Allerkarakteristiekst is de volgende, overigens niet gemakkelijk te vertalen passage uit zijn "Verweerschrift" (197), waarin hij (c. 23) naar aanleiding van de "wonderen" der goden uitroept:

"Indien voorts ook de magiërs fantomen te voorschijn roepen en de zielen van reeds afgestorvenen schandaliseeren, indien zij knapen tot het uitspreken van orakelen nopen[?], indien zij door middel van goocheltoeren vele wonderen schijnen te verrichten, indien zij ook droomen zenden, daar zij de eens voor al aangeroepene macht van engelen en demonen tot bijstand hebben, door welke ook geiten en tafels gewoon zijn geraakt te voorspellen, hoe veel meer zal die macht [nl. de demonen] naar eigen verkiezing en tot haar eigen voordeel met alle kracht trachten te volbrengen, wat ze in eens anders belang [nl. dat van den magiër] doet?"

Van geiten bij de wichelarij is ook elders sprake, vgl. bijv. Diodorus uit Sicilië, een geschiedschrijver ten tijde van keizer Augustus, (XVI, 26): "Men zegt dat oudtijds geiten het orakel [te Delphi] hebben ontdekt, en om die reden bedienen de Delphiërs zich tot nu toe meestal van geiten om godspraken te verkrijgen". En wat de voorspellende tafels betreft, zullen wij in het verder verloop van dit hoofdstuk een hoogst interessant geval hiervan vermelden.

Uitvoerig behandelt Tertullianus de doodenbezwering in zijn geschrift: "De ziel", de eerste proeve van eene Christelijke psychologie, overigens reeds dateerende uit den tijd, toen hij met de secte der zg. Montanisten, ultra-rigoristische dwepers, sympathiseerde en met de kerk op gespannen voet stond (na 202/3).

Het gaat hier in de eerste plaats om de oproeping van ontijdig gestorvenen of gewelddadig omgekomenen, waarvan immers, zooals wij boven gezien hebben, in de tooverpapyri herhaaldelijk sprake is. Tertullianus wil van eene werkelijke verschijning der afgestorvenen niets weten en verklaart (c. 57) de magie "zooals bijna allen"(!) ronduit voor "bedrog". "De aard en wijze echter van dit bedrog ontgaat alleen den Christenen niet". En hoe gaat dit dan in zijn werk? "Wel is waar worden de ontijdig gestorvenen en gewelddadig omgekomenen aangeroepen, op grond van het schijnbaar geloofwaardige argument, dat die zielen, welke een wreed en ontijdig uiteinde door geweld en onrecht aan het leven ontrukte, bij wijze van wedervergelding het meest tot het plegen van geweld en onrecht geneigd zouden zijn. Maar het zijn demonen, die onder hun schijn werken en nog wel het meest diegenen, die in hen huisden toen zij nog leefden en die hen tot zulk een uiteinde brachten. Want wij nemen aan, dat zoowat geen mensch zonder demon is en aan velen is het bekend, dat door toedoen der demonen ontijdige en afgrijselijke sterfgevallen worden bewerkt.... Ook dit bedrog van den boozen geest die onder het voorkomen van de overledenen schuilt, toonen wij, als ik mij niet vergis, ook door de feiten aan, omdat hij bij de exorcismen zich soms voor een der ouders van zijn slachtoffer [t.w. den bezetene] uitgeeft, soms voor een gladiator, of een dierenvechter, zooals ook bij andere gelegenheden voor een god, op niets meer bedacht dan om juist dat uit te schakelen, wat wij verkondigen, dat nl, alle zielen naar de onderwereld worden gedreven; het geloof aan het oordeel en de wederopstanding wil hij aan 't wankelen brengen. En toch erkent die demon, nadat hij de aanwezigen heeft getracht te misleiden, ten slotte door den aandrang der goddelijke genade overwonnen, zijns ondanks de waarheid".

Dit laatste slaat op de bedoelde exorcismen, d.w.z. bezweringen om "booze" geesten uit de bezetenen te bannen (z.b. III), eene practijk, voornamelijk door de Christenen uitgeoefend. Het tot zwijgen brengen van den "boozen" geest werd dan voor een bewijs van de waarheid der Christelijke leer gehouden. Maar hooren wij Tertullianus verder: