# Magie bij de Grieken en de Romeinen

## Part 1

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/magie-bij-de-grieken-en-de-romeinen-15215/index.md

Produced by Miranda van de Heijning, Frank van Drogen and the Online Distributed Proofreading Team.

VOLKSUNIVERSITEITS BIBLIOTHEEK

onder redactie van de Vereeniging "V.U.B."

Prof. Dr. J. DE ZWAAN, Groningen, _Voorzitter_; Prof. Dr. Ph. KOHNSTAMM, Amsterdam, _Ondervoorzitter_; Dr. N. ADRIANI; Prof. Mr. D. VAN BLOM; Prof. Dr. J. BOEKE; Prof. Dr. H. BOLKESTEIN; Prof. Dr. F.J.J. BUYTENDIJK; RADEN Dr. HOESEIN DJAJADININGRAT; H.J.G. JANSSEN VAN RAAY; Prof. Mr. J. VAN KAN; Prof. Dr. J.W. PONT; Prof. Mr. N.W. POSTHUMUS; Prof. Dr. A.H.M.J. VAN ROOY; Prof. Dr. C. SNOUCK HURGRONJE; IR. J.A.G. VAN DER STEUR; Dr. H.H. ZEIJLSTRA Fzn., Deventer, _Secretaris_.

7

HAARLEM DE ERVEN F. BOHN 1921

DE MAGIE BIJ DE GRIEKEN EN ROMEINEN

DOOR

Dr. K.H.E. DE JONG, Privaat-docent aan de Rijks-Universiteit te Leiden.

HAARLEM DE ERVEN F. BOHN 1921

* * * * *

_VOORREDE_.

_De magie is in wezen handelen, actief optreden bij uitnemendheid en wel met behulp van wonderbaarlijke of wonderbaarlijk werkende middelen, zij doet blijken dat de mensch krachten bezit, die buiten het bereik van de algemeen erkende zintuigen vallen; zij leidt tot de overtuiging dat onze ziel den "dood" overleeft en dat er nog andere intelligenties zonder cellichamen bestaan. Wat de religie betreft, deze onderscheidt zich van de magie hoofdzakelijk daarin, dat zij tegenover de "hoogere" machten uitteraard eene passieve houding aanneemt, een onderscheid, dat zich echter niet streng laat doorvoeren, zooals bijv. het gebed in vele gevallen beslist een actief karakter draagt. De mantiek, d.w.z. het om raad vragen en uitvorschen van de toekomst buiten de rede om, wijkt eveneens door haar passief karakter van de magie af, maar ook hier is de grens niet scherp te trekken, daar immers de magie vaak ter wille van de wichelarij wordt beoefend.

Wij vatten voorts de magie meer in individueelen zin op en roeren daarom bijv. de zg. mysteriën, die immers in den grond der zaak officiëele magie waren, niet dan bij uitzondering aan. Bij de indeeling van de gegeven stof laten wij ons door historische gezichtspunten leiden. Hoofdstuk I behandelt den tijd tot ± 450 v. Chr., het tijdperk van het naïeve geloof, hoofdstuk II den tijd van ± 450 v. Chr.--± 100 v. Chr., waarin het ongeloof bovendrijft, hoofdstuk III den tijd van ± 100 v. Chr.--± 50 n. Chr., waarin de kentering intreedt en het ongeloof terugwijkt; hoofdstuk IV den tijd van ± 50 n. Chr.--± 200 n. Chr., waarin de nederlaag der ongeloovigen niet meer te loochenen valt, en hoofdstuk V de laatste eeuwen der oudheid, ± 200_± 500 n. Chr., waarin het geloof door de wijsbegeerte wordt gerechtvaardigd_.

_Hypothesen wantrouwende bepalen wij ons er hoofdzakelijk toe den lezer met de bronnen zelve in kennis te stellen. Wij hebben daarom getracht de citaten, hoe moeilijk, ja zelfs raadselachtig deze vaak zijn, zoo nauwkeurig mogelijk te vertalen. Ook hierbij hebben wij, zooals van zelf spreekt, ons den arbeid onzer voorgangers ten nutte gemaakt. In de vertaalde teksten staan onze eigene toelichtingen tusschen [ ]._

_Het is mij eene aangename plicht, in de eerste plaats Prof. Dr. J. de Zwaan, en verder Dr. C. Brakman en den Heer W. C. Cape, voor de nuttige wenken, die ik van hen ontving, mijn hartelijken dank te betuigen_.

_Den Haag. K. H. E. de Jong_.

* * * * *

INHOUD.

Blz.

Voorrede ............................................................ V

Inleiding............................................................ 1

I. Het naïeve geloof................................................ 7

II. Het bovendrijvende ongeloof..................................... 19

III. Kentering...................................................... 48

IV. Nederlaag der ongeloovigen...................................... 80

V. Het geloof gerechtvaardigd door de wijsbegeerte.................. 136

Slotwoord........................................................... 242

Register............................................................ 245

Addenda............................................................. 247

* * * * *

INLEIDING.

De magie hangt samen uit allerlei bestanddeelen, die het uiterst moeilijk is, uit elkaar te halen, te meer, daar zij immers vaak met de wichelarij, die wij zooveel mogelijk uitschakelen, dooreen is geward. Toch laten zich enkele onderscheidingen van principiëelen aard maken. Het staat bijv. vast, dat tal van tooverpractijken overleefsels (survivals) zijn, die het nageslacht in toepassing brengt zonder den waren zin ervan te begrijpen. Als wij, zooals immers vaak geschiedt, iets "afkloppen", dan denken wij er niet bij, dat dit kloppen oorspronkelijk de bedoeling had, om afgunstige en gevaarlijke geesten of demonen op de vlucht te drijven. Vaak maakten die overleefsels vroeger deel uit van de eene of andere religie, zooals o.m. de doodenbezwering, die ook in de classieke oudheid voorkwam, op een vroeger tijdperk van doodenvereering duidt. Dikwijls echter klampt de tooverij zich ook aan een nog bestaanden godsdienst vast en zijn nog heerschende religieuze plechtigheden in wezen magisch. Wie bijv. eene hostie bij zich draagt, om zich daardoor voor gevaren te beschermen, drijft tooverij met een bestaand cultusvoorwerp, en de consecratie zelf, waardoor, volgens de kerkleer, de substantie van het brood in de substantie van het lichaam des Heeren verandert, is, uit een oogpunt van godsdienstgeschiedenis, magie. Vaak echter hebben magische handelingen niets met eene ondergegane of bestaande religie te maken en dienen zij slechts om verbazing te wekken, ja, om er geld uit te slaan. Men denke bijv. aan de publieke vertooningen van "telepathie", zooals ze onlangs ten onzent de grootste belangstelling wekten, vertooningen die overigens met telepathie in den strengen zin van het woord niets te maken hebben. En zoo ontbrak het ook in de oudheid niet aan "toovenaars", die op de markt aan nieuwsgierige toeschouwers voor "weinige stuivers" hunne kunststukjes lieten zien.

Wat de opvattingen betreft, die men in de oudheid van de magie had, ligt het voor de hand, dat men, afgaande op de laatst vermelde practijken, haar veelal als eene soort bedrog, hetzij van groven, hetzij van meer verfijnden aard beschouwde. Waar dit niet opging, maakten de ongeloovigen zich liefst met het een of andere groote woord er van af, als bijv. "deisidaimonie", en "superstitie", beide vrijwel equivalenten van de ten onzent geliefkoosde uitdrukking "bijgeloof". Diegenen echter, die de magie als iets supranormaals beschouwden, stelden zich meestal tevreden met een onderscheid te maken tusschen de magie in ongunstigen en in gunstigen zin, waarbij men de eerste meer bepaaldelijk goëtie, en de laatste sinds de tweede eeuw na Chr. bij voorkeur theürgie noemde. Het lag echter in den aard der zaak, dat dit onderscheid niet altijd streng in acht werd genomen. De doodenbezwering bijv., ging voor ongeoorloofd of voor geoorloofd door naar gelang men zich hierbij van afkeerwekkende of van onaanstootelijke middelen bediende. Denkers, die zich niet met een diergelijk op ethische gronden berustend onderscheid vergenoegden, legden bij hunne pogingen om de magie te verklaren, den nadruk hetzij meer op het bestaan van geheimzinnige krachten in de menschen en in den kosmos, hetzij meer op de inwerking van bovenmenschelijke wezens.

In onzen tijd heeft de poging om het alom voorkomende verschijnsel der magie te verklaren, tot diep gaande en ingewikkelde theorieën aanleiding gegeven. Dat met enkel bedrog, hoewel bedrog op dit gebied ongetwijfeld eene groote rol speelt, zich op lange na niet alles laat verklaren, is zeker, en ook, dat men met groote, maar, alles wel beschouwd, zinledige woorden als "bijgeloof" evenmin verder komt. Men beschouwt de magie thans hoofdzakelijk als het onvermijdelijke resultaat van het nog onlogische en niet wetenschappelijk geschoolde denken der primitieve volkeren, terwijl men haar ook wel eens opvat als eene reactie tegen een "hoog" religieus standpunt, reeds in overoude tijden ingenomen. Verder zijn het thans voornamelijk twee theorieën, die elkaar den voorrang betwisten. In de eerste plaats de "animistische", volgens welke er ook buiten de menschheid om "zielen" of "geesten" bestaan, zelfs in voorwerpen, die wij heden ten dage als levenloos beschouwen. Hierbij valt de nadruk op het onloochenbaar verband tusschen het geloof aan "geesten" of "zielen" en tooverij. Daarentegen vestigt de "praeanimistische" theorie de aandacht op het wijd verspreide geloof van eene niet-individueele "levenskracht" door welke de tooverij wordt verondersteld te geschieden. De aanhangers dezer theorie beroepen zich te recht op het feit, dat bij vele magische handelingen niet aan den bijstand of zelfs het bestaan van "geesten" of "zielen" wordt gedacht. Beide theorieën sluiten elkaar echter volstrekt niet uit, zooals immers ook in onze dagen het geloof aan "geesten" met het geloof aan het "magnetische fluïde" of "dierlijk magnetisme" bij zeer velen goed samengaat. In elk geval is bij diergelijke theoretische overwegingen groote voorzichtigheid aan te bevelen, aangezien wij immers het zieleleven der huidige primitieve volkeren niet dan hoogst onvolledig kennen en aangaande de volkeren uit overoude "praehistorische" tijden in hoofdzaak op vrij onzekere gissingen zijn aangewezen. Maar niet alles in de magie berust op bedrog of op foutief denken; zij steunt ook, althans in vele gevallen, op een grondslag van "psychische" feiten, zooals men het nu pleegt te noemen. Dat door hallucinaties, hypnose, verbaalsuggestie en autosuggestie veel te verklaren is, wordt al lang toegegeven. Men dient echter nog verder te gaan en zekere feiten, wier lang ontkende realiteit nu toch meer en meer blijkt, als bijv. de mentale suggestie of telepathie en de helderziendheid er bij te trekken; ook de werking van psychische centra buiten den mensch om is althans niet a priori af te wijzen. Dat bij deze onderzoekingen de grootst mogelijke critische voorzichtigheid behoort te worden in acht genomen, behoeft geen betoog. In elk geval moeten wij echter dit principe als onomstootelijk aannemen; daar de magie een complex is van allerlei heterogene bestanddeelen, moet zij ook door de samenwerking van verschillende theorieën worden verklaard.

LITTERATUUR.

a. _Van algemeenen aard_,

#H. Schurtz#, Urgeschichte der Kultur (1900).

#A. Lang#, Magie and religion (1901),

*#Zöckler#, s.v. Magier, Magie, in Herzog, Realencyklopaedie f. protest. Theol. u. Kirche, 3e uitg. XII (1903).

#A.C. Haddon#, Magie and Fetishism (1906), in Religions, ancient and modern.

Mgr. #A. le Roy#, La religion des primitifs (1909).

#N.W. Thomas#, s.v. Magie, in Encyclopaedia Britannica, 11e uitg. XVII (1911).

#Arendzen#, s.v. Occult art, occultism, in The Catholic Encyclopaedia XI (1911).

*#Frazer#, The golden bough, 3e uitg. 1911 - 1915.

#R. Dussaud#, Introduction à l'histoire d. religions (1914).

#K. Beth#, Religion und Magie bei den Naturvölkern (1914).

#R.R. Marett#, s.v. Magie (Introductory), in Encyclopaedia of Religion and Ethics VIII (1915).

#A. Jeremias#, Allgemeine Religionsgeschichte (1918).

b. _Over "Animisme."_

#L. Frobenius#, Aus den Flegeljahren der Menschheit (1901).

#E.B. Tylor#, Primitive culture, 4^e uitg. (1903).

#Goblet d'Alviella#, s.v. Animism, in Enc. o. rel. a. eth. I (1908).

#A.W. Nieuwenhuis#, Die Wurzeln des Animismus. Eine Studie über die Anfange der naiven Religion nach den unter primitiven Malaiern beobachteten Erscheinungen, in Internat. Archiv f. Ethnographie, XXIV, Supplem. (1917).

#B. Ankermann#, Totenkult u. Seelenglaube bei den afrikanischen Völkern, in Zeitschrift fur Ethnologie 50e jrg. (1918).

#G.W. Gilmore#, Animism or thought-currents of primitive peoples (1919).

c. _Over "Praeanimisme"_.

#R.H. Codrington#, The Melanesians (1891).

#R.R. Marett#, The threshold of religion, 2e uitg. (1914).

#R.R. Marett#, s.v. Mana, in Encycl. o. rel. a. eth. VIII (1915).

#P. Saintyves#, La force magique (1914).

d. _Over "psychische" feiten_.

#J.A. Mac Culloch#, The childhood of fiction, a study of folktales and primitive thought (1905).

*#K.H.E. de Jong#, Das antike Mysterienwesen in religionsgeschichtlicher, ethnologischer und psychologischer Beleuchtung, 2e uitg. (1919).

_Aanm. De met * gemerkte boeken zijn ook voor 't vervolg van dit werk te raadplegen_.

* * * * *

HOOFDSTUK I.

Het naïeve geloof.

De oudste en prachtigste gedenkstukken der Grieksche letterkunde, de heldendichten van Homerus (vóór de zevende eeuw) bevatten verscheidene episoden, waarin de magie onmiskenbaar op den voorgrond treedt.

In de Ilias, die den oorlog der Grieken tegen Troje verheerlijkt, lezen wij o.m. hoe Hera, de echtgenoote van den hoogsten god, Zeus, van Afrodite, de godin der schoonheid, den gordel leent, aan wien eene onweerstaanbare charme is verbonden, en Zeus zoodoende betoovert, teneinde hem te beletten, den Trojanen bijstand te verleenen (XIV, 153-351).

Veel sprekender is echter in dit opzicht de Odyssea, die de lotgevallen van koning Odysseus, een der Grieksche helden uit den Trojaanschen oorlog, bezingt.

Odysseus toch, de meest vindingrijke en meest volhardende van alle helden uit de classieke sagenwereld, raakt bij zijn avontuurlijken terugkeer uit Troje met zijn eenig overgebleven schip op een onbekend eiland verzeild, en stuurt de helft van zijne makkers op verkenning uit. Dezen bereiken het paleis van de toovenares Circe, wier liefelijk gezang tot hen doordringt en gaan, vriendelijk door haar uitgenoodigd, naar binnen, op één na, die uit wantrouwen achterblijft. En terecht, want Circe mengt onder het wijnmoes dat zij haren gasten voorzet booze kruiden, en verandert hen door aanraking met eene tooverroede in zwijnen. De eenige achtergeblevene makker, na tevergeefs te hebben gewacht, keert tot Odysseus terug en spoort hem aan, zoo spoedig mogelijk te vluchten. De held echter heeft daar geen ooren naar en gaat terstond geheel alleen er op uit om de verlorene makkers weer op te sporen. Onderweg ontmoet hem de god Hermes, de geleider van de zielen der overledenen, licht hem in, hoe hij het gevaar moet afwenden en verstrekt hem de geheimzinnige plant Moly als werkzaam tegenmiddel. Odysseus ledigt evenzeer den verraderlijken beker, maar weet zich ongemerkt van het tegengift te bedienen, en als Circe ook hem met de roede aanraakt, springt hij met getrokken zwaard op haar los, als om haar te dooden. Circe valt voor hem op de knieën, smeekt om genade, en biedt hem, als onderpand van trouw, haar liefde aan. Odysseus gaat daar echter niet eerder op in, voordat zij zich door een plechtigen eed gebonden heeft, geen arglist meer in 't werk te stellen. Op verzoek van den held, geeft Circe voorts aan zijne makkers de menschelijke gedaante terug, en de zwervelingen brengen nu een vol jaar op het toovereiland in vreugde en genietingen door.

Vóór hun vertrek echter gebiedt Circe Odysseus, zich naar 't doodenrijk te begeven en aldaar den ziener Tiresias omtrent zijn verderen terugkeer te raadplegen. Odysseus ziet daar zeer tegen op, maar Circe bemoedigt hem en geeft hem nadere inlichtingen over den tocht naar het doodenrijk en wat hij aldaar te verrichten heeft. De held vaart naar het doodenrijk, dat aan gene zijde der wereldzee ligt en gaat naar de plek, hem door Circe aangewezen. Daar graaft hij met zijn zwaard een kuil van eene el breedte en lengte, brengt daaromheen een plengoffer voor alle dooden, eerst van honig met melk gemengd, vervolgens van wijn, daarna van water en strooit er ten slotte wit meel op. Hij belooft aan de "wezenlooze hoofden der dooden" na zijn terugkeer naar Ithaca, zijn vaderland, eene allervoortreffelijkste koe te offeren, en een brandstapel met heerlijke gaven overladen te ontsteken, maar ter eere van Tiresias afzonderlijk een geheel zwarten ram, uitmuntende onder de anderen, te slachten. Hierna keelt hij een mannelijk en een vrouwelijk schaap, zoodat het bloed in den kuil vloeit en beveelt zijn makkers ze te villen en te verbranden, onder een gebed tot de goden van het doodenrijk, Hades en diens gade, Persephoneia. De dooden komen op, maar Odysseus posteert zich, altijd naar de voorschriften van Circe, met getrokken zwaard naast de groeve en laat geen der overledenen, zelfs zijne eigen moeder niet, het bloed naderen, alvorens Tiresias te hebben geraadpleegd. Tiresias, kenbaar aan zijn gouden staf, nadert, drinkt van het bloed en voorspelt aan Odysseus wat hem op zijn terugkeer en na zijn thuiskomst wacht. Odysseus laat vervolgens zijne moeder en ook andere overledenen van het bloed drinken en onderhoudt zich met hen[1].

Deze verhalen, hoe mythisch ook, zijn toch voor de magie der Grieken en Romeinen, of liever voor de magie van alle volkeren in de hoogste mate kenschetsend. Wij zien onwillekeurig welk een nauw verband er is tusschen tooverij en zinnelijke liefde. Wij leeren, dat de magie zelfs den toegang tot het doodenrijk vermag te ontsluiten. Voorts blijkt bij de doodenbezwering het hoofddoel te zijn, zich omtrent het heden en de toekomst nader te laten inlichten; vandaar dan ook de uitdrukking "necyomantie" of de meer gebruikelijke "necromantie", d.w.z. "doodenwichelarij".

In de geschiedenis is herhaaldelijk sprake van doodenbezweerders en doodenorakelen. Wij zullen hier enkele treffende gevallen vermelden, waarbij men zich tot genoemde bezweerders of instellingen wendde, ten einde den toorn van overledenen te verzoenen of bijzonderheden te weten te komen die aan de "levenden" onbekend waren.

De lierdichter Archilochus, vaak in één adem met Homerus genoemd, was, omstreeks 640 v. Chr., gesneuveld. Calondas die hem had neergeveld, wilde het orakel van Delphi raadplegen, maar de Pythia (profetes) verdreef hem, naar algemeen verzekerd werd, met de woorden:

"Weg uit den tempel met U, die gedood hebt den dienaar der Muzen!"

Toen hij daarop zich verontschuldigde als in noodweer te hebben gehandeld en wenschte dat hij maar liever zelf was omgekomen, werd hem geboden, zich naar het doodenorakel te Taenarum (in het Zuiden van de Peloponnesus) te begeven en de ziel van den dichter door smeekbeden en plengoffers te verzoenen. Calondas voldeed hieraan en werd toen tot Delphi toegelaten[2].

Melissa, de echtgenoote van Periander, tyran van Corinthe (omstreeks 600 v. Chr.) had van een vreemdeling een deposito ontvangen. Toen Periander, na haar dood, dit nergens vermocht te vinden, liet hij door middel van het vermaarde doodenorakel der Thesprotiërs (in Epirus) de overledene vragen, hem de plaats, waar het deposito verborgen was aan te wijzen. Zij weigerde echter zulks te doen en verzekerde, koude te lijden daar zij geen baat had van de kleeren die met haar wel begraven maar niet verbrand waren; tevens voegde zij er een identiteitsbewijs bij van zeer intiemen aard. De tiran, overtuigd dat hij inderdaad met zijne overledene vrouw te doen had, liet terstond de Corinthische vrouwen van hare gewaden berooven en deze in een kuil verbranden, waarop de schim van Melissa, voor de tweede keer opgeroepen, de plaats van het deposito aanwees. Het verhaal hieromtrent is bij Herodotus, den "vader der geschiedenis", te vinden (V, 92).

Ter loops zij hier opgemerkt, dat het een zeer oud en wijd verspreid gebruik is, om ter eere van overledenen kleedingstukken te verbranden. Reeds bij Homerus verzekert Andromache, de weduwe van den gesneuvelden Trojaanschen held Hector, zijne fijne gewaden als eerbetoon in 't vuur te zullen werpen (Ilias XXII, 510-514). Te Athene zoowel als te Rome was het verboden, meer dan drie gewaden te gelijk met den doode aan de vlammen prijs te geven. En nog in onzen tijd verbranden Joodsche pelgrims in een zeker dorp van Galilea op een bepaalden dag van 't jaar shawls en zakdoeken ter eere van overledene Rabbis.

Van Pausanias, sinds 480 voogd van een minderjarigen Spartaanschen koning, wordt bericht dat hij, tijdens zijn verblijf te Byzantium eene jonkvrouw, genaamd Cleonice, had willen verleiden en haar bij vergissing had gedood. Sindsdien werd hij onophoudelijk gekweld door de schim der verslagene, die hem in den droom verscheen en hem dreigend toeriep:

"Ga uwe straf tegemoet! Baldadigheid voert ten verderve!"

Hij nam, ten einde raad, tot het doodenorakel te Heraklea (in Klein-Azië aan de Zwarte Zee) zijne toevlucht, liet door allerlei ceremoniën en plengoffers de ziel van Cleonice bezweren en trachtte haar toorn te verbidden. Zij verscheen en zeide dat hij, te Sparta aangekomen, spoedig van zijne ellende bevrijd zou zijn, zinspelende, naar het schijnt, op het einde dat hem wachtte. Inderdaad werd Pausanias van verraad overtuigd en vluchtte hij, om de inhechtenisneming te ontgaan, naar een tempel, waarin men hem echter inmetselde en aan den hongerdood prijsgaf[3]. De Spartanen werden daarna eveneens door schrikwekkende verschijningen verontrust en daar het orakel hun gelastte de ziel van Pausanias te verzoenen, ontboden zij "psychagogen", d.w.z. doodenbezweerders, uit Italië, die een offer brachten en het schimbeeld uit het heiligdom verdreven[4].

Aangaande de liefdestooverij zij opgemerkt, dat men daarbij, zooals allereerst eene zinspeling van Pindarus, den verhevensten Griekschen lierdichter (eerste helft der vijfde eeuw) aanduidt[5], o.m. een vogel uit de familie der spechten, den draaihals (gr. iynx) op een rad (of schijf) bond en in eene zekere richting ronddraaide. Wij zullen in hoofdstuk II er een hoogst interessant voorbeeld van aanhalen.

Het spreekt vanzelf dat de magie zich niet bij de doodenbezwering en de opwekking of verdrijving van liefde beperkte, maar haren invloed op het geheele leven liet gelden. Door tooverij trachtte men ziekten te genezen--reeds de Odyssea (XIX, 457 vlg.) kent eene bezwering, die eene bloedende wond vermag te stelpen--, door tooverij een vijand te schaden, ja, zoo mogelijk, te dooden--waartoe men reeds vroeg van wassen beeldjes gebruik maakte--, door tooverij zelfs het weder en levenlooze wezens te beïnvloeden--zooals men van de Thessaalsche heksen vertelde, dat zij de maan van den hemel vermochten omlaag te trekken.

Aan de mythische figuur van den zanger Orpheus knoopte zich, ongeveer sinds het begin der zesde eeuw, eene geheele litteratuur vast, die in hooge mate een magisch karakter droeg. Orpheus zelf ging door voor een groot toovenaar. Orphische amuletten waren in omloop. De orphische tooverliederen riepen, naar het heette, gestorvenen weer in het leven terug, en bezielden levenlooze voorwerpen. Rondreizende profeten beweerden, door offers en allerlei andere ceremoniën, overeenkomstig de voorschriften van Orpheus, aan belanghebbenden de zaligheid in het hiernamaals te kunnen waarborgen.

Een historisch figuur daarentegen en wel uit de tweede helft der zesde eeuw v. Chr. is Pythagoras, de ascetische, aristocratisch gezinde, geheimzinnige hervormer, die ook als een magiër en wel voornamelijk een beoefenaar der doodenbezwering werd beschouwd. Aangaande zijn volgelingen waren soortgelijke geruchten--blijkbaar niet zonder reden--in omloop. De veelzijdige en geniale Siciliaan Empedocles (±495 - ±435), arts, staatsman, dichter, wijsgeer, wiens leeringen soms aan de evolutie-theorie doen denken, had eveneens de faam van wonderdoener, hetgeen zeer zeker niet in tegenspraak is met het volgende fragment waarschijnlijk uit zijn leerdicht "De natuur"[6]:

