Maerten Harpertsz. Tromp: Een zeemanszoon uit de 17de eeuw

Part 9

Chapter 93,896 wordsPublic domain

Zoo had alles goed kunnen afloopen, en zou Tromp, na de geleden schade hersteld te hebben, wederom naar zijn in de instructie aangewezen streek zijn teruggezeild, als hij niet gewaarschuwd was geworden dat er zeven straatvaarders groot gevaar liepen door de Engelschen aangetast te worden. Dadelijk stevende de admiraal naar de aangeduide plaats en toen hij wederom de Engelsche kust naderde, ontmoette hij den Britschen admiraal Blake, die het bevel over vijftien oorlogsschepen voerde. Tromp dacht nu niet anders, of hij was al te laat gekomen, en Blake zal wel inwendig woedend geweest zijn, dat, door de nadering van de Nederlandsche zeemacht, het kansje op de zeven straatvaarders minder gunstig voor hem begon te staan. Doch wat beide vlootvoogden bij deze ontmoeting daarover ook mogen gedacht hebben, zeker is het, dat zij beiden al dadelijk voor het groote vraagstuk stonden van het strijken der vlag.

Tromp zelf heeft verzekerd en verschillende ooggetuigen hebben het bevestigd, dat hij al zijn zeilen ingenomen had, "uytgesondert beyde myne marszeylen, en die gestreecken, tot respect van den Admirael". Ook had hij een matroos naar boven gezonden, "die den heer Admirael Blake selve heeft connen sien opclimmen", om de vlag te strijken en die reeds den wimpel, welke eerst onder de vlag waaide, had ingenomen.

Maar de vlag zelf is niet neergegaan.

Of Tromp er begrijpelijkerwijze wat te lang mee getalmd heeft, dan wel dat Blake te haastig gebakerd was, valt na zooveel jaren en bij allerlei tegenstrijdige berichten over en weer niet meer uit te maken.

"Zoo haest wy binnen schoots quamen"--aldus verhaalt Maerten Harpertsz. Tromp zelf hetgeen er nu verder gebeurde--"heeft hy datelick een yser over ons heen geschooten; weynich daernae noch een schoot geschooten. Doen liet ik myn chaloup (die achter aen 't schip sleepte) aenhaelen en volk daer in gaen, om myn Capn (= kapitein) aen syn boort te seynden, hem te begroeten en zyne meyninge te verstaen, doch eer het halve volck in de chaloup waren, schiet den Admirael een schoot door ons schip, een man den arm aff, en verscheyden met splinters gequetst, daerop wy met een canon antwoorden, verre voor syn schip, hoopende, dat hy soude onse chaloup aen boort wachten, maer in desselfs plaatse draayt met ons voor de wint en presenteert ons zyne gansche zy, en schiet deselve door ons schip en zeylen, met alle merckelicke mynen (meening), om ons in de gront te schieten; daerover deur verbaestheyt ons volck uit de chaloup over int (in het) schip en de man, die aen onse vlagge stonde om te strycken, beneden is gecomen".

Als we nog wat meer uit dezen brief van Tromp aan de Staten overgeschreven hadden, zouden we vernomen hebben, dat hij eindelijk, als noodteeken voor zijn andere schepen, "de roode vlagge onder de Prince" had laten waaien. In het vuur van zijn redeneering snijdt hij zich hier leelijk in de vingers. Hij mocht toch niet meer van de Prince-vlag spreken, en de Staten van Holland konden hun oogen niet gelooven, toen zij dat maar zoo, alsof er nog een Oranje Stadhouder was, in een brief van een ambtenaar neergeschreven zagen. Ze beschouwden het dan ook als een soort ketterij, "noemden het een abuis en drongen er op aan, dat zulks veranderd zou worden; doch, zoo het schijnt, ontbrak hiertoe de gelegenheid, daar de meeste scheepsbevelhebbers in zee waren, en bleef dit dus zonder gevolg".

De ontmoeting tusschen Tromp en Blake bij Dover leidde tot een al heftiger wordende gedachtenwisseling tusschen de Engelsche en de Nederlandsche staatslieden. "Het ware wel te wenschen", aldus schreef Johan de Witt nog den 8sten Juni 1652, dus ruim een week na de bovenvermelde ontmoeting tusschen Tromp en Blake, welke den 29sten Mei van dat jaar had plaats gehad, "het ware wel te wenschen dat sulx door de voorsichticheyt van d'een of d'ander der Admiraels (Godt weet wie de schult heeft) waere voorgecomen, alsoo daeruyt niet sonder redenen verder verwyderinge staet te vreesen".

De aanstaande raadpensionaris van Holland had goed gezien. De kanonnade op de reede van Dover is het sein geweest tot het uitbreken van den voor ons zoo noodlottigen Eersten Engelschen zee-oorlog.

DERTIENDE HOOFDSTUK.

TEGENSPOED EN ONGENADE.

Wat heeft Maerten Harpertsz. Tromp een tegenslag gehad in het begin van dien oorlog! En wat erger was, daardoor niet kunnen voldoen aan de verwachtingen, welke men van onze toerustingen ter zee meende te mogen koesteren.

Het plan van Tromp was geweest, om den Engelschen vice-admiraal Ascue, die met dertig schepen voor Duins lag, met onze geheele macht aan te vallen, zijn vloot te vernielen en daarna den Engelschen admiraal Blake op te zoeken, die met zestig schepen uitgeloopen was en om de Noord zeilde. Nu was het waar, dat, terwijl Tromp de reede van Duins opzocht, onze haringbuizen in dien tijd gevaar liepen om door Blake genomen te worden; maar in de eerste plaats wist Tromp niet beter, of de haringbuizen hadden een wenk gekregen om naar Noorwegen te vluchten, in de tweede plaats kon hij Blake toch niet meer inhalen, en, wat wel het zwaarst woog, in de derde plaats zou hij door zijn tocht naar het Noorden aan Ascue de vrije hand geven tegen onze koopvaardijschepen, die in- of uitliepen. Ten slotte had onze admiraal het belangrijke bericht ontvangen, dat er rijkgeladen Oostinjevaarders op den weg naar het vaderland waren, die groot gevaar liepen in handen der Engelschen te vallen.

Tromp zette dus koers naar Duins. Maar het ging al dadelijk niet vlot, want wind en weer waren niet dienende; ja, eindelijk belette een windstilte hem alle handelen. In plaats dat hij dadelijk de vloot van Ascue kon aantasten, moest Tromp nu het ellendigste doen wat er in deze omstandigheden wel ter wereld voor hem kon overschieten: wachten en nog eens wachten.

Maar terwijl Tromp wachtte, begonnen de reeders van de haringbuizen en de familieleden en betrekkingen der visschers datgene te doen, waardoor de kinderen Israëls op hun tocht door de woestijn tegenover hun leider Mozes zulk een vermaardheid verkregen hebben, namelijk te murmureeren. Het was hun ter oore gekomen, dat Blake jacht ging maken op de haringbuizen, en daarvoor waren zij begrijpelijkerwijze zeer in angst. Mijn hemel, waarvoor had men een admiraal als Tromp, indien de Engelschman nu maar de vrije hand had tegenover onze visschers! Hadden die toch al niet genoeg te lijden van de plagerijen der Roodrokken, of hoe men de Britten anders geliefde te schelden? Er kwamen Oostinjevaarders naar het land en het verlies daarvan zou een ontzaglijk groote schade zijn.... voor de groote mijnheeren! Snap-je het nu, waarom Tromp in het Kanaal moest blijven? Of die arme visschermannetjes al hun gansche bestaan verloren, dat gaf minder, hè? Als de groote lui maar buiten schot bleven! Die groote rakkers deden tegenwoordig alles maar wat er in d'r hoofd kwam. Daar hadden ze zelfs na den dood van den jongen Prins Willem--als dat maar een natuurlijke dood was geweest en er geen giftdrankje bij in het spel was gekomen!--geen Stadhouder meer aangesteld. En toch was er een Oranje. Een kind, ja! Maar... al is ons Prinsje nog zoo klein, alevel zal hij Stadhouder zijn!...

Daar kwam men op de been in onze visschersplaatsen en als die luitjes daar beginnen, zijn ze niet van de gemakkelijkste. De Heeren, die nog niet heel vast op het kussen zaten, vonden het heel gevaarlijk, dat zich die Oranjeleuze ging paren aan de luid uitgeschreeuwde uitingen van ontevredenheid met het bestaande bestuur. En zoo kreeg Tromp, zèlf een Oranjeman, het stellige bevel om Blake achterna te zetten, en van de haringbuizen zooveel te redden als er nog te redden viel.

Nu twijfelen wij er niet aan, of Tromp, die als zeeman drommels goed wist, dat de beste stuurlui aan wal staan, zou ze voor een korte wijle hebben laten praten, indien er een fijn briesje was komen opzetten, dat hem voor Duins had willen drijven. Het is slechts een vermoeden, hetwelk wij hier uitspreken, want het fijne briesje liet zich wachten en met een bloedend hart stevende Tromp noordwaarts.

"All right," zei Ascue, kwam uit zijn schuilhoek te voorschijn, en dat kwamen nu alle Engelsche koopvaarders, die als de drommel van déze vrije zee profiteerden, om den Atlantischen Oceaan op te zoeken en naar streken te varen, waar geen Statenvloot was. Maar ònze koopvaarders konden nu thuis blijven. En voor Ascue kwàm het gunstige briesje, waarvan hij gebruik maakte, om onze arme Oostinjevaarders tegemoet te zeilen en ze vriendelijk te verzoeken een reisje mede te maken naar Engeland.

Intusschen zeilde Tromp om de Noord. In welk een stemming kan men zich voorstellen. Wat moest hij eigenlijk gaan doen? Wat Engelschen doodschieten en wat arme jongens van zijn eigen vloot, die hij gewoon was kinderen te noemen gelijk zij van hem als van hun bestevader spraken, te laten doodschieten? Zoo iets noodeloos te doen, lag niet in zijn aard. O, was men bij de uitrusting van zijn vloot maar wat minder sammelig geweest, ja, dan had hij bij het begin der expeditie Blake wel kunnen verhinderen uit de Engelsche havens te komen. Maar men had getalmd en getalmd, en nu was dit mislukt, en het schoone plan om eerst Ascue en daarna Blake aan te vallen was ook mislukt, en... nu schoot er weinig anders over dan den Engelschman hier of daar aan te grijpen, en den opvlammenden haat tusschen beide volkeren te koelen in beider bloed.

En ook dit zou mislukken.

De Engelsche vloot was men op het spoor gekomen, alles werd voor den bloedigen kamp in gereedheid gebracht;... daar slaat het weer om, een geweldige storm steekt op en beroert de wateren der Noordzee. In plaats van te strijden, was alle zeemanschap der ervaren zeelieden noodig, om er zelf het leven af te brengen.

Iederen zeeman, die na zulk een storm en zulk een noodweer doorstaan te hebben nog kans had gezien om zonder te groote verliezen de veilige haven te bereiken, zou men geroemd hebben om zijn knapheid en kordaatheid. Doch Maerten Harpertz. Tromp, was een admiraal, uitgezonden om zegepralen te behalen en die er niet één behaald had, uitgezonden om haringbuizen en Oostinjevaarders te redden, en die er niet één gered had. Weg met zulk een man!

Ja, het schotschrift van 't jaar 1640 had gesproken van de Heeren, bij wie Tromp geen kwaad kon doen. Maar men schreef thans het jaar 1653 en de toestanden waren sedert heel wat veranderd. De tijd, waarop een Johan de Witt, die bij al het verschil van staatkundig inzicht allergunstigst over een zeevoogd als Tromp oordeelde, een over het algemeen eerlijke en bovenal verstandige handelwijze zou volgen tegenover de vloot en wat daarmee samenviel, was nog niet aangebroken. Daarom werden personen, die te nauw bij den gehaten Willem II waren aangesloten geweest, met zekeren argwaan gadegeslagen. Al de praatjes over Tromp's Oranjegezindheid kwamen weer los, en weer liep het gerucht, dat hij het was geweest, die den Prins vóór den aanslag op Amsterdam volledig had ingelicht, hoeveel krijgsvoorraad er binnen die stad was.

Bij de dominee's had hij een wit voetje, zei het schotschrift.

Nu, daarmede mocht men vroeger in de gunst der Heeren zijn gekomen, tegenwoordig zou dit een averechtsch middel zijn geweest. Want door geen trouwer en waakzamer wachters is wel het vuur en de gloed van de liefde tot het Huis van Oranje bij ons volk bewaard dan juist door die dominee's.

Hoe het volk in de visschersplaatsen onzen held gezind was, hoe de reeders van koopvaarders en Oostinjevaarders over hem dachten, behoeft niet nader aangeduid te worden. Het was, of de dagen van admiraal Van Dorp teruggekeerd waren. In 't kort: er was een algemeene ontevredenheid over Tromp. "Natuurlijk," roept een Engelschman uit, wanneer hij de ongenade van onzen held bespreekt. En hij heeft gelijk. Want wee den gezagvoerder, die het geluk tegen zich heeft!

Er werd zelfs voorgesteld, om den admiraal, die zich genoodzaakt zag het opperbevelhebberschap neer te leggen, voor een krijgsraad te roepen. Maar zoover is het gelukkig niet gekomen, hoewel hij zich verplicht zag zich te verdedigen "zoo in persoon als schriftelijk voor gemachtigden van Hunne Hoog Mogenden."

Alleen Janmaat bleef hem trouw in zijn ongenade, en duldde niet, gelijk wij reeds medegedeeld hebben, dat de nieuwe opperbevelhebber, Witte Cornelisz. de With, op het admiraalsschip van Bestevaer zou komen. Gelijk het meergemelde schotschrift ons geleerd heeft, hadden enkele kapiteins in hun afgunst op Tromp, de minderen op hun hand zien te krijgen door van het ellendige voedsel, dat het arme volk niet het minst door toedoen van die kapiteins kreeg, de schuld op Tromp te werpen. Welnu, Janmaat heeft partij gekozen. Dergelijke schotschriften te schrijven, vermocht hij niet. Maar zijn trouw hart schonk hij weg aan den man, die, als een hunner, onder zijn heldhaftige kinderen der zee leefde; aan den man met zijn fortuin,--en toch met zijn ernstig, diep gerimpeld gelaat; aan den man, die, hoe ook gegriefd en verdacht gemaakt, gelijkmatig en rechtvaardig en toegeeflijk bleef tegenover zijn minderen, en niet op hen verhaalde of wreekte, wat men aan hem misdeed.

Gelukkig heeft ons volk dien toestand van ongenade niet lang doen aanhouden. Ook zonder dat Tromp de opperbevelhebber was, bleek het, dat de fortuin in dezen oorlog niet aan onzen kant geliefde te komen.

Of wij nu juist een aansporing (instignation) van den Deenschen Koning noodig hadden om Tromp in zijn gezag te herstellen, zou ik niet durven staande houden. Een Engelsch schrijver beweert het. Doch ons eigen gezond verstand zal de Staten er wel toe gebracht hebben, om hem opnieuw tot opperbevelhebber der vloot te benoemen.

Het was wel een groote eer voor Tromp, maar tegelijk een zware last, dien men op hem lei. Gelijk wij nader zien zullen, deugden onze uitrustingen niet. Men wilde zegepralen hebben van de aanvoerders, en onthield ze de noodige middelen daartoe. Maar Tromp aarzelde niet, waar het vaderland hem riep.

"Met den vijand te slaan en mijn leven te wagen," zoo ongeveer schreef hij aan de Staten-Generaal, "verwekt bij mij geen de minste bekommering. Maar dat ik, alles wat in mijn vermogen staat, doende ten dienste van het vaderland, bij mijn thuiskomst blootgesteld ben aan een verdenking en de afgunst van kwaadwilligen; en, na alles wat soldaat- en zeemanschap te hebben aangewend naar het verstand dat God mij gegeven heeft, genoodzaakt word rekenschap te geven van mijn verrichtingen en mijn beste daden ten kwade geduid worden,--dàt bekommert mij en beneemt mij den lust en den ijver."

En... de eenvoudige Tromp heeft in de dagen, die nu volgden, voor heel de wereld bewezen, wat hij en zijn "kinderen" wel waard waren.

VEERTIENDE HOOFDSTUK.

DRIE MAANDEN OP ZEE.

Voor hen, die het op den 1en December 1652 van het Brielsche havenhoofd aanschouwden, was het een gezicht om nooit te vergeten. Daar waren van acht-en-zeventig oorlogsschepen de tallooze zeilen ontplooid en niet minder dan tweehonderd koopvaardijschepen zeilden onder die hoede den breeden mond der Maaze uit. In zee gekomen, voegden zich daar nog meerdere oorlogsvaartuigen en koopvaardijschepen aan toe; op den tocht Zuidwaarts kwamen er nog al meer koopvaarders bij, zoodat er een vloot van ongeveer vijfhonderd zeilen het Kanaal invoer, waarvan ongeveer negentig uit oorlogsschepen bestonden. En niet alleen dat Tromp zijn plicht, om dat groote aantal koopvaarders veilig naar den Oceaan te geleiden, goed volbracht, maar het is op dezen tocht ook, dat hij op een inderdaad schitterende wijze den roem van ons volk heeft gehandhaafd.

Het zijn de Engelschen zelve, die zijn beleid in deze worstelingen in het Kanaal zóó hoog aanslaan, dat zij het vergeleken hebben met het beleid van hun grootsten admiraal Nelson. De Engelschen trouwens hebben altijd met veel eerbied tegen onzen Tromp opgezien. Vóór den beroemden zeeslag bij Duins bestond in Engeland evenals elders, "de geheele kunst van oorlogen ter zee enkel in het aan boord leggen en enteren van den vijand, en was de zoogenaamde taktiek aldaar ganschelijk onbekend." Als voor hun oogen hadden zij in dien zeeslag bij Duins den Nederlandschen vlootvoogd op een geheel àndere wijze zien handelen, den slag zien winnen, langzamerhand komend tot een oplossing, welke vooraf was voorbereid en nu in elkaar werd gezet. "Een nieuw licht," zegt een Engelsch schrijver, "rees opeens voor de bevatting der Britsche zeelieden op." En nu zij in den Eersten Engelschen zee-oorlog tegenover den man streden, dien zij "hun grooten tegenstander en leermeester" noemen, waren zij het, die, beter uitgerust, voordeel trokken van de manier van strijden, welke zij van onzen Tromp hadden afgezien. Edelmoedig hebben zij dit erkend, en het royaal beleden, dat het Britsche zeewezen, "aan de Nederlanders, in den persoon van Maerten Harpertsz. Tromp verschuldigd was de verbetering van de kunst des oorlogs ter zee, ten opzichte van het bestuur der vloten in groote zeeslagen."

In de maand December van het jaar 1652 was men evenwel in Engeland zoo dol niet op Tromp, want hij hield de Engelsche vloot en de Engelsche koopvaardijschepen binnen, terwijl onze koopvaarders door het Kanaal van en naar den Oceaan kwamen aanzeilen, alsof er geen vuiltje aan de lucht was. Het is van dien tijd dat men spreekt, als men zegt dat Tromp den bezem in den mast voerde, als teeken dat hij de zee van den vijand had schoongeveegd. Niets is echter minder waar, dan dat de eenvoudige en zich nooit op eigen daden verheffende Tromp zulk een pocherij toegelaten zou hebben op onze vloot. Dat was in oude tijden wel eens gebeurd, maar tot zulk een laffe snoeverij en kinderachtige uittarting van den vijand zou zich geen Nederlandsch admiraal meer leenen.

Bovendien prikkelde de feitelijke toestand, dat de Nederlandsche vloot voor het oogenblik de baas was op zee, meer dan genoeg de eigenliefde van den Engelschman.

Er werd--geheel in tegenstelling met wat er bij ons gebeurde, waar men Tromp met zijn vloot maar heen en weer liet zeilen om koopvaarders te halen en uitgeleide te doen en hem niet eens den voorraad kruit en lood aanvulde--in Engeland zooveel geld als noodig was beschikbaar gesteld, om een flinke, van al het noodige ruim voorziene vloot van zeventig schepen uit te rusten, en die zeilde in de maand Februari 1653 uit, om Tromp op te zoeken. Juist had onze admiraal een groot getal koopvaarders naar den Oceaan gebracht, en zou nu honderd en vijftig Nederlandsche koopvaardijschepen door het Kanaal heen naar het vaderland terugleiden. Den 28 Februari zag hij aan den horizon de zeilen van de Engelsche vloot uit de zee oprijzen. Er bleef geen andere kans dan, met al dien ballast van koopvaarders bij zich, door den vijand heen te slaan, en al dadelijk gaf Tromp, die volgens zijn gewoonte de vloot in verschillende smaldeelen verdeeld had onder bevel van mannen als Michiel de Ruijter, Jan Evertsen en Pieter Floriszoon, bevel den vijand aan te vallen.

De strijd, die nu volgde, werd van beide kanten met de grootste verbittering gevoerd. Weinig scheelde het, of Michiel de Ruijter had reeds hier zijn loopbaan geëindigd gezien. Hij was op zeker oogenblik zoodanig van vijandelijke schepen omringd, dat er geen ontkomen voor hem meer mogelijk scheen. Gelukkig bemerkte Jan Evertsen hoe veeg het met zijn stadgenoot gesteld stond. Met zijn dapperen sloeg hij zich dwars door den kring heen, die Michiel omkneld hield, en nu wisten onze Zeeuwen wel verder raad met den vijand.

Van den opperbevelhebber af tot aan den minsten schepeling werd in dien slag, welke op de hoogte van Portland plaats had, met groote volharding en hardnekkigheid gestreden. We nemen hier uit vele voorbeelden dat eene van kapitein Jacob Cleijdijck, die door drie groote Engelsche oorlogsbodems aangevallen werd en niet anders dacht, of zijn laatste uur was geslagen. Hij en zijn jongens worstelen, ten doode bereid, met den ouden heldenmoed, waardoor ons zeevolk heinde en ver bekend was. Maar zijn netelige toestand blijft door de onzen niet onopgemerkt. De Zeeuwsche kapitein Regenmorter was het, die hem ter hulp snelde. Een hoezee van Cleijdijck en de zijnen, die nu met vernieuwde woede den vijand aangrijpen, zoodat een der drie Engelsche schepen naar den kelder gaat. Niet lang echter duurt daarover de jubel van de jongens van Jacob Cleijdijck, want plotseling begint hun eigen schip te trillen... en tot hun ontzetting ervaren zij, dat het zich alreede in zinkenden toestand bevindt. Wat te doen? Met de ratten naar den kelder? Daar kan-je op den laatsten dag van 't jaar nog wel toe komen, spot de kapitein, en hij wijst zijn jongens een uitweg. Een uitweg? Waarheen? Wel, waar anders dan dwars over een der Engelsche schepen heen naar het schip van Regenmorter! De stoute aanval wordt gewaagd. De Engelschen staan versteld over dien woesten uitval, maar eer zij van hun ontsteltenis zijn bekomen, zijn ze òf neergeslagen, òf zien de Nederlandsche matrozen dwars over hun schip zich een weg banen naar dat van Regenmorter, waar kapitein Cleijdijck goed van pas kwam. Want dáár was aan boord geen kapitein meer. De dappere Regenmorter was juist gesneuveld. Nu bleef het voor den nieuwen kapitein nog altijd één tegen twee, maar dat duurde ook niet lang meer. Want door de bezieling, die van hem uitgaat, weet hij zijn manschappen tot wonderen van dapperheid te brengen, zoodat hij overwinnaar blijft en de aanvallers van hem wegdeinzen en wel één er van om het nooit meer na te vertellen.

Wie, niet alleen eigen bodem verdedigen, maar ook over den geheelen strijd het oog houden en zich telkens op de hoogte stellen moest van alles wat er op het geheele tooneel van den strijd plaats had, was natuurlijk Maerten Harpertsz. Tromp. Wèl was in die uren, zooals de zeelui dat zoo eigenaardig uitdrukken, zijn ziel vol zorg. Geheel zijn persoonlijkheid ging op, zoowel in den strijd van zijn bodem tegen de vijandelijke schepen, als in de leiding van den ganschen zeeslag. En toch... hij vergat ook de koopvaarders niet, die zich op zijn bevel tijdens den zeeslag langs de Engelsche kust ophielden. Daar bemerkt hij, tegen vier uur, dat er acht Engelsche fregatten jacht beginnen te maken op onze koopvaarders. Dadelijk Tromp er op los. "Handen af van die weerloozen!" rolt in donderslagen zijn waarschuwing over de golven, een waarschuwing, waarbij dadelijk de daad op de bedreiging volgde, zoodat de fregatten niet wisten hoe spoedig zij, die van vervolgers vervolgden werden, hun prooi zouden loslaten.

Na dien gelukkig afgeslagen aanval op onze koopvaarders, begon van beide zijden de neiging merkbaar te worden, om wat rust te nemen. Heel den dag had het gevecht geduurd; de manschappen hadden dringend behoefte aan rust. Zoo eindigde het eerste gedeelte van den zeeslag, welke in de geschiedenis bekend zou blijven als de Driedaagsche Zeeslag.

Want den volgenden dag, den 1sten Maart 1653, werd het gevecht met hernieuwde woede door de Engelschen hervat en door de onzen aangenomen. Men bevond zich evenwel niet meer op dezelfde plaats. De koopvaarders moesten gered worden en daarom was Tromp, met heel dien sleep bij zich, doorgezeild den kant van het vaderland op, dat echter nog zoo ver verwijderd was. Om de koopvaardijschepen beter, ook gedurende een zeeslag, te kunnen beschermen, had hij de oorlogsbodems in den vorm van een halve maan laten voortzeilen--zooals hij eenmaal de Spaansche vloot van d'Oquendo in het Kanaal had zien opduiken--en in het midden, dus als het ware van alle kanten beschermd, zijn kostbaren last opgenomen. Nu kon hij al zijn aandacht bij de leiding van het zeegevecht houden en behoefde niet te vreezen, dat, langs de strijdenden heen, een paar jagers stiekem op jacht gingen naar den vetten buit.