Maerten Harpertsz. Tromp: Een zeemanszoon uit de 17de eeuw

Part 8

Chapter 83,866 wordsPublic domain

Eenigen tijd daarna werd hij een der Directeuren "over vijf schepen van de Maze, daer van den Admiraal Dorps Schip er een was". Toen leefde de oude wrok weder op, want Van Dorp kon niet lijden, dat Tromp hem zoo in de kaart keek. Want hij en zijn volk kregen toen de betalingen door handen van Tromp. Toen dit nu een wijl geduurd had en de admiraal Van Dorp ter zee niets uitrichtte en vervolgens, om niet afgezet te worden, zijn ontslag nam, werd het luitenant-admiraalschap ter zee "geofferreert ende gepresenteert aen onzen Tromp, ten tijde als hij nergens minder na dacht, als na dat Officie". Dit baarde zulk een spijt en nijd in velen, voornamelijk in Van Dorp, Liefhebber en anderen, dat zij daarover, "alsof sy metten Duyvel compact hadden gemaeckt, alle vileynieën en vuyligheyt die sy konden verzinnen, tegen hem uytspoghen, om hem in den haat van Groot en Kleyn te brengen". Al zijn daden wierden op het nauwst bespied. Was er iets, zelfs in groote zeeslagen geschied, dat niet naar hun zin was, dan werd dat met alle bitterheid en scherpheid gehekeld, overgehaald en kwalijk geduid. Zij schreven en lieten drukken, verscheidene vileyne boekjes en paskwillen, welke zij met zoo schendige leugens vulden, dat ieder, die ze gelezen heeft, lichtelijk konde oordeelen, door wat geest "deze guyten" gedreven werden.

En nu noemt Joris verschillende zeeslagen op, waarvan "al de wereld" bekend is, hoe Tromp er zich in gedragen heeft, en haalt het oordeel aan, eenmaal door den strengen Piet Hein over Tromp geveld. Verder deelt hij mede, hoe er ook onder sommige edelen en krijgshoofden te land een groote "belgzucht" tegen hem ontstond, omdat zij meenden, dat men hen voor een ambt, zoo hoog als het admiraalschap, gepasseerd had, en.... dat wel voor een man, van wien men kwalijk wist waar hij vandaan kwam, een man van zulk een geringe afkomst als Tromp. En omdat wij het met Joris volkomen eens zijn, dat de rechte adel, "te weten: Manhaftigheyt, kloekmoedigheyt en Couragie" niet aan Tromp's geslacht ontbrak, herhalen wij zijn woorden niet verder, maar vernemen alleen nog met belangstelling, dat Tromp, in plaats van door het befaamde huwelijk met die Haagsche juffrouw een onuitstaanbaar parvenu te worden, altijd de zeeman is gebleven, hoe vaak hij ook in Haagsche kringen moest verkeeren.

Kwam hij in Den Haag--zoo ongeveer vertelt ons Joris--waar hij iemand van de Heeren moest spreken, dan zeilde hij recht door zee. "Hy en wist geen Hooffsche Complimenten noch van geen Haegsche drayery; dat hy seyde, dat meende hy, sonder iemand na de mond te praten".

Wel.... onze Griet Smeers uit de t'Samenspraeck heeft toch niet geheel en al ongelijk gehad, toen zij Maerten Harpertsz. Tromp, den vader van dien Cornelis (of den Kees Tromp der matrozen) die zelfs aan het hof van den Franschen Zonnekoning Lodewijk XIV de Nederlandsche zeeman bleef, voor "een Noortse Beer" schold!

Maar die "Noortse Beer" mocht tegenover al dat kinderachtige geklets en gerel een dikke vacht kunnen stellen,--één fijne priemsteek moest hem altijd diep wonden. En men zou ook wel geen mensch moeten zijn, indien men een beleediging, zijn moeder aangedaan, niet voelde branden tot diep in de ziel. Tromp hield veel van zijn moeder. Met innige kinderliefde bleef hij haar aanhangen, hoe hoog hij mocht klimmen in aanzien en in jaren. Hij was al een man van vijftig jaar geworden, toen het bericht, dat zij op haar ziekbed zeer naar hem verlangde, voldoende was om den admiraal, die met zijn schip in het Goereesche zeegat lag, zich te doen wenden tot de Staten-Generaal met het verzoek "een keer" te mogen maken naar Rotterdam. In de ongedrukte resolutiën der Staten-Generaal vindt men dit vermeld in termen, die zeker wel een terugslag zijn op den brief van Tromp zelven. Want het verzoek was gegrond op de reden, dat zijn moeder "door indispositie soo verre is geraect ende verswackt, dat sy naer 't oordeel der doctoren wel een cort eynde mocht maken, ende alsoo sy seer verlangende is haer soon noch eens te spreecken". Men vindt dit gemeld op den 2den December van 't jaar 1648. En gaarne voeg ik hier aan toe het oordeel van een onzer grootste historieschrijvers der 19e eeuw, wijlen prof. R. Fruin, aan wien ik deze mededeeling te danken heb, en die mij daarbij schreef: "Dat geeft een goede gedachte van de verhouding tusschen den tot hoogen rang opgeklommen zoon en zijn nederige moeder."

Zijn moeder is toen niet gestorven. Wij zullen haar in ons verhaal nog eenmaal terugvinden, en dan zal het zijn met diepen eerbied voor de grootste smart, welke haar op aarde treffen kon. Nu willen wij nog even terugkeeren tot dat veelbesproken derde huwelijk van Tromp. We hebben er van gehoord, hoe men de moeder van den admiraal uitlachte, omdat zij bij al die groote dames en heeren van de partij was. En werkelijk, die aanzienlijken hebben er óók even over gesproken. De aanzienlijksten van het land zouden op die bruiloft tegenwoordig zijn. Paste daar wel dat eenvoudige burgervrouwtje bij?

Vermoedelijk, of bij de liefde welke Tromp zijn moeder toedroeg mag men wel zeggen zeer zeker, heeft de admiraal hiervan niets geweten. Toch werd er tot zelfs in de Staten over gesproken, en men wist tot geen besluit in deze zeer teedere kwestie te komen. Toen besloot men eindelijk er den man over te raadplegen, die, in naam een dienaar der Staten, inderdaad een souverein was, een Vorst van hooge en edele geboorte, die, gelijk alle zijne voorzaten en nakomelingen met wie het Nederlandsche volk zich één gevoelde, in dit veelszins kleinsteedsche land de vertegenwoordiger was van een ruimer, groot-steedsche wereldbeschouwing. Aan den heer Clant, den President der vergadering, werd opgedragen zich tot den Prins van Oranje te wenden.

Den volgenden morgen werd met spanning tegemoet gezien, wat de Voorzitter zou mededeelen over dit onderhoud met Zijne Hoogheid, prins Frederik Hendrik. Zou de Oranjevorst, die werkelijk wel wist hoe het hoorde, het óók wel een beetje raar vinden, dat een eenvoudig burgervrouwtje onder al die hooge gasten aanzat op de bruiloft van haar zoon? En.... zou door deze beslissing wel eens heel het huwelijk in duigen kunnen vallen? Want Tromp bleef toch altijd een zeeman, en dat slag van lieden kan zoo ongezouten uit den hoek komen....

Wie de verhouding van de Vorsten en Vorstinnen uit het Huis van Oranje tot onze "kleyne luyden" kent, die juist daarom met aandoenlijke, de eeuwen en de tegenspoeden trotseerende vereering dat Huis bleven aanhangen, weet al vooruit welk antwoord de President in de vergadering bracht. De Staten hoorden zijn boodschap aan, en toen werd eenstemmig besloten volgens het gevoelen van Zijne Hoogheid te handelen.

Want.... een Prins van Oranje had wel degelijk gewild, dat het moedertje van den zeeheld op de bruiloft van haar zoon zou aanzitten naast hem, om wien zij veel geleden had in de dagen toen hij als kind voor haar verloren scheen, en in wiens geluk en glorie niemand ter wereld inniger deelde dan zij?

ELFDE HOOFDSTUK.

IS DE ZEE VRIJ OF NIET?

De vrede van Munster had eindelijk een einde gemaakt aan den Spaanschen oorlog, die niet minder dan tachtig jaar geduurd had, tenminste indien men het tijdperk van het Twaalfjarig Bestand er toe bleef rekenen. Lang hadden de onderhandelingen gesleept. Zelfs waren er, die niet hadden gedacht, dat wij, tegen onze belofte in, zonder Frankrijk een aparten vrede zouden durven sluiten. Over al die dingen was natuurlijk zoo druk geredeneerd, ook in het roefje van de trekschuit, dat niet weinigen, die tot het leger of de vloot behoorden, er eens aan gingen denken, of het niet beter was naar een ander baantje om te kijken. Zoo deed ook Maerten Harpertsz. Tromp. Uit zijn kinderjaren toch herinnerde hij zich het sluiten van het Bestand, en hoe toen zijn vader en vele andere kapiteins hun ontslag uit 's lands dienst hadden thuisgekregen. Daarom deed hij in het najaar van 1647 een bod naar het Kommandeurschap van zijn geboorteplaats Den Briel, waar toen juist deze betrekking vacant was gekomen. Hij moest toen ondervinden, dat men hoog geklommen kan zijn, een beroemden naam hebben, om toch nog in de stad, waarin men gewonnen en geboren is, voor een ander gepasseerd te worden, wiens naam na een paar eeuwen alleen aan hen bekend is gebleven, die nu en dan den neus in oude boeken en papieren steken. Wie toch kent tegenwoordig nog een zekeren meneer Frederik van Lijer? Toch werd deze op den 9den December 1647 door Zijne Hoogheid aangesteld, en Tromp moest het maar bij zijn luitenant-admiraalschap van Holland en West-Friesland houden.

Wist toen ook iemand ter wereld, dat na den vrede van Munster de groote en verschrikkelijke oorlogen ter zee een aanvang zouden nemen, waardoor juist dat woord admiraal iets van geheel eenigen klank in onze geschiedenis geworden is?

En, of het werk zoo spreken moest, de persoon, die in 1639 bij Duins de scheede wegwierp toen het zwaard getrokken was, kreeg in 1652 de schuld van de vredebreuk met Engeland. Maerten Harpertsz. Tromp, de overwinnaar bij Duins, die in 1639 met eer en loftuitingen overladen werd omdat hij had doorgetast, werd om dezelfde reden in het jaar 1652 door velen in den lande met niet al te vriendelijke blikken begroet. Want hij werd gehouden voor den man, die, omdat hij op een oogenblik van verontwaardiging zijn gewone kalmte en bezadigdheid verloren zou hebben, aan de Engelsche regeering een der welkome voorwendsels aan de hand deed, om den oorlog met ons te beginnen, waarnaar van Engelschen kant sterk verlangd werd.

Zeer eigenaardig was dat, herhalen wij, omdat zoowel bij den zeeslag op de reede van Duins, als in den oorlog met Engeland, een brandend vraagstuk dier dagen aan de orde kwam, dat voor ons, Nederlanders, een levensbeginsel inhield. Dat was het vraagstuk over de al of niet vrije zee.

Het bestek en de strekking van ons verhaal laten niet toe, deze zaak uitvoerig te bespreken. Alleen mag het in een geschiedenis van Maerten Harpertsz. Tromp niet met stilzwijgen voorbij worden gegaan.

Kon een natie een deel van de zee ook als deel van "het Rijk" beschouwen?

"Ja!" zeiden de Denen, en ze sloten de Sont voor alle natiën, die het tolgeld niet wilden betalen, dat door de Denen van elk schip geëischt werd, hetwelk door de Sont van of naar de Oostzee voer.

"Neen!" zeiden de andere staten om de Oostzee, namelijk de Zweden en de Polen en de Vrije Steden aan die zee. En te vuur en te zwaard trokken zij, telkens als de gelegenheid hun gunstig scheen, tegen dat recht van Denemarken te velde. Vermoedelijk hadden zij dadelijk "ja" gezegd, indien het hun gelukt ware den Sont-tol te veroveren, en zouden zij, evenals Denemarken, en misschien nog wel een haartje erger, dit recht, om tol van voorbijvarende schepen te heffen, gehandhaafd hebben.

De Nederlanders, van wie de meeste koopvaardijschepen naar de Oostzee voeren, hadden er het grootste belang bij, dat de Sont-tol in eigendom toebehoorde aan een staat, die niet al te machtig was. Een niet te machtigen staat konden wij in geval van nood gemakkelijker dwingen, om geen al te overdreven tol-rechten te heffen. Daarom zei men wel eens, dat de sleutels van de Sont van hout waren en te Amsterdam lagen, waarmede men onze oorlogsschepen bedoelde. Vandaar dat, als de Zweden en alle andere vijanden van Denemarken aan de Nederlanders de vraag deden, of een land recht had op een deel der zee, wij toestemmend antwoordden, en deze leer met het zwaard in de vuist tegen de Zweden en andere belagers van Denemarken krachtig en met schitterenden uitslag gehandhaafd hebben.

En de Nederlanders zeiden ook "ja!" waar het hun dierbare Oost gold. Het gebied van den Gouverneur-Generaal strekte zich óók uit over de zeeën van die eilanden-wereld. En wee den vreemdeling, die het wagen durfde Nederlandsch Oost-Indië te naderen, om er een bezoek te brengen, dat altijd als onwelkom werd beschouwd. Bij den vrede van Munster, waarbij door Spanje ons recht op onze koloniën erkend werd, was daarom ook wel degelijk bepaald geworden, dat Spanjaarden noch Nederlanders in elkaars bezittingen mochten komen "om hun handel uit te breiden of land van elkander in bezit te krijgen."

Maar--wat nu al heel zonderling leek,--het is de advocaat der O.-I. Compagnie, de schrandere Hugo de Groot, die aan den eenen kant "met macht van redenen in Engeland gaat betoogen dat de Hollanders bevoegd zijn in de Molukken juist datgene te verrichten wat zij schennis der Vrije zee noemen, wanneer de Engelschen in Europa het nadoen",--terwijl hij aan den anderen kant in zijn beroemd boek Mare liberum (d. i. de Vrije Zee) een krachtig "neen!" doet hooren en zoo duidelijk als het hem maar mogelijk is aantoont, dat een natie geen recht heeft een deel van de zee als eigendom te beschouwen.

Nu, dat "neen!" van Hugo de Groot werd door de Hollandsche en Zeeuwsche haringvisschers, die op de kusten van Schotland en Engeland gingen visschen en daar niet graag belasting voor aan Engeland wilden betalen, volmondig nagezegd.

Zoodat, zouden we zoo zeggen, we bij de Nederlanders er niet goed wijs uit kunnen worden, of de zee, "vrij" dan wel "gesloten" moest zijn.

Laat ons eens even naar Engeland oversteken, en vragen, wat onze goede buren over deze zaak in het midden te brengen hebben. En al weder stellen we zoo duidelijk mogelijk de vraag: of een natie een deel van de zee als een deel van "het Rijk" mag beschouwen?

En, haast nog voor we uitgesproken hebben, klinkt ons een krachtig "ja!" tegemoet. En omdat de Engelschen meer van daden dan van woorden houden, hebben ze al in het jaar 1637 van onze visschers door middel van hun oorlogsschepen dertigduizend gulden geëischt als betaling voor het recht om op de Engelsche kust te visschen. En als wij dit toch wel wat bar vinden, duwen zij ons een boek onder den neus Mare Clausum (d. i. de Gesloten Zee) getiteld, dat door hun landgenoot Joannes Seldenus geschreven is en door ieder rechtgeaard Engelschman met instemming gelezen wordt. Of al leest hij het niet, hij is toch ten volle overtuigd van de waarheid, die er in aangetoond wordt.

Nu ja, als het op boeken aankomt, behoeven wij gelukkig niet verlegen te staan. Wij komen er ook al met een aandragen, een weerlegging op Mare Clausum en door een Nederlandsch advocaat met name Dirk Graswinkel met veel talent geschreven. Onze goede buren, de Engelschen, halen er de schouders over op. En als wij, om hen toch tot het lezen van deze kranige wederlegging te bewegen, aanvoeren, dat onze Staten aan meester Dirk Graswinkel voor het schrijven van dit kostelijke boek een jaargeld van niet minder dan f 500.-- hebben toegelegd, krijgen wij ten antwoord, dat die advocaat daar goed mee is, maar dat het anders zonde genoemd kan worden van het weggesmeten geld. En als we zoo over en weer met boeken en bewijsgronden elkaar probeeren te overtuigen, zonder dat men daarmede bij een der twee partijen een steek opschiet, hooren we zoo iets mompelen: of het, gelijk de schooljongens doen die van opschieten en niet erg van praatjesmaken houden, niet beter zou wezen er eens om te vechten. Wie het wint, heeft gelijk.

Maar wie er erg mee in zijn schik was, dat er een zee zou zijn, waaruit geen ander volk de vischjes mocht opduikelen zonder er behoorlijk voor te betalen, was in zijn tijd wel de Engelsche koning Karel I. Die had veel geld noodig, en van jaar tot jaar viel hem dat al moeilijker van zijn eigen volk te krijgen. Nu was er toch een heerlijk voorwendsel voor een belasting gevonden, waaraan het voor ieder Engelschman een geluk en een voorrecht moest zijn aan mede te betalen. Wat kon billijker en vaderlandslievender schijnen dan een belasting, het Engelsche volk opgelegd, om, zooals de Koning zeide, het recht van Engeland over de zeeën met kracht van wapenen te handhaven?

Ja, maar zoo hadden zijn onderdanen dat althans nu nog niet bedoeld! Zij wilden met plezier over de zeeën heerschen, en de haringen en de schelvisschen voor geboren Engelsche visschen verklaren, waarvoor de Nederlanders veel geld moesten opbrengen. Maar om nu daarvoor aan hun koning, die liefst zonder parlement wilde regeeren en zijn eigen zin doorzetten, een belasting te betalen, waardoor hij zijn eigenwijzen gang kon gaan en met de vrijheden van het Engelsche volk een loopje nemen--neen, daar waren zij niet bijster op gesteld.

En.... daar was me, te midden van het gezeur daarover, Maerten Harpertsz. Tromp gekomen, en had in 't jaar 1639 niet alleen een vloot aangetast in de Engelsche wateren, maar zelfs op de kust van Engeland! Karel I rekende zich dan ook zeer gehoond, en juist daarom hadden zijn onderdanen er inwendig schik in. "De gemeente in Engeland," zegt Wagenaar zeer eigenaardig, "schijnt er niet rouwig om geweest te zijn!" Zeker niet; maar wel te verstaan omdat hun koning, die niet die Spaansche vloot op zijn reede had moeten toelaten, er een gevoelig lesje door kreeg. Doch het feit zelf, dat namelijk het brutale Nederlandsche zeevolk op Engelsen gebied zulk een stout stukje had uitgehaald, was een venijnig wespensteekje geweest voor het Engelsche zelfgevoel. De angel was blijven zitten. En toen er een heele verandering in Engeland had plaats gehad, een groot deel van het volk tegen zijn koning was opgestaan, hem gevangen genomen, ja, op een schavot ter dood gebracht had, en er verder een geest van groot zelfbewustzijn was wakker geworden, aangevuurd door Olivier Cromwell, die het zich maar niet begrijpen kon, dat een rijk en machtig volk als het Engelsche zich in de zeevaart liet overvleugelen door de slechts een paar millioen tellende inwoners van een klein en aan eigen hulpbronnen eigenlijk arm landje--toen werd ons wederom behoorlijk rekenschap gevraagd van onze misdaad bij Duins. En als wij, Nederlanders, toch nog altijd tegenover Engeland wilden staande houden, dat de Noordzee vrij was en groot genoeg voor de uitoefening zoowel van de Engelsche als van de Nederlandsche zeevaart en visscherij--wel, herhaalden de Engelschen, en nu op stouten en dreigenden toon, dan moesten we er maar om vechten.

TWAALFDE HOOFDSTUK.

TROMP MOET VOORZICHTIG ZIJN.

"Voorzichtig! Bestevaer Tromp!" zeiden de Staten. En zij drukten hem op het hart, om door geen overijlde handelwijze aanleiding te geven tot allerlei verwikkelingen, die bij de gespannen verhouding tusschen de twee naburige volkeren, licht tot een oorlog konden leiden. Het meest had ons zeevolk het land, om in de zoogenaamde Engelsche wateren--een gebied waarvan de grenzen hoe langer hoe meer werden uitgebreid--eerbied te bewijzen aan de Engelsche vlag. Het was wel zoetjesaan een gewoonte geworden, om voor een Engelsch oorlogseskader de vlag en de marszeilen te strijken, en zoolang dit nu als een soort beleefdheid kon beschouwd worden, welke men uit vrijen wil aan de marine van een machtig rijk, waarmede men bevriend heette te zijn, bewees, had men zich bij die gewoonte met de gewone Hollandsche leukheid neergelegd. Doch in den laatsten tijd was deze begroeting een bepaalde eisch geworden, en als men met zoo iets bij ons volk aankomt, loopt het mis. Ons zeevolk mocht over de Heeren, die de nieuwigheid hadden ingevoerd dat de aloude Prince-vlag voortaan den naam van Statenvlag zou dragen, oordeelen zooals het wilde, die Heeren hadden óók het land aan dien eisch, welke een beleefdheid in een vernedering veranderde. Zij raadden Tromp daarom wel voorzichtigheid aan, maar in het vraagstuk van het strijken van de vlag bonden zij hem niet aan een bepaald bevel. Ze lieten dat over aan zijn bekende bezadigdheid.

En toch waren er, die zich de vrees niet konden ontveinzen, dat de Oranjegezinde Tromp in dit geval niet die bezadigdheid zou toonen, welke men van hem meende te mogen verwachten. Er was toch iets uit onze staatsinrichting gelicht, waarmede het volk, dat niet tot de regentenfamiliën of haar aanhangers behoorde, waarmede de "kleyne luyden" met hun dominees, en het zeevolk vooral, maar geen vrede konden vinden. De zoon en opvolger van prins Frederik Hendrik, de talentvolle maar onbesuisde prins Willem de Tweede, was heel jong gestorven. Acht dagen na zijn dood was aan de eveneens zeer jeugdige weduwe een kindje geboren. Dat zwakke, teere wezentje kon toch geen Stadhouder zijn, vonden de Heeren. Natuurlijk moest dat toegestemd worden, maar men wilde toch het beginsel redden en vroeg daarom, of het Prinsje die waardigheid niet kon bekleeden onder voogdijschap van een zijner familieleden. Ook dat was niet mogelijk, hadden de Heeren bepaald, en zoo was het eerste Stadhouderlooze tijdperk begonnen en een diep insnijdende grenslijn aangebracht tusschen Nederlanders èn Nederlanders. Aan den kant nu der voorstanders van een Oranjekindje als Stadhouder, men wist het vrij zeker, stond admiraal Tromp. Ook werden er wonderlijke dingen gefluisterd, als zou de Oranjepartij van een oorlog met Engeland niet alleen de verheffing van het Prinsje, maar ook een tegenomwenteling in Engeland verwachten, waarvan het verdreven Koningsgeslacht familie der Oranjes was.

Zoo waren er dus wel, die onze vloot met een bang hart de vaderlandsche havens zagen uitzeilen. En toch moest die vloot naar zee. Want nu Engeland in vijandige verhouding tot Frankrijk stond, matigden zich de Engelsche oorlogsschepen het recht aan, om de schepen, die haar verdacht voorkwamen, aan een onderzoek te onderwerpen, of zij bijgeval niet aan boord hadden, wat men contrabande noemde. Dat zulk een onderzoek het meest op de Nederlandsche schepen werd toegepast, sprak van zelf, omdat de Nederlanders nog altijd de vrachtvaarders van Europa waren. Maar eveneens sprak het vanzelf, dat wij dit zooveel mogelijk trachtten tegen te gaan, en onzen koopvaardijschepen niet het recht mochten onthouden van beschermd te worden door oorlogsbodems van hun eigen natie.

Toch had men uit voorzorg in Tromp's instructie neergeschreven, dat hij tusschen Duinkerken en Ostende zee houden en liefst maar niet te dicht de Engelsche kust naderen moest. Trouw had hij zich aan dit voorschrift gehouden, maar toen er een storm opstak kwam het er minder op aan wat er in de instructie stond, dan wel wat "de Zeemanschap" van Tromp noodig achtte. "Een reeder,"--aldus zegt zeer terecht de ons nog wel bekende Joris--"zal zijn schipper niet belasten, dat hij zijn schip zoude stranden, maar de nood doet het dikmaals wel doen". Zich van de Vlaamsche kust met al haar zandbanken en ondiepten afwendend, zette hij, ter herstel van de geleden schade, koers naar de Engelsche kust. Daar nu woonde wel een bevolking, die den Nederlandschen zeeman niet welgezind was, maar.... na tijden van storm en doodsgevaar, als er hulp en bijstand gevraagd wordt, bestaat er tusschen de zeevarende volkeren geen verschil van nationaliteit. In 't jaar 1648 had men daarover met Spanje zelfs een afspraak gemaakt. Welke beperkende bepalingen, aldus luidde zij, men ook mocht blijven handhaven voor oorlogsschepen in wederzijdsche havens, men zou een uitzondering maken voor die, welke "gedreven (wierden) door tempeest, ofte gedrongen (wierden) hetselve te doen door nood, om te schouwen de peryken van de Zee". Daarom kon Tromp gerust zijn, toen hij den Engelschen Commandeur, die voor Dover lag, had laten aanzeggen, "dat hij daar niet kwam, dan door den storm en nood gedreven zijnde". Die Commandeur had nu de juiste verklaring van dit onverwacht verschijnen eener Nederlandsche vloot op de Engelsche kust, en alle mogelijke gevoeligheden waren daardoor ontzien.