Maerten Harpertsz. Tromp: Een zeemanszoon uit de 17de eeuw

Part 7

Chapter 73,890 wordsPublic domain

Wel kan men veilig aannemen, dat de Engelschen in het geheel niet gesteld waren op de aanwezigheid dezer groote vloot, die door de onzen afgesneden bleef van de zee. Ook dat de Engelschen er niet treurig om zouden geweest zijn, indien de Spanjaard geprobeerd had er zich doorheen te slaan. Maar zoolang de Spaansche vloot zich onder bescherming van de Engelsche vlag bevond, konden de Engelschen moeilijk toelaten, dat de Nederlanders die vloot aangrepen. Het zelfgevoel van elke natie zou er tegen opgekomen zijn, om op eigen grondgebied een gast te laten afranselen. Des te minder kon dit hier het geval zijn, waar de gastheer het bijzonder groote zelfgevoel van een Engelschman bezat, en de lieden, die op de zee voor Duins rondzwermden, de Nederlanders waren, waarmede de Engelschen al meer en meer op gespannen voet begonnen te komen. Nog altijd hadden de Britten het niet kunnen verkroppen dat, volgens hun voorstelling, in 't jaar 1623 een tiental Engelschen, die van een samenzwering tegen de Nederlandsche oppermacht verdacht werden, door de Nederlanders op het eiland Ambon op onwettige wijze veroordeeld en ter dood gebracht waren. Men zou een algemeene afstraffing en vernietiging van eigen gasten op eigen grondgebied dan werkelijk ook niet kunnen toestaan.

Als er dat zelfgevoel en die natuurlijke plicht van een gastheer niet bijgekomen waren, geloof ik niet, dat vele Engelschen er om getreurd zouden hebben wanneer de Nederlanders maar dadelijk aangepakt hadden. In die dagen haperde er in Engeland veel aan de goede verstandhouding tusschen den Koning van dat rijk en velen zijner onderdanen. De vriendschap van Karel I ten opzichte van Spanje, vond in Engeland alles behalve een algemeene instemming. Daarom beschouwden velen de Spaansche zeelieden als ongenoode gasten, die men ook gaarne buiten de deur gezet zou hebben, indien het met de eer bestaanbaar ware geweest.

Ook van onze zijde was de toestand ingewikkelder dan de matrozen, die maar aan wilden pakken, konden vermoeden. Prins Frederik Hendrik had een eenigen zoon, den thans ruim dertienjarigen Willem, voor wien de eerzucht der moeder in de toekomst een schitterende echtverbintenis zocht. Daartoe was het oog geslagen op een Prinses uit het Engelsche Koningshuis. Het zou voor het Huis van Oranje een ongedacht groote eer zijn, indien het vermaagschapt kon worden met het Koninklijke Huis der Stuarts. Het kon dus werkelijk niet in het plan van den invloedrijken prins Frederik Hendrik liggen, om door een onoverdachte handelwijze den Koning van Engeland te verbitteren op al wat Nederlander was.

Hoe invloedrijk ook--toch bleef de Prins, zij het dan meer in naam dan in der daad, de dienaar der Staten. Doch ook die Staten zagen niet minder tegen een openlijke uittarting van Engelands woede op. Na een victorie zou het een luiden van alle klokken en een groote vreugde door het geheele land zijn. Maar de Staten zouden met de verantwoording en met de naweeën blijven zitten. Zij wisten wel, dat Engeland niets vergeet of vergeeft. Het is in die dagen--terwijl de wind al maar Oostelijk bleef waaien--gebeurd, dat de Staten een brief aan Tromp verzonden, dien hij gelukkig niet ontvangen heeft. Want de visscher, met de overbrenging belast, eenige schepen ziende aankomen en meenende dat hij met Engelschen te doen zou krijgen, wierp den met ballast bezwaarden brief in zee.

En weldra ging er een andere boodschap over de zee, het lievelingswoord van admiraal Dubbel Wit. "Val maar aan, o, admiraal Tromp! En welke mogendheid zich ook tegen dien aanval moge verzetten, toon aan de geheele wereld, dat een Nederlander geen aardsche machten schroomt of er voor behoeft te vreezen!"

Het werd tijd, dat dit kloeke mannenwoord over de Noordzee kwam aangesneld. Tromp had alle mogelijke moeite gedaan, om de Spanjaarden uit hun veilige haven te lokken. Uit angst voor de Nederlanders hadden zij alle gevoel van eer vergeten en zochten naar uitvluchten. Algemeen bekend is het, hoe zij eerst voorgaven hun stengen te Dover te hebben gelaten en dus niet aan een zeeslag konden denken. Tromp liet die masten en stengen halen, en aan boord bij den Spanjaard bezorgen. Toen hadden zij alweer gebrek aan buskruit. Dat vernam Tromp niet van hen, maar van den Engelschen admiraal, bij wien hij er telkens en telkens weer op aandrong, dat er toch een samentreffen met de Spanjaarden mocht plaats hebben. Nu riep Tromp den krijgsraad bij elkaar, en daarin werd besloten den vijand van zooveel buskruit te voorzien als men zelf bij mogelijkheid maar missen kon. Het baatte niet; de Spanjaard bleef verscholen en waagde het niet zich in open zee te meten met den diepverachten Nederlander.

Het was en bleef een moeilijk geval. Een Nederlandsch matroos was door den vijand gedood, en zijn lijk werd nu als overtuigingsbewijs, dat de Spanjaarden de onzijdigheid van het Engelsch grondgebied geschonden hadden, aan den Engelschen admiraal gebracht. Die verzocht acht dagen uitstel om er den Koning over te spreken.... maar intusschen begon ook de weersgesteldheid eens een woordje mee te spreken.

In den nacht van den 20sten op den 21sten October 1639 kwam eindelijk de wind, die zoolang uit den Oosten gewaaid had, door het Noorden in 't Noord-Westen terecht. Toen meende Tromp, die wat hem betrof den vijand liever in open zee bevochten had, het oogenblik gekomen, om de Spaansche vloot op Engelsch gebied aan te vallen. Eerlijk werd er den Engelschen admiraal kennis van gegeven; hij kon nu handelen naar eigen goeddunken, gelijk ook wij van dit oogenblik af van plan waren te doen. Het staat vast, dat tijdens den zeeslag die nu volgde, en waarin de Spaansche macht vernietigd werd, zoowel van de drie Engelsche batterijen als van de Engelsche schepen op de onzen geschoten is. Het eerste had plaats toen er reeds bij het begin van den aanval 23 Spaansche schepen aan den wal vastliepen, waarom de batterijen de bedreigde bodems wilden beschermen voor de Nederlanders, die er zich evenwel weinig aan stoorden en maar hun gang gingen. Van het eerste zoowel als van het tweede maakt Nicolaas van Reigersberch melding, als hij Hugo de Groot over de groote zegepraal schrijft. Hij deelt daarbij de bijzonderheid mede, dat de Engelsche schepen eerst op de onzen schoten, toen zij ver genoeg verwijderd meenden te zijn, om ons niet te kunnen beschadigen. Op die Engelsche vloot werd door een afdeeling der onzen, onder bevel van Witte de With, een waakzaam oog gehouden tijdens den zeeslag. Om het beleedigende dat hierin gelegen kon zijn te voorkomen, hadden wij het voorgesteld alsof de dertig schepen, welke onder Witte tegenover de Engelsche vloot lagen, alleen aangewezen waren om er zorg voor te dragen, dat haar in de hitte van den strijd geen schade zou worden toegebracht.

De uitslag van den strijd is bekend. Meer dan veertig Spaansche schepen werden door de Nederlandsche matrozen veroverd, waarvan zij er veertien in triomf naar de Nederlandsche havens konden meevoeren. Ons verlies bedroeg slechts één schip en circa honderd man. De Spanjaarden hadden het verlies van zevenduizend man te betreuren, waaronder achttienhonderd gevangenen geteld werden. Misschien zijn er meer gevangenen geweest; maar Janmaat liet die liefst ontvluchten. Zelfs moest men er in ons land weldra maatregelen voor nemen, dat de ontsnapping der gevangenen naar Vlaanderen door het bootsvolk niet werd in de hand gewerkt. Schijnbaar was dat een zonderlinge handelwijze van onze varensgasten. Toch lag de oorzaak voor de hand. Een zwerveling, gelijk een zeeman is, kon vandaag in zijn eigen land vrij rondloopen en misschien korten tijd later in een Vlaamschen of Spaanschen kerker geworpen worden. Men behandelde dus een gevangene gelijk men 't liefst zelf behandeld wilde worden, en--de liefste behandeling was de gelegenheid te krijgen om te ontvluchten. Dat kon Janmaat aan zijn voor ditmaal ongelukkiger collega wel verschaffen, zoolang men zich niet ver van de zee bevond. Waren de gevangenen eenmaal over 't land verspreid en in de verschillende kerkers opgesloten--waar zij een hard lot hadden, omdat er weinig voor hun onderhoud betaald werd--dan kwam er zelden of nooit iets van een ontsnapping, en bleef de eenige hoop van de in verveling en armoede wegkwijnende zeerobben op een mogelijke uitwisseling van gevangenen bestaan.

De wijze, waarop admiraal Tromp en de zijnen in het vaderland werden ingehaald, was warm en hartelijk. Een groote vreugde was er over het geheele land. "Hij wierdt overal met groote tekenen van vreugde, en toejuichingen ontvangen, en van veelen, ook onbekenden, begroet en verwellekomd.... Daarbij wierden de klokken ten teken van vreugde, door het gansche land geluid. Men brandde overal vreugdevuuren en piktonnen. De Toorens wierden met Lantaarnen verligt, en, hier en daar, kostbaare vuurwerken afgestooken".

Een van de meest indrukwekkende oogenblikken moet voor den admiraal zijn verschijning in de Staten van Holland geweest zijn. Niet dat het daar feestelijk of plechtig toeging. 't Was alles heel eenvoudig, en in sobere woorden maken de resolutiën van de Staten er gewag van. Daar stond hij voor zijn meesters, de machtige Heeren van Holland, die twee jaar geleden hem aanbevolen hadden aan den Prins van Oranje, hem, den eenvoudigen Maerten Harpertsz. Tromp, den pekbroek, die redding zou brengen in den nood, die het bevel aanvaard had over een vloot waarop een vloek scheen te rusten, over kapiteins die zich geen haar minder rekenden dan hij, over een bemanning die aan 't verloopen was en liever bij de Duinkerkers ter kaapvaart dienst nam dan te blijven op een vloot, welke de spot dierzelfde kapers en de ergernis der landgenooten was.

En nu.... groote en gevoelige slagen waren aan de Duinkerkers toegebracht. Uitgeroeid waren zij voorzeker nog niet, en nog jaren zouden zij met minder of meerder stoutmoedigheid hun rooftochten ondernemen. Maar het geloof aan hun onkwetsbaarheid was vernietigd. Zij waren trefbaar, zij waren niet in alle opzichten de meesters der Nederlandsche zeelieden. Zij hadden schier de opperheerschappij over de Noordzee gevoerd. Dááraan was een einde gemaakt, en voor goed een einde, omdat er een Nederlandsch zeewezen geboren was geworden en aanwies en groeide in kracht, een zeewezen, dat de heerschersstaf ter zee ontwrongen had aan de Spaansche monarchie. Dezelfde Nederlanders, die twee jaar geleden schuw hadden opgekeken wanneer er over den boozen man, over den Duinkerker kaper gesproken werd, hadden nu bij Duins twee groote wereldmachten, Spanje en Engeland, tegelijkertijd durven trotseeren. Wèl had Tromp zich het vertrouwen, dat de Heeren van Holland in hem gesteld hadden, waardig getoond.

Over dit alles.... geen woord in de resolutie van Woensdag den 2den November 1639.

"Is binnen gekomen den Heer Lieutenant Admirael Tromp, ende heeft hare Edele Groot Mo met particulariteyten rapport gedaen van al het gunt by hem ende syne byhebbende Vloote ter Zee was bejegent, zedert den acht en twintigsten April sesthien hondert negen en dertigh, als wanneer hij van hier t'zeyl is gegaen tot de Victorie die Godt Almachtigh desen Staet heeft verleent tegen de Spaensche Vloote incluys".

Ziedaar alles. Hij dient een schriftelijke memorie in over den staat der schepen. De zaken beginnen, en daar is hij met even kalme hersenen bij als te midden van den strijd. En zich verheffen op een der glorierijkste gebeurtenissen uit onze geschiedenis? 't Minst van al denkt daar Bestevaer Tromp aan. De zegen is immers genadiglijk door God aan dezen Staat verleend?

Was er ook een andere handelwijze van hem te verwachten, die eens als jongeman voor den Bassa van Tunis stond en eigen eer en voordeel van de hand wees, omdat hij maar één woord had en dat was verpand aan zijn vaderland?

Die eenvoudige verschijning van Tromp in de Statenzitting van den 2den November 1639, is een waardig tegenhanger van de even eenvoudige verschijning van een jong Nederlandsen stuurman, voor het in Oostersche weelde schitterende hof van den Bassa van Tunis, omstreeks den jare 1621.

TIENDE HOOFDSTUK.

LASTERTONGEN EN KLEINZIELIGHEID.

De Spaansche macht mocht door den zeeslag van Duins een knak gekregen hebben, waarvan zij zich niet meer herstellen zou, het eigenlijke doel, de overbrenging van de troepen naar Vlaanderen, was voor het grootste gedeelte bereikt. In September toch, terwijl de Spaansche vloot op de reede van Duins vastgekluisterd lag, was het aan een dertiental Spaansche schepen gelukt te ontsnappen. Dat was langs een weg gegaan, welken de Engelschen ons als onbevaarbaar hadden opgegeven, doch die dat niet was. De Engelschen hadden hun Spaansche gasten als loods gediend, en zoo waren die Spaansche bodems, waarop zich een groot aantal soldaten bevond, ver van de Nederlanders af in het ruime sop gekomen, en hadden de Zuidelijke Nederlanden weten te bereiken. Ook had, in den zeeslag bij Duins zelven, de Spaansche admiraal d'Oquendo met een twaalftal schepen weten te ontkomen. Hij was in zijn vlucht begunstigd door een beschermend gordijn van mist, en toen deze uiteenwoei was het door een sterken, fortuinlijken wind, die hem tot zijn overgroote vreugde de haven van Duinkerken deed bereiken. Ten slotte kan ik niet vinden, dat de buitgelden bijzonder groot waren. Zij bedroegen wel bijna 135 duizend gulden, maar ik denk, dat het aan de Jantjes, die van de schatten der Onoverwinnelijke Vloot gedroomd hadden, wel tegengevallen zal zijn. De belooningen, die aan eereblijken en wat dies meer zij werden uitgereikt, bedroegen zelfs veel meer, namelijk zes ton gouds.

Al deze beschouwingen konden voorzeker voldoende zijn om de spijtigheid van degenen, die het niet goed velen konden, dat den admiraal en den zijnen zooveel eer werd aangedaan, wat te verzoeten. Spijtige menschen en jaloerschen zijn er altijd, en Tromp had vijanden te over. 't Spreekt vanzelf, dat er personen waren, die liever gezien hadden, dat het niet goed met een pekbroek was gegaan.

Doch het was er verre vandaan, dat zij door de aangevoerde overwegingen hun jaloerschheid of hun bitterheid voldaan voelden. Het ging hun in deze dagen te hoog met Tromp. Door "treffelijke geschenken", zooals onze Wagenaar zich uitdrukt, trachtte men zijn dapperheid te beloonen. In Januari 1640 werd hij Ridder in de Orde van Sint Michiel en door den Koning van Frankrijk, Lodewijk den Dertienden, met een nieuw wapen begiftigd. Maar--wat zijn benijders wel het meest in de oogen stak--hij trouwde "een rijcke Joffrou met veel gout".

Deze "rijcke Joffrou" heette Cornelia Berckhout, en het huwelijk werd ten jare 1640 te 's-Gravenhage voltrokken. Zij was "een Raets-heere dochter, haer vaertje was van Munnickedam, en placht inden Haegh op de Vijverberghe te woonen, en haer moertje was van Delft van de beste van 't Stee".

Ongeveer dezen tijd moet de venijnige brochure verschenen zijn, waaraan wij bovenstaande bijzonderheden ontleenden. Wat ook zoo'n Maerten Harpertsz. Tromp zich verbeelden zou! Dat was me een admiraal; jawel! door zijn mooi-praten en zijn flikflooien, door zijn "Lammertongetje," en vooral omdat hij de dominees op zijn hand had. Want die heeren predikers zouden het wel voor hem "rondschieten". De veinsaard! die wist van handjes-geven en van broeder en "vriendekens" zeggen! Het ging met hem als met Reintje de Vos toen deze zich in een monnikskap gestoken had. Toen was de vos een degelijk gezel en niemand durfde iets van hem zeggen, want 't was een broeder van de Kap, en de andere dieren ontvingen dagelijks zijn zegen. Gelukkig was hij, die zijn afteekening in zijn hol had, anders was men een ketter en geen goed Patriot.

Men had hem eens moeten gezien hebben, "inde Coetswaghen" toen hij trouwde! Hij leek wel een "Noortse-Beer!"

Nu--zei Griet Smeers,--'t zag er met Maerten vóór 20 jaar al heel anders uit!

Of het--antwoordde Trijn Jans.--Ik heb Martens allang gekend, en zijn vaar ook wel. Die was Trompetter in Den Briel, en daarna werd hij kapitein op een buisconvoyer. En zijn moer waschte de maats d'r hemden, en steef de kragen om geld. En toen Maerten nog jong was, liep hij tot Rotterdam met een schootsvel voor en was een timmermansjongen: en deze vent wil met geweld van adel wezen, daar hij altijd mede placht te spotten!

Griet Smeers schudde medelijdend het hoofd. Die Maerten Tromp. Als zij daarover wilde beginnen, was zij vooreerst niet uitgepraat. Want zij wist nog wel wat anders van hem en zijn mooie familie. Zijn moer had nog vóór twee jaar voor de menschen gesteven, en zijn zusters deden het nog. En zijn jongens plachten zoo schâloos rond te loopen, of zij bedelaarskinderen waren. Wat een mensch al niet beleven moest! Dat rijdt me in wagens, dat is me gekleed in zijde en satijn.... en dat wil niet eens de drieduizend gulden betalen, "die zijn moer van zijn salighe vaers nog wel schuldigh" is!

Ja, Maerten was van "sulcken volckje". In zulk "een mooi geslacht" kwam nu die Haagsche juffrouw. Hm.... begrijp-je niet, waarom dat zieltje, dat zich dag en nacht de oogen rood weende, in zulk een rare familie kwam? Och ja, je bent misschien als Marinus Crijnsz. uit deze t'Samen-Spraeck nog wat "te jongh om alle dinck te weten". Maar als je een "fris jongman" bent, en bijgeval ter zee vaart, heeft Trijn Jans u nog wel een goeden raad te geven. Je moet maar mooitjes ter kerk gaan en niet één preek verzuimen, en dan zult ge in de kennis van de Heeren komen. Die zullen je wel recommandeeren om kapitein te worden. En misschien kun-je dan wel een dochter van een dier Heeren trouwen, of ook wel de meid, als niemand ze meer hebben wil....

Hoe menigeen uit de 20ste eeuw zal verbaasd zijn, als hij van zulk een flauwen praat, vooral van dat laag neerzien op iemands afkomst hoort gewagen, in een eeuw, die òns daarvoor te groot leek. Spreken wij niet van mannen die zich vol geestkracht zèlf door de wereld geslagen hebben en tot wie wij, juist daarom, hebben leeren opzien? Wonderlijk! De eeuw, waarin zij leefden, sprak van hen met onverholen minachting als van die kapiteins, "dat maer snyders, wevers en sulck volck zijn".

Ja, ziet u--zou een der personen uit onze t'Samen-Spraeck daarop geantwoord hebben--iemand moet de gal wel overloopen, als hij 't over Maerten Harpertsz. Tromp heeft. Want in zekeren zin is hij een afvallige, een ontrouwe. Hij was immers juist zoo hoog geklommen, omdat men het ter zee nu eens wilde probeeren met iemand, die géén jonker of zoo iets was. Men wilde een "peckbrouck". En nu men er een had, was hij "een gemaeckte joncker" geworden, die nu alle gelegenheden opzocht, om maar stillekens aan wal te blijven.

En.... aan wal was het veiliger. Och, er had nooit veel moed in Maerten gezeten! Toen hij nog maar kwartiermeester was onder Moy Lambert en voor Algiers in Barbarije lag, was het eens geschied, dat men op het schip schoot met den steenen kogel, die "noch voor d'Admiraliteytshof tot Rotterdam hanght". Maerten stond juist aan 't roer en hij kreeg een stuk van een plank tegen het achterlijf. Dadelijk liet hij het roer los en liep tot voor in 't galjoen, en hoewel hem even weinig deerde als u of mij, riep hij maar:

"Ik ben dood! ik ben dood!"

Wilt ge Jan Slomp, die u op minachtenden toon dit verhaal doet, tegemoet voeren dat Maerten toen nog heel jong was, dan zal deze "oudt varendt Man" u antwoorden, dat de "Courage" niet "metten ouderdom" komt, en hij zal u gaan bewijzen, dat het in het leven van Tromp àl geluk en geen de minste verdienste was.

En als hij, volgens zijn meening, u dit alles daghelder heeft aangetoond, zal hij u het laatste greintje achting, dat ge nog in uw borst voor Maerten koestert, wel ontnemen. Want, ziet ge, Tromp was een geldduivel. Hij sliep met de Directeuren, die de leverantie van de eetwaren hadden, onder één deken. Zelf was hij Directeur geweest, en toen had hij brood van "verdroncken terwe" voor de oorlogsschepen laten bakken. Als je er erg in hebt, dat zijn zwager bakker in Den Briel is, dan behoeft bij deze mededeeling werkelijk geen knipoogje gegeven te worden. Welnu, dien zwager liet hij van dat bedorven goedje brood bakken, dat hij zelf voor een daalder op 't honderd meer in rekening bracht, dan het de bakkers te Rotterdam aangeboden hadden te leveren. En als je soms wat nader wilt weten van het ordonnantie-koopen.... daarvan zou-je wat kunnen hooren van kapitein Juijnbol te Rotterdam....

Ha, daar hebben we eindelijk een naam, die ons op het spoor zal brengen van de personen, die zulke verschrikkelijke beschuldigingen naar het hoofd van Bestevaer Tromp slingerden, en die, voor het minst, aan het slot van dit schotschrift hun naam wel hadden mogen plaatsen.

Ze mochten anders die namen wel doen hooren, want ze zijn met roem bekend in onze Vaderlandsche Geschiedenis. En.... daarom is het toch maar goed, dat ze niet onder een schotschrift aan het nageslacht overgeleverd zijn, al zijn ze aan dergelijke schotschriften niet vreemd. Neem het dan niet te hoog op, als ge verneemt hoe zij een onzer nobelste figuren trachten zwart te maken. Bestevaêr Tromp nam het ook zoo hoog niet op: "die lachte daer dan eens om en seyde, wat mogen dese menschen al woelen, en was alsoo veel daer over onstelt als Berg of Toren, daer een kint een steentje tegen aen gooid."

Geen heldentijdperk, in welke geschiedenis ook, of om de hoofdpersonen bewegen zich tal van personen, die het eene oogenblik kunnen handelen met zulk een schittering van daden dat zij ons meesleepen, en het andere oogenblik zich als onbezonnen kinderen en groote kwâjongens kunnen aanstellen. Duld dan ook in de helden uit ons helden tijdperk, in die kloeke, alles wagende zeerobben, met hun hart, dat in goeden en kwaden zin vol streken uit hun kwâjongenstijd is gebleven, veel schaduw achter het nog wijd stralende licht.

Doch.... dat vraag ik u wel voor zijn benijders. Voor hemzelven behoef ik dit minder te doen.

Een twaalftal jaren na het verschijnen van het schotschrift, toen al die dingen "al oud" waren, en "die nijdige menschen meest dood"--mijn hemel, in dien tijd gebeurde er in een tiental jaren te veel, dan dat men zou blijven zaniken over een paar ellendige praatjes!--verscheen er weer een samenspraak over de zaken van den dag, "Een Praatje over den Ouden en Nieuwen Admiraal", waarin de twee personen, die de schrijver sprekende invoert, door hem Joris en Govert worden genoemd.

Joris haalt "die oude dingen" nog eens op.

Het is u wel bekend, zegt hij, dat voor drie- of vier-en-twintig jaar "Pier Heyn" doodgeschoten werd, en dat admiraal Jonkheer Van Dorp in diens plaats benoemd werd. Doch die maakte het zoo bont met zijn "Landgangers", dat er veel koopvaarders door den vijand genomen werden. Tromp echter, die op Piet Hein's schip kapitein was geweest en toen zelf een schip had, meende, dat hij als een goed vaderlander niet alleen 's lands gage trekken, maar ook daarvoor wat doen moest. Hij bracht van den wijden plas zooveel prijzen mee, dat Van Dorp, de vice-admiraal Liefhebber, kapitein Juijnbol en nog anderen meer, daarover jaloersch werden. Eens was het zelfs geschied, dat Tromp, die twee Duinkerker kapers achterna zette, door den vice-admiraal Liefhebber geseind werd terug te keeren. Tromp, die later in de uitwerking van zijn doordachte plannen, rekenen moest op de stipte nakoming zijner bevelen, gaf hier als ondergeschikte het voorbeeld, dat hij, die wil leeren commandeeren, moet beginnen met zelf te gehoorzamen. Hij liet de Duinkerkers los, maar kon onmogelijk zijn onwil verbergen. Daarover bracht Liefhebber bij de autoriteiten zijn beklag in, en toen Tromp door eenige Heeren over dit geval kwalijk bejegend werd, legde hij uit spijt "van dat hij niet en mocht doen als een eerlyck man toe staet", zijn degen neder en verliet 's Lands dienst.