Maerten Harpertsz. Tromp: Een zeemanszoon uit de 17de eeuw
Part 6
En.... nog eenmaal, wie zou thans de man zijn, de krachtvolle persoonlijkheid, die niet alleen de bezieling zou weten aan te brengen om de Duinkerkers te verslaan, maar vooral de groote gebreken op onze vloot in het hart zou durven aantasten, de zeekapiteins onder zijn een en eenig gezag, het bootsvolk tot een vooruit bedacht en alleen onder zijn beleid uitgevoerd plan zou brengen? Wie zou het zijn, die niet alleen als een Hercules een Angiasstal te reinigen had, maar ook en vooral voor de toekomst de geniale schepper van het Nederlandsche zeewezen zou worden?
In de vergadering der Staten van Holland, gehouden op Vrijdag den 16den October 1637, werd besloten, om aan Zijne Hoogheid, die zich in het leger voor Breda bevond, eenige personen voor te dragen ter vervulling van de twee opengevallen ambten, nl. luitenant-admiraal en vice-admiraal van Holland en West-Friesland. Genoemd werden "de Generaels Reael en Speek, Maerten Herpertsz. Tromp, Witte Wittensz., den Heer Nannainck ende Berkhout, midt-gaders den Major Padburgh".
Het stond den Prins vrij bij deze personen nog andere te voegen. Maar, wat den Staten aanging, zij verzochten aan Z. H. "in goede recommandatie te nemen den Persoon van Maerten Herpertsz. Tromp tot Lieutenant-Admirael, en Witte Wittensz. tot Vice-Admirael", die zij wenschten, dat spoedig tot deze ambten verheven werden. Maar als mogelijk Z. H. zich daarmee niet kon vereenigen, zoo droegen zij het aan hem voor, of hij niet goed zou vinden Jan Evertsz., die vice-admiraal van Zeeland was, of een ander bekwaam persoon de directie van de weldra uit te rusten vloot op te dragen "om den Vyant daermede te gaen bespringen in de Kanael".
Het antwoord van den Prins is bekend, ook omdat door zijn beslissing een keerpunt ten goede is gekomen in de geschiedenis van ons zeewezen. Nog diezelfde maand werd Maerten Harpertsz. Tromp benoemd tot luitenant-admiraal en Witte Cornelisz. de With tot vice-admiraal. De eenige, die voor Tromp een zeer ernstig tegen-candidaat had kunnen zijn, Laurens Reaal, een man bekend om zijn groote daden ter zee vooral in Oost-Indië, waarover hij zelfs gouverneur-generaal was geweest, een man ook van gezag, omdat hij tot de regenten van Amsterdam behoorde, was kort na de voordracht aan de pest gestorven, welke toen in die stad heerschte, en in niet mindere mate te Leiden, gelijk Nicolaes van Reigersberch uitvoerig in zijn brieven mededeelt.
ACHTSTE HOOFDSTUK.
KETENEN VAN GOUD EN EEN METALEN BERG.
Gold de benoeming, volgens den door den Prins op 27 October 1637 geteekenden lastbrief, slechts voor een jaar, het is later niet noodig geweest om bij een nieuwe uitrusting ook wederom tot een nieuwe benoeming van een opperbevelhebber over te gaan. Tromp toch bleek de man te zijn, om wien men geroepen had. Gelukkiger keuze had men waarlijk niet kunnen doen. Hij was "een der grootste zeelieden welke tot op zijn tijd in de wereld verschenen waren." Wees niet bevreesd, dat deze getuigenis uit Nederlandsche bron komt. Het is veel de gewoonte in ons landje, dat we dàn eerst gelooven een jongen uit onze polders opgerezen tot de groote mannen te mogen rekenen, als de vreemdeling ons daartoe genadig verlof geeft. Bovenstaand getuigenis is echter geen genadig verlof; het is een royale erkentenis van onzen grootsten vijand en tegenstander ter zee: den Engelschman, tegen wien Tromp gesneuveld is, en tegen wien zijn zoon Cornelis met de uiterste verbittering gestreden heeft. En met dezelfde royaliteit erkennen de Engelschen, dat Maerten Harpertsz. Tromp in menig opzicht de leermeester en het voorbeeld der Britsche bevelhebbers is geweest. "Nog heden ten dagen (worden zijn) bekwaamheden en heldendaden zoo hoog in Groot-Brittanje geschat, dat men gemeend heeft, te midden der lofspraak op de vroegere en latere Engelsche zeelieden, aan zijn verdiensten een opzettelijke hulde te mogen bewijzen, en men hem waardig heeft geacht zijn beeltenis nevens die der Britsche zeelieden in de galerij te Greenwich op te hangen."
Dat Tromp een uitnemend zeeman was, weten wij nog uit de dagen van zijn gevangenschap in Tunis. Werkelijk, de Bassa van Tunis heeft getoond een scherpzinnig opmerker en een goed menschenkenner te zijn. Maar.... een goed menschenkenner moest ook de nieuwe opperbevelhebber zijn. Niet alleen moest hij bekend zijn met de listen en streken der kapers, maar ook en vooral met de lastige karakters van zijn kapiteins en den niet gemakkelijken aard van het Nederlandsche zeevolk. Witte de With, óók een uitnemend zeeman en als krijgsman zeker onverschrokkener dan Tromp, meende dat men het met bootsvolk zoowel als met gezagvoerder best en al heel spoedig klaar kon spelen door een grooten mond open te zetten, te grieven en te beleedigen en vooral de fouten en gebreken te zien en daarover aan te gaan en op te spelen. Hij heeft zijn doel gemist. Hoezeer hij in den zeeslag door zijn onstuimigheid kon meeslepen en zijn jongens bezielen tot daden van voorbeeldeloozen moed en stoutheid, altijd kwam dat al sterker wordende gevoel van onwil tegenover hem weer boven, en het groeide aan tot haat. Nooit is dat scherper uitgekomen dan in den Eersten Engelschen Zee-oorlog, toen, nadat Tromp voor een wijle in ongenade gevallen was, Witte met het opperbevelhebberschap werd belast. Toen weigerden de schepelingen van Tromp's vaartuig Witte aan boord te nemen, en dreigden zelfs de sloep waarin hij zich bevond in den grond te schieten. Ja, gedurende het gevecht, dat toen met de Engelschen aan den gang was, weigerden ook andere schepen hem als bevelhebber op te nemen.
Een geheel andere handelwijze volgde Tromp. Ook hij wist wat bevelen was, en kon, waar het noodig bleek, ook zelf de handen uit de mouw steken. Hij was het, die altijd ongedekt in het midden van den strijd op de gevaarlijkste plaats van het geheele schip stond, maar toch geen waaghals was. Hij was het, die volgens een bepaald plan handelde, die alle kansen vooruit naging, alsof het leveren van een zeeslag het oplossen van een moeilijke som was. Hij was het, die den oorlog ter zee tot een wetenschap maakte, en daarom een reeks van leerlingen heeft kunnen opkweeken, die zijn werk voortzetten en voltooiden, toen hij reeds gestorven was. Hij was een bevelvoerder, die, getuigt een tijdgenoot "zijn ontzag geheel wist te behouden". Maar met al zijn groote gaven van verstand, was hij een mensch met een hart, die wist wat een ander mensch toekwam. Hij zag het goede, en daarvoor verbleekte het kwade. Hij zag den wil, en dan was de onwil onmacht geworden.
Wij hebben het reeds gezegd, toen wij vertelden van zijn verblijf aan boord van den zeeroover die zijn vader had vermoord, hoe hij in de ellende van zijn jonge jaren de waarde had leeren kennen van een goed woord. Dat woord heeft Tromp nooit achter gehouden, en het bleek een tooverwoord. Het bootsvolk heeft dat ontzag voor hem gekregen, dat van oude tijden her voor de leden van een huisgezin bij den man berustte, die de natuurlijke beschermer en de beste vriend zijner huisgenooten is: de vader. En het bootsvolk is het ook geweest, dat aan Maerten Harpertsz. Tromp op ongekunstelde en eerlijke wijze den naam van Bestevaer gegeven heeft.
Het lastigst viel het de zeekapiteins onder de ééne leiding van den opperbevelhebber te brengen. Gehéél is hem dat niet mogen gelukken. Trouwens nog onder Michiel de Ruijter was het de eigen zoon van Tromp die een enkele maal terugviel in de oude zonde van naar eigen inzicht in den strijd te handelen. Doch Tromp hield onwrikbaar vol. Hij had als opperbevelhebber het recht een scheepskapitein, die zijn bevelen niet opvolgde, desnoods te straffen of tot ontslag uit den dienst voor te dragen. Het openbaar verzet en de openbare tegenwerking moesten dus wel verborgen worden gehouden of zelfs verminderen. Maar.... de stille tegenstand wies daardoor in kracht. Wij zullen er weldra een woord aan wijden, hoe Tromp beschimpt en gesmaad werd, hoe men al z'n best deed, om zijn moed en geestkracht af te tuigen, ja, niet schroomde hem te grieven in zijn oude moeder. Voor dat opzetten van een plan, dat behandelen van den zee-oorlog als een wetenschap, was wel het allerminst de man te vinden, die onmiddellijk in rangorde op hem volgde, nl. de vice-admiraal Witte Cornelisz. de With. Het is tusschen die twee een enkele maal hoog uitgeloopen. We hebben dat elders breedvoeriger besproken en verwijzen daar naar. [1]
Hebben we in het voorgaande getracht ten minste iets te doen gevoelen van de moeilijkheden, waarmede Tromp te maken kreeg en welke hij te overwinnen had,--naar al die dingen vroegen de kustbewoners niet. Zij hadden in zooverre hun zin, dat er een pekbroek aan het hoofd der vloot stond. Nu moest die pekbroek er in de eerste plaats voor zorgen, dat de Duinkerkers verslagen werden. Want het was volkomen waar, wat een geschiedschrijver heel eigenaardig uitdrukte: "Hij quam in een tijdt, in de welcke hij niet behoefde ledigh te staen, vindende een zee vol Duynkerksche roverij en het dreygen van een oorloghsmacht uyt Spangien".
Doch ook dat afstraffen der Duinkerkers had niet dadelijk plaats. Geen wonder. Het instrument, waardoor deze afstraffing moest plaats hebben, was onze zeemacht, die als het ware op nieuwe grondslagen opgebouwd, tenminste door en door hervormd moest worden. Nu wij zoo eenigszins op de hoogte zijn van de bezwaren, welke de nieuwe opperbevelhebber moest te boven komen, kunnen wij werkelijk niet anders dan ons er over verbazen, dat reeds den 18den Februari 1639, dat is dus slechts vijftien maanden nadat hij voor het eerst als de opperbevelhebber was uitgezeild, voor de haven van Duinkerken een schitterende overwinning op die beruchte en zeer ervaren kapers behaalde. Hij had toen slechts elf schepen onder zijn bevel, terwijl de macht der Duinkerkers uit twintig schepen bestond. En.... het was de voorzichtige Tromp niet, die zijn kleinere macht tegen een grootere waagde, maar het waren de stoutmoedige kapers, die hem aanvielen, en dat wel met te meer stoutheid en verbittering, omdat hij hun in den weg lag. Zij moesten naar Spanje, waar groote dingen tegenover ons land werden voorbereid, en nu moest door de Nederlandsche zeemacht heengeslagen worden. Acht uren achtereen duurde deze bloedige en verschrikkelijke worsteling. En voor het eerst na vele jaren behaalde de Nederlandsche zeemacht een overwinning, waarvan de mare langs de zee ging en groote vreugde in ons land verwekte. Teruggejaagd waren de kaperschepen in de haven van het roofnest. Maar niet alle! Want het schip van hun vice-admiraal was op het strand geworpen en in vlammen opgegaan, en, groote glorie, met twee van de zwaarste schepen der Duinkerkers kwam men als een al te lang gemist zegeteeken naar de vaderlandsche havens terug.
Dat gaf een gejuich! Tromp kreeg een gouden keten met medaille en, zegt de kroniekschrijver, de waarde daarvan was tweeduizend gulden. De Commandeur Banckert kreeg een dergelijk geschenk ter waarde van achthonderd, en ieder Hopman een van vierhonderd gulden, terwijl bovendien de twee schepen met geschut en al, en gelijk die reilden en zeilden, aan bevelhebber en kapiteins "tot een premie en vergeldingh gelaeten" werden, behoudens het deel dat van den buit aan den Prins toekwam.
Nog in hetzelfde jaar zouden de geruchten van "het dreygen van een groote oorloghsmacht uyt Spangien" tot een angstaanjagende werkelijkheid worden. Een groote Spaansche vloot kwam aangezeild, alsof het een herhaling gold van den aanslag op de Engelsche en de Nederlandsche onafhankelijkheid door de Onoverwinlijke vloot, nu een halve eeuw geleden. Maar de Engelschen behoefden zich nu niet angstig te maken. Die waren goede maatjes met de Spanjaarden. Mochten, gelijk voor een-en-vijftig jaar, wederom de stormen opsteken om de trotsche schepen der aanvallers te verstrooien, dan zouden er nu schuilplaatsen te over zijn. De Engelsche havens konden veilige ankerplaatsen aanbieden, en dan was Duinkerken er nog. De Duinkerkers zelve geleidden de vloot, en, omdat Tromp met dertien schepen bij kaap Bevezier lag te wachten op wat er uit het Kanaal zou komen opdagen, Witte de With met vijf schepen omtrent de Cingels kruiste en Banckert met een dozijn bodems de haven van Duinkerken in het oog hield, was de Noordzee eigenlijk geheel aan den durf en de stoutmoedigheid der beruchte kapers overgeleverd, die wel een middel zouden vinden uit te breken of al vooraf uitgezwermd waren. Zoodat in die benauwde dagen de Nederlandsche koopvaarders en visschers maar liever niet uitliepen. Bovendien hadden de Spanjaarden nu geen admiraal van goud, die, als 't er op aankwam, in een bomvrij kamertje zou wegkruipen. Het leek wel, alsof men in Spanje profijt getrokken had van de gevoelige lessen, door den ondergang der Onoverwinlijke vloot ontvangen. Zelfs--maar hiervan konden de Nederlanders niets zekers afweten--was de Spaansche admiraal d'Oquendo niet van plan de Nederlandsche schepen zonder noodzaak aan te vallen. Het doel van den tocht was in hoofdzaak het transport van een aanzienlijken troep landsoldaten naar Vlaanderen, opdat, van de Zuidelijke Nederlanden uit, een krachtige oorlog te land zoowel tegen de Franschen als tegen de Noord-Nederlanders gevoerd zou kunnen worden.
Het moet een ontzagwekkende aanblik voor de zeerobben van Tromp geweest zijn, toen zij daar die wolk van zeilen zagen oprijzen uit de zee. Die macht van zeven-en-zestig schepen, waarvan het admiraalsschip alleen niet minder dan zes-en-zestig, terwijl de geheele vloot zeventien honderd kanonnen voerde, met zijn dertien bodems aan te vallen, leek Tromp een onzinnige waaghalzerij. Dreef de wind de ontzaglijke Spaansche vloot het Kanaal in, met dienzelfden wind dreef Tromp achterwaarts, maar dat leek wel op het angstwekkend terugtrekken van een alles behalve gemakkelijken waakhond, die met omgekrulde bovenlip zijn blikkerende tanden laat zien, en zijn oogen schijnen het gunstige oogenblik van den aanval te bespieden. Het waren werkelijk geen saluutschoten, waarmede de berekenende admiraal den Spanjaard had ontvangen, en deze voelde zich al dadelijk genoopt de uiterste omzichtigheid in acht te nemen, al kon men wel even glimlachen over het kleine getal der schepen van den vijand. En nu de Spanjaard ze met de oogen telde, kwam hij niet eens meer tot het getal dertien. Dadelijk toch had Tromp een zijner kleinste en vlugst zeilende schepen met den gunstigen wind Oostwaarts heengezonden om Dubbel Wit en vervolgens Joost Banckert op te zoeken, en tot herkenning van de plaats waar hij zich bevond, loste hij elk half uur een seinschot.
Het is overbekend, hoe de onstuimige Dubbel Wit dadelijk naar die plaats heenprangde, nu reeds alle bezwaren van wind en wat er verder nog ongunstig voor hem mocht zijn of mocht komen licht tellende; hoe hij bij Tromp aan boord klauterde, en maar één raad zoowel als één woord had: "aanvallen!" en eindelijk hoe hij zich als 't ware dwars tusschen de Spaansche schepen inschoof, en zoo geweldig te keer ging, dat zijn vaartuig als in vlammen en rook opging en zelfs het achtergedeelte in de lucht vloog. De onzen hadden hem al verloren gegeven, maar dat moest men bij Dubbel Wit niet spoedig doen. Zoo heet kon het niet toegaan, of hij wist er wel uit te komen, welteverstaan, als hij zijn vijanden zooveel gegeven en het hun zoodanig benauwd gemaakt had, dat zij blij waren dezen woedenden zeeleeuw te ontkomen en niet door of met hem in de lucht of naar den kelder gegaan te zijn.
Verbrand, besmeurd, hinkende en ontoonbaar--maar altijd nog met die felle oogen stekende en priemende en verschrikkende, meldde hij zich bij den admiraal aan. Het was in deze oogenblikken, toen alles in Dubbel Wit nog woelde en bruiste en kookte, dat Tromp een snauw kreeg van zijn vice-admiraal, dien hij--hoe zou Witte hem dit ooit hebben kunnen vergeven!--ééne enkele maal van gebrek aan moed verdacht had. Vóór den slag had Tromp, de hand uitstrekkende naar de Spaansche vloot met haar honderden en honderden kanonnen zich rijende naast en boven elkaar, gesproken van "een ijzeren berg", dien men te bestormen zou hebben, en hij, die de verantwoordelijkheid droeg voor al de menschenlevens op zijn vloot, en die verantwoordelijkheid ook gevoelde, had het ernstige met vele diepe rimpels doorploegde gelaat en de oogen, waaruit in zulke oogenblikken iets scheen te spreken van het vele leed dat hij in de wereld aanschouwd had, tot zijn kapiteins gericht. Mocht men met een geringe macht zulk een overmacht aanvallen? Was het soms geen overmoed, in plaats van een kalmen mannenmoed, een groot deel van de Nederlandsche zeemacht te wagen aan een totale vernietiging? "Aanvallen! áánvallen!" had eerst bits, toen haast sarrend het woord van Dubbel Wit geklonken. En zweepgeknetter bitste in zijn kort uitgestooten klanken: dat hij in 't vaderland niet voor schelm wilde opgehangen worden, en.... wie hier week, was immers een schelm, een landverrader, een onwaardige op de vloot? Toen.... wàs het geschied. En nu.... zoo ontoonbaar als hij er uitzag, bijna zich niet meer staande kunnende houden en tòch den kop rechtop, de felle oogen àl maar brandende op den admiraal, en op zijn beurt de hand, nog licht trillende van de overmatig zware inspanning, uitstrekkende naar de Spaansche schepen, smeulende, en in verwarring zich terugtrekkend--nu flitste het van zijn lippen: "Heb ik den metalen berg gevreesd, admiraal?"
Wij weten het antwoord van Tromp op deze sarrende vraag niet. Wij kunnen ons voorstellen, dat het rustige oog zich niet nedersloeg. Want terwijl Dubbel Wit als een ontploffing te midden van de Spaansche schepen--welke toch slechts een gedeelte der gansche schepenmacht vormden--nederstortte, schrik en ontsteltenis rond zich verspreidende, maar toch in een kring die beperkt moest blijven, had de admiraal, die altijd rekende en berekende en zijn best deed de som zoo op te lossen als hij zich dat vooruit had voorgesteld, het geheel in het oog genomen. In die som was de onstuimigheid van Dubbel Wit een groote en machtige factor geweest. Dankbaar had Tromp er van gebruik gemaakt, en het opgenomen in en gesteund door zijn groot plan. En nu de som opgelost was, en voor de twaalf plus vijf schepen der Nederlandsche zeemacht de reusachtige Spaansche vloot wel niet vluchtte maar toch terzijde poogde uit te wijken--nu hadden àl de factoren van dat groote rekenvraagstuk, van den kleinen kajuitsjongen die precies gedaan had wat hem was bevolen, tot admiraal Dubbel Wit die een schitterende heldendaad verricht had waarvan men nog na eeuwen zou spreken, hun werking verricht.
Maar al zei hij het niet, omdat hij stil van aard was en niet uitbundig,--de man, die thans de hand toestak aan admiraal Dubbel Wit en, omdat hij zelf een held was, een warm woord van bewondering voor den driftkop moet hebben overgehad, hij, de aanvoerder, de leider, de schepper van die eigenaardige manier van strijden, welke eerst bedenkt en dan doet, hij, Maerten Harpertszoon Tromp was de overwinnaar.
NEGENDE HOOFDSTUK.
DE DAGEN VAN DUINS.
Dit eerste gevecht met den vijand had plaats gehad op den 16den September. Niet zonder kleerscheuren waren wij er afgekomen, want een van onze schepen, de Groote Christoffel geheeten, was in de lucht gesprongen, en slechts één matroos was er afgekomen. Wouter Pietersz. heette dit gelukskind, die zelf op den 21sten September van deze gebeurtenis "bericht aan de Staet gedaen heeft".
Intusschen had d'Oquendo het met klein zeil om de Noord naar de Cingels gezocht, en wij bleven niet achter. Wij deden al ons best om den uitwijkenden vijand zooveel mogelijk te verontrusten, waarin wij niet altijd konden slagen. Zoo was het den 17den September doodstil weer en mistig; maar nauw klaarde het 's avonds om elf uur wat op met Zuid-Westen wind, of Tromp liet de ankers lichten en joeg den vijand achterna. Om geen vriend met een vijand te verwarren, had Tromp bevolen, dat op verschillende deelen der vaartuigen vuurpannen haar donkerroode vlammen over de zee zouden laten sidderen en trillen, een prachtig en toch angstaanjagend gezicht. Om 1 uur 's nachts had men den Spanjaard te pakken, en men liet niet los, den heelen nacht door niet. Want men bevond zich al bij de Engelsche kust. En wanneer de Spanjaard daar een toevluchtsoord vond, moest men vooreerst "hands off" houden.
Toen het in den morgen van den 18den September begon te dagen, werden in de verte verscheidene zeilen opgemerkt, die naar de kampplaats schenen te komen. Weldra had men ze verkend als de schepen van Joost Banckert. Een groote vreugde doortrilde de onzen. Dat was een aanwinst van twaalf schepen en van een troep versche lieden, die, onder hun dapperen Commandeur, brandden van begeerte om van de partij te zijn. Met verdubbelden ijver zette men nu de vervolging voort.
Die jacht en het voortdurend gevecht met den Spanjaard duurde tot 10 uur, "wanneer de Spaenschen in Duyns liepen, achterlaetende een Galleoen met een ander Schip, die veroverd wierden". Na een krijgsraad werden beide prijzen meegenomen naar Calais, waarheen de vloot zeilde om kruit en lood op te doen, omdat men daar gebrek aan had gekregen. Vervolgens werd admiraal Dubbel Wit gelast met de veroverde schepen naar het vaderland te zeilen, "en de gevangens met de gequetsten mede te nemen". Admiraal Tromp stak nu weer naar Duins over, om te wachten tot de Spaansche vloot die veilige reede zou verlaten.
Wat er toen gebeurd is, wel dat is gelukkig nog zoo algemeen bekend, dat we hier volstaan kunnen er even aan te herinneren, hoe het bericht dat de Spanjaard naar de reede van Duins was gejaagd, een groote beweging in ons land veroorzaakte. Daar moest men bij zijn! En toen ontplooide zich een energie bij ons anders zoo kalm en dikwijls langzaam volk, dat we er nu nog het hart warm van voelen kloppen.
Die schepen die als vanzelf van stapel loopen, die masten die zienderoogen opwassen waarheen men ook den blik wendt, dat scheepsvolk dat als het ware uit de lucht in die zich al voortspoedende schepen komt neerduikelen. En die Noordzee zelf vol blanke zeilen, wapperende wimpels, vol vroolijk gerucht van jonge, opgeruimde maats.... gants felten, ge loopt gevaar om er met den tijdgenoot een bijzondere beschikking in te zien, dat de wind aldoor uit den Oosten woei, waardoor dat toesnellen van al maar meer schepen bij voortduring mogelijk bleef, en weldra de dertien schepen, waarmede Tromp den vijand bij Bevezier voor het eerst ontmoet had, tot bij de honderd waren aangegroeid, nu de Spanjaard op de veilige ree van Duins weg bleef schuilen.
Er werd in die dagen heel wat over gesproken, hoe men zich in dit geval zou te verhouden hebben tegenover Engeland. Op de reede van Duins verhieven zich drie batterijen, en bovendien was de Engelsche vlootvoogd Pennington "met zeventien Koningsschepen uitgekomen, en verkondigde, dat men zich ter wederzijden van vijandelijkheden had te onthouden..... Dat hij, die zich er het eerst aan schuldig maakte, de vijand van Groot-Brittanje zou zijn, en als zoodanig behandeld worden."