Maerten Harpertsz. Tromp: Een zeemanszoon uit de 17de eeuw
Part 11
Doch Tromp had nog geen plan op een zeegevecht. Zelfs na de vereeniging met Witte zou onze vloot, wat getal en sterkte van schepen betreft, nog beneden die van de Engelsche blijven. Zonder noodzaak wilde Tromp dus zijn geringe macht niet in strijd brengen met een overmacht. Evenals bij den meesterlijken terugtocht tijdens den Driedaagschen Zeeslag, liet hij zijn vloot nu weder in den vorm van een halve maan zeilen, en stevende met den wind Zuidwaarts.
Toch zou het tot een strijd komen. Doordat eenige zijner schepen,--niet zulke goede zeilers als de overige--door de Engelschen ingehaald waren, moest hun bezit wel aan den vijand betwist worden. Tromp had toen niet geaarzeld, maar het ging verdedigender wijze, zooals bij het aannaderen der Spaansche vloot in 1639, zooals tegen de overmacht van Blake op den 2den Maart van ditzelfde jaar 1653, toen hij, met even vijf-en-twintig schepen zichzelf en den onmogelijk grooten ballast van weerlooze vaartuigen had te verdedigen. Inderdaad, de voorzichtige, beleidvolle Tromp zou de vrucht van zooveel opoffering en geestdrift, zou onze met groot nationaal gevoel uitgeruste vloot niet in een oogenblik van dwaze opwinding aan onze machtiger en beter uitgeruste vijanden ten geschenke geven. Men kon daarop gerust zijn in den lande.
Men kòn.... maar men wàs dat niet. Toen op dien Vrijdag, den 8sten Augustus, van den namiddag af tot na zonsondergang toe, het onophoudelijk gerommeld had van uit de zee--en een donderbui was het niet, daarvoor had men in dezen zee-oorlog te goed het onderscheid tusschen ver kanongebrom en het rollen van den donder leeren kennen!--was er een groote onrust gekomen over de bewoners der kust. Had de vijand de onzen aangegrepen? Werd nu het eene deel der met zulk een krachtsinspanning uitgeruste vloot vernield, terwijl het andere nog werkeloos op de reede van Texel lag?
Hierover waren--aldus lezen we in een handschrift, dat eigenlijk weergeeft wat Witte zelf van de zaken dacht--de gedeputeerden of afgevaardigden van de Staten zeer ontsteld. Zij bevonden zich op de reede van Texel en ontboden nu de loodslieden, om de zes-en-twintig schepen dien nacht uit te brengen. Maar de loodsen "hadden daartoe geen moed," omdat de wind West ten Noorden was, waardoor het uitloopen bij al die droogten en ondiepten zoo gevaarlijk was voor uitzeilende schepen.
Toen toonde Witte, dat hij evengoed een scheepsmacht naar buiten kon loodsen, als er mee door den vijand heen slaan.
Een uur na zonsondergang had hij afscheid van de gedeputeerden genomen, en beval nu dat zestien à achttien visschersbooten met lantaarns zouden vooruit zeilen, om zich in dien nacht ter weerszijden van de droogten in het vaarwater van Texel op te stellen. En nu, door dezen loods uitgebracht, bereikten 's lands schepen, op slechts één na, dat aan den grond geraakte, het ruime sop.
Den volgenden dag, den 9den Augustus, had Witte in den namiddag den vijand in 't gezicht gekregen, en des avonds zich met den admiraal vereenigd, waarop de Engelschen zich afwendden en door de onzen gedurende dien nacht onder klein zeil vervolgd waren.
In den morgen van den meergemelden 10den Augustus was het goed weer met Zuid-Westen wind. Witte liet zich aan boord roeien van het admiraalsschip. Een kort gesprek volgde tusschen deze twee mannen, die jaren lang samen gestreden hadden tegen de vijanden van het land, al hadden zij bij wijlen zèlf als vijanden tegenover elkaar gestaan. Toen namen zij afscheid.
Ieder van hen wist, dat dit voor de laatste maal kon zijn. Beiden waren ze schier van den kinderlijken leeftijd er aan gewoon telkens en telkens weer den dood onder de oogen te zien; beiden ieder oogenblik bereid om te sterven. En het zou thans voor de laatste maal zijn, dat zij van elkander gingen. Witte om, als altijd, "zijn plicht te doen," áán te vallen en zich te werpen daar, waar het gevaar het grootst was. En de andere... om te sterven voor zijn "lieve vaderlant."
Ze waren gewoon geraakt aan dit denkbeeld, de vlootvoogden uit onze groote zee-oorlogen! Nog dezen zomer, toen Tromp voor een wijle het Kanaal "schoon geveegd had" van den vijand, was, tijdens een heftigen aanval, dien hij van twee zijden tegelijk had uit te staan, omdat hij tusschen twee Engelsche bodems lag ingesloten, zijn secretaris vlak naast hem doodgeschoten. En was niet, nu al zoo lang geleden, zijn vader stervend neergezonken langs zijn zijde? Zooals altijd nam hij rustig zijn plaats in op de hooge kampagne, waar hij, evenals Maximiliaan van Buren en de ijzeren graaf van Mansfeld, staande "gelijk in een Overste behoorde," zou sterven.
Met geheel zijn verstand bij den strijd, leidde Bestevaer Tromp ook thàns den aanval en sloeg met onze schepen door de linie der Engelschen heen. Toen werd de steven gewend, om dit nog eens te ondernemen. Op dit oogenblik was het vaartuig van den admiraal, dat later in het Noorden onder den nooit verwonnen admiraal Dubbel Wit verzinken zou in de zee bij Elseneur, zoo dicht het schip van den Engelschen vlootvoogd Monk genaderd, dat van daar musketvuur op de onzen geopend kon worden. Rondom kraakten en donderden de kanonnen. Vervuld was de zee van al het geweld dezer twee strijdende machten. Daarin ging wel het nijdig geknetter van eenige musketten verloren. Toch.... één dier kleine kogels zou het pleit van dezen dag beslissen. Plotseling ziet men den admiraal wankelen en de handen uitstrekken als om steun te zoeken. IJlings vangen zij, die zich in zijn nabijheid bevinden, hem op. Maar reeds zakt hij stervend in elkaar. Een bewegen van de lippen,... een omvatten van een lang heldenleven in drie woorden: "Ik heb gedaan...." Dàn, nog eens, en nu voor de laatste maal, een opwekking om nooit dàt te verliezen, wat hij nooit verloren heeft, hetzij hij als kind over zijn vermoorden vader heenboog, als voetveeg van zeeschuimers verre van zijn moedertje heen zwierf, als Christenslaaf voor een despoot stond, als matroos en bevelhebber den vijand het manlijk gelaat toekeerde: "Houdt goeden moed!" En dan, zieltogende reeds, een opdragen van vaderland en ziel aan den Eeuwige.... Toen was een onzer edelste mannen gestorven.
En,... als wij waardig werden geacht, om, niet op de hoogte des heuvels, maar op den hoogen achtersteven van het ouderwetsche schip te klimmen, en, als Hur en Aäron, bij die bede, om toch goeden moed te houden, de armen van den stervenden admiraal te ondersteunen waar hij ze ophief naar den hemel,--daar zou het zijn, opdat er macht uitging van het stervenswoord van Bestevaer Tromp, macht.... voor het jonge Nederland, ach! dat toch moet blijven gelooven en vertrouwen, en niet het minst in zichzelf!...
Helaas, de krans der victorie kon niet aan de lijkbaar van Maerten Harpertsz. Tromp gehecht worden. Wel trachtte men den dood van den admiraal voor de onzen geheim te houden, maar de bevelvoerders, die er mede bekend werden of moesten worden, waren niet in staat zoo onverwacht de algemeene leiding op zich te nemen, gelijk Bestevaer Tromp dat zelf vermoogd had te doen na den dood van Piet Hein.
Met veel heldenmoed werd er door velen der onzen, door Dubbel Wit, Jan Evertsen en De Ruijter gestreden, doch vele kapiteins gingen op de vlucht en trachtten onze havens binnen te vallen. Witte maakte zich daarover in die mate boos, dat hij met scherp op deze lafaards deed schieten. Het hielp altemaal niet. De slag bij Terheijden was een nederlaag meer voor ons geworden. De dag was verloren, die met klokkenklank was begonnen en met geweeklaag moest eindigen. Maar het pleit voor het karakter van ons volk, dat de rouw over den dooden admiraal inniger was, dan de rouw over den verloren slag. Het laatste verlies kon hersteld worden.
Het zat er bij ons te diep ingeworteld, dat we wèl voor de tegenspoeden, maar niet voor de Engelschen geweken waren. Daarom konden we met eenige zekerheid een beteren tijd afwachten, die--we geloofden het voor vast--komen zou. Maar de goede vader van onze kinderen der zee.... dat hij gestorven was, het wekte een droefheid op door geheel het land. "Ach!" riep Michiel de Ruijter, "dat ik gestorven ware voor Bestevaer!"
Die bede, getuigend zoowel voor het goede hart van den meester als van den leerling, was niet vervuld. Michiel Adriaensz. de Ruijter zou blijven leven, om het werk van zijn meester te voleindigen, ja, het schitterend van glans en glorie over te brengen tot het verre nageslacht.
ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.
TER UITVAART.
En nu was er rouw in het vaderland. De Staten van Holland brachten den 2den Augustus hun "compliment van condoleantie" aan "de naeste Vrunden ofte Gallieerden van Tromp," en den 14den Augustus aan zijn weduwe. Den 13den Augustus werd er besloten, dat aan Tromp "voor ordre ende tot kosten van desen Staet" "een honorable Begrafenisse" zou worden "aengedaen," en dat er, hem ter eere, een Tombe zou worden opgericht "soodanig als de voorsegde Daden en Exploieten zijn meriteerende." Ja, niet alleen zou de Compagnie Guarden van Hun Edel Groot Mogenden te voet aan de begrafenis deelnemen, maar de "Heeren" zouden ook "de laetste uytvaert assisteeren" van den man, die, zooals het Schotschrift eenmaal zeide, maar van "sulcken volckje" was.
De bewoners van Rotterdam vierden op een zeer eigenaardige wijze zijn uitvaart. Heerschte er ergens in de Republiek droefheid en ontsteltenis over den dood van Bestevaer, dan was het wel in deze stad, welke van zijn zesde jaar af zijn woonplaats geweest, en dus innig verbonden was aan het rijke leven van den zeeheld.
Nu zijn de Rotterdammers nooit van de gemakkelijksten geweest, als het er op aankomt. En toen, slechts eenige dagen na den dood van den in Rotterdam zoo gevierden held, een Engelsche vrouw daar ter stede "kwalijk" van hem sprak, ontstond er al heel gauw een oploop en werd haar huis geplunderd.
Niet in Rotterdam, waar hij gewoond en waar hij oorspronkelijk zelf in de St. Laurenskerk grafsteen no. 103 had aangewezen om zijn laatste rustplaats aan te duiden, en ook niet in Den Briel, waar hij geboren was en het grootste deel zijner weinige jeugd-jaren aan wal had doorgebracht,--maar in de Oude Kerk van Delft werd Maerten Harpertsz. Tromp begraven. Vermoedelijk, omdat daar zijn vrouws familie woonde, en in elk geval heeft een vriendelijke beschikking den twee vrienden van vroeger een graf niet ver van elkaar toe bedeeld. Met warme hoogachting toch was Tromp altijd zijn vroegeren beschermer, den admiraal Piet Hein, blijven herdenken, den eersten "peckbrouck" die ons zeewezen had moeten hervormen, maar die, na slechts twee maanden den admiraalstitel van Holland en West-Friesland gedragen te hebben, voor Duinkerken was gesneuveld.
Een eigenaardig bewijs, hoe Tromp de nagedachtenis van Piet Hein bleef vereeren, spreekt wel uit een testament van 1634 voor den Brielschen notaris Johan de Bruijne door den toenmaligen zeekapitein verleden. In zijn geslacht, zoo heette het aldaar, moest een medaille aan een gouden ketting bewaard blijven, hem vereerd, "over sijne Dyensten den lande gedaen als Capiteyn ten Tijde den Admirael Pyet Heyn op sijn Schip geschoten is geworden." Op die medaille stond aan den eenen kant "t' vidimus van Sijne Extie Fredrick Hendrik ende aend' ander sijde secker gedicht, luijdende aldus: Geen Pronck van Goud, maer clouckheijt stout, op Dolle baren, Beërft de Eer, van Hollandts Heer, Door 't Oorlochsvaren."
De nabijheid dier twee graven liet ook niet na de aandacht te trekken van prof. Anthonius Thysius, die op den 21sten September 1653 in "de vermaerde Leydtsche Academie" de lijkrede over Tromp uitsprak. "Soo eenighe gedachtenisse den overleden raeckt, soo en heeft hem ghelyck ick geloof niet aengenaemer kunnen gebeuren, als nevens dat graf te rusten, daer de beenderen van den manhaften Pieter Pieters. Heyn liggen, opdat sy, die eertijds t' samen hadden gevochten, oock omtrent de selve plaets souden liggen."
Maar hoe zouden wij ons na zooveel jaren kunnen verplaatsen in den rouw eener natie? Zelfs niet eens immers in dien der weduwe of in dien der kinderen van den admiraal! Neen, ik wil slechts nog even uw aandacht vestigen op een oud vrouwtje, dat daar stillekens en als vergeten neerzit, met de verschrompelde handen gevouwen in den schoot, die arme, oude handen, waarmee ze gewerkt had voor haar kinderen, jaren en nog eens jaren geleden, in de bange dagen, toen haar kloeke Harpert het zeegat was uitgevaren met haar oudsten zoon aan boord, om nooit, nooit weer terug te keeren. O, wat had ze toen in de stilte van den nacht van den God haars bijbels afgesmeekt, dat zij nog eenmaal ten minste haar kind, haar jongen, die al van zijn achtste jaar af haar van het hart was gescheurd door dat booze verlangen naar de blauw-groene wateren der zee,--dat zij nog eenmaal haar oudsten zoon, den vroolijken, blozenden Maerten mocht terugzien.
Die bange, bange dagen.... God had ze weg doen stuiven als nevelen voor het zonlicht. De Heere had haar den kloeken echtgenoot ontnomen.... maar het was toch zoo moeilijk niet geweest als zij gedacht had in den gruwelijken tijd van onzekerheid en al maar hopen tegen beter weten in, om met den beproefden Job te zeggen: "De Heere heeft gegeven, en de Heere heeft genomen; de name des Heeren zij geloofd!" Want haar kind was gespaard gebleven en haar teruggegeven. Wat een flinke jongen was hij geworden! Wat al plannen maakte hij, om nu in vaders plaats voor haar te zorgen! Alsof zij thans aan haar toekomst dacht, nu zij diep in zijn oogen keek, als wilde ze in zijn ziel lezen, om te weten wat haar kind geleden, en hoe hij aan haar gedacht had in de ellende.
En later?...
God had haar wel begenadigd. Haar jongen, eenmaal de voetveeg eens zeeschuimers, was de roem geworden van zijn vaderland. Wat een trots, wat een trots voor dat oude moedertje! Iedereen moest het weten, wat haar jongen als kind gezegd en gedaan had. En wel zal den admiraal vaak een glimlach over het gelaat gevlogen zijn, als hij, die zoo nederig over zichzelf kon denken, moest aanhooren, wat zijn oude moeder van hem dacht. En waar hij, de Nederlandsche zeeman, wel eens met andere oogen al dat klatergoud aanzag, waarmede men zijn burgerlijken naam dacht te vereeren, daar mocht hij toch wel eens voor zijn oud moedertje er de stralen van Gods lieve zon in laten weerspiegelen...
Nu zat zij daar stil in haar hoekje, de oude, afgeleefde vrouw. En haar lippen stamelden wel weer de woorden van Job na. Maar ze dacht aan den ouden Simeon, die sterven mocht, toen zijne oogen de heerlijkheid des Heeren hadden aanschouwd. Ze had het altijd wel jammer gevonden, dat hij den Heiland niet zelven aanschouwd had, die opgegroeid was uit dat kindeke. Ja, zij, die zooveel geluk gezien had, ze moest dat wel jammer vinden, zij met haar zondig hart. Want was het geen zonde, om aan de beschikkingen des Heeren iets, hoe gering ook, af of toe te doen? Maar nu had ze het begrepen, en ze prees den grijzen Simeon gelukkig, die de heerlijkheid aanschouwd had in dat zalige kindeke, niet in den armen, jongen Heiland, die doodbloedde aan een kruis. En ze dacht aan dat kruis, waaraan, zoovele eeuwen door, het gebroken menschenhart gedacht heeft. Maar toen moest ze wel denken aan Maria... Neen, zij, arm, nederig vrouwtje mocht toch niet meer zijn dan de moeder van den Heiland, die geleden had naar de ziel meer dan een menschenkind machtig is te vermelden. En ze heeft gelezen, telkens en telkens weer gelezen in dat groote, dikke boek, waarnaar men meer grijpt in de dagen der smarte, dan wanneer de Heer ons zegent.
Maar--al wilde ze pogen te berusten in den ondoorgrondelijken wil des Heeren,... haar jongen vergeten, die door de Engelschen vermoord was, dat kon ze niet, dat kòn ze niet!
Arm, oud moedertje van Maerten Harpertsz. Tromp!...
En dof luiden de klokken van Delft, waar de doode Vlootvoogd rusten zal. En waar wij den langen lijkstoet zien opgaan naar de doodenstad van Nederland--daar spellen wij nog eenmaal den naam van den held, met wiens lotgevallen wij ons zoolang bezig gehouden hebben. Kind van de fortuin als weinigen, hebben zijn oogen de breede schaduwen des levens aanschouwd. Uit burgerlijke ouders geboren, hebben koningen hem hulde gebracht. Was zijn hart vervuld van liefde voor het Huis van Oranje, gelijk bij zoo menigen Nederlander die uit het volk geboren is,--een Jan de Witt weeklaagde over zijn te vroegen dood. IJverig Calvinist en vriend der streng Contra-remonstrantsche predikanten, werd hij met een grafschrift vereerd door niemand minder dan Vondel, den vijand dier ijverende geestelijken, den man, die niet huichelen kon, al moest hij er vrienden en vereerders door verliezen. De afgod zijner matrozen, wier Vader hij heette, was hij een lieveling der burgerij. Den Engelschman hatende, zooals de zeeman dier tijden dat deed, werd hij door hen met hun Nelson vergeleken en zijn afbeelding een eereplaats waardig gekeurd in de Greenwich-galerij. Zwerver langs alle wateren, had de liefde voor zijn geboortegrond hem altijd weer getrokken naar het lieve vaderland, waar hij ruste heeft mogen vinden voor den eeuwigen slaap.
Zijn eenig monument--niet door een nageslacht, dat al te ver, veel te ver van die groote persoonlijkheid verwijderd schijnt te zijn, maar door zijn dankbare tijdgenooten te zijner voortdurende herinnering opgericht--bevindt zich in de Oude Kerk te Delft.
Men is gewoon bij een bezoek aan die stad ter bedevaart op te gaan naar het Mausoleum der Oranjes in de Nieuwe Kerk. Weinige Nederlanders zouden het vermogen dien gang te verzuimen!
Maar als men nog even tijd over heeft, of voor een tweeden keer die stad bezoekt, richte men toch zijn schreden naar de indrukwekkende Oude Kerk. Daar zult ge de graven vinden van twee zeemanszoons uit de 17de eeuw, en een van hen was de schepper van het Nederlandsche Zeewezen, waaraan wij, voor een groot deel, onze roemrijke plaats in de wereldhistorie te danken hebben.
EINDE.
AANTEEKENINGEN.
De geslachtsnaam van Tromp's vader. Hierover vindt men in "Aanteekeningen en Mededeelingen betreffende het Geslacht Van der Tromp of Tromp" in "Rotterd. Historiebladen," 3e Afd. Genealogische Aant. en Levensbesch. Eerste deel p. 59 v.v. het volgende: Volgens aanteekeningen van Mr. Reinier van Heemskerk heeft de vader van den admiraal M. H. Tromp die oorspronkelijk Van der Wel heette, zijn naam veranderd. Volgens diezelfde aant. was de oorzaak deze: "dat de vader van den Admiraal Maerten Harpertsz. Tromp, zijnde geweest Harpert Lamberts (lees: Maertensz) Van der Well, groote(n) lust had tot den zeedienst, en zijne ouders hem dat willende beletten, hij de vlugt nam en zich in den zeedienst begaf als jong matroos of, zoo anderen zeggen, als koksmaat, onder den naam van Tromp om niet bekend te zijn. Doch anderen zeggen, dat hij op zijn schip zijnde, en niets te doen hebbende, hij altoos zich amuseerde met op een trompje te spelen, waardoor hij den bijnaam van Tromp zou verkregen hebben." Nav. II 1852, p. 140.
Hier vinde het tevens zijn plaats, dat in het Brielsche Archief noch van Van der Tromp, Tromper of Trompert sprake is, als Harpert Maertensz. genoemd wordt, maar steeds van Tromp. Zie H. de Jager: Geslacht Tromp, p. 2.
Vrouwen en kinderen van Maerten Harpertsz. Tromp. Zijn eerste vrouw was Dina of Dignom de Haes, dochter van Cornelis de Haes en N. van den Heuvel. Zij stierf den 20en Nov. 1633, in den ouderdom van 34 jaren te Rotterdam en werd aldaar in de Groote Kerk begraven (grafsteen no. 103). Onder dien steen ligt ook zijn tweede vrouw begraven, en dat graf, gelijk uit een zijner hierna te melden Testamenten blijkt, was ook voor hem bestemd. Van de inschrijving van den trouw en ondertrouw met Dignum gaven wij een fac-simile. Opgemerkt zij hier, dat de ondertrouw niet den 24en April 1624 plaats had, gelijk in "het Geslacht Tromp" van H. de Jager (natuurlijk door een druk- of schrijffout) voorkomt, maar den 14en April van dat jaar.
Tromp's tweede "huisvrouw" was: Aeltgen Jacobs van Arckenboudt. "Ondertrouwd te Rotterdam 27 Augustus 1634: Maerten Herperts Tromp, wedr. Capiteyn, wonende op de Leuvehaven, met Alyth Jacobsdr. Arckenboudt, j. d. wonende in den Briel. Attesten gegeven op den Briel 10 Sept. 1634" (Rott. Hist. bladen t. a. p. p. 65 noot 1). Het huwelijk werd den 12en Sept. 1634 te Brielle voltrokken. Ook deze vrouw van Tromp stierf jong. Volgens het opschrift van den grafsteen stierf zij den 13en April 1639 in den ouderdom van 36 jaren.
In 1640 huwde hij ten derden male te 's-Gravenhage met Cornelia Berckhout. Zij overleefde hem en bracht nog na zijn dood een kind ter wereld. Zij ontving, om de groote verdiensten van haar echtgenoot, van de Staten-Generaal een pensioen, waarover later.
Uit zijn eerste huwelijk had Tromp: Cornelis, geboren 1629, (den later zoo beroemden driftkop Cornelis of Kees Tromp), Harper Maertensz. en Johan Maertensz. Uit zijn tweede huwelijk: Alida, Margaretha en Maerten (op anderhalfjarigen leeftijd gestorven). En uit zijn derde huwelijk: Johanna Maria, Adriaen en Maerten Harpertsz., die na zijns vaders dood geboren werd. (Zie Rott. Hist. bladen, p. 66, en ook p. 64 en 65).
Zusters van Tromp. Uit het Testament van Tromp, verleden voor Jan de Bruijne, notaris te Brielle, in dato 26 Jan. 1634 blijkt (wat vóór de ontdekking van dit testament reeds door H. de Jager vermoed werd) dat Tromp drie zusters had, n.l. Aeltje, Leentje en Maritgen Harpertsdr. Ze waren toen dus nog in leven.
Geboortejaar van Tromp. Meestal wordt als zijn geboortejaar 1597 opgegeven. Zelfs het grafschrift op zijn tombe in de Oude Kerk te Delft geeft daar aanleiding toe. Daar leest men toch (volgens de vertaling in: "Leeven en Bedrijf van den vermaarden zeeheld Cornelis Tromp" p. 134) "... den 10den Augusti van het jaar onzes Zaligmakers 1653 ter ouderdom van 56 jaren opgehouden te leven en te verwinnen." Tromp nu verjaarde vóór Augustus (n.l. den 23sten April), derhalve: 1653-56=1597. Ook in de Rott. Hist. bladen vindt men het jaartal 1597 (in die opgave staat een drukfout, die later aangewezen wordt).
Toch is het geboortejaar niet 1597 maar 1598. Niet alleen geeft prof. Thysius in zijn Oratio Funebris, maar ook een ander tijdgenoot (schrijver van de ongepagineerde "Memorie Raeckende het begin, vervolch, ende eynde, van de diensten van wijlen de Heere M. H. Tromp enz.," Den Haag 1653) het jaartal 1598. Doch, wat alles beslist, het Brielsche Doopregister geeft als doopdag 5 Mei 1598, gelijk het hierbij gevoegde fac-simile ten duidelijkste aantoont. De zorg voor deze en de andere fac-simile's had de heer J. de Jong Cz. voormaals leeraar H. B. S. te Brielle, thans Directeur Burger-Avondschool en leeraar H. B. S. te Utrecht, op zich genomen, waarvoor ik hem reeds vroeger openbaar mijn dank betuigde.
Tromp's welstand en zijn huizen. In den tekst is sprake van een omstreeks 1640 verschenen Schotschrift, waarin Tromp geducht afgetakeld wordt. Dit pamflet is getiteld: "'t Samen-Spraeck, over de Loffelycke daden, gelegentheden ende afkompste van den Recht wel Edelen Manhaften Zee-Heldt Marten H. Tromp, thusschen..." en nu volgt de opgave van eenige personen, waarvan wij slechts noemen: Marinus Crijnsz., een Jongh varent gesel van Zeelant; Jan Slomp, een oudt varent Man; diens vrouw: Trijn Jans, zijnde een Uytdraeghster; Griet Smeers, een Besteedster enz. Jaartal ontbreekt. Aan het einde: "Hier naer Een beter. S. V. P." (Koninkl. Bibliotheek). Wil men dit schotschrift gelooven, dan moet het, nog kort voor 1640, niet te schitterend met den welstand van Tromp en diens familie gestaan hebben. Daarom is het niet oneigenaardig eens na te gaan, wat daaromtrent het Brielsche Archief te vertellen heeft. In betrekking tot het Schotschrift mogen we ons hier alleen bemoeien met de getuigenissen vóór 1640.