Maerten Harpertsz. Tromp: Een zeemanszoon uit de 17de eeuw

Part 10

Chapter 103,901 wordsPublic domain

Men bevond zich nu op de hoogte van Wight, en daar ontbrandde weldra een hevige strijd, die eerst eindigde toen de zon onderging en men wel moest uitscheiden met vechten, omdat men niet meer vriend van vijand zou onderkennen. Hadden de Britten als leeuwen gevochten, ze hadden ook als vossen geloerd op de koopvaarders, waartoe aan de twee horens van de Nederlandsche schepen-maan snelzeilende fregatten zich gereed hielden, om van die rijk geladen bodems te pakken zooveel er maar te pakken viel. Toch werden er slechts enkele genomen, en hoewel de Britten beslist in de meerderheid waren, vielen van onze oorlogsschepen hun niet meer dan twee in de handen.

De strijd was wederom gestaakt, maar iedereen begreep, dat de Engelschen den volgenden dag wederom zouden aanvallen. Voor ons was het nu eigenlijk een terugtocht geworden, een trachten om de vaderlandsche havens te bereiken, een hoop, dat bij het Nauw van Calais eindelijk de enkele Nederlandsche schepen zouden opdagen, van welke het heette, dat zij onder admiraal Dubbel Wit uitgerust en de zee ingezonden zouden zijn. Om nog iets anders zou het inderdaad een terugtocht moeten worden, en wel om iets vreeselijks.

Daar ontvangt toch, in den avond van dien 1sten Maart, de opperbevelhebber, zoo moe naar lichaam en geest als hij na deze twee dagen van voortdurende inspanning aller krachten moest zijn, het ontzettende bericht... dat er op verschillende schepen geen genoegzame voorraad van kruit en kogels meer is. Drie maanden lang was de vloot aangewezen gebleven op den voorraad, die in December meegenomen was. Nog één voorraadschip heeft Tromp bij zich. Hij deelt uit, zooveel er nog is. En hij spreekt woorden van troost en bemoediging, en aldoor zeilt men voort. En als de morgen daagt, rijst er voor de oogen van Tromp een zeegezicht op, dat hem diep aangrijpt. Hij bevindt zich precies op dezelfde plaats, waar hij in September 1639 voor 't eerst de Spaansche armada uit de zee zag opduiken. Toen, met zijn dertien schepen, moest hij een macht weerstaan die vijfmaal zoo groot was als de zijne. En die ontmoeting bij kaap Bevezier... ze had den held geleid tot de onsterfelijke zege bij Duins.

O, het straalde van glans uit de oogen van Bestevaer, en een gebed steeg uit zijn bekommerde ziel op, dat hier zijn einde in schande en neerlaag niet gevonden mocht worden, nu straks wederom de overmachtige vijand hem en de zijnen, die vermoeid en afgemat waren en gebrek hadden aan verdedigingsmiddelen en altijd nog de beschermers moesten zijn van die talrijke koopvaarders welke een groot deel der welvaart van de geslagen Nederlanders bevatte, voor de derde maal zou aanvallen.

Het zou een der bangste dagen worden, welke Tromp doorleefd heeft. Weer, als den vorigen dag, zeilde men in den vorm van een halve maan verder, de koopvaardijschepen in het midden,--toen de Engelschen omstreeks negen uur in den morgen den aanval begonnen. Twee uren lang verdedigen zich de Nederlanders met kloekheid en slaan met heldenmoed alle aanvallen af,--als er opeens bij de onzen een groote aarzeling ontstaat.

Wat is er?... Is Bestevaer gesneuveld?...

Neen, Goddank, hij staat daar nog hoog op de gevaarlijkste plaats van heel zijn schip, den dood niet vreezende, omdat hij gelooft, dat het uur van zijn afsterven van eeuwigheden her door God vooruit bepaald is en dat noch vrees, noch overmoed iets aan die onwrikbare voorbeschikking kan veranderen.

Neen, er is iets gebeurd, dat Bestevaer Tromp erger vindt dan den dood. Want wat kon hem erger lijken, dan dat een Nederlander lafhartig op de vlucht gaat voor den Engelschman?

Hij kon haast zijn oogen niet gelooven. Doch ook thans mag er, bij hem althans, geen seconde van aarzeling waargenomen worden. Hij wenkt, en van zijn bodem vliegt een kogel waarschuwend over de vluchtende schepen heen, die er door tot staan worden gebracht. Een gesein, dat de bevelvoerders dadelijk bij hem aan boord moeten komen, wil hij ze niet, om ze voor eigen schande te behoeden, door Nederlandsche kogels in den grond doen boren.

En ze komen, de nog eergisteren en gisteren zoo moedige kapiteins.

Nu wringen ze de handen, want... "We zijn geen lafaards, admiraal, maar... er is geen schot kruit meer aan boord, en als een man zich niet meer verdedigen kan, geen middelen meer heeft om een aanval af te slaan--o, admiraal, toen we dàt bemerkten, toen werden we radeloos. Als Reinier Claeszens zouden we den brand in de kruitkamer hebben willen steken... maar die is ledig. Toen is er een geest van schrik en ontsteltenis over de matrozen en over ons gekomen... Straf ons, maar... gevangenen van den Roodrok te worden, te sterven en te verkwijnen in een Britschen kerker... we durfden dat niet aan... en we sloegen op de vlucht, admiraal!"

Het was een wanhopend geval. Van alle kanten, onder het gebulder der kanonnen en het omhoogwolken der kruitdampen, kwam het bericht in, dat het buskruit en de kogels opraakten.

Ja, nu zou het wel een dier wanhopige terugtochten worden... waarin juist de heldenmoed en de onvergelijkelijke bekwaamheden onzer Nederlandsche Zee-oversten der 17de eeuw zoo schitterend konden uitkomen. Zoo zou, dertien jaar later, een Michiel de Ruijter, door den zoon van Bestevaer Tromp in den steek gelaten, zijn beroemden terugtocht tegen de Engelschen volvoeren, waarom hij later door vriend en vijand bewonderd werd. Op dien terugtocht heeft Michiel de Ruijter, de vrome Michiel de Ruijter, een oogenblik van diepe moedeloosheid gehad en in de bitterheid zijns harten gevraagd, of er onder al die kogels niet één was, die hem treffen wilde. Zulk een moedeloosheid was verre van den zoo dikwijls en zoo zwaar beproefden Tromp.

"Je moet niet vluchten, jongens!" luidde kalm en bedaard zijn raad, en er trilde iets in zijn woorden van dat vaderlijke, waardoor zijn minderen hem met geheel hun vertrouwen aanhingen. "Vluchten is schande; maar zich te laten beschermen als men niet meer strijden kàn, als men de middelen daartoe niet meer heeft, wel, dat is volstrekt niet vernederend."

En glimlachend wees hij naar de koopvaarders, die ook verdedigd werden, en hij zei, dat ze zich daar maar bij moesten voegen.

"En nu zul-je geen poging meer doen om te vluchten, nietwaar?" vroeg hij. "Zie-je, zulke wonderlijke dingen moet een Engelschman nooit van mijn kinderen zien."

Gewillig voegden zich nu de machteloos geworden oorlogsschepen bij de koopvaarders. Doch... dat moesten er al meer en meer doen. Eindelijk had Tromp niet meer dan een vijf-en-twintigtal schepen over, waarmede hij geheel de koopvaardijvloot en het grootste gedeelte van zijn eigen vloot tegen de in stoutheid toenemende dapperheid der Engelsche aanvallers moest verdedigen. Toch verloren wij niet één oorlogsschip en slechts een paar koopvaarders.

En aldoor zeilden wij, al strijdende, den kant van het vaderland op.

Toen kwam het bangste oogenblik.

Het liep tegen vier uur, toen de Engelsche admiraal Blake al zijn schepen bijeen verzamelde, en het sein gaf tot een algemeenen aanval op de terugtrekkende Nederlandsche vloot, die, gelijk we nu weten, slechts uit een klein hoopje bestond, dat bovendien nog met een zware bewaking was belast.

Dadelijk staakte Tromp den terugtocht en wachtte rustig den vreeselijken aanval af, die als een razende stormvloed het eerst op zijn schip en dat van Jan Evertsen losbrak.

Een uur is er toen gestreden, zooals er weinig tusschen Nederlanders en Engelschen geworsteld is. En, wat het vreeselijkste was, elke losbranding van onzen kant, bracht ons nader tot de algeheele uitputting van onzen kruitvoorraad.

Dat duurde zoo een geheel uur. Toen week de Engelschman van onze vloot. Had hij eens geweten, dat het met onzen kruitvoorraad zoo slecht stond, hoe zou hij volgehouden hebben, en zeker ware hem een totale vernietiging van onze zeemacht en het opbrengen der koopvaarders ten deel gevallen.

"Als wij nog een half uur langer hadden moeten vechten," heeft Tromp verklaard, "dan zouden wij al het scherp verschoten hebben dat nog overig was, en naar alle waarschijnlijkheid in de handen van den vijand hebben moeten vervallen, die onze vloot totaal verslagen had."

Doch de Engelschen waren door de inspanning van het driedaagsche gevecht te vermoeid geworden, om den strijd voort te zetten. Wel zonden zij ons, die dadelijk weer verder zeilden, eenige fregatten achterna, welke ons den geheelen nacht al vurende bleven volgen, maar wij vermorsten daarop ons kleine restje kruit niet.

Zoo ging het al verder en verder. Terugtrekkende, maar als een kordate hond, die onophoudelijk de tanden laat zien en den aanvaller op een afstand blijft houden. In het Nauw van Calais vonden we admiraal Dubbel Wit niet. De vaderlandsche lamzaligheid was weer aan het teuten geweest met het uitrusten van schepen. Doch eindelijk, eindelijk bereikten wij de lang verbeide vaderlandsche havens, waar wij den 6den Maart binnen vielen.

De Engelschen hebben den Driedaagschen Zeeslag een nederlaag voor de Nederlanders genoemd. Want de onzen trokken terug, konden de zee niet houden, en, wat wel het beste bewijs was, na dien slag was de Engelschman weer meester van het Kanaal, gelijk Tromp kort te voren geweest was.

Wij kunnen dat de Engelschen niet tegenspreken. Zij hebben in alles, wat zij aanvoeren, gelijk. Maar met hun meermalen gemelde edelmoedige denkwijze over Maerten Harpertsz. Tromp, zullen zij het zeker wel zeer begrijpelijk in ons, Nederlanders, vinden, dat we op weinige zeeslagen uit onze geschiedenis zoo fier zijn, als juist op dien Driedaagschen Zeeslag.

VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

OVER HET DOODE PUNT HEEN.

Waar dat men zich ook keerde of wendde, of waar men henen ging--zong het liedje--daar ontmoette men den Hollander en den Zeeuw, die op de wijde wateren thuis waren gelijk de koning der dieren in het woud. Als Nederland maar altijd op God bleef bouwen en den pijlbundel vastklemde... "duijvel, hel noch doot" zouden het kunnen krenken, en het zou niet behoeven te vreezen, al waren 's werelds machten één geworden!

Zoo manlijk en machtig was, van het kleine land aan de Noordzee, het woord door de wereld gegaan en de roemrijke daden der Nederlanders hadden het onder Gods zegen bevestigd tot een waarheid. Dat was nog geschied onder Prince Mouringh, toen men zelfs niet had durven droomen van een heerschappij over de wateren, gelijk Maerten Harpertsz. Tromp die bij Duins voor het Nederlandsche volk bevochten had. En nu... vlak bij het land, hier op de Noordzee, leek het wel, of we moesten onderdoen voor den Engelschman. Een enkele maal mocht men een overwinning behalen,--het was een feit dat wij, over 't geheel genomen, zeer ongelukkig waren geweest in dezen oorlog met Engeland. En toch kòn het niet waar wezen, dat wij de minderen waren van de Engelschen. Men voelde, dat zich aan onzen kant de kloekste en meest ervaren zeelui bevonden, en de beste admiralen. Men wist, dat men verslagen was, niet omdat aan onzen kant het ras dier onverschrokken zeerobben plotseling uitgestorven was, alsof Janmaat bij tooverslag in Jan Salie was veranderd; maar wel omdat de vijand op betere uitrusting kon roemen. Een gemor ging er door het land. Wat baatte het, of onze jongens wonderen van moed en doodsverachting volvoerden, als men hier te weinig en te onvoldoend uitgeruste schepen in zee zond; als het haperde aan datgene, wat niet voor geestkracht, maar wel voor geld te koop was? Er haperde iets, neen veel, aan onze uitrusting.

Als ge maar "'t saem eendrachtig zijt!" had het heldenliedje uit den tijd van Prince Mouringh als derde voorwaarde gesteld. En eendrachtig was men tijdens den Eersten Engelschen zee-oorlog zeker niet.

Welke praatjes gingen er rond! "Ze willen den oorlog met Engeland niet doorzetten," werd er gesmaald in herbergen of dergelijke plaatsen, waar de lieden samenkwamen, om aan elkaar hun hart te luchten, ontevreden als zij waren, omdat alles stilstond: de handel, de visscherij en al de daarmede samenhangende bedrijven. "Neen, de Heeren willen den oorlog niet. Ze verlangen naar een vrede, die hen vaster op het kussen brengt, een vrede, gekocht voor onze eer!"

Wat er dan toch gedaan moest worden, om den boel in 't reine te brengen?...

O, dat wisten de mopperaars wel. Als de Heeren maar wilden, als zij maar beter de vloot uitrustten en dan open en rond den oorlog verklaarden aan de Engelsche koningsmoordenaars. Dan zouden de koningsgezinden in Engeland van zelf op onze hand gebracht worden, want die zouden weten, waartoe de zegepralen der Nederlanders hen leiden konden. Maar... dat durfden die Heeren niet! Dan zou er kans zijn, dat de oom van het vaderlooze Oranjekindje op den Engelsche troon kwam.... en dat kon gevaarlijk worden voor de Hollandsche regenten!

Doch mocht men zich schouderophalend van deze verdachtmakingen en ondoordachte plannen en veronderstellingen afwenden, dan hoorde men toch van een kant, waarvan men het niet gewacht zou hebben, een veroordeeling van de handelwijze der Heeren. Wie was deemoediger dan Michiel de Ruijter, wie eerde meer het gezag, in welken vorm zich dit ook openbaarde, dan juist hij? Toch verklaarde hij ronduit, "dat hij niet van meening was weer in zee te gaan, tenzij dat de vloot met meerdere en betere schepen dan tot dusverre gebruikt waren, versterkt was." En veel luider en in veel sterkere bewoordingen werd dit door Witte Cornelisz de With geuit, terwijl een man als Van Beuningen de regenten aan de bekende wonderspreuk herinnerde: dat wie zijn ziel behouden wil, haar zal verliezen. Van Beuningen had volkomen gelijk. Als wij alles, wat wij bezitten en waaraan wij waarde toekennen, willen behouden, dan moeten wij voor dat bezit ook wat over hebben. Steunen wij het Gemeenebest niet, dat ons het behoud van datgene wat ons lief is waarborgt, dan zal er een oogenblik komen waarop dat Gemeenebest ons niet meer zal kunnen beschermen. En door niet een deel van ons bezit over gehad te hebben voor de verdediging van het vaderland, zullen wij kans loopen alles te verliezen.

Naar zulke verstandige woorden moest wel geluisterd worden. Bovendien, al kon Jan de Wit nog niet de groote drijfkracht voor de betere uitrusting van ons zeewezen zijn, welke hij tot zijn onsterfelijken roem later geworden is--zijn geest begon toch al vaardig over de Heeren te worden. En toen zag men het gewone verschijnsel in ons land, als de Nederlanders eerst maar over het "doode punt" zijn gegaan,--dat er namelijk een geestdrift wakker werd, die ons meer op warmbloedige Zuiderlingen dan op koudbloedige wezens uit een kikkerland deed gelijken.

De Heeren begonnen zich krachtig in te spannen en toonden, dat zij alles in het werk wilden stellen, om den oorlog tot een goed einde te brengen. Geld en goed werd opgebracht, van alle kanten rees het zeevarende volk op, ja, mannen van geboorte en rang boden zich als vrijwilligers aan, en betaalden de uitrusting en het kostgeld van de matrozen, die zij zelf meebrachten.

Zoo kwam de Amsterdamsche Secretaris Gerardt Hulst als vrijwilliger op het schip van een niet gemakkelijken baas, namelijk van Witte de With, en met zich bracht hij vier-en-twintig zeelieden, voor wie hij alles betaalde. Zoo deed ook Jan Oomes met acht, Jan van Uffelen met zes en Jacobus van den Kerckhoven met vier matrozen. Ook de predikant Robert Junius ging mede. "Ik zal u spreken van God, en, op de wijde zee, voor of in of na de bloedige zeeslagen, de vertroosting van het Evangelie tot u brengen," zoo ongeveer drukte hij zich uit. En of een Engelsche boon hem zelf stervende op de met bloed doorweekte planken van het dek zou kunnen neerwerpen, daaraan dacht deze moedige dominee niet.

Wat een mannentaal, wat een mannenmoed! Of neen, deze uitdrukkingen zouden véél te eenzijdig zijn, wanneer zij het gevoelen van gehéél een volk moesten kenschetsen. Die mannen, vol ijver toesnellende om het vaderland uit de ellende te bevrijden, waren echtgenooten en zoons van Nederlandsche vrouwen en moeders. Als een geheel volk in geestdrift oprijst, is het altijd de vrouw, het middelpunt vooral van ons vaderlandsch huisgezin, die de stille kracht dier geweldige beweging is. De Nederlandsche vrouw, zelve een dochter van dat zeevarende volk, bleef thuis, maar het waren háár welpen, die "liepen door de woeste zee, als door het bosch de Leeuw." Meestal bleef zij stil en verborgen in haar huisje, waarin het zoo kraakzindelijk was, en waar die onbehouwen manskerels wèl leerden zich de voeten te ontschoeien en te letten op stofjes en al wat niet behoorde in het heiligdom van moeder de vrouw. Maar als het vaderland in nood was, dan waren diezelfde vrouwen met Kenau Simons Hasselaer naar de kampplaats gesneld, en haar oogen vlamden van de muren van Alkmaar den Spaanschen vaandrig tegen, die, desnoods ten koste van zijn leven, wilde weten, welke onversaagde en geharde krijgsknechten dan toch het wonder volwrochten van een geheel Spaansch leger in woesten stormaanval te weerstaan. En als nu de roep door den lande gaat, dat er maats, vele maats noodig zijn, om de eer van het vernederde vaderland op te nemen tegen de Roodrokken.... dan zijn er jonge meisjes, die zich in mansgewaad steken en, aldus verkleed, zich aanmelden om dienst te nemen voor de vloot.

Van drie is dat uitgekomen, en de jongste van haar was slechts zestien jaar.

Het was heusch niet voor de aardigheid, dat zij medegingen. Het zou vlammen en donderen langs de zee. Velen die uittogen, zouden nooit meer het land der geboorte terugzien, en op de grillige zee was het altijd werken hard en zwaar. Anna Jans van Texel, een der drie meisjes, zou dat hebben kunnen getuigen. Want in haar vermomming had zij moeten dienen als marsklimmer, terwijl van een ander, Adriana la Noy geheeten, haar kapitein moest getuigen "dat zij op togten en wachten zich had gedragen vroom en eerlijk, zulks als een matroos schuldig was te doen."

Ook lieten de Staten een lijst bekend maken, waarin opgesomd werd welke schadeloosstellingen men toegedacht had aan de verminkten. Verloor men beide oogen, of ook wel beide armen, dan kreeg men 1066 gld. 13 stuivers en 4 penningen. Het verlies van één oog werd gelijk gesteld met het verlies van de linkerhand, en men ontving in dat geval de ronde som van 240 gld. De rechterarm was evenveel waard als de twee voeten samen, namelijk 333 gld. 6 st. en 8 penn. En zoo voort. Ook werd aan hen, die zoodanig verminkt waren, dat zij daardoor voortaan onbekwaam zouden zijn hun brood te verdienen, een rijksdaalder per week tot hun onderhoud toegelegd. Op zulk een wijze "zocht men in die dagen, toen er nog geene ridderlinten bestonden, de wonden onzer dapperen te heelen," zeide prof. Jorissen zeer eigenaardig van dergelijke maatregelen.

Een echter was er, die bij de algemeene geestdrift een gevoel van zwaarmoedigheid, van twijfel aan den goeden uitslag, niet geheel kon verbergen. En die een was juist de man, om wiens persoonlijkheid zich al die uitingen van geestdrift als om een middelpunt bewogen. Die een was de man, tot wien allen hoopvol opzagen, hij, van wien na enkele dagen Johan de Witt zou getuigen: "Hij was een zeeheld, wiens gelijke de wereld zelden heeft aanschouwd, en de toekomst bezwaarlijk zal voortbrengen."

Die een was Maerten Harpertsz. Tromp.

"Het is zonderling en verdient opmerking," zegt De Jonge, als deze van de allerlaatste toerusting des admiraals spreekt, "hoe somber de taal van Tromp was." Hij ziet daarin een zeker voorgevoel, hetwelk de admiraal van zijn naderend einde had. Doch, niettegenstaande zijn onwillekeurige uitingen van moedeloosheid, flikkerde aan het eind van een zijner brieven het heldenvuur van Bestevaer Tromp, van het kind der zee, dat haar beheerscher geworden was, weer in lichter laaie op. In zijn plicht... neen, daarin zou hij nooit te kort schieten! Ook niet in den plicht, "om als een eerlyck man voor myn lieve Vaderlant te leven en sterven; daerop gelieft te verlaeten..."

En nu zou de groote kans gewaagd worden. In de eerste dagen van de maand Augustus was de vloot gereed om zee te kiezen. Ze bestond uit twee gedeelten, een dat op de hoogte van Goeree lag en waarbij Tromp zich bevond, het andere onder Witte de With bij Texel. Deze twee deelen moesten zich zien te vereenigen. Zeker, dat was noodig, wilde men zich met de uit 120 zeilen bestaande Engelsche vloot, die zich op onze kust bevond, kunnen meten. Doch die onderneming was ook zeer gevaarlijk, want de Engelschen konden trachten elk deel afzonderlijk aan te vallen en te vernietigen.

Den 6den Augustus zocht Maerten Harpertsz. Tromp het wijde water op, nadat in den door hem bijeengeroepen krijgsraad het besluit genomen was, "met de hulpe van God door de Engelsche vloot te slaan," zich met admiraal Dubbel Wit te vereenigen en vervolgens den beslissenden slag te aanvaarden. Zijn schepen bleven in 't gezicht der kust. En toen Bestevaer nog eens landwaarts zag, werd zijn oog getrokken tot een hoogen, ver boven de duinen uitstekenden toren, die als 't ware hem nazag op de groene met lichtplekken bezaaide Noordzee, den Sint-Catharina-toren van Den Briel met al de herinneringen aan den tijd, toen de admiraal nog "een knechtken" was. De ure naderde, waarop, in het gezicht van den Brielschen toren, admiraal Tromp zou sterven voor zijn vaderland....

ZESTIENDE HOOFDSTUK.

HET EINDE VAN EEN HELDENLEVEN.

Het was Zondag geworden, den 10en Augustus 1653. Het gelui der kerkklokken trilde door de vochtige lucht over de lage landen bij der zee. Dagen achter elkaar had het geregend en gestormd. Nu was het beter weer geworden, en woei, met een Zuidwesten wind, het gebimbam der klokken landwaarts in. Het was, of er in dat zwaarmoedige geluid iets trilde van de aandoening en spanning, die aller harten vervulden. Thans riepen de klokken niet op tot viering van den stillen, rustigen Zondag, den dag aan Jehova gewijd. De morgenuren waren ten bedestond geheiligd. Terwijl ginder op de zee,--nog niet tot rust gekomen van den hevigen wind, die gisteren de beslissende ontmoeting tusschen Brit en Nederlander verhinderd had--de zonen en de broeders en de bruigoms en de vaders van de in deemoed opgaande kerkgangers worstelen zouden, om het vaderland te verlossen uit de ellende, zouden onder de alsdan zwijgende kerkklokken de hoofden zich buigen voor den Almachtige, en de voorgangers Zijn "grooten en verschrikkelijken" naam aanroepen, opdat Hij ons volk met de zege mocht begenadigen. Gelijk Aäron en Hur de opgeheven handen van Mozes ondersteunden, toen die van moeheid dreigden neer te zinken--en als hij ze ophief was Israël, maar als hij die nederliet was Amalek de sterkste!--zoo ondersteunde men door gebeden en aanroepingen het strijden onzer dappere mannen van de zee, "alzoo dat Jozua Amalek en zijn volk krenkte door de scherpte des zwaards."

Reeds om halfzeven in den morgen was de strijd begonnen, en wel onder omstandigheden, die voor ons niet ongunstig konden genoemd worden. De twee deelen onzer scheepsmacht toch hadden zich gelukkig weten te vereenigen. Twee dagen geleden, den 8sten Augustus, had admiraal Dubbel Wit op de reede van Texel, waar hij zich met zijn 26 schepen bevond, het bericht ontvangen, dat de admiraal met 's lands vloot uit de Zuidelijke zeegaten gezeild en met den vijand slaags was geraakt. Dat was ook zoo, en Tromp had weer geheel volgens een van zijn schrander in elkaar gezette plannen gehandeld. Naar het Noorden was hij gezeild, om de Britsche vloot, die op de hoogte van Texel lag, daar vandaan en meer Zuidwaarts te lokken, zoodat Witte de gelegenheid zou krijgen uit te zeilen.

Inderdaad, nauw hadden de Engelschen van het Zuiden een Nederlandsche vloot zien opdagen, of zij waren dadelijk daar op afgegaan, vooral omdat de wind Noord-West was geloopen en zij dus al het voordeel van de windzijde konden hebben in de ontmoeting met onze schepen.