Lord Lister No. 0399: Een gevaarlijk Avontuur
Part 5
“Als die brave lieden niet gewend zijn, dergelijke gebeurtenissen het hoofd te bieden, mijnheer Dane, dan geloof ik, dat wij er verstandiger aan doen, hen voorloopig die gevaarlijke voorwerpen af te nemen! Vuurwapenen in de handen van ondeskundigen, die bovendien nog een weinig zenuwachtig schijnen te zijn, richten meestal meer onheil aan, dan dat zij de zaken tot een goed einde brengen.”
Opnieuw scheen Dane te weifelen, en alles wel beschouwd kon Raffles hem zijn argwaan niet euvel duiden, want Dane kende hem in het geheel niet, en al had hij het gesprek woordelijk kunnen herhalen—het was toch denkbaar, dat dit gesprek was afgeluisterd door derden.
Hij redde dus den jongen fabrieksdirecteur uit de verlegenheid, door schouderophalend op te merken:
“Gij kunt overigens doen, wat gij het beste acht, mijnheer Dane, als gij er voor kunt instaan, dat uwe bedienden vooral niet overijld en op eigen gezag handelen, want dan zouden zij de geheele zaak kunnen bederven! Zou ik u een oogenblik onder vier oogen kunnen spreken? Het is tijd dat wij een klein veldtochtplan opmaken!”
“Ik ben tot uw dienst, mijnheer!” antwoordde Dane.
“Ik dank u—mijn beide vrienden zullen hier wel op onze terugkomst wachten, ik zal u niet lang ophouden!”
Zwijgend wees Dane op de trap, en Raffles volgde hem naar een zeer fraai ingerichte werkkamer op de eerste verdieping, waarvan de drie ramen uitzicht gaven op den tuin van het huis.
Raffles overtuigde zich, dat de gordijnen goed gesloten waren, vóór hij toeliet, dat Dane het electrische licht opdraaide.
Toen sloot hij de deur zorgvuldig, en ging glimlachend op den stoel zitten, die Dane, zijn revolver nog altijd in de hand houdend, hem had toegeschoven.
De jonge fabrieksdirecteur, die zelf had plaats genomen, keek zijn zonderlingen bezoeker een oogenblik nieuwsgierig aan, en begon toen:
“Nu zult gij mij zeker wel willen zeggen, mijnheer, wie gij zijt, en hoe het u ter oore is gekomen, dat men voor hedennacht een aanslag op mijn villa heeft beraamd, terwijl men tevens mijn fabriek wil trachten te vernielen?”
“Het eerste gedeelte van uw vraag zal ik u aanstonds beantwoorden—wat het tweede gedeelte aangaat, daarop kan het antwoord heel eenvoudig luiden: Het toeval stelde ons in kennis van één en ander! Zie hier wat ik vond aan boord van een motorboot, die toebehoort aan één der lieden van de bende, welke het op uw eigendommen voorzien heeft. Het is een stukje van een brief, en oorspronkelijk was het in raadselschrift gesteld, dat één mijner vrienden niet zonder groote moeite en veel geduld heeft weten op te lossen.”
En met deze woorden stak Raffles den fabriekseigenaar het stukje papier toe, waarop de gevonden woorden stonden, en de aanvulling daarvan, zooals Raffles zich die had gedacht.
Dane verbleekte en balde de vuisten onder het lezen van deze veelzeggende woorden, en wendde zich toen naar Raffles met de vraag:
“Zoudt gij mij willen zeggen, mijnheer, waarom gij niet aanstonds met een groote politiemacht zijt gekomen?”
Om de dunne lippen van Raffles speelde een eigenaardige glimlach, toen hij antwoordde:
“Dat liet ik na om verschillende, volkomen afdoende redenen, mijnheer Dane! Als ik ze u mededeel, zult gij ze volkomen billijken! Ten eerste zou, wanneer ik aldus gehandeld had, weliswaar uw eigendom gespaard zijn gebleven—maar van de bandieten hadden wij er geen in handen gekregen—en ik ben er juist zeer bijzonder op gesteld, dat zoo mogelijk geen hunner mij ontsnapt!”
“Zijt gij zelf van de politie, mijnheer?”
“Dat niet bepaald, mijnheer Dane! Kom laat ik u niet langer in onzekerheid laten. Ik achtervolg de bandieten niet omdat ik tot de politie behoor, maar om dat ik hun persoonlijke vijand ben! Ik zou hen zelfs waarschijnlijk rustig hun gang hebben laten gaan in uw villa, als zij slechts andere middelen hadden aangewend—en niet zulke half verdierlijkte schurken waren! Gij kijkt mij verwonderd en een weinig verschrikt aan! Gij begrijpt mijn woorden niet? Gij zult ze beter begrijpen als ik u zeg, dat ik John Raffles ben!”
Dane had een onwillekeurige beweging gemaakt, en was half van zijn stoel opgestaan, terwijl hij Raffles met een ongeloovigen blik aanstaarde.
En toen drong het eensklaps tot hem door, dat die man de waarheid moest spreken—als hij niet tot de politie behoorde, en toch de vijand was der bandieten, dan kon hij niemand anders zijn dan de geheimzinnige Groote Onbekende, van wien de Amerikaansche bladen gedurende eenige weken herhaaldelijk gewaagden in verband met zijn strijd tegen de misdadigers der wereldstad.
Geruimen tijd bleef het volkomen stil in het groote vertrek, en toen zeide Dane op zachten toon, terwijl hij tegelijkertijd zijn revolver in zijn zak liet glijden:
“Nu wordt het duidelijker, waarom gij dien agent hebt neergeslagen, toen hij u uitnoodigde hem naar het bureau van politie te vergezellen! En wilt gij mij nu zeggen, wat u wel bewogen kan hebben, mij te waarschuwen?”
“Maar dat zeide ik u immers reeds!” hernam Raffles een weinig ongeduldig. “Men noemt mij de Gentleman-Inbreker, mijnheer Dane! Wilt gij mij toestaan den nadruk te leggen op het eerste gedeelte van dat woord? Ik maak er geen geheim van, dat ik zeer rijke lieden, woekeraars, zwendelaars, hardvochtige geldschieters, adellijke leegloopers, voor vele honderdduizenden heb bestolen, jaren achtereen, en dat zonder er ooit veel berouw over te gevoelen! En toch geloof ik steeds Gentleman te zijn gebleven. Denkt gij dan dat ik het kalmpjes had kunnen aanzien, hoe men zou trachten brand te stichten in uw fabriek, en uw villa te plunderen, op een even lompe als geweldige manier? Dergelijke excessen daar houd ik niet van—als men steelt, dan doe men het met gratie! Het is mij overigens bekend, dat dit gespuis niet voor een moord terugdeinst—en ik wist, dat gij pas gehuwd waart! Gij vindt het nu wat vreemd, mij hier tegen over u te zien zitten, en mij dit alles te hooren mededeelen! Toch kunt gij op dit oogenblik volkomen gerust zijn, als ik inderdaad lust had gehad, de binnenzijde van uw brandkast te onderzoeken, dan had ik daar reeds ruimschoots gelegenheid voor gehad, ondanks de gevaarlijke schietwapens van uw brave bedienden! De aanspraak is een weinig lang uitgevallen, mijnheer Dane—maar zij was noodig om u de beweegreden van mijn optreden uiteen te zetten!”
“Ik kan niet anders doen, mijnheer Raffles, dan u dank te zeggen voor uw openhartigheid!” zeide Dane, die zich langzamerhand hersteld had, en zijn bezoeker met de grootste aandacht aankeek—zulk een man zou hij waarschijnlijk niet spoedig opnieuw ontmoeten.
“Onder de gegeven omstandigheden, mijnheer Dane, vond ik het het verstandigst, u mijn waren naam te noemen!” hernam Raffles bedaard. “En laat ons nu ter zake komen, als ik u verzoeken mag, want er moet gehandeld worden! Gij neemt toch mijn hulp aan, naar ik hoop, ondanks mijn.... ongunstige antecedenten?”
“Ik aanvaard ze—en van ganscher harte!” antwoordde Dane kortaf. “Ik wil mij geen oordeel over uw levenswandel aanmatigen—gij zult dat zelf hebben uit te maken met uw geweten! Ik zie thans in u slechts de man, die hier is gekomen om mijn fabriek voor een groot onheil te behoeden—en met de rest heb ik niets te doen.”
“Dat is tenminste duidelijke taal, mijnheer Dane! En zeg mij nu eens, of gij kunt vermoeden, waar men de helsche machine in de stookruimte verborgen kan hebben.”
De jonge fabrikant dacht even na, en antwoordde toen:
“Er wordt tot half vijf in de fabriek gewerkt, maar de machinist blijft altijd een half uur langer met zijn stoker, ten einde de kolen uit te halen, en het vuurrooster schoon te maken. Mijn bedrijf is niet continu, en de stoomketels behoeven dus niet des nachts op spanning te worden gehouden. Maar zoodra zij weg zijn is de fabriek geheel verlaten!”
“Maar er zal toch wel een waker zijn?”
“Dat spreekt vanzelf, en die man doet geregeld de ronde, maar hij kan niet overal tegelijk zijn, en een paar mannen, die goed op de hoogte zijn van de gewoonten in de fabriek, kunnen het al heel gemakkelijk zoo aanleggen, dat zij iets in de stookruimte verbergen, zonder dat de bewaker het merkt! Dit lokaal heeft vrij wat ramen, waarvan de kozijnen zich op nauwelijks een meter boven den grond bevinden!”
“Dan hebben wij zeer waarschijnlijk te doen met een uurwerkbom, mijnheer Dane, en natuurlijk moet in de eerste plaats dat ding verwijderd worden, en onschadelijk gemaakt! Natuurlijk zullen dan de bandieten vruchteloos wachten op de ontploffing—maar ik hoop hen dat wachten aanzienlijk te bekorten!”
“Gij hebt gelijk, mijnheer!” riep Dane uit, na een blik op zijn horloge te hebben geworpen. “Laten wij ons in Godsnaam haasten! Mijn arme fabriek, die hier nog niet lang staat, en waaraan ik reeds met alle vezelen van mijn hart gehecht ben!”
Raffles was opgesprongen en riep uit:
“Laten we dan aanstonds gaan! De fabriek ligt hier immers dichtbij?”
“Op geen tachtig passen van het huis!”
“Vooruit dan! Trek een jas aan, waarvan gij den kraag opzet, en haal uw hoed zoo dicht mogelijk over de oogen, zoodat men u niet herkent. Het is mogelijk, dat de bandieten reeds nu op de loer liggen!”
Dane snelde naar een aangrenzend vertrek, keerde met hoed en jas terug, en onder het loopen deed hij de kleedingstukken aan.
De twee mannen bereikten de fabriek, zonder te zijn gezien, traden er binnen, en bij het licht van een kleine kaarslantaarn begaven zij zich naar de stookruimte.
Dane was bleek geworden, maar Raffles ging stoutmoedig voorwaarts, en begon snel het geheele vertrek te onderzoeken.
Hij opende alle kasten, doorzocht ze zorgvuldig, keek onder de zware tafel, waarop eenige reservedeelen lagen, en schoffelde toen voorzichtig den hoop steenkolen uiteen, die niet ver van een der groote ketels was opgestapeld.
Hij vond echter niets.
Ten slotte opende hij de deur van één der vuurhaarden—en aanstonds viel zijn oog op een voorwerp, dat er ongeveer uitzag als een gewone beschuittrommel.
Zonder te aarzelen nam hij het voorzichtig uit den stookhaard, terwijl Dane ontzet op veiligen afstand bleef staan en toekeek.
Raffles deed de deksel van den blikken doos, en zette onmiddellijk het uurwerk stil, dat bovenin lag—een gewone wekkerklok.
Daarop zeide hij kalm:
“Wij hebben nog anderhalf uur den tijd naar het schijnt. De kleine contactnok, die uit de wijzerplaat opsteekt, staat op half twee,—en het is nu juist middernacht geslagen!”
“Maar waar zullen wij dit vreeselijke ding laten?”
“Wij zullen het aan een eind touw in den kleinen vijver laten zakken, dien ik zooeven heb meenen te zien—het is nu volkomen gevaarloos, en gij kunt het later als stuk van overtuiging door de politie weder laten opvisschen. En laat ons nu weder naar de villa gaan—wij moeten nu de bandieten een hartige ontvangst bereiden!”
De twee mannen aanvaardden den terugweg, terwijl Raffles den gevaarlijken trommel droeg, waaraan hij een stuk touw had bevestigd, in de stookruimte gevonden.
Toen zij voorbij den vijver liepen, liet Raffles daarin voorzichtig de bus zakken, en bond het touw aan een kleinen dennenstam vast.
Hij richtte zich weder op, en stond even in gedachten verzonken.
Toen zeide hij:
“Heb ik goed gezien, mijnheer Dane—wordt de tuin door een hek omgeven?”
“Ja, door een ijzeren hek!”
“Is het nergens onderbroken?”
“Nergens!”
“Staat de hekdeur des nachts open?”
“Neen, die is gesloten, maar de bandieten zullen haar waarschijnlijk heel gemakkelijk kunnen openen. Waarom vraagt gij mij dat?”
“Om dat ik hierin een aardig middeltje meen te hebben gevonden, onze bandieten als goudsnippen met het grootste gemak te vangen. Maar daarvoor heb ik de hulp noodig van één mijner vrienden, die een uitmuntend electricien is!”
De beide heeren begaven zich snel weder naar de villa, en aanstonds nam Raffles Henderson terzijde, praatte even met hem, en de beide mannen verwijderden zich, gingen naar de fabriek, wederom vergezeld door Dane, en begaven zich naar de zaal, waar zich de groote electrische machine bevond, welke de geheele fabriek en de villa zelfstandig van licht kon voorzien.
Door eenige transformatoren in te schakelen wist Henderson binnen enkele minuten een zeer krachtigen stroom op te wekken, ongeveer drie maal zoo sterk als die op het electrische verlichtingsnet stond, dat wil zeggen 600 volt.
Toen dit gedaan was, werden de beide gedeelten van het hek, ter plaatse waar zich de ingang bevond, met dik koperdraad bevestigd, dat in den grond werd verborgen—en Henderson ging zijn post innemen bij het schakelbord, om op het eerste sein het geheele ijzeren hek trek electrisch te kunnen laden—sterk genoeg om iedereen, die het slechts even aanraakte met een hevigen schok verdoofd teraarde te werpen.
En toen dit alles geregeld was, kon men niets anders doen, dan rustig afwachten.
Dane had zijn jonge vrouw met enkele woorden op de hoogte gebracht en gerustgesteld, en nu hadden zij, Raffles, Charly Brand, en de beide bedienden post gevat achter de gesloten gordijnen, en tuurden door de kieren in den tuin, terwijl alles in huis volkomen duister was, want het moest den indruk wekken, alsof men zich daarbinnen van niets bewust was.
Traag kropen de minuten voorbij.
Het was juist kwart over éénen, toen Charly een beweging maakte, en tot Raffles, met wien hij de wacht hield bij één der ramen, fluisterend zeide:
“Ik geloof daar een schaduw te zien—daar bij dien dikken eik!”
“Je hebt gelijk—en daar zie ik nog een gedaante, bij dat boschje—en daar nog een, en nog een!”
“Het lijkt waarachtig wel een heele legermacht!” hernam Charly. “Daar zie ik er drie of vier bijeen! En aan den achterkant van het huis zijn er zeker ook. Ik zal eens gaan zien hoe het bij Dane staat!”
Raffles verliet de rookkamer, waar de beide mannen zich verdekt hadden opgesteld, liep de gang door, en bereikte een ander vertrek, een fraai ingericht boudoir, waar Dane zich met één der bedienden bevond.
“De bandieten zijn in aantocht, mijnheer Dane!” zeide Raffles zachtjes fluisterend. “Hebt gij daarginds ze ook al gezien?”
“Geen minuut geleden!”
“Hoeveel?”
“Op zijn minst vier of vijf!”
“In den voortuin hebben wij er acht geteld! Wij kunnen er dus wel op rekenen, mijnheer Dane, dat er minstens twintig bandieten in aantocht zijn! En die verraderlijke kleine boschkat is er ook bij—Canny Macleod! Nog vijf minuten—dan zullen wij handelen!”
Raffles begaf zich weder naar de voorkamer en vijf minuten gingen in spanning voorbij—de bandieten wachtten blijkbaar slechts op het tijdstip der ontploffing, om dan van alle zijden de villa binnen te dringen.
Plotseling rukte Raffles het raam open, en door de stilte van den nacht klonken twee schoten!
Dat was het sein voor Henderson, om den stroom te sluiten!
In den tuin werd een schreeuw van woede vernomen—en Charly schoot zijn revolver af zoo snel hij kon, zoodat het wel den indruk moest wekken, alsof er in het huis een geheele politiemacht gelegerd was.
De bandieten sloegen op de vlucht, aangegrepen door een wilde paniek, en inziende, dat de zaak verloren was.
Zij snelden van alle kanten op het hek toe, en wilden er over heen klauteren—maar zij vielen met een doffen kreet, als door een zwaren moker midden op het hoofd getroffen, weder terug!
Op dit oogenblik deden de villabewoners een uitval, met hun revolvers gewapend, en de bandieten, die begrepen hadden, wat er aan de hand was, en tegenstand poogden te bieden, werden snel neergelegd.
Maar Canny, die niet zoo hard had kunnen loopen als de anderen, en den toeleg doorzien had, kwam met een krijschenden gil van achter het boschje te voorschijn, en wierp zich met op geheven dolkmes als een tijgerin op Raffles, dien zij aanstonds moest hebben herkend, ondanks zijn vermomming.
Maar vóór zij kon toestooten, trad er een reusachtige gedaante tusschen beiden, die haar pols greep, en haar het wapen spelenderwijs ontwrong—het was James Henderson, die ter hulp was komen opdagen.
In een oogwenk waren de polsen van Canny met haar eigen halsdoek op haar rug vastgebonden, en daarop wierp de reus haar als een pak vuil waschgoed op zijn schouders, en droeg het listige schepsel, dat vloekte als een kaaiwerker, binnenshuis.
Een half uur later kwam de politie opdagen, en nam de bandieten, die allen zwaar gekwetst waren—het waren er twee en twintig geweest—benevens Canny in verzekerde bewaring.
Maar toen was er van Raffles en zijn beide metgezellen geen spoor meer te ontdekken—zij hadden zich vol bescheidenheid aan alle loftuitingen willen onttrekken.