Lord Lister No. 0399: Een gevaarlijk Avontuur

Part 4

Chapter 43,999 wordsPublic domain

Een blik op het gelaat van Raffles was voldoende om hem de overtuiging te schenken dat ook de Gentleman-Inbreker Black Pete en Canny herkend had.

“Het spijt me, Raffles—ik kon niet harder loopen—,” begon Charly nog hijgend van inspanning.

“Verontschuldig je niet, Charly, je hebt gedaan wat je kon,” kwam Raffles, toen hij de kleine tros los wierp en de motor weder in gang bracht. “Heb je ontdekt, waar zij hun verblijf houden?”

“Ja, in een reeds lang verlaten groote loods, waarschijnlijk een teekenloods, die nog dateert uit den tijd van den bouw der fabriek, waarvan je den schoorsteen daar ginds kunt zien.”

“Nu, dat is in ieder geval van groot belang,” hernam Raffles. “Ben je in de gelegenheid geweest iets af te luisteren?”

“Bitter weinig. Ik heb alleen een naam hooren noemen, den naam van Alfred Dane.”

“Zoo heette de jonge man, dien zij vannacht hebben overvallen.”

“Ja, en hij is de eigenaar van gindsche fabriek.”

“En zij noemden zijn naam?”

“Eenige malen achtereen.”

“En heb je werkelijk volstrekt niets anders kunnen verstaan,” drong Raffles aan. “Ga eens goed met je geheugen te rade.”

Charly dacht ingespannen na en antwoordde daarop:

“Misschien, ik geloof.... ik meen dat ik ook het woord betaaldag vernomen heb, maar daarvan begrijp ik de beteekenis niet al te goed.”

“Ik wel,” hernam Raffles droogjes, “het is namelijk morgen betaaldag voor de meeste arbeiders.”

“En wat zou dat?”

“Heel eenvoudig, op betaaldagen hebben de patroons natuurlijk het meeste contante geld in huis, of op de fabriek.”

Charly keek Raffles met groote oogen aan, maar hij zeide niets. Wel begreep hij wat er op dit oogenblik in het hoofd van zijn vriend om ging.

Dat was zeker, Raffles scheen iets te vreezen voor Dane, den eigenaar van de groote fabriek van machineonderdeelen, die bijna duizend arbeiders aan het werk hield.

Intusschen had men de achtervolging weder voortgezet, maar Raffles zag maar al te spoedig in, dat een gehuurde motorboot, al was zij dan ook snel in den aanvang, het op den duur niet kon opnemen tegen een zoo voortreffelijk vaartuig als dat van den rosharige.

De afstand werd hoe langer hoe grooter, het noodlot wilde, dat er een paar groote sleepen in den weg kwamen en nog voor men de groote wolkenkrabbers weder voorbij voer, moest Raffles zich wel gewonnen geven. De bruine motorboot was uit het gezicht verdwenen en waarschijnlijk hadden de bandieten zich reeds aan wal begeven.

Die opvatten bleek de juiste te zijn, want toen de gehuurde motorboot langs den kleinen steiger voer, lag daar reeds weder rustig de mahoniehouten boot en nergens was iets van de bandieten te bespeuren. Zij hadden zich weder in de menigte opgelost.

De duisternis begon reeds weder te vallen, want het grootste gedeelte van den middag was met de achtervolging verstreken en het zou moeilijk zijn, thans het spoor van Canny en haar medeplichtigen te hervinden.

Toch besloot Raffles, zich de diensten van King opnieuw te verzekeren. Men kon nooit weten, hoe zij den hond weder konden gebruiken.

Henderson belastte zich hiermede en zou het dier onder zijn berusting houden en Raffles en Charly, na de boot weder te hebben afgeleverd, begaven zich aan land, en bereikten in een tamelijk mistroostige stemming hun hotel.

Het kon niet anders gezegd worden—zooals de zaken nu stonden, was de laatste trek aan hun tegenstanders geweest.

Alles wat zij wisten was, dat zij zich ophielden in een verlaten loods, en dat was niet veel.

Want niemand kon zeggen, of zij daar iederen nacht zouden doorbrengen en zelfs kon men dit onwaarschijnlijk achten, want bandieten, als Black Pete en zijn minnares moesten vreezen dat de politie ieder oogenblik hun schuilplaats kon ontdekken.

Toch gaf Charly, zoodra de beide mannen de kamers betreden hadden, waar zij zouden dineeren, Raffles in overweging onmiddellijk de politie te waarschuwen opdat deze voor alle zekerheid de loods in het oog zou kunnen houden.

Maar Raffles schudde het hoofd en zeide:

“Volgens jouw beschrijving van het terrein gaat het al heel moeilijk, zelfs des avonds, want je deelde mij mede dat de loods geheel vrij staat, en dat wij minstens eenige honderden meters moeten afleggen over een geheel open terrein.”

“Dat is zoo. Met alleen de stukken pijp van de waterleiding als tusschendekking,” moest Charly toegeven.

“Dat is onvoldoende. Wij hebben met sluwe boeven te doen. Zij zullen wel hun wachtposten hebben, in de gedaante van een zoogenaamd argeloozen arbeider, een vroegrijpen straatjongen, die het nooit bijzonder op de politie begrepen heeft, of iets dergelijks.”

“Maar wij zelf dan, Raffles? Kunnen wij dan niet de taak van de politie overnemen, wij die veel minder in het oog vallen?”

“Daar denk ik ook over, mijn waarde, maar eerst moet ik je oordeel eens vernemen, inzake een aardig stukje papier. Hier is het.”

En met deze woorden duwde Raffles Charly onverhoeds een stukje papier in de handen.

Charly keek verbluft naar de onbegrijpelijke aaneenrijging van letters en riep toen uit:

“Wat geef je me daar nu? Wat moet dat voorstellen? Waar heb je dat gevonden?”

“Ik vond het aan boord van de bruine motorboot, Charly, en het is zonder eenigen twijfel een boodschap van den chef van de bende aan zijn ondergeschikten.”

“Maar het is geheimschrift,” riep Charly uit.

“Dat meende ik ook te hebben opgemerkt,” hernam Raffles droogjes, “en omdat we aan raadselschrift niets hebben, noodig ik je hierbij vriendelijk uit, deze rebus voor mij op te lossen. Ik meen, dat je daar zeer sterk in bent.”

“Maar dat is een zaak, Raffles, die mij dagenlang kan bezig houden,” hernam Charly op wanhopigen toon.

“Ik hoop, dat je er wat korter over zult doen, mijn jongen. Ik ben er ten zeerste op gesteld, zoo spoedig mogelijk te weten, wat dit eigenaardige samenvoegsel van letters te beteekenen heeft.”

HOOFDSTUK VI.

DE OPLOSSING.

Charly had zich in een stoel laten vallen en staarde naar het snippertje papier, dat hij in de hand hield.

En het duurde niet lang, of zijn eerzucht werd geprikkeld—hij had steeds bekend gestaan als een schrander oplosser van allerlei rebussen en charades, rekenopgaven en andere vraagstukken—en hij zou alle mogelijke moeite doen, om ook deze geheimzinnige letters te ontraadselen.

Hij ontveinsde zich echter niet, dat zijn taak zeer bemoeilijkt werd, omdat hij niet den geheelen brief, maar slechts een klein gedeelte ervan in handen had.

Toen begon hij langzaam, den blik strak op het stukje papier gericht:

“Wat het eerst trekt in deze verzameling van letters, die volkomen onbegrijpelijk zijn, dat is de opeenvolging van tien, ja soms twaalf medeklinkers, een opeenvolging, die in geen enkele taal der wereld voorkomt. In het Poolsch vindt men wel eens woorden, waarin zeven medeklinkers achter elkaar voorkomen, maar zij zijn zeldzaam, en er is volstrekt geen reden om aan te nemen, dat de lieden, die dit geheimschrift opstelden, zich van een andere dan de Engelsche taal bediend hebben. Overigens is de verhouding van de klinkers tot de medeklinkers volkomen normaal en wijkt zij niet af van die der meeste westersche talen. Het is een verhouding van twintig procent, dat wil zeggen, dat op iedere vijf medeklinkers een klinker voorkomt. Wij behoeven er niet aan te twijfelen, of ieder van deze letters heeft een afzonderlijke beteekenis.”

“Dat heb ik ook aanstonds gedacht,” riep Raffles uit.

“En dat maakt mijn taak er zeker niet gemakkelijker op, want het is bijna zeker, dat twee k’s achter elkaar geplaatst aan het begin van den derden regel, ieder een andere beteekenis hebben.”

“De zaak is nu, Charly, die beteekenis uit te vinden.”

“Juist, maar hoe? Er is een getal, Edward, dat deze letterreeks beheerscht, en het is slechts de vraag, wat dat getal is. Natuurlijk valt er niet aan te denken het toeval te baat te nemen.”

“Ik heb al ongeveer vier getallen geprobeerd, Charly,” hernam Raffles glimlachend, “maar ik had mij die moeite gerust kunnen sparen.”

“Geen wonder. Het zou al zeer vreemd geweest zijn, wanneer je toevallig juist het goede getal getrokken had. Daarbij komt natuurlijk nog iets. Het is namelijk volstrekt niet zeker, dat het laatste cijfer van het gekozen getal juist overeenstemt met de laatste letter van dit raadselschrift. Integendeel zou ik bijna gezegd hebben.”

Charly had den stoel dicht bij de tafel getrokken en had de letters van het zonderlinge raadselschrift, juist zooals zij op het afgescheurde stukje papier stonden, op het groote vel papier opgeschreven en daarbij ruimte gelaten om onder iedere letter een cijfer te kunnen schrijven.

Toen leunde hij opnieuw achterover en hernam peinzend:

“Als die schurken althans maar een afscheiding tusschen de woorden hadden gemaakt, dat zou mijn taak verlicht hebben. Maar zoo is het bijna onmogelijk. Toch wil ik het probeeren. Laat ons om te beginnen het jaartal eens nemen....”

Hij wilde zich reeds tot schrijven zetten, maar Raffles hield hem met een gebaar tegen en zeide:

“Houd maar op, Charly, ik heb het jaartal al geprobeerd. Het geeft niets.”

“Maar je hebt misschien de vier cijfers onder de vier laatste letters gezet, Edward,” riep Charly uit, “en daareven zeide ik reeds....”

“Neen, Charly, ook die illusie moet ik je ontnemen. Ik heb het getal 1921 zoodanig geplaatst, dat de laatste “1” achtereenvolgens onder de laatste, op een na de laatste, op twee en op drie na de laatste letter kwam. En telkens met negatief resultaat.”

“Dan is er wat anders,” zeide Charly teleurgesteld. “Dan zouden wij wel eens het jaartal kunnen nemen van Harding’s geboorte.”

“Je kunt het probeeren, maar ik betwijfel of lieden als Black Pete en zijn kornuiten dat getal wel zouden hebben gekozen.”

Maar Charly had het getal reeds opgeschreven en telde nu zooveel bij ieder van de laatste vier letters als het daaronder geschreven cijfer aangaf, opgaande in de rangorde van het alphabet.

Toen dit een volkomen onbegrijpelijk woord opleverde, telde hij er de letters niet bij, maar trok ze af en ging dus het alphabet terug.

Het resultaat was al even onbegrijpelijk.

Hij verschoof het jaartal een paar malen, maar het hielp hem niets en met de hand aan het voorhoofd liet Charly zich achterover vallen.

Toen keek hij Raffles strak aan en vroeg:

“Ben je er bepaald op gesteld om den inhoud van dit papier te leeren kennen?”

“Ja, Charly. Ik ben er zeer op gesteld,” antwoordde Raffles.

“Dan zullen wij er ons op moeten voorbereiden, den geheelen avond en waarschijnlijk een gedeelte van den nacht hier door te brengen, en aan de oplossing van dit raadselschrift te besteden, want op een andere manier dan door telkens te probeeren behoeven wij er niet op te rekenen, dat wij zullen slagen.”

“Ik heb er den avond en den geheelen nacht voor over, Charly,” zeide Raffles eenvoudig. “Geef mij het stukje papier eens. Ik zal de letters ook voor mijzelf opschrijven en ik zal alle getallen probeeren die mij te binnen vallen.”

Charly keek zwijgend toe, hoe Raffles de letters overschreef en juist toen dit gebeurd was, werd er op de deur geklopt.

Raffles schoof de papieren snel in zijn zak en een oogenblik later trad de kellner binnen, vergezeld van een piccolo, die de tafel begon te dekken.

Het diner verliep tamelijk stilzwijgend, want de beide vrienden probeerden uit hun hoofd alle getallen, die hen wilden invallen.

Maar toen zij na het dessert het eerste kopje dronken van den geweldigen pot koffie, welke Raffles uit voorzorg besteld had, waren zij nog geen stap verder.

Twee uren lang werkten zij zoo, en reeds hadden zij van alles geprobeerd.

Het geboortejaar van president Lincoln, zijn sterfjaar, het geboortejaar van den tooneelspeler die den ongelukkigen president in zijn loge vermoordde, ook diens sterfjaar, het jaar der terechtstelling van eenige bekende Amerikaansche moordenaars, het jaar waarin de slavernij werd afgeschaft, en dat waarop de noordelijken en zuidelijken den vrede teekenden. Niets hielp. Zij verkregen slechts een samenvoegsel van volkomen onbegrijpelijke letterteekens.

Hun slapen, hun hoofden dreigden te barsten. Zij vorderden niets.

Toen liet Charly zich achterover vallen, wierp zijn potlood op tafel en zeide:

“Zoo komen wij er in geen week, Raffles. Zullen wij nu niet liever eens trachten door redeneeren ons doel te bereiken?”

“Ga je gang, Charly, hoewel ik niet kan begrijpen, welke redeneering de opsteller van het briefje zelf wel zal hebben toegepast.”

“Laat ik het toch maar eens probeeren,” hernam Charly vastberaden. “Je bent toch zeker met mij eens, dat het briefje van groot belang is voor dengene, die het ontving?”

“Ongetwijfeld. Van niet minder groot belang dan voor dengene die het verzond, anders ware het natuurlijk overbodig geweest het in cijferschrift op te stellen en zou de ontvanger ook niet de moeite hebben gedaan, het te vernietigen, zoodra zich daartoe de gelegenheid aanbood—op het water namelijk.”

“Acht jij het ondenkbaar dat Black Pete zelf het briefje heeft verzonden en heeft laten overhandigen?”

“Integendeel,—ik acht het zeer wel mogelijk.”

“Wij hebben hier zeker het einde van den brief, nietwaar?”

“Dat staat voor mij vast.”

“Welnu, dan is het toch logisch aan te nemen, dat het een onderteekening van den afzender bevat? Is dat niet zoo?”

“Tegen die opvatting valt niets te zeggen, tenzij de man die het briefje ontving zeer nauwkeurig wist, wie de afzender was!”

“Laat ik voorloopig bij mijn meening blijven, Raffles!” hernam Charly, die opnieuw door een koortsachtige werkwoede was aangegrepen. “Ik neem dus aan, dat het briefje inderdaad door Black Pete verzonden en ook onderteekend is. Zijn naam zou dan aan het slot moeten staan—en door dien naam onder de laatste negen letters te plaatsen, en daarbij zooveel op te tellen als zij onderling in rangorde van het alphabet verschillen, zouden wij misschien het sleutelgetal krijgen!”

“Je kunt het mijnentwege probeeren, Charly!” gaf Raffles te kennen, die zelf niet al te veel vertrouwen in deze redeneering had.

Charly trok het blad papier weder naar zich toe, en plaatste den naam Black Pete onder de laatste negen letters, aldus: black pete.

Bijna had hij een schreeuw gegeven, want met den eersten blik had hij gezien, dat de letters van het raadselschrift in rangorde allen boven die van den naam van Black Pete stonden!

Dat was in ieder geval een goed voorteeken, want in het tegenovergestelde geval had hij zijn pogingen gerust aanstonds kunnen opgeven.

Met koortsachtige haast begon hij het aldus gevonden getal steeds verder teruggaande, en het telkens opnieuw herhalend onder de letters te plaatsen, en toen dit gedaan was, begon de optelling volgens de rangorde van het alphabet.

Bijna had Charly een juichkreet geslaakt, want toen hij bij den laatsten regel begon, las hij zonder haperen het volgende:

“.... de bekende plek te zijn, Black Pete.”

Hij boog zich aanstonds over het papier heen, en ging verder, met schitterende oogen en een verhoogde gelaatskleur.

Maar bijna dadelijk hield hij weder op, en riep teleurgesteld uit:

“Ik ben een ezel! Ik vergeet geheel en al dat dit een afgescheurd stukje papier is, en ga rustig voort met het herhalen van het gevonden sleutelgetal!”

“Wat is dat, Charly? Heb je het inderdaad gevonden?” riep Raffles opgewonden uit.

“Zonder eenigen twijfel! De laatste zin loopt voortreffelijk!”

“Dan is er niets verloren! Geef mij het getal op, dan zullen wij het net zoolang op de overgebleven letters van den brief toepassen, iedere regel afzonderlijk, totdat er een verstaanbaar zinsgedeelte is ontstaan!”

Met nieuwen moed wierpen de beide mannen zich opnieuw op den arbeid, en na nog een uur lang te hebben gewerkt, hadden zij ten slotte een stukje papier voor zich, waarop de volgende acht regels te lezen waren:

e l s c h e o o k r u i m t e o n t p l o f f i n g w o r d t e r e e n v e r w a r r i n g i n d e v i l l a a r v a n w i j g e b r u i k z u l l e n m a k e n s n e l o n z e n s l a g t e s l a a n. Z o r g t d e b e k e n d e p l e k t e z i j n. B l a c k P e t e.

Een oogenblik bleven de beide mannen elkander zwijgend aanzien, en toen zeide Raffles:

“Ik maak je mijn compliment, Charly—dat heb je kranig opgeknapt.”

“Dat mag zoo zijn Raffles, en ik dank je voor je goede meening, maar ik wil je wel bekennen, dat ik er nu niets meer van begrijp, als toen ik dat briefje voor het eerst zag!”

“Dat verbaast mij wel een weinig, Charly, want voor mij is de mededeeling thans vrij duidelijk leesbaar—en haar beteekenis in verband gebracht met wat jij in je schuilplaats gehoord hebt, kan niet twijfelachtig zijn!”

“Ik ben benieuwd naar je verklaring.”

“Ziehier! In den derden regel is, zooals je ziet, sprake van een ontploffing, en ik bega dus volstrekt geen al te gewaagde veronderstelling, als ik vermoed, dat van het allereerste woordje, eenvoudig de “h” is weggevallen!”

“Ik weet het al—er is sprake van een helsche machine!” riep Charly uit.

“Dat is dunkt mij nog al duidelijk!”

“Maar het tweede woord dan? Wat heeft dat te beteekenen?”

“Maar mijn waarde Charly—heeft de oplossing van dit letterraadsel je nu van al je denkkracht ontroofd? In het briefje wordt immers ook van een villa gesproken, en je behoeft er niet aan te twijfelen, of die villa is degene die zich naast de fabriek van Alfred Dane bevindt—over wien de bandieten ook spraken, toen zij je voorbijgingen. Welnu—in iedere fabriek vindt men een stookruimte nietwaar?”

“Idioot, die ik ben,” riep Charly uit, “en ik meende dat het woord bij ongeluk aan elkaar was gevoegd, en had er twee van willen maken!”

“Nu, als wij dat eenmaal hebben uitgemaakt, Charly, dan is de rest dunkt mij al zeer eenvoudig! Het is duidelijk dat de bandieten een ontploffing willen teweeg brengen in de fabriek, en van de daaruit ontstane verwarring willen zij gebruik maken, om in de villa hun slag te slaan. Ik zou je dus willen voorstellen, het briefje in dezer voege te lezen:

“Wanneer dan de h elsche machine in de st ookruimte van de fabriek tot ontploffing wordt gebracht, zal er een verwarring in de villa ontstaan, wa arvan wij gebruik zullen maken om snel onzen slag te slaan. Zorgt bijtijds op de bekende plek te zijn.”

Naarmate Raffles dit oplas, had Charly snel de woorden achter elkaar geschreven en nu riep hij opgewonden uit:

“Het kan niet anders geweest zijn! Het komt nauwkeurig uit, en beslaat juist de breedte van het papier!”

“Nu, Charly, dan mogen wij zeggen, dat wij een allerbelangrijkste ontdekking hebben gedaan! Er wordt dus een aanslag beraamd op de villa van Alfred Dane, en die aanslag zal waarschijnlijk heden nacht plaats vinden, want dan weten zij zeker, dat er veel geld in huis is, want morgen is de betaaldag. Wij zullen ons moeten haasten, mijn jongen, om op tijd te zijn—en wij zullen maar vast beginnen, met mijnheer Dane telefonisch te waarschuwen! Hij moet onmiddellijk, zonder dat het opvalt, een onderzoek in de machinekamer en de stookruimte van de fabriek laten instellen!”

“En wat doen wij?”

“Wat een vraag! Natuurlijk zullen wij van de partij zijn! Ik zou zelf voor geen geld van de wereld de goede grap willen missen!”

“Dan zullen wij moeten voortmaken, Edward—het is reeds bij half elf!”

“Zou de fabriek niet met een auto te bereiken zijn?”

“Dat denk ik wel—als wij eerst de Brooklyn Brug oversteken! Ik geloof echter, dat het veiliger zou zijn als wij den waterweg kiezen—wij weten immers de plek te vinden, waar zich de fabriek en de villa bevinden!”

“Dan spoedig op weg! Maar eerst telefoneeren!”

En Raffles verliet het vertrek, begaf zich naar de telefooncel, en had zich een oogenblik later in verbinding gesteld met Alfred Dane, en den zeer verschrikten jongen fabrikant, die nog slechts weinige maanden geleden gehuwd was, van het gevaar wat hem bedreigde, op de hoogte gesteld.

Hij kondigde hem tevens zijn komst aan, zonder hem evenwel iets van zijn identiteit te verraden, en daarop verliet hij in gezelschap van Charly en Henderson, benevens van den braven King het hotel.

Een huurauto bracht hen in allerijl naar de kade, en daar huurde Raffles opnieuw, en niet bepaald goedkoop, de motorboot, die hem reeds zulke goede diensten had bewezen.

Het stelde Raffles eenigszins gerust, dat de bruine motorboot nog altijd op haar plaats lag—als de bandieten hiermede naar de plek van de misdaad wilden gaan, waren de drie mannen hen in ieder geval voor!

Raffles liet de boot loopen, zoo hard zij maar kon, en drie kwartier later meerde hij haar op dezelfde plek van dien middag, terzijde van de half over het water gebouwde directiekeet.

In allerijl begaven de drie mannen zich aan land en volgden, aangevoerd door Charly, den pas aangelegden straatweg, die nog maar zeer schaars verlicht was.

Het was zaak, groote voorzichtigheid in acht te nemen, want niemand kon zeggen, of zich reeds eenige bandieten in hinderlaag hadden gelegd.

Als het ware op de knieën voortkruipend, bereikten zij de plek, waar Charly dienzelfden dag dekking had gezocht achter de rij mooten van de waterleidingpijp, zware betonnen bakken, die aan elkander geschoven konden worden, en waarvan de meesten op hun kant waren neergezet.

Zij liepen er omzichtig om heen, zonder een woord te spreken, en Henderson, die de langste was, wierp achtereenvolgens met de revolver in de hand een blik over den rand van al deze fragmenten.

Het was immers mogelijk, dat eenige der bandieten hier een schuilplaats hadden gezocht.

Zij bleken echter verlaten te zijn, en de drie mannen liepen verder, zoo ver mogelijk verspreid, en bereikten ten slotte ongeveer tegelijkertijd de villa, die door een groote tuin omgeven was, waarin struikgewas en planten al welig opschoten.

HOOFDSTUK VII.

GEVAT.

Toen Raffles had aangebeld, werd de deur slechts op een kier geopend, en het eerst wat Raffles te zien kreeg, was een zware koperen ketting, en vlak daaronder de glinsterende loop van een revolver.

Blijkbaar was men daar binnen op zijn hoede.

“Gij kunt de deur gerust opendoen, vriend!” zeide Raffles op zachten toon. “Ik ben de man, die Alfred Dane zooeven gewaarschuwd heeft!”

“Ik ben Dane zelf!” klonk het achter de deurspleet. “Als gij het zijt die mij gewaarschuwd hebt, herhaal mij dan zoo letterlijk mogelijk, wat gij hebt gezegd!”

“Met groot genoegen, mijnheer Dane!” antwoordde Raffles kalm, en hij herhaalde zoo goed als woordelijk het gesprek, dat hij slechts kort geleden met den jongen fabriekseigenaar gevoerd had.

Dane scheen tevreden te zijn door den uitslag van deze proef, maar toch vroeg hij nog:

“Wie zijn de twee mannen die gij bij u hebt?”

“Vrienden, mijnheer Dane! Ik verzeker u, dat gij verstandig zult doen, ons spoedig binnen te laten, want er zullen wel haastig maatregelen genomen moeten worden! Een van deze heeren was er bij tegenwoordig, toen ik u in het Central Park bewusteloos op den grond vond uitgestrekt!”

“Gij zijt het dus geweest, die den agent van politie hebt neergeslagen, toen hij naar uw identiteit vroeg?” riep Dane verwonderd uit.

“Ik had het genoegen en het voorrecht, mijnheer!” antwoordde Raffles lakoniek.

“Maar waarom hebt gij het gedaan?”

“Omdat hij ons verzocht hem naar het politiebureau te volgen!”

“En waarom hebt gij geweigerd?”

“Dat zal ik u mededeelen, zoodra gij mij daartoe in de gelegenheid stelt, door de deur voor ons te openen!” gaf Raffles ten antwoord.

Alfred Dane scheen nog een oogenblik te aarzelen, maar toen opende hij de deur, Raffles en zijn twee metgezellen traden binnen, de deur werd zachtjes weder gesloten, en de schakelaar van het electrische licht tikte zachtjes, waarop de vestibule daghelder verlicht werd.

En nu zag Raffles twee bedienden in een hoek staan, nog al tamelijk bleek, maar ieder voorzien van een revolver, waarmede zij nog genoeg onheil zouden kunnen aanrichten.

Raffles zag het even glimlachend aan, en zeide toen hoofdschuddend: