Lord Lister No. 0399: Een gevaarlijk Avontuur

Part 3

Chapter 34,033 wordsPublic domain

De motor was zoodanig ingebouwd, dat hij in het geheel geen last kon veroorzaken, en te weerszijden van de kajuit bevond zich een smal gangpad, zoodat men zich, als men tenminste over eenige lenigheid beschikte, van de voor- naar de achterplecht kon begeven.

Het bleek Raffles al dadelijk, dat Canny inderdaad met dit scheepje vervoerd was, want dienaangaande liet het gedrag van King geen twijfel over.

Niet zoodra was de hond aan boord gekomen, of hij was weder begonnen te snuffelen, in alle hoekjes en gaatjes, en Raffles wist zeker, dat hij hier het spoor van de misdadigster hervonden had.

Hij doorzocht zorgvuldig de kajuit, maar hij kon er niets bijzonders vinden, bereikte toen de kleine voorplecht, waar ongeveer zes personen konden zitten, drie op iedere zijbank, en zette zijn onderzoek voort.

Hij wilde reeds weder onverrichter zake door de kajuit heen naar de cockpit terugkeeren, toen zijn oog viel op een klein snippertje papier, blijkbaar van een grooter vel afgescheurd, en van driehoekigen vorm.

Het lag tegen den voet van een der banken aangedrukt, en was daar waarschijnlijk terecht gekomen, toen degene, die het vel papier verscheurde, de snippers over boord wilde werpen.

Raffles nam het stukje papier op, en bekeek het zorgvuldig.

Het was daartoe echter noodig, dat hij in de kajuit terugkeerde, de beide deuren sloot, de gordijntjes voor de patrijspoorten dichttrok, en vervolgens zijn electrische zaklantaarn liet ontgloeien.

De driehoekige papiersnipper bevatte slechts een twintigtal letters—en met den eersten blik zag Raffles dat hij met geheimschrift te doen had—de letters waren allen aan elkander geplaatst, en vormden een volkomen onbegrijpelijk zinsgedeelte.

Hij vouwde het stukje papier zorgvuldig op, stak het in zijn vestzak, en bromde voor zich heen:

“Daar mag Charly zijn kracht eens op beproeven—hij is een groot liefhebber van raadselschriften en rebussen!”

Vervolgens doofde hij zijn lantaarn weder, zette de deuren weder open, zooals hij ze gevonden had, schoof de gordijntjes weder terug, opdat er niets zou blijken van het ongewenschte bezoek, en klom weder op de steiger.

King volgde hem onmiddellijk, alsof hij al jaren in zijn dienst geweest was, en het was niet eens meer noodig den hond aan het touw vast te houden.

Juist toen Raffles de schuilplaats achter de kisten weder bereikte, en zijn mededeeling, zooeven geschreven, zorgvuldig weder uitwischte, zag hij Charly snel de trap weder afdalen, en een oogenblik later had de jonge man zich bij hem gevoegd.

“Welnu?” vroeg Raffles fluisterend, terwijl hij Charly met gespannen aandacht aankeek. “Je bent niet lang weg geweest, zou ik zeggen?”

“De kerel woont op nauwelijks een half uur gaans hier vandaan! Ik heb het huis zeer zorgvuldig genoteerd—als je wilt kan ik je het nu nog aanwijzen!”

“Komen wij er langs, als wij ons weder naar ons hotel begeven?”

“Ja, als wij een kleinen omweg maken!”

“Welnu, dan maken wij dien omweg! Het is van belang om te weten waar onze man woont!”

De beide mannen verlieten de aanlegkade, en op weg naar het huis van het bendelid deelde Charly Raffles mede, dat de man regelrecht naar zijn woning was gegaan, en de huisdeur met een sleutel had geopend.

Het was in een der oudste buurten van New-York, in de havenwijk.

Een half uur later stond Charly stil, en wees Raffles op een oud, vervallen huis, waarvan alle ramen donker waren, en zeide op zachten toon:

“Daar is het!”

Raffles nam het huis aandachtig op, vergewischte zich van den naam van de straat, beschouwde de omgeving van het huis, en zeide daarop:

“Voor vannacht hebben wij genoeg gedaan, mijn jongen! Het is slapenstijd. Wij zullen nu eerst den hond weder gaan terugbrengen, maar wij moeten hem voor morgen weder bespreken, en dan hoop ik in een goede nachtrust de kracht te vinden voor de verdere afwikkeling van ons avontuur.”

HOOFDSTUK IV.

VERSCHILLENDE COMBINATIES.

Den volgenden dag begonnen de werkzaamheden weder reeds zeer vroeg in den morgen.

Raffles begreep, dat hij zorg moest dragen, zijn man niet uit het oog te verliezen, nu hij eenmaal zijn woonplaats had weten uit te vinden.

En zoo was Henderson, nog altijd in zijn hoedanigheid als neger, dien ochtend reeds zeer vroeg op zijn post in de Creek-Street—zoo luidde de naam van de straat waar de man met het rossige haar woonde.

Hij was zoo onopvallend mogelijk gekleed, en daar men in dit gedeelte van de stad een zeer groot aantal negers aantrof, viel zijn verschijning volstrekt niet in het oog.

Wat Raffles zelf betreft, hij had de taak op zich genomen, voor een zeer snelle motorboot te zorgen, die in staat zou zijn, het vaartuig van den rosharige niet alleen bij te houden, maar als het moest ook inhalen.

Charly tenslotte werd op dezelfde plek geposteerd, waar beide vrienden den vorigen avond met den hond waren geweest, en hij had in opdracht, de aanlegplaats van de motorboot in het oog te houden.

Hij zag er uit als een echte baliekluiver, een werkelooze, die er volstrekt niet over ontsticht is, dat hij geen werk kan vinden, en hij slenterde met zijn handen in de zakken van een pilow-broek langs den kademuur heen en weer, schijnbaar onverschillig, maar met alle aandacht voor den kleinen steiger.

Raffles was het eerste met zijn taak gereed, en bevond zich dus het eerst weder in zijn kamer in het Astor-Hotel.

Hij sloot zorgvuldig de deur, overtuigde zich, dat men hem niet door het sleutelgat kon bespieden, en haalde het stukje papier te voorschijn, dat hij den vorigen nacht gevonden had aan boord van de motorboot.

Het was nauwelijks eenige centimeters breed, en bevatte, zooals genoemd een aantal schots en scheef door elkander geplaatste letters zonder slot of zin.

Hij streek het papiertje glad, legde het voor zich op tafel, en bekeek het met groote aandacht.

Het zag er als volgt uit:

b j p z a d k l i o s f j m d k k r m j l c y h j d u l p a q x q a b l s c o t t q n f l d g k a x u e i j x y o s t m s v e b z o r b j v r j i c k p g d h l l b c k p e z d q c o j x x g y k o e q a c y c h b g c a m j b i d b s x j y j x a h m x s a

Op het eerste gezicht was het een volkomen onbegrijpelijke samenstelling maar Raffles wist, dat dit alles zich eensklaps zou ophelderen, zoodra men slechts in het bezit was van het sleutelgetal, dat op dit raadselschrift paste.

Want dat er een getal bij gebruikt was, stond bij Raffles aanstonds vast.

Dat bleek uit de anders onbegrijpelijke opeenvolging, die in geen enkele taal ter wereld voorkomt, en waaruit onomstootelijk bleek, dat van de drie “n’s” de eerste een andere beteekenis had dan de tweede, en deze waarschijnlijk weer een andere dan de derde.

En hiermede was aanstonds de moeilijkheid aangetoond, aan de oplossing van een raadselschrift verbonden.

Er bestond een getal, maar hoe kort dit ook mocht zijn—men moest het kennen om het raadselschrift te kunnen toepassen, en het was bijna onmogelijk, te zeggen, welk getal de bandieten gekozen hadden, om als sleutel van het raadselschrift te dienen.

Zij hadden de oplossing ervan wellicht zelfs nog ingewikkelder gemaakt, door een woord uit te kiezen, om daarvan een getal te maken, door de letters van dat woord te vervangen voor het cijfer, wat zij in de rangorde van het alphabet innamen.

“Wij zouden bijvoorbeeld eens kunnen beginnen met den naam van den nieuwen president, Harding,” begon Raffles glimlachend.

Hij nam een velletje papier voor zich, greep zijn vulpenhouder, schreef het woord Harding op, en zette onder de letters de daarmede overeenkomende cijfers in het alphabet, en verkreeg toen het volgend getal:

H a r d i n g 8 1 18 4 9 14 7

Raffles paste dit getal op goed geluk toe op de letters, die hij op het stukje papier had gevonden, achtereenvolgens met ieder cijfer beginnend, daar hij natuurlijk onmogelijk kon weten, bij welke letter van het raadselschrift een woord begon of eindigde, maar reeds na eenige pogingen zag hij in, dat het nutteloos was, hiermede voort te gaan—wat hij verkreeg, door telkens van het rangorde-cijfer der geheimzinnige letters zooveel af te trekken als volgens het sleutelwoord Harding noodzakelijk was, was al even onzinnig en onleesbaar als het origineel!

Raffles leunde achterover in zijn stoel, en sloot de oogen.

Hij begreep wel, dat hij op deze wijze dagen, ja weken achtereen zou kunnen besteden aan de oplossing van het raadselschrift, zonder die te kunnen vinden, en hij dacht aan het prachtige verhaal van Edgar Poe, “de Gouden Spin”, waarin de groote Amerikaansche schrijver een stelsel van raadselschrift uitwerkt, dat steeds tot voorbeeld zou blijven strekken aan alle romanschrijvers, en dat ook Jules Verne inspireerde, toen hij zijn spannend verhaal “Een vlotreis op de Amazone” schreef.

Toch gaf hij het zoo spoedig niet op, en probeerde achtereenvolgens het jaartal, den datum, het geboortejaar van Washington, het sterfjaar van dien grooten Amerikaan—en telkenmale verkreeg hij een totaal onbegrijpelijken zin, die zelfs voor een Pool of een Rus onuitsprekelijk zou zijn geweest.

Na een uur op deze wijze allerlei getallen te hebben geprobeerd, die hem maar te binnen wilden schieten, stak hij het papiertje met een haastig gebaar in zijn zak en mompelde:

“Als ik dit nog een half uur volhoud, ben ik rijp voor een gekkenhuis! Charly zal er werkelijk bij te pas moeten komen—hij heeft altijd bijzonder veel liefhebberij in dergelijke raadseltjes! En misschien blijkt het achteraf wel, volstrekt niet de moeite waard te zijn geweest, ons zoo in te spannen!”

Hij wierp een blik op zijn horloge, greep zijn hoed, zijn jas en verliet even later het hotel weer, na aan den portier een boodschap te hebben achtergelaten voor het geval zijn gewaande zoon, of zijn bediende in zijn afwezigheid mocht terug keeren.

Raffles begaf zich allereerst naar de havenkade, teneinde zich daar op de hoogte te stellen van den toestand.

Reeds in de verte zag hij Charly Brand, in schilderachtige houding over den kademuur leunend en met groote virtuositeit kringetjes in het water spuwend, zijn hoofd met zijn gesloten vuisten steunend en de ellebogen op de balustrade rustend.

Hij liep vlak achter Charly heen en zeide snel op gedempten toon een paar woorden in de geheime taal, welke alleen hem, Henderson en Charly bekend was.

En zoo goed had de jonge man zijn spieren en zenuwen in bedwang, dat hij zich zelfs niet bewoog, toen hij op denzelfden gedempten toon antwoord gaf.

Raffles ging verder en bij het gaan langs den kademuur zag hij, dat de motorboot van den rosharigen man nog altijd rustig op dezelfde plaats lag.

En hij verwonderde zich wel een weinig over de nonchalance, waarmede de eigenaar met het bootje omsprong, dat slechts tegen diefstal beveiligd was door een gewoon hangslot, waarmede de ijzeren ketting gesloten was, die het bootje aan den ring op den vasten wal verbond.

De man scheen er echter op te rekenen, dat het aan de haven druk was en dat men hem wel goed kende, en zeker niet aan een vreemdeling zou toestaan het bootje los te maken.

Ook was het wel waarschijnlijk, dat de eigenaar een onmisbaar klein machinedeel had mede genomen, waardoor het onmogelijk was de motor te laten werken.

Hoe het zij, de boot lag daar onbeheerd en schommelde zachtjes op het even bewogen water heen en weer.

Maar juist toen Raffles zich weder wilde verwijderen, zag hij dat Charly zich oprichtte en hem met de achter den rug verborgen hand snel een teeken gaf.

Hij keek om zich heen—op eenigen afstand naderde de man met het roode haar, de eigenaar van de motorboot.

En vijftig meter achter hem drentelde Henderson, zijn reusachtige handen op den rug gevouwen en hij zag er juist uit als een passagierend stoker van een transatlantisch schip, wat hij dan ook moest voorstellen.

Raffles maakte zich haastig uit de voeten en zocht, na Charly snel een wenk te hebben gegeven, de plek op, waar hij de motorboot had laten meeren.

Deze plek was nauwelijks honderd meter verwijderd van den steiger, waarbij Charly de wacht hield en binnen een minuut had Raffles haar bereikt.

Er lagen heel wat motorbooten bij elkaar, omgeven door een smal loopplankier, waarin een opening was vrij gelaten om de booten doortocht te verleenen.

De verhuurder, een man met een grijze sik, rookte kalm zijn pijpje en stond op toen hij Raffles zag naderen.

Deze had aanstonds de boot terug gevonden, welke hij had uitgezocht en daar hij den eigenaar reeds voor den geheelen dag huur had betaald, behoefde hij niets anders te doen dan er in te springen, het touw los te werpen, de boot met de haak af te zetten en, na de opening te zijn doorgevaren, te wachten, wat de rosharige man zou believen te doen.

Hij zou niet lang behoeven te wachten, want een oogenblik daarna maakte de rosharige zijn bootje los en stapte er in.

Een paar seconden later voegden Charly en Henderson zich bij Raffles.

En nauwelijks waren zij aan boord, of Raffles moest de motor op gang brengen, want de bruine boot van het bendelid had zich reeds in beweging gesteld, en stoof met groote vaart over het water van de rivier.

“Zij loopt deksels hard, Mylord,” riep Henderson, met een onrustigen blik op het achtervolgde vaartuig.

“Stil maar, Henderson, wij loopen niet veel minder hard,” stelde Raffles hem gerust. “Zie maar, wij kunnen haar gemakkelijk bijhouden.”

“Maar niemand kan zeggen, Mylord, of die boot al op haar hardst loopt,” wierp Henderson tegen.

“Wij kunnen ook nog harder loopen, Henderson,” zei de Raffles kalm.

De mahoniehouten boot voor hen schoot als een bruinvisch over het water, en werd met groote behendigheid bestuurd.

Ze gleed rakelings langs voorbijvarende booten, week vliegensvlug uit voor een groot vrachtschip dat haar den weg scheen te willen versperren, en kronkelde alsof zij een paling was, door een aantal lichte schepen door.

Eenmaal voer zij zelfs dwars door een sleep heen en kon daarbij ternauwernood onder den stalen tros doorvaren, die twee van de reusachtige schepen, die gesleept werden, met elkander verbonden.

“Hij doet het goed, Mylord,” kon Henderson zich niet weerhouden uit te roepen.

“Ja, Henderson, hij mag dan een bandiet zijn, maar hij is in ieder geval een bandiet die een boot weet te besturen.”

“Ik zou wel eens willen weten, waar hij heen gaat,” liet Charly zich hooren.

“Misschien wel naar Jersey, hij vaart tenminste die richting uit,” antwoordde Raffles.

Intusschen duurde de achtervolging reeds een uur voort en nog altijd voeren de beide booten, zonder dat zich de afstand tusschen beide verkleinde of vergrootte, temidden van de New-Yorksche huizenzee.

Overal verhieven zich de wolkenkrabbers tot op duizelingwekkende hoogte en het geraas van de werven, fabrieken, smederijen en andere werkplaatsen langs de beide oevers was nu en dan oorverdoovend.

De rivier had zich hier aanzienlijk verbreed en de achtervolging kon plaats hebben, zonder dat het bijzonder opviel, want het was druk op de rivier en de motorboot van de drie mannen toonde volstrekt geen opmerkelijke bijzonderheden—zij geleek op honderden andere booten, welke men voor niet veel geld te New-York kan huren.

Maar tot zijn teleurstelling moest Raffles al spoedig inzien, dat, al liep zijn boot snel, zij het toch, als de tocht veel langer duurde, het niet zou bolwerken tegen de mahoniehouten boot van den rosharige.

Want nu de rivier zich verbreedde, had deze haar vaart vermeerderd en stoof nu met de snelheid van een renboot over de slechts even gerimpelde oppervlakte der rivier.

Raffles voerde de snelheid zoover mogelijk op, maar hij bereikte daarmede alleen dat de afstand tusschen de beide booten niet al te snel grooter werd, maar dat zij grooter werd, was buiten kijf.

Maar juist toen de opvarenden vreesden, dat zij de mahoniehouten motorboot uit het oog zouden verliezen, hield deze op den rechteroever aan en begon haar vaart aanzienlijk te matigen.

Dadelijk deed Raffles hetzelfde.

Men bevond zich hier in een der uitloopers van de stad, waar zich nog slechts weinige fabrieksgebouwen bevonden, terwijl groote gedeelten nog onbebouwd waren.

Raffles bracht zijn boot zooveel mogelijk bij den oever en het was een geluk dat de roodharige niet achterom kon zien, daar hij al zijn aandacht noodig had, om zijn boot tusschen eenige houtvlotten en lichters door te loodsen, want het was op deze plek van de rivier heel wat stiller en wellicht zouden de achtervolgers zijn opgemerkt.

Niet ver van den linkeroever liep een blijkbaar pas aangelegde straatweg, waarschijnlijk ten dienste van de arbeiders, die zich naar een der drie of vier groote fabrieken moesten begeven, welke een eind verder waren gelegen.

Ook stonden er eenige buitengewoon leelijke arbeiderswoningen, niet veel meer dan vierkante steenen kooien en een aantal loodsen van gegolfd plaatijzer.

Het geheel maakte een tamelijk troosteloozen en verlaten indruk en Raffles vroeg zich af, wat den rosharige hier wel kon hebben gebracht.

Maar het doel van de reis zou spoedig duidelijk worden.

De achtervolgde bandiet had zijn motor dicht bij een lagen steiger gebracht en het was duidelijk, dat hij daar wilde aanleggen.

Het geluk wilde, dat zich een tiental meters voor dien steiger een soort directiekeet bevond, die half over het water was heen gebouwd, waarschijnlijk om plaats te winnen.

En deze keet bood een voortreffelijke schuilplaats om er zich achter te verbergen.

Behendig stuurde Raffles naar den wal en Charly sloeg den haak in een der palen, die de keet omgaven en waaraan de boot werd vastgemaakt.

Door deze palen heen kon men tamelijk goed zien, wat de rosharige uitrichtte, zonder zelf al te veel in het oog te loopen.

De man was reeds aan wal gesprongen, na een paar woorden te hebben gewisseld met een opgeschoten jongen, die blijkbaar op zijn boot moest passen en die tot dit doel op het uiterste randje van den steiger ging zitten met zijn beenen boven het water schommelend, waarop de bandiet zich naar den straatweg begaf en snel voortliep.

Raffles liet geen tijd verloren gaan.

Hij wendde zich tot Charly en zeide:

“De man heeft jou niet gezien—volg hem en zie waar hij blijft, maar draag zorg, dat je niet in het oog loopt. Wij wachten je hier.”

In een wip was Charly op den wal en dadelijk begon hij den bandiet te volgen met het air van een slenteraar die volstrekt niets te verzuimen heeft en geniet van het heerlijke lenteweder.

HOOFDSTUK V.

HET GEHEIMSCHRIFT.

Charly volgde zijn man zonder hem een oogenblik uit het oog te verliezen.

Deze scheen geen oogenblik eenig gevaar te duchten, want hij wierp geen enkele maal een blik achter zich, en dat was maar goed ook, want op den breeden straatweg had hij Charly zeker dadelijk moeten zien.

De achtervolging duurde ongeveer een kwartier.

Toen stond de roodharige eensklaps stil, keek links en rechts en richtte toen zijn schreden naar een vervallen houten, schuur, die op eenigen afstand van den weg lag en waarschijnlijk gediend had bij den bouw van de fabrieken, een weinig verderop.

Bliksemsnel verborg Charly zich achter een rij geweldig groote mooten van een waterleidingsbuis van beton vervaardigd en die hier waarschijnlijk waren neergezet, in afwachting dat men ze in den bodem zou neerlaten.

Goed verborgen zag hij, tusschen een paar van deze buisgedeelten door, hoe de roodharige op de deur toestapte, zorgvuldig om zich heen loerde en toen op eigenaardige wijze aanklopte.

De deur werd geopend door een vrouw—en ondanks den afstand herkende Charly haar dadelijk, het was het “Meisje met de Madonna-Oogen”.

“Wel zoo, wel zoo, hier heeft het lieve kind zich dus terug getrokken. Zij schijnt zich voorloopig liever niet overdag in New-York te vertoonen, ondanks haar geverfd haar,” mompelde Charly voor zich heen. “Zij zal zich daar natuurlijk met haar medeplichtigen bevinden en ik geloof, dat ik er goed aan zal doen, dadelijk Raffles te gaan waarschuwen en dan aanstonds de politie, opdat die zich zal kunnen meester maken van het gevaarlijke gespuis.”

Juist toen deze korte alleenspraak beëindigd was, verdween de rosharige in de loods.

Een oogenblik dacht Charly er aan naar het lage gebouw toe te sluipen en te trachten iets af te luisteren, maar dit plan liet hij dadelijk weder als onuitvoerbaar varen.

Er bevonden zich vier vensters aan de voorzijde van de loods. Twee aan den zijkant, waar hij zich bevond en daar zij een goed eind van den weg af lag, zouden de lieden daar binnen hem zeker al lang gezien hebben voor hij haar kon hebben bereikt.

Wellicht zouden zij hem niet aanstonds herkennen, maar hun wantrouwen zou toch zijn gaande gemaakt, en zij zouden zeker niet over dingen spreken, die niet voor de ooren van derden bestemd waren.

En zoo schoot er voor Charly niets anders over dan rustig te wachten, wat er zou geschieden.

Hij behoefde niet lang te wachten, want na verloop van ongeveer tien minuten ging de deur weder open, en de rosharige keerde weder terug, thans vergezeld door Canny en door drie andere mannen, waarvan Charly althans een dadelijk herkende—het was Black Pete, de minnaar van het “Meisje met de Madonna-Oogen”.

Charly zag aanstonds het gevaarlijke van zijn positie in, het was hier zeer stil, de fabrieken zouden voorloopig nog niet sluiten en het zou hem slecht kunnen vergaan als de bandieten bemerkten dat zij bespied werden.

Hij dook dus veilig weg achter de metershooge buisfragmenten, en draaide er voorzichtig omheen, naarmate het vijftal den straatweg naderde.

De bandieten praatten, daar er heinde en ver niemand te bespeuren viel, op tamelijk luiden toon met elkander en toen zij voorbij de betonnen buizen liepen, ving Charly eenige malen een naam op, een naam, dien hij wel eens meer meende te hebben gehoord, zonder dat hij kon zeggen waar of wanneer.

Hij liet de bandieten voorbij gaan, richtte zich toen op en keek om zich heen.

Zijn blik viel op de groote fabriek en op de niet ver daar vandaan gelegen groote villa en ineens wist hij, dat de naam, dien hij zooeven had hooren noemen, die van den eigenaar van de fabriek en van die villa was—Alfred Dane.

En nu wist hij ook, waar hij dien naam nogmaals gehoord, of liever gelezen had—nog dienzelfden ochtend in een der bladen.

Alfred Dane was de naam van den jongen man, die dien nacht bewusteloos was gemaakt en van al zijn geld en juweelen beroofd.

In het ziekenhuis was hij uit zijn bewusteloosheid ontwaakt en daar had hij aanstonds zijn naam kunnen opgeven.

Hij wachtte totdat de vijf bandieten een goed eind voor hem uit waren en aanvaardde daarop eveneens den terugtocht, want het vijftal had zich naar de plek begeven, waar de rosharige zijn boot had achter gelaten.

Een oogenblik dacht hij er over Raffles door een kreet te waarschuwen, maar ook dit plan gaf hij direct prijs. Het kon wel te gevaarlijk zijn, of het zou mislukken.

De vijf bandieten zouden zich snel genoeg weten in te schepen en zich uit de voeten kunnen maken, of zij zouden van hun revolvers gebruik maken en aan een vuurgevecht op klaarlichten dag mocht in deze stad in geen geval gedacht worden.

Vruchteloos zag Charly uit naar agenten van politie, die juist op dit oogenblik groote hulp hadden kunnen bieden.

Men achtte het blijkbaar niet noodzakelijk, deze afgelegen plek door veel politie te laten bewaken en deze omstandigheid was den bandieten waarschijnlijk niet onbekend.

Daarom hadden zij feitelijk hier hun hoofdkwartier opgeslagen en de rosharige was de man die de verbinding tusschen dat hoofdkwartier en wat men de vuurlijn zou kunnen noemen, onderhield.

Charly zag hoe het vijftal den steiger betrad en hij verhaastte nu zijn schreden teneinde Raffles, die eveneens de boot wel zou hebben gezien en dadelijk de achtervolging weder zou willen voortzetten, niet noodeloos te laten wachten.

Toch had de bruine boot reeds weder den oever verlaten, en stoof zij snel stadwaarts, toen Charly buiten adem van het harde loopen in de motorboot stapte.