Lord Lister No. 0399: Een gevaarlijk Avontuur
Part 2
“Wanneer de omstandigheden gunstig zijn, ja. En dat zijn zij in tweeërlei opzichten. Ten eerste kan de berooving niet langer dan hoogstens een uur geleden hebben plaats gehad, want daarvoor was het zelfs hier in het park te druk. Het spoor is dus nog versch, warm, zooals de vakterm luidt. Ten tweede is het reeds laat, en het verkeer is, vooral in deze buurt, zeer verminderd. Een goede hond zal dus niet al te veel moeite hebben, het spoor te volgen, natuurlijk verondersteld, dat de bandieten niet van een automobiel gebruik hebben gemaakt, want dan wordt de zaak wel wat moeilijker.”
“En wat is de slotsom van dat alles?”
“Dat wij zoo spoedig mogelijk nut zullen trachten te trekken uit dit kleine flardje, hetwelk door den aangevallen man waarschijnlijk op het laatste oogenblik uit den versleten rok van het “Meisje met de Madonna-Oogen” is gescheurd, toen hij zich in zijn val onwillekeurig ergens aan trachtte vast te houden.”
“Maar hoe kom je zoo spoedig aan een hond?”
“Er zijn nog genoeg koffiehuizen open, waar wij een adresboek kunnen inzien. Wij moeten naar den dichtstbijzijnden hondenkoopman gaan, in de hoop, dat wij daar een dier vinden, dat voor ons doel geschikt is.”
“En deze bewustelooze man?”
“Wij zullen wel een agent waarschuwen, opdat hij naar een gasthuis kan worden overgebracht, of naar een politiepost, om daar in behandeling te worden genomen.”
“Had hij geen kaartje in zijn zak, een adres?”
“Niets van dien aard, anders kon men hem natuurlijk aanstonds naar zijn huis overbrengen. Maar stil, daar komt al een ordebewaarder aan, wij zullen hem er bij roepen.”
Inderdaad kwam er op dat oogenblik een agent van politie voorbij slenteren, met den blik op den sterrenhemel gericht, en die zeker reeds tienmaal deze plek was gepasseerd, zonder het lichaam van den bewustelooze te hebben opgemerkt.
Raffles schreeuwde iets, en dadelijk kwam de man verschrikt toeloopen.
“Wat is er aan de hand? Waarom schreeuwt gij zoo?” vroeg hij, terwijl hij van Raffles naar Charly keek.
“Ik schreeuwde, goede vriend, om u opmerkzaam te maken,” antwoordde Raffles lakoniek. “Zie eens hier, wat wij op den grond hebben gevonden.”
Hij trad een weinig terzijde, en wees op het lichaam van den jongen man, die nu op den rug lag, en levenloos leek.
“Een doode!” riep de agent van politie ontzet uit.
“Niet dood, slechts bewusteloos,” hernam Raffles. “En van alles wat hij bezat beroofd, zooals gij bij een onderzoek van zijn zakken zult kunnen zien.”
De agent bukte zich, legde zijn hand op het warme lichaam, keek beurtelings Raffles en Charly onderzoekend en streng aan, en zeide toen, terwijl hij zijn gummiknuppel vaster omklemde:
“Daar zult gij beiden wel meer van weten?”
“Niet meer dan gij, goede vriend,” zeide Raffles bedaard. “Bespaar u de moeite onzinnige gevolgtrekkingen te maken, omdat gij ons toevallig in de nabijheid van het lichaam aantreft. Denkt gij soms dat wij u geroepen zouden hebben, als wij zelf schuldig zouden zijn aan de berooving?”
De agent scheen in te zien, dat dit inderdaad wel een weinig zonderling zou zijn, maar zijn wantrouwen was gaande gemaakt, en daarom hernam hij op barschen toon:
“Uw naam en woonplaats?”
“Hannibal en Nepomuk Sloan, uit Kentishville.”
“Gij zult zoo goed zijn, mij naar het bureau van politie te vergezellen,” hernam de agent van politie streng.
“Het spijt mij waarlijk, mijnheer de agent, maar daartoe ontbreekt mij de tijd en de lust,” gaf Raffles schouderophalend te kennen. “Ik ben een vreemdeling en ik moet niets hebben van onaangenaamheden met de politie. Wij hebben hier dezen man gevonden in bewusteloozen toestand, en van al zijn sieraden en geld beroofd, wij hebben er u dadelijk bij geroepen en meer kunt gij onmogelijk van ons vergen. Op het politiebureau evenmin als hier zouden wij u kunnen zeggen, wie die man is, om de eenvoudige afdoende reden, dat wij het niet weten. Wij hebben niets van de roovers gezien, wij weten dus ook niet in welke richting zij gevlucht zijn, en dat is alles.”
“Daarmede heb ik niets te maken,” hernam de agent met stemverheffing. “Volg mij naar het politiebureau, dan kunt gij uw verklaring aan den commissaris afleggen. En ik zou u aanraden om aanstonds mijn bevel op te volgen, want ik verzeker u, dat ik niet van gekscheren houd.”
“Wat dat betreft, ik evenmin,” kwam Raffles kalm.
Hij stak snel de rechterhand uit, en het volgende oogenblik rolde de politieagent, tegen de kin geraakt, als een aangeschoten konijn om en om, en bleef stil liggen.
“Voor vijf minuten heeft hij zijn bekomst wel,” zeide Raffles lakoniek. “Het is zijn eigen schuld, waarom was de man ook zoo lastig. Wij hebben nu waarlijk wel wat anders te doen, dan geheel nutteloos bezoeken te brengen op bureaux van politie. Het zal hem misschien een les zijn, bij een volgende gelegenheid niet zulke dwaze vragen te stellen. En kom nu spoedig mede, voor hij zich van den slag hersteld heeft.”
Raffles had Charly bij den arm genomen, en voerde hem haastig weg van de plek waar de politieagent tot zijn schade zooeven ervaren had, dat men niet ongestraft den Gentleman-Inbreker kon afhouden van zijn plan.
Een paar minuten later hadden zij een der uitgangen van het park bereikt, en gingen het eerste het beste koffiehuis binnen, waar zij zich een adresboek lieten geven, en daaruit de adressen noteerden van een aantal hondenkooplieden, scheerders en kennelhouders.
Met het kleine lijstje gewapend, verlieten zij weder het koffiehuis, en richtten hun schreden naar het eerste adres, dat op hun lijstje voorkwam, en dat het dichtst in de buurt was.
Het was bijna halfeen in den nacht, toen zij in een smalle steeg stilstonden voor een klein en tamelijk morsig uitziend huis, waar zich, naast de vervelooze deur, een winkelkast bevond, waarin een soort kooi was neergezet, voor de helft bevolkt door konijntjes, voor de andere helft door een nest jonge katten.
Op de deur was een houten plankje bevestigd, hetwelk het opschrift droeg:
“Derrick Hunter, in honden, konijnen, katten en vogels.”
Het geheele huis was in duisternis gedompeld, en de winkeldeur was op slot, maar dit was voor Raffles geen beletsel, om zoo hard hij kon aan de winkelschel te trekken.
Het holle geluid van de ouderwetsche bel was duidelijk tot op straat hoorbaar, maar daar binnen bleef het stil.
Dit duurde slechts eenige seconden, want daarna barstte een woedend concert van jankende, blaffende, snauwende en blazende kreten los, hoogstwaarschijnlijk veroorzaakt door de pensionnaires van den heer Hunter, die aldus onverwachts in hun nachtrust werden gestoord.
Een oogenblik later werd er op de eerste verdieping een raam opengeworpen, en er verscheen een ruig mannenhoofd, beplant met een bos verward haar, en uit den mond van dat hoofd klonk het woedend:
“Wilt gij dat ik u een baksteen op de hersens gooi, of zal ik een paar van mijn honden op u afsturen. Gij hebt het maar voor het kiezen.”
“Wij wenschen noch het een, noch het ander, mijnheer Hunter, wij wenschen u slechts twintig dollar te laten verdienen, zonder eenige moeite, dan ons vijf minuten te woord te staan.”
Dit antwoord scheen den hondenkoopman glanzende vooruitzichten te beloven, want hij bromde nog iets, trok zijn warrig hoofd terug, sloot het raam, en even later hoorden de beide mannen hem nijdig uitvaren tegen de honden, die onmiddellijk zwegen.
Toen klonk het terugschuiven van een paar grendels, de winkeldeur werd op een kier geopend, en nu hadden Raffles en Charly het uitzicht op een zeer groote revolver, en op een kleine dievenlantaarn, waarmede de heer des huizes achtereenvolgens hun gelaat belichtte.
Het onderzoek scheen hem te bevredigen, want hij deed brommend den ketting van de deur, liet de bezoekers binnen, stak zijn revolver weer weg, en zeide na de deur zorgvuldig te hebben gesloten:
“Neem mij niet kwalijk, dat ik eenige voorzorgsmaatregelen genomen heb. Gij zult mij begrijpen als ik u zeg, dat de politie al menigmaal een van mijn honden heeft gebruikt bij de arrestatie van een misdadiger, en dat nemen de bandieten mij kwalijk. Zij hebben mij al eens gedreigd, en daarom ben ik ook altijd gewapend. En zeg mij nu wat gij wenscht.”
“Niets anders, mijnheer Hunter, dan dat gij ons zegt, of gij ons voor dezen nacht uw besten speurhond kunt leenen. Zooals ik u reeds zeide, heb ik er twintig dollars voor over.”
Hunter scheen een oogenblik na te denken, en zeide toen een weinig weifelend:
“Het is een aardige prijs, maar.... gij moet mij behoorlijk staangeld betalen, en ik moet weten waarvoor gij den hond noodig hebt.”
“Wat het eerste betreft, die voorwaarde is reeds ingewilligd. Wat het tweede aangaat, wij hebben aanstonds een goeden hond noodig, om een spoor te kunnen volgen van.... een groot misdadiger, die deze stad heel onveilig maakte.”
“Dan wil ik mij niet verder met uw zaken bemoeien, mijnheer, ik denk dat gij particuliere detectives zijt.”
“Zoo is het. Wij hebben niet ver hier vandaan een misdaad ontdekt, het spoor van de vluchtelingen is nog warm, en ik weet zeker, dat een hond met een goeden neus het zal terugvinden.”
“Dan geloof ik dat ik wel heb, wat gij noodig hebt, mijnheer. Wees zoo goed mij even te volgen.”
Hunter ging de beide mannen voor.
Hij liep de gang ten einde, en trad daarop een tamelijk groot vertrek binnen waar in het midden slechts een kleine ruimte open was gelaten; de drie van de vier wanden, en zelfs de wand waarin zich de schuifdeur bevond, waren met groote en kleine kooien bezet, die bijna allen bewoond waren.
Dadelijk hieven alle honden een luid geblaf aan, waarschijnlijk om hun blijdschap te kennen te geven, maar Hunter gebood hen weder stilte en opende toen een der hokken, waaruit dadelijk een bastaard-terrier te voorschijn sprong, een kruising tusschen een schippertje en een Airdale-terrier.
De hond was vrij groot, ruigharig en blijkbaar zoo gezond als een visch en zeer sterk, in staat om mijlen en mijlen achtereen naast een rijwiel mee te loopen, over hooge schuttingen te klauteren, en als het moest een verdrinkende uit het water te helpen.
Het beest was onmiddellijk naar zijn meester toegeloopen en ging op het eerste bevel voor hem zitten.
Raffles keek een oogenblik naar den schranderen kop, met de glinsterende zwarte oogen, het grof-gebeende lichaam, de stevige pooten, de verstandige uitdrukking van het gelaat, met zijn aan weerszijden uitstekende snorren, en den wantrouwenden blik in de donkere oogen.
“Denkt gij dat de hond een spoor zal kunnen volgen, dat hoogstens een paar uren oud kan zijn?” vroeg Raffles.
“Ik overdrijf niet graag, mijnheer, en daarom zeg ik alleen maar tot aan het einde van de wereld! Er is geen tweede hond zoo in geheel New-York, dat durf ik op een briefje geven! Als iedere andere hond het moet opgeven, dan weet King er nog altijd wat van te maken.”
“Kan ik het beest voor dezen nacht meekrijgen?”
“Ja, voor twintig dollar—en gij betaalt er twee honderd als staangeld, en dat is eigenlijk nog te weinig, want eigenlijk gezegd is de hond onbetaalbaar!”
“Hier hebt gij er drie honderd—een kwitantie als ik u verzoeken mag!” zei Raffles droogjes.
De man ging haastig een kwitantie invullen, waartoe hij de schuifdeuren moest openen, om in den eigenlijken winkel te treden, en al dien tijd bleef King de beide vreemdelingen wantrouwend van onder zijn ruige wenkbrauwen opnemen.
Hunter keerde binnen enkele oogenblikken terug met het papier, maar alvorens Raffles hem de drie honderd dollar ter hand stelde, vroeg hij:
“Voor ik den hond meeneem—gelooft gij, dat hij mij zal willen volgen?”
“Ja, maar alleen als ik het hem beveel, mijnheer,” antwoordde de man. “Hij is tamelijk wantrouwend moet gij weten!”
Hunter ging naast Raffles staan, terwijl hij den hond aan een dun touw vasthield, streek zachtjes over den schouder van Raffles, sprak daarna den hond vriendelijk toe, en bracht hem zoo aan het verstand, dat hij met een vriend te doen had.
De hond scheen dit volkomen te begrijpen, en eenige minuten later liet hij toe dat Raffles hem vasthield bij den ring van den wurgriem, dien het beest om den hals had.
Hunter deelde nu nog mede, naar welke bevelen de hond gewend was te luisteren en daarop verlieten de beide mannen met hun aanwinst de zaak van Derrick Hunter weder, met de belofte, dat zij den hond bij het krieken van den dag weder zouden terugbezorgen.
HOOFDSTUK III.
OP WEG.
Allereerst begaven de beide vrienden, thans vergezeld door den terrier, zich weder naar het Central Park, hetwelk nu nog stiller en donkerder leek dan zooeven, en zoodra zij er weder waren binnengetreden, richtten zij hun schreden naar de plek, waar zij het bewustelooze lichaam van den beroofde hadden ontdekt.
Zij hadden de plaats goed onthouden, en toen zij haar tot op honderd meter afstands waren genaderd, stonden zij stil, teneinde zich te overtuigen, dat alles veilig was, en zij zonder gevaar konden naderen.
Niets liet zich hooren, en eindelijk waagden zij het erop, langzaam naderbij te komen, daarbij zorgdragend, zooveel mogelijk in de schaduw der groote boomen en van het dichte struikgewas te blijven, en den hond zoo kort mogelijk aan het eind touw te houden, hetwelk Hunter den hond bij wijze van lijn had aangeknoopt.
Zij spitsten de ooren, om ieder verdacht geluid op te vangen, maar alles was stil, en slechts heel in de verte hoorden zij nog het geraas van het groote stadsleven.
Het was ook, alles welbeschouwd, niet aan te nemen, dat de agent van politie dien Raffles zoo hardhandig had moeten behandelen, ook maar een oogenblik rekening zou hebben gehouden met de mogelijkheid, dat de beide mannen die hij nu wel voor boosdoeners moest aanzien, nog eens naar dezelfde plek zouden terugkeeren.
Zoo bereikten zij het begin van de zijlaan weder, voorzichtig om zich heen spiedend, maar er was volstrekt niets te bespeuren—noch van den agent, noch van den bewustelooze—hij was zeker reeds weggehaald met de auto-brancard, en naar het dichtst bijzijnde gasthuis vervoerd.
Nu pas haalde Raffles het japonflard, dat hij met opzet in een stuk papier had gewikkeld, uit zijn zak te voorschijn, bracht den hond tot bedaren, door hem liefkoozend over den kop te streelen, en liet hem vervolgens aan het stukje doek ruiken.
Zelfs zonder dat Raffles iets behoefde te zeggen, scheen King onmiddellijk te begrijpen, wat er van hem verlangd werd.
Hij wendde den kop van het stukje doek af, en begon dadelijk, met den snuit naar den grond gebogen, overal rond te snuffelen.
Binnen enkele minuten had de hond het goede spoor gevonden—en hij liep zoo snel weg, dat het touw bijna uit de vingers van Raffles geglipt was, die moeite had den hond in zijn vaart bij te houden.
Zonder ook maar een oogenblik te aarzelen, zette King zijn tocht voort, liep het park uit, sloeg de Twintigste straat in, liep ook deze geheel ten einde, en bereikte op deze wijze de kade van den Hudson, die hier door New-York stroomt.
De tocht had ongeveer een half uur geduurd, en gedurende al dien tijd had King voortdurend met den snuit boven den grond geloopen, slechts zeer zelden even stilstaande, waarop Raffles hem dan opnieuw liet ruiken aan het stukje goed.
Op de kade gekomen scheen de hond slechts zeer even te weifelen, maar daarop stak hij haar in haar volle breedte over, en begaf zich naar den kant van het water.
Op deze plek lag het niveau van de kade een paar meter boven den waterspiegel.
De kademuur was bekroond door een steenen balustrade van ruim een meter hoogte en als men daar overheen keek, dan zag men een tweede, lager gelegen kade, waar kleine schuitjes konden meren, die groenten aanvoerden van de boerderijen, welke een eind buiten de stad, dichtbij de rivier gelegen waren, en voor wie het vervoer te water, hoewel het iets langer duurde, verreweg de goedkoopste was.
Op geregelde afstanden waren steenen trappen in den kademuur uitgespaard, die toegang gaven tot de aanlegplaatsen.
King zette zijn tocht onverdroten voort, tot hij, bij een dezer trappen gekomen, haar zonder aarzelen afliep, en zoo de smalle aanlegkade bereikte, waar zich een groot aantal kleine houten steigers bevond, bestemd voor het meren van roeibooten, kleine lichters, motor- en stoombootjes van niet te grooten diepgang.
En hier scheen de hond eensklaps het spoor bijster te zijn geworden.
Hij was tot vlak bij een dezer steigers geloopen, en draaide hier onrustig in het rond, met den staart tusschen de beenen geklemd, en nu en dan zachtjes jankend als een zelfbeklag.
Toen stond hij stil, keek over het donkere water, waar slechts nu en dan de duistere schaduw van een schip voorbijgleed, wendde zich toen tot Raffles, ging op zijn achterste zitten, en keek zijn tijdelijken meester aan, alsof hij wilde zeggen:
“Het spijt mij—ik kan er niets aan doen—maar ik kan niet verder. Sla mij er niet voor—ik heb mijn best gedaan!”
Maar Raffles dacht er niet aan, het dier te slaan.
Integendeel, hij haalde een expresselijk voor dit doel in het koffiehuis gekochte worst te voorschijn, sneed er een flink brok af, en gaf het aan den hond, terwijl hij hem prijzend toesprak.
Hij had natuurlijk aanstonds begrepen, dat Canny Macleod waarschijnlijk, vergezeld van haar medeplichtigen, zich op deze plek had ingescheept aan boord van een motorbootje, die haar verderop had gebracht—denkelijk was de eigenaar van die boot eveneens in het complot, en lid van de gevaarlijke bende.
De beide mannen keken elkaar teleurgesteld aan, want zij begrepen maar al te goed, dat het volstrekt nutteloos was, onder deze omstandigheden de achtervolging voort te zetten.
Zeker, er lagen links en rechts van den verlaten steiger eenige tamelijk groote schepen gemeerd, waarvan de bemanning misschien had kunnen zeggen, in welke richting het bootje met Canny aan boord zich verwijderd had—maar daaraan hadden zij al bitter weinig, want of dit nu al stroomopwaarts of stroomafwaarts was geweest—het was ondoenlijk met deze magere gegevens de achtervolging voort te zetten.
Maar juist toen de twee mannen zich wilden verwijderen, begon King zachtjes te grommen, en loerde, onbewegelijk als een beeld, over de nauwelijks rimpelende oppervlakte van de breede rivier, waarop zich hier en daar roode en groene lichten langzaam voortbewogen.
Het schrandere dier scheen iets bespeurd te hebben, hetgeen tot dusverre aan de aandacht van de beide mannen ontging—zijn instinct zou hem dienaangaande niet bedriegen.
En het duurde dan ook niet lang, of Raffles en Charly ontwaarde een klein vaartuig, dat op dit oogenblik de rivier kwam oversteken, en recht op den steiger scheen aan te houden.
Zelfs op dien afstand was het te zien, dat het geen schoorsteen had, het was dus klaarblijkelijk een motorboot.
Ieder oogenblik scheen de hond in blaffen te willen uitbarsten, maar Raffles bracht hem met een bevelend woord tot zwijgen, en wendde zich daarop tot Charly.
“Laten wij ons zoo spoedig mogelijk verschuilen—ik geloof, dat het toeval ons gunstig is—daar komt een boot aan, en het zou mij volstrekt niet verwonderen, als het dezelfde is, die Canny en haar metgezellen gebruikt hebben om zich te verwijderen!”
“Ik zie daar op den lagen wal een paar groote pakkisten—vandaar hebben wij juist de trap in het oog, voor het geval de eigenaar van de boot zich mocht verwijderen!” zeide Charly fluisterend.
“Een goed idee!” hernam Raffles. “Kom dan maar spoedig mede!”
In gebukte houding ijlden de beide mannen over de smalle, duistere aanlegkade en bereikten de zware, groote kisten, waarvan er eenigen op elkander waren gestapeld, die een voortreffelijke schuilplaats opleverden.
De kisten sloten niet volkomen tegen elkaar aan, en door de opengebleven reten konden de twee mannen een gedeelte van de rivier, den aanlegsteiger en de trap overzien.
De motorboot had haar vaart nog aanzienlijk vertraagd, en gleed nu zachtjes langs den aanlegsteiger, waarop zij onbewegelijk stil lag.
De schroef sloeg nog even achteruit, een gedaante aan boord, die aan het stuurwiel had gestaan, sloeg een dunnen tros om den aanlegpaal, zette de motor af, verrichtte nog eenige werkzaamheden, waarvan de aard op dien afstand niet was vast te stellen, en stapte toen van den rand van het bootje op den steiger.
Daar stond hij een oogenblik stil, om een sigaar aan te steken blijkbaar, want het schijnsel van een lucifer, in de holte van zijn beide handen tegen den wind beschermd, verlichtte gedurende eenige oogenblikken een glad geschoren, geel gelaat, met breede kaken en dicht ineengedrongen, rossige wenkbrauwen.
Het duurde maar een kort oogenblik, en het schijnsel van de lucifer, zoo dicht bij het gezicht gehouden, werkte bedriegelijk, maar toch meenden Raffles en Charly deze trekken al eens meer gezien te hebben—zij behoorden toe aan een lid van de bende, waarvan Black Pete en zijn minnares Canny aanvoerders waren.
Raffles die den man geen oogenblik uit het oog had verloren, boog zich naar Charly over, en fluisterde hem toe:
“Volg dien man, mijn jongen! Het kan voor ons van groot gewicht zijn, om te weten waar hij woont! Hij schijnt de eigenaar van dat bootje te zijn, waarmede hij zooeven Canny naar een veilige plek heeft overgebracht, waarschijnlijk ver van de plek, waar de berooving plaats vond, en door hem zullen wij haar misschien terug vinden!”
“Goed! En wat doe jij in dien tijd?”
“Ik blijf hier op je wachten!”
“Zouden wij Henderson er niet bij halen?”
“Ik geloof niet dat wij het op dit oogenblik behoeven te doen—het is vannacht toch onmogelijk, het spoor van die vrouw verder te volgen—op het water kan onze brave King helaas geen spoor volgen!”
“Maar misschien moet ik dien man wel uren volgen!”
“Volg hem dan uren—als je maar weet waar hij verblijft!” hernam Raffles kortaf. “Haast je wat, want daar zie ik hem de trap reeds opgaan! Je zult mij hier op dezelfde plek terugvinden!”
Inderdaad, de man van de motorboot beklom op dit oogenblik de trap, keek, bovengekomen, een oogenblik om zich heen, en liep toen haastig de kade af.
Charly drukte Raffles de hand, verliet zijn schuilplaats, ijlde de trap op en begon de achtervolging van den man.
Raffles hoorde nog een oogenblik hun beider voetstappen, en toen werd het stil—hij vernam weinig anders dan het zachte geklots van het water tegen den kademuur, en het geluid van de aanlegkettingen langs de houten palen.
Hij wachtte omstreeks een kwartier, en al dien tijd had zich in de buurt volstrekt niets bewogen.
Wat King betreft, de hond scheen al volkomen aan Raffles gewend te zijn, en had zich voor hem uitgestrekt, den schranderen kop op de voorpooten gelegd, waarop hij rustig was ingeslapen, dankbaar voor het lekkere hapje, dat zijn fijne neus hem had opgeleverd.
En toen alles stil bleef, nam Raffles het besluit, de motorboot eens aan een onderzoek te onderwerpen, wellicht leverde dit iets van waarde op.
Hij nam een stukje houtskool op, dat hij onder het bereik van zijn hand vond liggen, en schreef met duidelijke letters op het witte hout van een der kisten:
“Je kunt mij op de boot vinden!”
Vervolgens stond hij op uit zijn gebukte houding, liep snel op den steiger toe, door den hond gevolgd, die dadelijk weer klaar wakker was, en een oogenblik later bevond hij zich aan boord.
De motorboot was een fraai, maar niet al te goed onderhouden scheepje, met ranke lijnen, en dat zeker een groote snelheid kon ontwikkelen, want de motor was van een voortreffelijk fabricaat, en zeer krachtig, zooals Raffles bleek, toen hij voorzichtig de kap oplichtte, die het werktuig bedekte.
De boot kon gemakkelijk twintig personen vervoeren, en toch zonder bezwaar door een enkel persoon bestuurd worden, die, achter het kleine rad staande, alle hefboomen onder het bereik van zijn hand had.
Er was een kleine voorplecht, dan kwam de kajuit, vervolgens een kleine kombuis, en dan de ruime cockpit, terwijl achterin de stuurinrichting geplaatst was.