Lord Lister No. 0394: Het einde van Irwin Stanley

Part 4

Chapter 43,943 wordsPublic domain

„O, voor een man als hij zijn er middelen genoeg, tenminste wanneer hij reeds de kans heeft gezien, zich in verbinding te stellen met zijn medeplichtigen in deze stad. Hij kan bijvoorbeeld voor grof geld een politieagent omkoopen, die dienst doet in het politiebureau, waar zij gevangen zit, teneinde haar een of ander vergif toe de dienen. Je zet een verschrikt gezicht, Charly, maar ik zou je er aan willen herinneren, dat tijdens het proces tegen de bende van het Kwade Oog gebleken is, dat er alleen te New-York, niet minder dan vijf en veertig politieagenten, drie brigadiers en zelfs een inspecteur er lid van waren. Het is hier een zeer eigenaardig land, met zeer eigenaardige gebruiken.”

„Welke zijn de andere middelen?”

„Hij zou kunnen pogen met een troep van vijftig of zestig gemaskerde mannen, het politiebureau te overvallen, om zoo met geweld tot in de cel van de gevangene door te dringen. Ook dit behoeft je niet zoo zeer te verbazen, in den laatsten tijd zijn dergelijke overvallen aan de orde van den dag, vooral in de stille buitenwijken. Maar gelukt dit niet, of deinst hij voor dit geweldmiddel terug, dan zal hij het oogenblik kunnen afwachten, waarop de overbrenging plaats heeft, goed verborgen, met een paar ondernemende kerels, om haar dan weg te voeren, wanneer zij naar de wachtende auto geleid wordt.”

„En wat is de consequentie van dat alles?” vroeg Charly, ofschoon hij het zeer goed wist.

„De consequentie ligt voor de hand, wij zullen op onzen post zijn, en zoodra Stanley een puntje van zijn neus vertoont, zullen wij hem onschadelijk maken.”

„Als je de politie eens in kennis snelde van je plannen.”

„Dat zou ik pas in het alleruiterste geval doen. Ik meng haar liefst zoo weinig mogelijk in mijn zaken, mijn waarde.”

„En ben je zeker dat er geen ontijdige tegenspraak van het bericht kan worden gepubliceerd?”

„Dat is onmogelijk. Natuurlijk heeft waarschijnlijk toch reeds de politie aan de „Evening Press” zoowel als aan andere bladen medegedeeld, dat haar van het geheele geval niets bekend is, maar dat kunnen die bladen dan toch pas morgenochtend, omstreeks half acht, publiceeren, en de overbrenging van de politiepost naar de gevangenis heeft natuurlijk veel vroeger plaats.”

„Wij zullen dus vannacht kunnen rekenen op een paar drukke uuren?”

„Ik vrees zelfs, beste Charly, dat er van slapen weinig zal komen, maar bedenk dat het voor een goed doel is.”

„O, wat dat betreft, ik zou er voor over hebben om een week lang niet te slapen, Raffles, als ik daardoor kon bewerken, dat die schurk van een Stanley je onmogelijk meer kon benadeelen.”

„Dan hebben wij verder niets anders te doen dan onzen braven reus Henderson op de hoogte te gaan stellen van onze plannen, en het vallen van den avond af te wachten, maar niet dan nadat wij ons eens goed bekend hebben gemaakt met de plaatselijke gesteldheid van het politiebureau in kwestie, dat zich in een tamelijk breede straat bevindt. Meer weet ik er echter niet van, en een goed strateeg begint de vijandelijkheden nimmer voor hij het gevechtsterrein tot in de minste bijzonderheden kent.”

De twee mannen lieten geen tijd verloren gaan.

Zij begaven zich naar de garage van het hotel, waar wel plaats was voor een honderdtal groote auto’s en vonden daar, zooals zij wel verwachtten, James Henderson, den chauffeur van Raffles, die, nu hij de auto van zijn meester niet kon verzorgen, hier wat rondslenterde, en wat praatte met zijn collega’s, die bezig waren met het schoonmaken van een dozijn toerwagens.

Raffles wenkte hem naar buiten te komen en nu deelde hij hem in enkele woorden mede wat er dien avond stond te geschieden.

Henderson had zwijgend toegeluisterd en zeide toen Raffles zijn mededeeling geëindigd had:

„Ik hoop maar een ding, Mylord, en dat is, dat wij dien bandiet levend vangen.”

„En waarom dat, James?” vroeg Raffles glimlachend.

„Omdat wij dan aan den beul te Londen zouden onthouden, wat hem van rechtswege toekomt, Mylord,” antwoordde Henderson rustig.

„Nu, als het van ons afhangt, zul je je zin hebben, Henderson,” hernam Raffles glimlachend. „En nu zullen wij eens, mijnheer Brand en ik, maar afzonderlijk, de omgeving van het politiebureau gaan opnemen. Wij treffen elkander weder hier in het hotel, waar wij zullen dineeren.”

De beide mannen knikten Henderson vriendelijk toe, die dadelijk weder in de garage verdween, en begaven zich op weg.

Zij hadden reeds eenigen tijd zwijgend naast elkander voortgeloopen, toen Charly eensklaps zei:

„Daar valt mij iets in, Raffles. Acht je het onmogelijk, dat Stanley het bericht in de „Evening Press” wantrouwt, en telefonisch nadere inlichtingen inwint aan het bureau van politie, waarbij hij zich desnoods kan uitgeven voor een detective, of iets dergelijks?”

Het gelaat van Raffles had een ernstige uitdrukking gekregen, toen hij antwoordde:

„Met een man als Stanley zullen wij inderdaad met die mogelijkheid rekening moeten houden, Charly. Natuurlijk zou het onze plannen geheel en al in duigen doen vallen, wanneer men aan het bureau van politie antwoordde, dat er van de arrestatie van Eleonore Manoury geen woord waar was. Stanley zou dan onmiddellijk begrijpen, uit welken hoek de wind waait, en hij zou er zich wel voor wachten, in den val te loopen, die voor hem is uitgezet.”

Hij dacht er een oogenblik na, en vervolgde toen:

„Je hebt gelijk, daarop mag ik het niet aan laten komen. Er is evenwel een middel, om ook dit bezwaar te ondervangen, wij moeten dan de politie in den arm nemen, en haar op de hoogte brengen van onze plannen, het spijt mij, maar het gaat niet anders. Je hebt mijn ongerustheid gaande gemaakt, en ik zie geen ander middel om die te verdrijven, dan wat ik zooeven noemde.”

„Het zou dunkt mij voorloopig voldoende zijn, indien je je in verbinding stelde met het bureau van politie, waar je beschermelinge gevangen heet te zitten.”

„Goed zoo. Wij zullen er onmiddellijk werk van maken.”

En met deze woorden trad Raffles een van die drug stores binnen, die in New-York even talrijk zijn, als het vroeger de bar’s waren, voor de invoering van de nieuwe drankwet, en waar men niet alleen medicijnen kan krijgen, alles wat men in een gewone apotheek vindt, maar ook schoensmeer, chocolade, veters, plaatsen voor een schouwburg, en nog heel wat meer zaken, die men daar niet zou meenen te vinden, en die alle voorzien zijn van een telefooncel, waarvan men voor een gering bedrag gebruik kan maken.

Het eerste wat Raffles vroeg, was, of er reeds iemand had geïnformeerd naar de waarheid van het bericht in de „Evening Press”, en hij haalde verlicht adem, toen hij een ontkennend antwoord ontving.

Hij kwam dus niet te laat.

En nu deelde hij, voor zoover hij dit noodig achtte, aan den commissaris van politie, die met hem sprak, het doel van het bericht mede, en tevens zijn verwachting, dat Stanley, die zich in New-York bevindt, tot iederen prijs zou trachten de vrouw in zijn macht te krijgen, die vroeger zijn minnares was geweest, en hem aan de galg kon brengen, teneinde haar voor altijd te beletten tegen hem te getuigen.

En Raffles noemde ronduit zijn naam, hetgeen aan den anderen kant van de lijn een kreet van verbazing verwekte.

Maar de commissaris bleek een verstandig man te zijn, hij doorzag aanstonds het geheele plan van den Grooten Onbekende, en hij ging zelfs zoover, dat hij hem de toezegging deed, zijn waakzaamheid te verdubbelen, en een aantal agenten in hinderlaag te leggen in de buurt van het politiebureau, indien Stanley, wiens signalement hij onder zijn berusting had, met zijn mannen mocht pogen, dien nacht het politiebureau te overvallen.

Er zou bovendien in het geheim een hulpafdeeling van vijf en twintig man naar het politiebureau worden gestuurd, om op alle gebeurlijkheden voorbereid te zijn.

Maar dit was Raffles nog niet voldoende.

Misschien wilde Stanley wachten tot Eleonore Manoury door de agenten naar buiten werd gebracht, om per auto naar de gevangenis te worden vervoerd, en hij zou zeker niet uit zijn schuilplaats te voorschijn komen, alvorens zijn slachtoffer verscheen.

Er moest dus wel degelijk een voorstelling van het wegbrengen der gevangene worden gegeven, en Raffles wist den commissaris over te halen een jong, baardeloos agent in vrouwenkleeren te steken, en deze de rol van Eleonore Manoury te doen spelen.

Toen pas hing hij het toestel weder aan den haak, gerustgesteld, en met de verzekering van den commissaris nog in de ooren, dat men voorloopig aan iedereen die er naar vroeg, de verzekering zou geven, dat Eleonore zich inderdaad als gevangene in het bureau van politie bevond.

Hij voegde zich weder bij Charly, die voor de groote toonbank op een rietje zoog, gedompeld in een groote glas orangeade, en de jonge man zag aanstonds aan het gelaat van Raffles, dat hij geslaagd was, en dat thans alles naar wensch ging.

„Mij dunkt, dat wij nu vrijwel overbodig zijn geworden, bij de afwikkeling van het treurspel,” zeide Charly, zoodra de beide vrienden weder op straat kwamen.

„Minder dan ooit,” antwoordde Raffles. „Ik ben wel degelijk voornemens ter plaatse aanwezig te zijn, teneinde mij met eigen oogen te overtuigen, dat alles goed gaat.”

„Maar veronderstel dat Stanley ondanks alles wegblijft?”

„Wel, dan zullen wij eenvoudig naar andere middelen moeten uitzien, om hem te noodzaken, zijn schuilplaats te verlaten, en zich aan ons te vertoonen. Ik ben nu eenmaal hier en ik blijf hier, totdat ik mijn doel bereikt heb.”

De beide vrienden riepen nu een auto aan, die hen tot aan het begin van de een en twintigste straat bracht, waar zij den chauffeur afdankten, en te voet verder gingen, langzaam slenterend, als touristen, die allen tijd hebben, en zich volstrekt niet behoeven te haasten.

Zoo bereikten zij het politiebureau, een tamelijk groot gebouw, ingesloten tusschen de andere huizen, en dat er zich alleen van onderscheidde door de groote toegangsdeur, het roode nummer daarboven geschilderd, en de agenten, die wat aan de deur stonden te luieren, of op de kleine bank terzijde daarvan zich in den aanblik van het straatverkeer verlustigden.

De een en twintigste straat is omstreeks twee en twintig meter breed, en zoo recht als een liniaal over haar geheele lengte.

Zij heeft een groot aantal zijstraten, die haar rechthoekig snijden, ongeveer een twintigtal van Broadway tot aan Birds Walk.

De straat had zeer veel winkelhuizen, en voor het overige voor het meerendeel woonhuizen van den kleinen burgerman en van gegoede arbeiders.

Raffles had dit alles met een oogopslag opgenomen, terwijl de beide vrienden langzaam langs het politiebureau drentelden.

Toen zij er een meter of vijftig voorbij waren, begon Raffles:

„Men zou, wanneer men zich verdekt opstelde, achter een venster van een der huizen tegenover het politiebureau, en wanneer men een tamelijk goed schutter was, niet veel moeite hebben om iemand neer te leggen, die van de deur van het politiebureau naar een wachtende auto wordt vervoerd.”

„Dat zou voor den agent, die de rol van de vrouw moet spelen, noodlottige gevolgen kunnen hebben!” riep Charly verschrikt uit.

„Ik zal dan ook den commissaris telefonisch meedeelen, dat hij een oogje in het zeil moet houden, en de huizen aan den overkant zorgvuldig laat bewaken, maar natuurlijk zonder dat het in het oog valt, want Stanley is een zeer achterdochtig man, die bij het minste teeken van onraad weer in zijn hol zou kruipen. En laten wij nu maar eens terug gaan. Daarginds is een tramhalte, waar wij geruimen tijd kunnen stilstaan, zonder dat het opvalt.”

De twee mannen liepen tot aan de aangeduide halte, die zich schuin tegenover het politiebureau bevond, en stonden daar stil, terwijl zij hun blikken op het gebouw gevestigd hielden.

Er liepen een paar agenten in en uit, en de beide vrienden stonden er nog nauwelijks een paar minuten, of zij zagen dat er een kerel werd binnengebracht, die nauwelijks op zijn beenen kon staan, en zich, het drankverbod ten spijt, op een raadselachtige wijze had weten te bedrinken, zeer waarschijnlijk aan gewone brandspiritus.

„Een spion,” zeide Raffles droogjes, toen de man verdwenen was. „Een spion van Stanley, wees daar maar zeker van. Die kerel moet zeker trachten uit te vinden, waar Eleonore ergens opgesloten zit. Wacht een oogenblikje, ik ga telefoneeren.”

En Raffles verdween opnieuw in een apotheek, om tien minuten later met een vergenoegd gelaat terug te keeren.

„Ik geloof, dat ik goed gedaan heb, dien commissaris nog eens lastig te vallen,” zeide hij zachtjes. „Men houdt een dronkaard nooit zoo lang vast, en men zou dien schavuit zeker weer voor middernacht op vrije voeten hebben gesteld, met volle vrijheid om aan Stanley te gaan vertellen, wat hij ontdekt had.”

„En wat geschiedt er nu?”

„Wel, men zal den man ook laten gaan. Maar er is reeds voor een valsche Eleonore gezorgd, een piepjong agentje, die veel vermaak in de zaak heeft, en die zijn rol zeker voortreffelijk zal spelen. De overigen hebben instructie gekregen, om den gewaanden dronkaard op een dwaalspoor te brengen, en als de man weggaat, zal hij heel nauwkeurig op de hoogte zijn van de cel, waar de beklagenswaardige vrouw opgesloten heet te zijn. Het is een heel voordeelige cel, tenminste voor onze partij. Zij is gelegen aan de achterzijde van het politiebureau, en ziet uit op een ruime binnenplaats aan alle kanten omgeven door hooge muren, die echter voor een paar goede klimmers geen gevaar zullen opleveren. Waarschijnlijk zullen de schurken het doen voorkomen, alsof zij Eleonore komen redden, zij zullen het getraliede venster van buiten af gemakkelijk kunnen bewerken, en eenmaal buiten is de vrouw natuurlijk verloren en desnoods schieten zij haar door het venster neer.”

„Je praat er nog al licht over, Raffles,” riep Charly verschrikt. „En de agent die binnen is? Wat moet daarmee?”

„Hij zal op het laatste oogenblik vervangen worden door.... een pop, mijn waarde, en niet het minste gevaar loopen. Hij moet echter zijn rol spelen, omdat de gevangenen eenmaal per dag op de binnenplaats gelucht worden onder toezicht van gewapende agenten, en er zullen wel handlangers van Stanley in de buurt zijn, die dit zien, om niet te spreken van den zoogenaamden dronkaard.”

„En als die kerel haar tijdens het luchten overvalt en neersteekt?”

„Men heeft hem al gefouilleerd, hij had slechts een ploertendooder bij zich, en die is hem natuurlijk afgenomen, en ik weet ook niet of Stanley hier in New-York wel mannen zou vinden, bereid, om voor hem naar den electrischen stoel te wandelen.”

„En wij, wat doen wij?”

„Wel, wij treden voorloopig als toeschouwers op, bereid om in te grijpen, zoodra dit wenschelijk mocht blijken, en de politie ondanks alles aan het kortste eind blijkt te zijn. En ga nu maar mede, Charly, want het uur voor het middagmaal breekt aan, en ik geloof niet, dat wij hier verder nog iets te doen hebben. Maar ga eens mede naar de achterzijde van het gebouw, misschien valt daar wel iets te ontdekken.”

De twee mannen gingen een dwarsstraat in, en liepen deze langzaam door, waarbij zij ook den hoogen muur van de binnenplaats passeerden, die achter het bureau gelegen was.

Maar zij zagen niets anders wat hun belangstelling trof, dan eenige verdachte kerels, die in deze stille straat rondslenterden.

Zij keerden weder naar de een en twintigste straat terug, namen daar een auto, en lieten zich naar het Astor-Hotel terugbrengen, waar zij in de groote eetzaal, na zich te hebben verkleed, dineerden.

Het was er zeer druk, en Raffles amuseerde zich met het bestudeeren van de talrijke types, die men hier aantrof, en dacht naar allen schijn geen oogenblik aan het gevaarvolle avontuur, dat hem te wachten stond.

Charly echter gevoelde zich onrustig, want hij wist maar al te goed, met welk een tegenstander men te doen had, en Stanley zou zeker, als hij zich verraden zag, een vreeselijken wraak zweren aan zijn vijand, wiens hand hij spoedig genoeg in dit complot moest herkennen.

Raffles echter was in een voortreffelijke stemming, en zelden had Charly hem zoo geestig hooren vertellen over zaken, die met het complot van dien avond volstrekt niets te maken hadden.

Het liep reeds tegen half tien, toen Raffles opstond, en op zachten toon tot Charly zeide:

„Kom mee, het wordt tijd. Wij zullen ons een weinig moeten vermommen naar ik vrees, teneinde zoo weinig mogelijk opzien te baren in de buurt. Het oogenblik om te handelen is aangebroken, mijn waarde, want als niet alle voorteekenen ons bedriegen, dan knabbelt de muis op dit oogenblik aan het spek.”

HOOFDSTUK VI.

HET EINDE VAN EEN MISDADIGER.

Het was bijna elf uur in den avond, toen Raffles, Charly en Henderson, onkenbaar vermomd als passagierende zeelieden de een en twintigste straat bereikten, en deze langzaam inslenterden.

De straat was helder verlicht, vele lichtreclames brandden nog, en de voorgevels van de bioscopen en een paar kleine schouwburgen, waar revues gegeven werden, schitterden van licht.

Het was nog tamelijk druk in deze straat, maar toch zou het niet lang duren, of de schouwburgen en bioscopen werden gesloten, de lichtreclames zouden worden uitgedaan en dan zou het hier tamelijk duister zijn.

Niets aan het bureau van politie verried, zooals Raffles tot zijn genoegen zag, dat men daar op zijn hoede was en dat de val behoorlijk was opgesteld.

Boven de deur, die evenals des daags openstond, brandde nu een groote, roode lantaarn.

Voor de deur stonden een paar agenten te praten, en Raffles kon niet nalaten op te merken:

„Zie eens, wat een idyllisch tafreeltje! Men zou het willen uitschilderen. De twee agenten zien er uit, alsof zij geen vlieg zouden kunnen kwaad doen, maar ik bemerk tot mijn vreugde, dat zij beiden de revolvertasch dragen.”

De beide mannen posteerden zich een weinig verder, terwijl Henderson de opdracht kreeg de achterzijde van het politiebureau eens te gaan verkennen.

Raffles en Charly stonden daar nog geen tien minuten of in de deur van het gebouw verscheen een man, dien zij aanstonds herkenden, het was de dronkaard van dien middag.

Een stoere agent van politie deed hem uitgeleide en maakte het gebaar, alsof hij den dronkenlap een schop wilde toedienen op die plek van het lichaam, welke daarvoor het best geschikt is, waarop de man haastig, de vuist tegen den agent schuddend, beenen maakte, en spoedig te midden der voorbijgangers, die thans de verschillende openbare vermakelijkheden begonnen te verlaten, verdween.

„Nu gaat hij rapport uitbrengen,” zeide Raffles zachtjes. „Wij hebben dus zeker nog wel eenige uren den tijd.”

Een oogenblik zwegen de beide mannen en toen begon Charly:

„Weet je wat wij missen, Raffles?”

„Een goede sigaret, mijn waarde. Ik heb vergeten er bij mij te steken.”

„Neem dan mijn koker, maar dat bedoelde ik niet. Ik meen, dat wij de beschikking moesten hebben over een snelle auto, want ik acht het zeer waarschijnlijk, dat Stanley daar ook wel van voorzien zal zijn, en wat moeten wij doen als, de man er in slaagt te ontsnappen.”

„Je bent vandaag sterk in het maken van opmerkingen, die hout snijden, Charly,” zeide Raffles goedkeurend. „Wij moeten daar inderdaad rekening mee houden. Natuurlijk beschikt de politie over een auto, maar ik ken die voertuigen. Voor men er een bij de hand heeft, is de misdadiger meestal reeds lang verdwenen, lees er de berichten in de New-Yorksche bladen maar eens op na. De zaak is, waar halen wij op dit uur van den avond hier in de buurt nog een snelle auto vandaan en waar moeten wij het ding laten.”

„Wat dat betreft, kan ik je helpen; vanmiddag heb ik in een van de zijstraten hier vlak bij een garage ontdekt, en op een van de groote vensterruiten stond geschilderd: „Dag en Nacht geopend.”

„Er naar toe,” zeide Raffles. „Er zal hier wel ergens in de buurt een plek zijn, om het ding te stallen.”

„Geen tien passen hier vandaan is een stal van de brandweer, Raffles.”

„Maar mijn hemel, Charly. Je hebt vandaag eenvoudig geniale ingevingen,” zeide Raffles lachend. „Het kon niet mooier. Wij zullen ons eenvoudig voordoen als detectives, en men zal ons zeker wel toestaan, onzen wagen daar tijdelijk te verbergen. De groote deuren zullen des avonds wel open worden gezet, en op het eerste teeken kunnen wij uittrekken. Kom snel mede. Henderson zal wel blijven wachten, totdat wij terug zijn gekeerd.”

Charly, die een kleur van genoegen had gekregen bij Raffles’ lofspraak, bracht hem snel naar de zijstraat, en zoodra zij den hoek hadden omgeslagen, zag Raffles het groote verlichte reclamebord van de garage.

Zij liepen er haastig op toe, maar eensklaps rukte Raffles Charly bij den arm op zijde, en trok hem in de schaduw van de huizen.

„Wat is er?” vroeg de jonge man verschrikt.

„Kijk daar maar eens, daar komt onze dronkaard aan, en hij tuimelt regelrecht op de garage af. Hij is zeker omgeloopen om te telefoneeren, en ik denk, dat zij daar hun wagen gestald hebben.”

„Je hebt gelijk, hij is het,” fluisterde Charly.

De beide vrienden bevonden zich op dit oogenblik geen twintig stappen van de groote deur van de garage waaruit een breede lichtbundel naar buiten stroomde.

En zoo duidelijk alsof het dag was, zagen zij den gewaanden dronkaard, een grooten roodharigen kerel, de garage binnen stappen, en op een der chauffeurs toeloopen, met wien hij begon te spreken.

Hij liet een papiertje zien, dat er uit zag als een reçu, en de chauffeur liep langs de rijen wagens van verschillende soort, tot hij stilstond voor een grooten, groengelakten wagen.

Met drie zijner makkers duwde hij den wagen uit de rij, en bracht hem naar het breede middenpad, dat met groote vierkante stoepsteenen geplaveid was.

Hij draaide den motor aan, en de roodharige man ging achter het stuurwiel zitten.

Langzaam reed het voertuig de garage uit, en aan de beweging van het stuurwiel zag Raffles, dat de wagen hun kant zou uitkomen.

„Wacht een oogenblik op mij,” fluisterde hij Charly toe.

De wagen had nog niet veel vaart toen zij de garage uitreed, en uit de duisternis sprong Raffles vlug als een hert te voorschijn en liep even met de auto mede.

Charly zag hem met de rechterhand een vlugge beweging maken, de auto loslaten, haar even nakijken, en daarop weer terugkeeren.

„Wat heb je gedaan?” vroeg Charly nieuwsgierig toen Raffles zich weder bij hem gevoegd had.

„Een klein gaatje in den benzinehouder geprikt,” antwoordde Raffles laconiek. „Het kan altijd te pas komen. Het is niet grooter dan een speldeknop, maar over eenige uren zal er toch niet meer in den benzinehouder over zijn, dan voldoende is om den wagen nog tien of twintig kilometer te laten loopen.”

„Uitstekend, mits de schurken het maar niet opmerken.”

„Als zij het doen, ben ik een zet ten achter bij ons spel, en dat is alles,” zeide Raffles schouderophalend. „Maar laten wij nu op onze beurt gaan zorgen voor een snellen wagen.”

De twee vrienden traden de garage binnen, en vroegen den eigenaar te spreken, een zwaarlijvig man in hemdsmouwen, met een geweldig groote, zwarte sigaar in den hoek van zijn mond, die daar wel vastgeschroefd scheen te zijn.

Raffles nam de man een weinig terzijde en zeide:

„Mijnheer, wij zijn detectives in particulieren dienst, en wij hebben voor dezen nacht een zeer snellen wagen noodig, de snelste in uw garage. Wij hebben die noodig om een paar dieven te vangen.”

„Het kan mij niets schelen, wie gij zijt, en ook niet wat gij met den wagen doet, al zoudt gij er regelrecht mee in de Hudson willen rijden, als gij er maar voor betaalt, de huur en de garantiesom vooruit,” zeide de eigenaar laconiek.

„Dat is zaken doen,” zeide Raffles glimlachend. „Noem uw prijs, en ik betaal hem.”

„Dertig dollar voor huur, duizend dollar garantie,” hernam de garagehouder even kalm.

„Ik betaal het, als de wagen inderdaad goed is.”

„Kom maar mede, dan kunt gij hem zien.”