Lord Lister No. 0394: Het einde van Irwin Stanley

Part 2

Chapter 23,929 wordsPublic domain

„Ja, want de delicten, waaraan die ellendeling schuldig staat, roof verzwaard door moord, laten uitlevering toe, volgens de nieuwe tractaten tusschen Engeland en Amerika gesloten.”

„En denk je dat Stanley voor die misdaden zou worden gehangen?”

„Zonder den minsten twijfel,” antwoordde Raffles, „tenminste, wanneer de bewijzen afdoende zijn, en daarvoor zal de politie in Londen wel zorgen.”

„Dan hoop ik alleen maar, dat de politie hier er wat haast achter zet,” hernam Charly droogjes.

„Daarvoor zou het in de eerste plaats noodig zijn, dat zij weet, dat Stanley zich hier bevindt,” kwam Raffles glimlachend.

„Maar dat weet zij nu reeds,” kwam Charly. „Jij hebt zelf daarvoor gezorgd.”

„Op welke wijze dan, als ik vragen mag?”

„Maar jij hebt immers de politie te Londen telefonisch op de hoogte gesteld van de vlucht van Stanley en zelfs den naam van het schip genoemd, waarmede hij vertrokken was, vijf dagen tevoren.”

„Je hebt gelijk, Charly, dat vergat ik. Weliswaar was die telefonische mededeeling anoniem, en de politie behoefde er niet veel geloof aan te hechten, maar het feit, dat de draadlooze verbinding tusschen Londen en het schip verbroken was, moet haar toch tot nadenken hebben gebracht, om er nog van te zwijgen, dat ieder spoor van den schurk te Londen totaal schijnt te zijn uitgewischt.”

Op dit oogenblik kwam de kelner aandragen met het bestelde en de vrienden waren dus genoodzaakt, het onderwerp van hun gesprek te wijzigen.

Maar tegen het einde van het diner vroeg Charly zacht:

„Denk je in dit hotel te blijven?”

„Vooreerst denk ik niet aan verhuizen. Waartoe ook? Wij zijn hier volkomen veilig, en Stanley kan onmogelijk eenig vermoeden van onze aanwezigheid in New-York hebben. Dat is voor ons een groot voordeel, zooals je wel zult inzien. Mochten de omstandigheden het echter noodzakelijk maken, dan belet niets ons, elders een onderdak te gaan zoeken.”

„En vanavond?”

„Vanavond, Charly, zullen wij onzen val opzetten,” antwoordde Raffles, terwijl hij zich achterover in zijn stoel liet vallen, en een sigaret uit zijn gouden koker te voorschijn haalde.

Na haar te hebben aangestoken en vol welbehagen een dikke rookwolk te hebben uitgeblazen, hernam hij:

„Ik geloof, dat ik het middel reeds gevonden heb.”

„Ik ben benieuwd om het te vernemen.”

„Wie ter wereld denk je wel, dat Stanley het meest zal haten, op mij na?”

Charly dacht een oogenblik na en antwoordde toen:

„Ik zou bijna zeggen, dat het de vrouw moet zijn, die zijn minnares is geweest, en die zich aan zijn invloed heeft onttrokken, terwijl het voor hem duidelijk moest zijn, dat zij niet zal aarzelen, gebruik te maken van haar kennis van zijn geheele verleden, om hem in het verderf te storten.”

„Zoo is het, Charly. Wanneer die man eenmaal voor den rechter moet verschijnen, dan zou, zelfs als de andere bewijzen onvoldoende waren, de getuigenis van Eleonora Manoury toereikend zijn om hem aan de galg te brengen. Bedenk voorts, dat zij het was, die mij gered heeft, toen ik in zijn huis een eerlijk tweegevecht met hem had aangebonden, en hij mij verraderlijk wilde vermoorden, wat er niet toe zal bijdragen, hem zachtzinniger jegens de ongelukkige vrouw te stemmen, die eenigen tijd onder den invloed van dien man heeft verkeerd.”

„Dat alles is waar, Raffles, maar ik begrijp niet waar je heen wilt, want op dit oogenblik kan Stanley niet anders gelooven, of Eleonora is dood. Jij hebt haar, toen zij in de ziekenzaal van de gevangenis te Londen lag, een middel toegediend, waardoor zij in een toestand geraakte, zoo zeer gelijkend op den dood, dat de autoriteiten haar ook als dood beschouwden.”

„Ja, Charly, ik ben een ezel geweest, want terwijl ik meende, dat men haar naar het kerkhof zou brengen, vanwaar het ons gemakkelijk zou zijn gevallen haar te bevrijden en tot het leven terug te brengen, zoodra de lucht zuiver was, droegen zij haar naar de snijkamer van de universiteit, teneinde daar het merkwaardige geval te onderzoeken, hetgeen slechts zou gaan, wanneer men het lijk opende. Gelukkig zijn wij toen juist bijtijds gekomen, om te beletten, dat die zotte professor met zijn ontleedmes aan het werk toog, en wij hebben Eleonora kunnen bevrijden, toen onze man klaar stond zijn krachten op het als dood neerliggende lichaam te beproeven.”

„Met dat al, Raffles, gelooft Stanley toch, dat zij dood is.”

„Dat kan hij niet langer gelooven, Charly, dan slechts een paar dagen. Je hebt natuurlijk wel eens gehoord van een instelling, die telegraaf heet, en het moet je duidelijk zijn, dat alle nieuwsagentschappen in Londen zich zullen beijveren, het bericht van dien zonderlingen roof van een lijk uit de snijkamer van de universiteit, waarbij de ontvoerders met bommen en revolvers werkten, over te seinen.”

„Welnu?”

„Welnu, de naam van de zoogenaamde doode was bekend, en men weet waarschijnlijk reeds nu te New-York, dat die drie onbekend gebleven mannen een misdadigster ontvoerd hebben, Eleonora Manoury geheeten. Maar wat mijn doodsvijand dan ook moge zijn, een domkop is hij zeker niet. Het moet voor hem aanstonds duidelijk zijn, wie de zoogenaamde lijkenroovers waren, en hij begrijpt natuurlijk wel, dat John Raffles krankzinnig zou moeten zijn, wanneer hij zich al die moeite gaf, zijn leven in de waagschaal te stellen, om een lijk te rooven; hij moet inzien, dat de vrouw slechts schijndood was en dat John Raffles de man geweest moet zijn, die haar in dien toestand bracht.

„Kun je die redeneering volgen?”

„Ik volg haar, Raffles, en ik kan haar volkomen billijken,” antwoordde Charly. „Je hebt gelijk, het zou eenvoudig nonsens en tijdverlies beteekend hebben, een doode vrouw te redden.”

„Tenzij Stanley mocht denken, dat ik er bepaald op stond, Eleonora Manoury een Christelijke begrafenis te verschaffen, maar wij zullen nu maar niet aannemen, dat hij plotseling kindsch is geworden. Welnu, Charly, van het oogenblik af, dat Stanley vermoedt of weet dat Eleonora Manoury niet dood is, moet hij haar boven alles vreezen, meer nog dan Raffles. Welk een indruk zou het dus, denk je op dien man maken, wanneer hij plotseling moest vernemen, dat Eleonora Manoury hier was?”

Charly liet zich achterover in zijn stoel vallen, en keek Raffles met wijdgeopende oogen aan, terwijl hij stotterde:

„Hier? Daar is immers geen sprake van! Hoe kan hij gelooven, dat zij hier is?”

„Wel, hij zou het bijvoorbeeld in een krant kunnen lezen,” hernam Raffles bedaard.

„In een krant? Maar mijn hemel, welk blad zou dat kunnen melden, als er geen woord van waar is?” riep Charly in de hoogste verbazing uit.

„O, wij zijn hier in Amerika—en de Amerikaansche pers is in haar eerste leugen stellig niet gestikt,” antwoordde Raffles langs zijn neus weg. „Maar komaan, laten wij hier niet langer blijven, ik zal je spoedig genoeg mijn bedoeling hebben duidelijk gemaakt.”

En Raffles wenkte den kelner, betaalde den man, liet zich hoed en jas brengen, en maakte zich gereed om het hotel te verlaten.

En Charly volgde hem, maar wat Raffles eigenlijk wilde doen, daarvan begreep hij volstrekt niets.

HOOFDSTUK III.

HOE DE VAL WERD OPGEZET.

In de ruime vestibule van het groote hotel stond Raffles een oogenblik en raadpleegde zijn horloge.

Het was bijna negen uur.

Raffles bromde iets voor zich heen, scheen een oogenblik na te denken, en zeide toen:

„Ik geloof, dat jij zeer sterk bent, Charly, op het gebied van de journalistiek, nietwaar?”

„Dat is te zeggen,” stamelde Charly, verrast door het onverwachte van deze vraag, „ik kan mij niet herinneren, dat ik ooit een woord in een blad geschreven heb, behalve een jaar of tien geleden, toen ik eens een ingezonden stukje aan de „Times” heb gezonden, naar ik meen in verband met de nieuwe Zondagswet, ik kende je toen nog niet.”

„Je schijnt de bedoeling van mijn vraag verkeerd te hebben begrepen. Misschien heb ik haar ook niet duidelijk gesteld. Ik wilde alleen maar weten of je op de hoogte bent van het verschijnen van de groote bladen in de verschillende landen der wereld.”

„Nu, dat is wel wat veel gevergd,” antwoordde Charly lachend. „Maar ik mag toch wel zeggen, dat ik het van de meeste landen wel weet.”

„Van de Vereenigde Staten bijvoorbeeld?”

„Ja, ook van Amerika. De gewone dagbladen verschijnen hier voor de overgroote meerderheid uitsluitend als ochtendbladen. Er zijn er slechts zeer weinig, die een ochtend en een avondeditie hebben, en dan zijn er ook nog een paar, die alleen des avonds verschijnen.”

„Dat is dus ongeveer zooals bij ons,” hernam Raffles peinzend. „Gaat die verhouding hier ook in New-York op?”

„Ja, er komen hier in het geheel ongeveer tachtig dagbladen uit. Daarvan zijn twee en zeventig ochtendbladen, vijf bladen die ’s ochtends en ’s avonds uitkomen en drie alleen des avonds verschijnen.”

„Dat is jammer,” mompelde Raffles. „Het was voor mijn plannen gemakkelijker geweest.... enfin, men moet roeien met de riemen, die men heeft. Hoe laat verschijnen die avondbladen ongeveer?”

„Ze zijn reeds om half vijf aan de verschillende stations te krijgen.”

„Hier bestaat natuurlijk ook het instituut van de extra-editie?”

„Zeker, maar die verschijnen alleen als het hoogst gewichtige zaken betreft, een moordaanslag op den president, den dood van een invloedrijk monarch, of van een groot Amerikaansch staatsman, een spoorwegongeluk met minstens veertig dooden, een noodlottige aardbeving, of iets dergelijks.”

Raffles scheen nog een oogenblik te aarzelen, en zeide toen:

„Wel, dan komt er van werken van avond niet veel meer, dan zullen wij ons maar liever terugtrekken naar een of ander variété-theater, de specialiteiten zijn in dit land van den eersten rang, en wij zullen ons dan eenige uren kunnen amuseeren. Bovendien zijn wij beiden vermoeid van de lange reis en een weinig rust zal ons goed doen.”

En zoo lieten de beide vrienden een auto voorkomen, en zich naar het Olympic rijden, waar dien avond juist een nieuw programma werd gespeeld.

Wat Henderson betreft, hij slenterde wat rond door de schitterend verlichte straten, staarde naar de ontzaglijke lichtreclames, die de oogen pijn deden door hun gloed, maar verwijderde zich, op verlangen van Raffles, niet te ver van het hotel.

De beide mannen keerden omstreeks elf uur in den avond weder naar hun hotel terug, en begaven zich ter ruste, om zich te herstellen van de vermoeienissen der lange en gevaarvolle lucht reis.

Den volgenden morgen echter stonden zij om acht uur weder op, namen een bad, kleedden zich, ontbeten snel en lieten een huurauto voorkomen.

Alvorens den chauffeur het adres op te geven, vroeg Raffles op zachten toon, zich naar Charly voorover buigend, die reeds in de auto zat:

„Hoe heet het blad ook weer?”

„The Evening Press!”

„Waar is het ergens?”

„In de twee en twintigste straat, dicht bij de Broadway.”

„Broadway, twee en twintigste straat,” riep Raffles den chauffeur toe, en daarop stapte hij in en zette zich naast Charly neder.

Een half uur later hield de auto stil op den hoek van de beroemde New-Yorksche winkelstraat van de twee en twintigste straat.

Raffles zond den chauffeur weg, na hem te hebben betaald, en de beide vrienden wandelden de twee en twintigste straat verder in, tot zij een groot gebouw van grijzen steen hadden bereikt, waarvan de groote deuren wagenwijd openstonden, en op welks plat dak in reusachtige letters, die des avonds electrisch verlicht werden, het woord „Evening Press” te lezen stond.

Raffles stond even stil, en vroeg aan Charly:

„Tot hoe laat kan men in deze stad en voor een avondblad als dit copie ter zetterij geven?”

„De vorm sluit meestal om half vier, zooals men dat noemt, maar het is mogelijk, in de zoogenaamde „Stop Press” wat wij Inlandsch noemen, ook na dien tijd, zelfs nog onder het afdrukken van de krant zeer kleine berichten te doen opnemen. Hiertoe bevindt zich in de zinken rol, welke een geheele krantenpagina bevat, een los stuk, wat de vakman „wit” noemt, en dat men er uit kan nemen, door de pers een oogenblik te laten stilstaan, en dan kan men op dat gedeelte een klein stukje zetsel met stalen klampen vastzetten, waarop men de pers opnieuw laat draaien, maar nu vindt men in de plaats van het brok wit, een klein berichtje.”

„Voor groote berichten is dus waarschijnlijk nooit plaats?”

„Neen, het segment is nooit grooter dan een halve kolom, daar men anders moeite zou hebben met het vastzetten.”

„Ik dank je voor deze technische uiteenzetting, Charly, die mij van veel nut is. Wij zullen dus goed doen, zoolang mogelijk te wachten, en ik weet daartoe geen betere plek dan het restaurant daarginds, dat schuin tegenover het redactiebureau is gelegen.”

De beide vrienden wachtten een oogenblik af, dat een verkeersagent de onophoudelijke file van voertuigen van allerlei aard een oogenblik liet stilhouden, om de zeer drukke straat over te steken, waarop zij het restaurant binnen traden, waar zij een plaatsje zochten dicht bij het raam van de lunchzaal op de eerste verdieping, vanwaar men een voortreffelijk gezicht had op het grootste gedeelte van de drukke zijstraat, breeder dan menig hoofdstraat eener Europeesche metropool, breeder dan het Strand, dan de Friederichstrasse te Berlijn, dan de Rue Royale te Parijs.

Het was nog zeer stil in het restaurant, wegens het vroege uur en er waren zoo goed als geen bezoekers.

Raffles knoopte een praatje aan met den kelner, een Italiaan, en het duurde niet lang of hij had vernomen, dat vele journalisten van de „Evening Press” de gewoonte hadden in dit restaurant te komen lunchen.

Toen de kelner zich weder verwijderd had, zeide Charly, die nog altijd niet wist wat Raffles voornemens was:

„Ik mag gekielhaald worden, als ik begrijp, wat je eigenlijk van de „Evening Press” wil!”

„O, het is heel eenvoudig, Charly, zij moet een berichtje opnemen van mijn hand.”

„Maar steek dan eenvoudig de straat over en bied het aan!” riep Charly verwonderd uit.

„Dat zou ik wel doen, mijn waarde, wanneer mijn bericht niet van bijzonderen aard was,” hernam Raffles glimlachend. „Want zooveel weet ik ook wel van de Amerikaansche bladen, dat zij, evenmin als eenig ander blad ter wereld, een bericht van een haar geheel onbekend persoon zullen opnemen, zonder eerst een deugdelijke bevestiging ervan te hebben verkregen. Men schrikt er hier al evenzeer voor terug, een bericht te plaatsen, dat later moet worden herroepen, als in de oude wereld.”

„Je bericht berust dus op fantasie?”

„Het is van A tot Z gelogen,” antwoordde Raffles bedaard.

„Maar dan zal het blad het nooit opnemen!”

„Goedwillig waarschijnlijk niet, en daarom heb ik juist de medewerking noodig van een der heeren redacteurs.”

„Denk je dat je met domooren te doen hebt, Raffles, en dat je een man van de „Evening Press” een leugenachtig bericht op de mouw kan spelden?”

„Wacht eens even, mijn waarde, voor ons beiden is het leugenachtig, maar niets belet een buitenstaander het voor de zuivere waarheid aan te nemen. Zeg mij eens, is de „Evening Press” nog al op sensatie belust?”

„Wat dat betreft, met de Globe mee spant het in dat opzicht wel ongeveer de kroon.”

„Het kon niet mooier,” hernam Raffles. „Maar laten wij nu maar een kleine wandeling maken, wanneer de heeren redacteuren hier toch komen lunchen, zal ik hen niet misloopen.”

De beide vrienden dronken hun glas witten wijn leeg, stonden op, en daar zij zich tamelijk dicht in de buurt van het Centrum Park bevonden, wandelden zij een paar uren rond in dit schoonste park van New-York, gedeeltelijk met huizen bezet, en begaven zich om twaalf uur weder naar het restaurant in de twee en twintigste straat.

Zij hadden nauwelijks weder dicht bij een der ramen plaats genomen, of er verscheen een troepje, voor het meerendeel nog jonge lieden, in de wijdgeopende deuren van het redactiebureau, dat een gunstig oogenblik afwachtte en daarop haastig schuins de straat overstak, in de richting van het restaurant.

En het volgende oogenblik leek het wel, alsof alle huizen en wolkenkrabbers in de straat letterlijk menschen uitbraakten, die bij honderden en duizenden de straat vulden, als mieren dooreen krioelden en zich repten, alsof zij werden voortgezweept.

Dat waren de tallooze winkeljuffrouwen, klerken, typistes en stenografen, dagbladredacteuren en kantoorloopers, bureau-chefs en schrijvers, die klokslag half een bij duizenden hunne kantoren verlieten, om in een der bars, restaurants of lunchrooms te gaan twaalfuren.

Het was een merkwaardig gezicht, zooals daar eensklaps de straat als het ware volstroomde met een menigte, die eenige minuten achtereen als zinneloos dooreenwemelde, en zich daarop als bij tooverslag weder oploste, de verschillende eetgelegenheden hadden haar opgeslokt.

Het restaurant, waar Raffles en Charly hadden plaats genomen, werd bestormd door een luidruchtige schaar jonge lieden van beiderlei geslacht, snaterend, lachend, verheugd, dat zij gedurende ruim een uur aan de muffe lucht van het kantoor waren ontsnapt.

In een oogwenk waren alle tafeltjes bezet, en de kelners liepen als hazen heen on weer, voor zoover de jonge lieden zich niet zelf bedienden aan het buffet, en betaalden met penningen van verschillende bedragen, welke zij zich aan de kas hadden verschaft.

Niet ver van de beide vrienden had een half dozijn jonge mannen plaats genomen, wier levendige gebaren aanstonds verrieden, dat zij tot het geslacht der reporters behoorden.

Raffles had hen aanstonds herkend, het waren de redacteurs van de „Evening Press”.

Hij beschouwde hen geruimen tijd, totdat Charly vroeg:

„Wat zoek je eigenlijk?”

„Ik zoek onder hen naar den mam, dien ik hebben moet. Ik bestudeer de gelaatstrekken, laat mij nog een oogenblik begaan.”

Na tien minuten scheen Raffles gevonden te hebben wat hij zocht, en hij bleef nu een jongen man van een jaar of dertig in het oog houden, tamelijk opzichtig gekleed, met glanzend zwart haar, zorgvuldig gescheiden, een bloem in het knoopsgat, en die de eene sigaret na de andere rookte, zelfs onder het eten door.

„Dien moet ik hebben,” zeide hij halfluid, „dien knaap daarginds met zijn grijs geruit pak.”

„Waarom juist hem?” vroeg Charly nieuwsgierig.

„Zie je niet, dat hij versche zalm besteld heeft?”

„Ja, dat zie ik, wat zou dat?”

„Een journalist, Charly, die in dezen tijd van het jaar versche zalm eet, leeft boven zijn stand, neem dat maar gerust van mij aan. Hij drinkt er bovendien witten wijn bij, en die is in deze gelegenheid ook niet wat men goedkoop noemt. Is „Evening Press” een eersterangs blad?”

„Volstrekt niet. Het behoort tot de derderangs bladen, maar het wordt toch zeer veel gelezen, vanwege de sensatieartikelen, waarin het blad een bolleboos is.”

„De salarissen zullen er dus wel niet zoo heel erg hoog zijn?”

„Goede Amerikaansche journalisten verdienen over het algemeen meer dan de Europeesche, en de zeer goede kunnen gerust welgesteld worden genoemd, maar toch blijft er ook voor de Amerikaansche krantenmenschen in dat opzicht nog heel wat te wenschen over.”

„Dank je. Maar daar gaat onze man, hij mag mij niet ontsnappen, kom mee!”

HOOFDSTUK IV.

HET BERICHT IN DE „EVENING PRESS”.

De jonge man in het grijs geruite costuum was opgestaan, had zijn hoed en regenjas van den kapstok genomen, en wendde zich naar de deur, na zijn makkers vaarwel te hebben toegewuifd, en Raffles hoorde hoe een hunner hem spottend achterna riep:

„Durf je Irene niet te laten wachten, Jack?”

De toegeroepene gaf geen antwoord, maar dreigde zijn kameraad lachend met de vuist.

Charly en Raffles waren snel opgestaan, en volgden nu den jongen man, zonder dat het opzien baarde.

Maar in de breede gang gekomen moesten zij zich nog al haasten, want ook de journalist scheen gepresseerd te zijn, hij wilde zeker niet mankeeren aan de afspraak met de jongedame, wier naam zooeven was uitgeroepen.

Maar Raffles en Charly versnelden hun pas en juist in de vestibule van het restaurant haalden zij den jongen man in. Raffles klopte hem op den schouder.

„Neem mij niet kwalijk, mijnheer Jack, was het geloof ik, wanneer uw afspraak u niet bepaald opeischt, zou ik gaarne een kort gesprek met u voeren.”

De jonge man keek Raffles en Charly beurtelings verwonderd en ook wel wat ongeduldig aan, en zeide toen:

„Pardon, maar ik heb niet het genoegen u te kennen.”

„Dan stellen wij u in de gelegenheid kennis met ons te maken, mijnheer Jack,” hernam Raffles rustig. „Ik geloof, dat het u niet zal berouwen, een oogenblik naar mij te luisteren.”

Hij liet zijn stem dalen tot een zacht gefluister, en vervolgde:

„Gij zult er toch zeker niets op tegen hebben, Uw blad een prachtige primeur te verschaffen, die U zeker geen windeieren zal leggen?”

De jeugdige Jack zou geen Amerikaansch journalist moeten zijn, als hij niet aanstonds de ooren had gespitst.

Hij keek Raffles even aandachtig aan, en zeide toen vastbesloten:

„Ik ben tot uw dienst, mijnheer.”

„En Miss Irene?” vroeg Raffles glimlachend.

„Die kan wachten,” antwoordde de jonge man schouderophalend. „Mijn blad gaat altijd voor.”

„Zoo mag ik het hooren, mijnheer.... mijnheer....

„Mijn naam is Jack Flinton,” zeide de jonge man.

„Nu dan, mijnheer Flinton, wij zouden u gaarne uitnoodigen, ergens een rustig plekje op te zoeken, het is namelijk volstrekt niet noodig, dat derden hooren, wat ik u heb mee te deelen.”

„Het is dus van veel gewicht?” vroeg Flinton, wiens belangstelling was gewekt.

„Van zeer veel gewicht, vooral voor u.”

„Wees dan zoo goed mij te volgen, ik weet in een der dwarsstraten een eenvoudig wijnhuis, waar men mij goed kent en waar men mij gaarne een vertrek ter beschikking zal stellen, waar wij ongestoord kunnen spreken.”

„Wij volgen u, mijnheer Flinton.”

De drie heeren begaven zich op weg, en toen zij tien minuten later een klein, door een Italiaan gedreven wijnhuis bereikten, had nog geen hunner een woord gesproken.

Flinton wisselde eenige woorden met den eigenaar, die er uitzag als een ware Rinaldo Rinaldini, met zijn gitzwarte oogen en zijn verwarden zwarten baard, en wenkte daarop Raffles en Charly, waarop zij aan het einde van de gelagkamer een trap van slechts weinige treden bestegen, die naar een klein opkamertje bleek te voeren, dat slechts door een enkel raam verlicht werd, hetwelk uitzag op een morsige binnenplaats.

De waard bracht een flesch wijn en drie glazen binnen, welke Raffles aanstonds betaalde, ofschoon Flinton reeds naar zijn beurs greep, en deze opende dadelijk de flesch, met behulp van den kurketrekker in zijn zakmes, en met een handigheid en vlugheid, die bewezen, dat hij dit werkje zeer vaak bij de hand had gehad.

De journalist schonk de drie glazen vol, nipte even aan het zijne, en zeide toen:

„Voor wij verder gaan, zou ik gaarne uw naam weten, want als gij mij iets hebt mede te deelen, is het van belang, dat ik dien weet.”

Raffles nam een teug van zijn wijn, glimlachte en zeide:

„Mijn naam, mijnheer Flinton? Och, die doet er waarlijk heel weinig toe. Gij zult dit later zelf moeten toestemmen, als gij vernomen hebt, wat ik u kom vragen.”

„Wat kan dat dan wel zijn, mijnheer?” vroeg Flinton, wiens beroepsijver was gaande gemaakt, en die zeer nieuwsgierig was geworden.

Met de oogen strak gevestigd op den zwarten valschen parel, dien de jonge man in zijn kleurige das droeg, begon Raffles:

„Ik zou u willen verzoeken, mijnheer Flinton, een berichtje in uw avondblad van heden op te nemen, van tamelijk sensationeelen aard.”

Flinton keek Raffles met hoog opgetrokken wenkbrauwen aan, boog zich toen met een ruk voorover tot dat zijn ellebogen op de tafel steunden, en vroeg:

„Een primeur? Een mooie moord? Een inbraak van beteekenis? Een erfenis? Een lijk gevonden? Is er iets niet in orde in Wall Street? Iets gaande met den President misschien?”

Raffles schudde glimlachend het hoofd, en antwoordde:

„Niets van dien aard, mijn waarde heer Flinton. Het betreft de zaak van Eleonore Manoury!”

Nu was dit wel is waar een Engelsch onderwerp, maar de geheimzinnigheid van het geval maakte het toch ook voor Amerikaansche lezers zeer aantrekkelijk, en daarom was Flinton een en al oor en hij herhaalde: