Lord Lister No. 0392: Het Eiland der Menscheneters
Part 4
„Vreezen?” vroeg Raffles verwonderd. „Wat meent gij daarmede? Wat kunt gij te vreezen hebben op dit eiland, hetwelk op geen enkele kaart voorkomt, waar zich geen enkel schadelijk dier ophoudt en dat nimmer door eenig vaartuig wordt aangedaan?”
Er liep een huivering over het lichaam van de jonge vrouw, toen zij antwoordde:
„Er zijn hier menschen geweest, nog pas gisteren, maar ik kan er niet over spreken, gij zult het zelf zien.”
„Menschen?” herhaalde Raffles verwonderd. „Maar dat komt mij onmogelijk voor. Dan moeten het wilden geweest zijn, die van een der naburige eilanden hierheen zijn gekomen.”
Sonja Bastides knikte bevestigend op deze woorden en op haar schoone gelaat lag een uitdrukking van ontzetting.
„Het waren wilden,” zeide zij zachtjes. „Ik dank den Heer, dat ge gekomen zijt. Kom spoedig.”
En de jonge vrouw nam Raffles bij de hand en voerde hem mede over de weide, terwijl de anderen volgden.
Er werd weinig gesproken, want iedereen was te zeer onder den indruk van de weinige woorden, zooeven door de twee vrouwen gesproken.
Charly Brand begreep er de beteekenis maar al te goed van.
Hij wist dat er zich bij de honderden eilandjes, waaruit de meer zuidelijk gelegen Paumotueilandengroep is samengesteld, nog velen zijn, bewoond door wilden, in de ware beteekenis van het woord, kannibalen, die nog nimmer in aanraking zijn geweest met de westersche beschaving en die, wanneer door een storm een schip op de kust geworpen wordt, alle opvarenden meedoogenloos vermoorden om vervolgens een afschuwelijken maaltijd aan te richten.
Menigmaal trokken deze wilden naar een der naburige eilanden, alleen met het doel, om er de bewoners te overvallen, en zooveel mogelijk gevangen mede te voeren en dezen te slachten.
Maar nog nimmer was het voorgekomen, dat de wilden zich in hun prauwen zoover durfden wagen en nog altijd hoopte de jonge man, dat de beide vrouwen zich vergist moesten hebben.
Aan den rand van de weide, niet ver van een dicht begroeid bosch van cocospalmen, tamarindeboomen en ceders, verhief zich een kleine hut, die vanuit zee volkomen onzichtbaar was, en welke Raffles zoo gerieflijk mogelijk had ingericht.—Men vond daarenboven een tamelijk groot, gemeenschappelijk vertrek, waar Sonja zich met haar beide vrouwen kon ophouden en dat geheel was ingericht volgens de Armeensche zeden, met lage rustbanken, mollige kussens op den vloer, die met dikke fijn gevlochten matten bedekt was, kleurige tapijten aan de wanden en eenige gemakkelijke stoelen.
Dan waren er nog eenige slaapvertrekken en afzonderlijk, door een smalle gang in verbinding met het huis staande, lag de keuken.
Een weinig verder bevond zich de kleine stal, waar eenige geiten, een ezelin en een klein Javaansch paardje gestald stonden, welk laatste rijdier door de jonge Armeensche menigmaal gebruikt werd om tochtjes over het eiland te maken, dat twee uur gaans lang en half zoo breed was.
Op eenige meters afstand van het kleine landhuis stroomde een der beide riviertjes, die op deze plek niet breeder was dan vier meter, overbrugd door een soort plankier van bamboe, van een lage leuning voorzien en die toegang gaf tot een achter de rivier gelegen bad.
Maar men hield zich hier niet op. Raffles wilde zich eerst persoonlijk gaan overtuigen, of de beide vrouwen zich misschien niet vergist hadden.
En zoo begon men den oever van het kristalheldere riviertje te volgen, dat in de grootste der beide baaien van het eiland op de westelijke kust uitstroomde.
Men had hiertoe gebruik gemaakt van het kleine bruggetje en bevond zich nu op den linkeroever van den stroom.
Nu en dan naderde het woud de rivier zoo dicht, dat er slechts weinig ruimte overbleef voor het smalle voetpad, hetwelk langs den oever leidde en dat zich in den loop der jaren gevormd had, waar Sonja Bastides de gewoonte had, iederen dag van de hut een wandeling te maken naar de baai, vanwaar men een verrukkelijk uitzicht had over dit gedeelte van den Oceaan en soms bij zeer helder weder de westelijkste eilanden van de Markesagroep, Hiau, Nukuhiwa en Tahuata kon zien liggen.
Onder alle andere omstandigheden zouden de drie mannen zeker genoten hebben van alles wat hen omringde, van de bonte vogels, die in de hooge toppen der cocospalmen snaterden en die wel levend goud, karmozijn en porphier leken, van het grappig gestoei der kleine aapjes, wonderlijk sierlijk, met hun buitengewoon lange grijpstaarten en van de halfapen, de maka’s met hun zonderling groote oogen, van den zoelen zephir die de geuren van tamarinde, foelie en vanille aanvoerde, van het verre ruischen van de branding op de koraalriffen, die het eiland voor een gedeelte omgaven en van het onvergelijkelijke blauw van den hemel boven hun hoofden.
Maar nu konden zich hun gedachten niet met al deze schoonheden ophouden, want nog altijd klonk het in hun ooren als een wanklank; de woorden van Eleonora Manoury.
Een paar malen had men een hoogen heuvel moeten overtrekken, maar eensklaps, na bijna een uur te hebben geloopen, strekte zich de baai en daarachter de eindelooze zee voor de blikken der wandelaars uit.
De inham had een bijna zuivere, halfcirkelvormige gedaante en was omstreeks honderd meter diep en even breed. Zij was omzoomd door een uitermate gelijk strand uit zeer fijn wit zand bestaande. Op bijna een kilometer van den ingang van de baai strekte zich het rif uit, waartegen de branding brak, en waarbinnen het water zoo glad was als een spiegel.
Maar Raffles en zijn beide metgezellen hadden geen gelegenheid om van de schoonheid van het schouwspel te genieten. Want Sonja had haar kleine hand op den arm van den Grooten Onbekende gelegd en wees met bevende vinger naar een paar plekken op het witte strand, niet ver van den oever.
Raffles keek er een oogenblik naar, nam toen zijn kijker uit het etui, dat hij aan een riem om den hals droeg en tuurde eenige oogenblikken door het instrument. Zijn gelaat had een ernstige uitdrukking, toen hij den kijker weder liet zakken.
„Blijft gij hier op ons wachten,” zeide hij, zich tot de vrouwen wendend, „het is niet noodig, dat gij het ziet. Wij zullen er heen gaan.”
„Laat ons nog eenigen tijd mogen volgen. Ik ben bang,” hernam de jonge Armeensche sidderend.
„Maar gij hebt thans toch niets te vreezen,” hernam Raffles. „Hier op deze open plek kunt gij onmogelijk overvallen worden. Wij kunnen dadelijk weder bij u zijn.”
Hij gaf Charly en Henderson een wenk en de drie mannen snelden naar het strand van de baai, steeds den oever van het riviertje volgend en wat zij daar zagen bewees maar al te duidelijk, dat de beide vrouwen zooeven de waarheid hadden gesproken. Op het strand waren scherp de indrukken te zien van naakte voeten en ook van de kielen van een twaalftal prauwen, die gedeeltelijk op den oever waren getrokken. Dat was echter nog niet alles. Hier en daar verspreid, lagen verkoolde stukken hout en menschelijk gebeente, zwart geblakerd, waaronder drie schedels, die boven op het voorhoofd groote, onregelmatige gaten vertoonden.
Zwijgend, met afgrijzen vervuld, keken de drie mannen elkander aan. Toen begon Raffles:
„Kannibalen. Zij zijn hierheen gekomen, om er een van hun afschuwelijke maaltijden te houden en niemand kan zeggen of zij niet vroeg of laat weder terug zullen keeren. De vrouwen mogen hier geen uur langer meer blijven. Zij moeten worden weggebracht. Ik mag hen niet blootstellen aan het ontzettende gevaar dat zij ontdekt zullen worden.”
„En je schatten?” vroeg Charly.
„Daaromtrent maak ik me geen oogenblik bezorgd. Die zijn volkomen veilig bezorgd in het inwendige van die rots, welke wij zelf met behulp van dynamiet hebben uitgehold, en men zou deze springstof opnieuw moeten aanwenden om de ontzagelijke rotsblokken terzijde te wentelen, die thans den toegang tot de schatkamer versperren.”
Terwijl zij spraken had Raffles den terugtocht weder aanvaard en eenige minuten later voegden zij zich bij de angstig wachtende vrouwen.
„Welnu, heer,” vroeg Sonja Bastides, haar kleine hand naar Raffles uitstekend.
„Gij hebt goed gezien, Sonja. Gij hebt inderdaad in groot gevaar verkeerd en ik zal het mijzelf nooit vergeven, dat ik u daaraan heb bloot gesteld. Wij vertrekken zoo spoedig mogelijk. Gij moogt hier niet langer blijven. Zeg mij, hoe ge de aanwezigheid van de wilden ontdekt hebt.”
„Het was dezen nacht heer, toen Ina gewekt werd door een zonderling geruisch, geheel ongewoon op ons eiland en zij kwam mij wekken. Het geruisch werd spoedig sterker, en wij maakten ook, niet wetende, wat dit te beteekenen had, Mirza en de vrouw wakker, welke gij mij tot metgezellin hebt gegeven. Wij keken uit het kleine venster naar buiten en zagen een rossigen gloed die zich echter scheen te verwijderen. Toen vatten wij moed. Wij kleedden ons aan en wij volgden het schijnsel dat zich bewoog langs den rechteroever van het riviertje. Tenslotte bereikten wij den zoom van het woud en konden het strand van de baai zien liggen. En daarop zagen wij ook het afschuwelijke, waarvoor wij aanstonds in doodelijken schrik de vlucht namen. Wilden sprongen daar als duivels rond en zwaaiden met hun speren en knotsen onder een ijzingwekkend gegil, terwijl eenige gevangenen, met lianen gebonden, dicht bij den oever van het riviertje lagen.”
„Het is genoeg, Sonja,” viel Raffles haar in de rede, bevreesd dat de jonge vrouw in zwijm zou vallen bij de herdenking, van hetgeen zij had aanschouwd. „Wij zullen aanstonds dit eiland verlaten.”
„En ik was hier zoo gelukkig,” riep de jonge Armeensche op smartelijken toon uit. „Het Paradijs kan niet zoo schoon zijn geweest. Gij kwaamt mij menigmaal bezoeken en wij spraken over mijn land en over de dingen die er in uw midden voorvallen. Ik zou gaarne willen blijven, heer.”
„Neen, Sonja, ik mag je niet blootstellen aan dit gevaar!” hernam Raffles op vasten toon. „Ik bezit nog andere eilanden, even schoon als deze, grooter zelfs en waar gij zulk een gevaar in het minst niet hebt te duchten! Kom spoedig—de dag neigt ten einde, en wie kan zeggen, of de wilden niet zullen terugkeeren, en misschien dicht in de buurt met hun prauwen rondzwerven!”
De vrouwen begrepen thans ook wel, dat het verblijf op het heerlijke eiland onmogelijk was geworden, want ofschoon het de gewoonte der wilden niet is, om onder soortgelijke omstandigheden ver het land in te dringen—een gering toeval kon hen met die gewoonte doen breken, hun geoefend oog zou spoedig de aanwezigheid van menschen bespeurd hebben, en dan kon het lot van de ongelukkige vrouwen niet twijfelachtig zijn.
Stilzwijgend werd de terugtocht aanvaard, en na een uur bereikte men de hut weder.
Haastig werd de maaltijd gebruikt, en daarop pakten de dienstmaagden alles bijeen, wat haar meesteres tot geen prijs wilde achter gelaten, terwijl Sonja Bastides met tranen in de schoone oogen toezag.
Henderson laadde deze vracht op zijn sterken schouders—Sonja streelde de geiten en de pony nog eens, wuifde naar de kippen en kalkoenen, die in de omheining rondtrippelden—en daarop begon de kleine troep den tocht naar de vliegmachine, welke men aan het begin der weide had achtergelaten.
Ditmaal volgde men den kortsten weg, die langs, en gedeeltelijk door een klein bosch van tamarindeboomen voerde—en pas later zou dit hun behoud blijken te zijn geweest....
Want toen Raffles, die vooraan liep, het boschje weder wilde verlaten, om opnieuw de weide te betreden, zag hij iets, dat hem eensklaps weder deed terug treden, en met gesmoorde stem uitroepen:
„Halt! geen stap verder of het zou ons allen den dood aanbrengen!”
Zoo snel hij kon voerde hij de doodelijk verschrikte vrouwen en zijn twee metgezellen in het dichtste van het boschje terug, en beval:
„Blijf hier op mij wachten—verroer u tot geen prijs—ik ben aanstonds terug!”
En voor iemand een woord had kunnen zeggen, had Raffles zich weder verwijderd. Hij kroop tot aan den zoom van het boschje voort, wierp zich plat voorover en bracht zijn kijker voor het oog, om naar de vliegmachine te zien, welke zij aan den voet van het hooge gebergte hadden achtergelaten.
Toen slaakte hij een zachte kreet van woede....
De „Duivel der lucht” was omgeven door wel drie honderd zwijgende, bijna geheel naakte wilden, die er in wijden kring gehurkt omheen zaten, onbewegelijk, als standbeelden....
HOOFDSTUK VI.
ALS DE NOOD HET HOOGST IS .... DAN IS DE REDDING NABIJ.
Het schouwspel was zoo vreemd en onverwacht, dat Raffles ondanks zichzelf nog eenigen tijd door den kijker bleef turen.
De wilden hadden niet stiller kunnen zitten, als zij uit brons gehouwen waren geweest.
Zij waren gekleed met een soort heupdoek, beter gezegd een rokje, van cocosnootvezels.
Om den hals droegen zij een keten van kleine, in de zon gebleekte beenderen van eigenaardigen vorm, het waren sleutelbeenderen van hun verslagen vijanden.
Schelkleurige vederen staken in hun haar, dat zeer hoog op hun hoofd was vastgemaakt, en hun gelaat was afschuwelijk getatoueerd en beschilderd met witte strepen waaruit Raffles aanstonds opmaakte, dat deze wilden op het oorlogspad waren geweest of nog waren.
Zij waren gewapend met assagaaien of werpspiesen, en kleine, langwerpige schilden van taaie boombast vervaardigd, en knotsen bestaande uit een steel van dik, zeer sterk en taai hout, waaraan een scherp geslepen stuk jaspis met behulp van rotan kunstig bevestigd was—een vreeselijk wapen in hun handen, en waarmede de wilden zeer bedreven omgaan.
Dat zij althans eenigszins bekend waren met het smeden, bewees de omstandigheid dat bij velen hunner de punten hunner speren van ijzer vervaardigd waren—de anderen hadden hun werpspiesen voorzien van scherp geslepen beenderen, of ook wel van het verharde neusbeen van den zwaardvisch, dat minstens eens zoo hard is als ijzer, en in staat om een eikenhouten scheepswand te doorboren.
Na eenige oogenblikken de groep te hebben gadegeslagen, kroop Raffles weder terug en voegde zich bij zijn metgezellen.
„Welnu?” vroeg Eleonora angstig. „Wat kijkt gij ernstig—wat is er?”
„Ik mag u niet verhelen, Eleonora—wij verkeeren in groot gevaar. Het eenige middel om dit eiland te verlaten, mijn trouwe vliegmachine, bevindt zich in de macht van een drie honderd kannibalen!”
Eleonora was een vrouw vol geestkracht, maar voor Sonja Bastides was de slag te zwaar, zij slaakte een flauwen kreet en viel in zwijm.
Raffles maakte haar spoedig weer bij met behulp van wat vlugzout, en daarop bracht hij den kleinen troep zoo spoedig mogelijk langs een omweg naar de hut terug.
Er was onderweg geen woord gesproken, maar nu barstte Sonja in snikken uit, en riep:
„Zij zullen ons allen dooden, heer! Wat zal er van ons worden?”
„Zij hebben ons nog niet, Sonja!” antwoordde Raffles, terwijl hij de hand op het zwartgelokte hoofd van de jonge vrouw legde.
„Hoe is het mogelijk, Edward,” vroeg Charly zachtjes, „dat wij die wilden niet hebben gezien, toen wij landden?”
„Daarvoor is maar een verklaring, Charly—zij moeten zich met hun prauwen verscholen hebben gehouden, in een der vele kleine inhammen van het kleine eiland, beschut door overhangende palmen, zoo dat wij die kleine bruine dingen niet gezien hebben. Wie zou daarop ook acht hebben gegeven? Zoodra wij geland zijn, zijn zij met hun prauwen omgevaren, hebben het voorgebergte beklommen, en toen natuurlijk aanstonds onze vliegmachine gezien. En ik ben een driewerf vervloekte ezel, dat ik de vliegmachine daar onbewaakt heb achtergelaten!”
„Kunnen wij niets doen om haar weder in onze macht te krijgen, Mylord?” vroeg Henderson, die met gebalde vuisten had toegeluisterd.
„Daartoe zouden wij door drie honderd wilden moeten heenbreken, Henderson—en ik zie niet in hoe wij dat kunnen doen, zelfs niet bij verrassing!”
„Gebruikt dat ontuig vuurwapens, Mylord?”
„Dat niet, Henderson—maar dat maakt de zaak er niet beter op, want wij hebben onze geweren in het schuitje achtergelaten, en mijnheer Brand en ik hebben slechts onze revolvers bij ons! Wat kunnen wij doen met twaalf schoten tegen drie honderd met lansen, werpspiesen en knotsen bewapende wilden?”
Maar nu liet de stem van Eleonora Manoury zich hooren, die zwijgend had toegeluisterd en nu op levendigen toon zeide:
„Gij vergeet de drie geweren, Raffles, welke gij hier voor Sonja en hare dienstmaagden hebt achtergelaten, toen zij dit eiland gingen bewonen.”
„Dat is waar!” riep Raffles verheugd uit. „Zijn die wapens hier in de hut?”
„Ik heb ze gisteren gezien.”
„Maar is er munitie?”
„Dat moet wel zijn, want uwe Armeensche beschermelinge heeft mij medegedeeld, dat zij slechts weinig van de wapens gebruik heeft gemaakt, zij heeft het nooit van zich kunnen verkrijgen op onschuldige apen of vogels te schieten—en kippen hadden zij in overvloed, door uwe goede zorgen, terwijl de dienstmaagden menigmaal een konijn strikten, of een aardvarken vingen in een der vallen.”
„Als dit zoo is, dan zullen wij ons aanstonds gaan overtuigen, of de munitie nog aanwezig en bruikbaar is!” riep Raffles uit.
De beide dienstmaagden werden geroepen, en deze brachten Raffles naar een soort bergplaats waar een paar goed gesloten kisten stonden, die bij onderzoek ieder een paar honderd geweerpatronen bleken te bevatten.
Wat de geweren betreft, uitmuntende wapens—een jager zou ze zeker wel wat beter onderhouden hebben, maar zij waren in ieder geval nog in goeden staat en bruikbaar.
In ieder geval was deze vondst een groot geluk voor de drie mannen, die anders letterlijk weerloos zouden hebben gestaan tegenover de wilden, wanneer deze hen zouden hebben ontdekt.
Henderson begon aanstonds de geweren een voor een na te zien en schoon te maken, terwijl Raffles en Charly zachtjes met elkander spraken, buiten het gehoor der verschrikte vrouwen.
„Zoolang wij niet ontdekt worden,” begon Raffles, „loopen wij geen onmiddellijk gevaar, maar ons lot zou spoedig beslist zijn, wanneer zij ons konden overvallen! Ik vermoed dat zij de vliegmachine aanzien voor een of andere Godheid, welke zij moeten aanbidden—maar ik betwijfel sterk, of zij eenigen eerbied of angst voor ons zouden hebben, alleen omdat wij blanken zijn en over vuurwapens beschikken. Ik denk wel, dat zij met de eene zoowel als met de andere kennis hebben gemaakt.”
„Mij dunkt, dat wij kalm moesten afwachten, Edward, tot die wilden weder vertrekken!” kwam Charly. „Wij zijn hier voorloopig betrekkelijk veilig, en het is immers goed mogelijk, dat zij nog voor het vallen van de duisternis het eiland weer verlaten!”
Maar Raffles schudde mistroostig het hoofd, en zeide:
„Ik vrees het tegendeel, mijn jongen! Als de wilden inderdaad de „Duivel der lucht” beschouwen als een bovennatuurlijk wezen, dan zullen zij stellig niet nalaten hier een van hun heidensche plechtigheden te vieren—ter eere van de pas ontdekte Godheid! Omtrent den aard van die gruwelijke plechtigheden behoef ik je zeker niet nader in te lichten. Zij slachten eenige vijanden of slaven, zij richten daarmede hun maal aan—en dan volgen er drinkgelagen en dansen, die vaak dagen achtereen duren. En hoe licht kan het niet geschieden, dat die wilden de weide wat verder opgaan, en de hut in het oog krijgen!”
„Zouden wij haar niet achter takken kunnen verbergen, Mylord?” vroeg Henderson, die naderbij gekomen was.
„Ik vrees, dat het daartoe te laat is, Henderson—en het is ook beter dat wij ons zoo weinig mogelijk laten zien, vergeet niet, dat de afstand tot aan de vliegmachine nauwelijks een uur loopens bedraagt.”
Reeds begon de duisternis te vallen, met de verrassende snelheid, die in de keerkringen valt op te merken, en zonder dat er van een eigenlijke schemering sprake is.
Men gebruikte een kouden maaltijd, daar Raffles vreesde, dat de rook uit de pijp van het keukenhuis hun aanwezigheid zou kunnen verraden.
En vervolgens werd alles voor de verdediging in gereedheid gebracht, in geval de wilden de hut mochten ontdekken, en er een aanval op zouden ondernemen.
Deuren en vensters werden met luiken gesloten, en er werden een paar schietgaten aangebracht, zoodat de hut nu wel wat geleek op een van die blokhuizen, zooals de eerste trappers in Amerika ze gebruikten in hun strijd tegen de roodhuiden.
Daar een omsingeling niet tot de onmogelijkheden behoorde, nam Charly, bijgestaan door Eleonora Manoury, die haar geestkracht herkregen had, en zelf een wapen had gegrepen, zijn post in bij de achterdeur, die uitkwam op de kleine brug van bamboe.
En van dat oogenblik af wachtte men in spanning die gemakkelijker te begrijpen dan te beschrijven valt.
Gelukkig voor de zenuwen der vrouwen, was de nacht niet volkomen duister, want de hemel was helder, en de maan was bijna vol, en goot haar zilverachtig schijnsel uit over de weide, die zich voor het huis uitstrekte.
Zooals men had kunnen voorzien, was Henderson de eerste, die het werkeloos wachten te lang duurde.
Hij had reeds eenige malen iets onverstaanbaars tusschen de tanden gebromd, waarop Raffles in het geheel geen acht had geslagen, en nu scheen hij zich niet langer te kunnen bedwingen.
„Neem mij niet kwalijk, Mylord—maar dat wachten en niets doen maakt mij tureluurs,” zeide hij op gedempten toon.
„Er valt toch werkelijk niets aan te doen, James!” zeide Raffles met een flauwen glimlach.
„Neem mij niet kwalijk, Mylord—ik geloof dat er integendeel heel veel te doen valt!”
„Wat zou jij mij dan wel aanraden?”
„Wel, een aanval te doen op die satansche wilden, hen onverhoeds op het lijf te vallen, ons van de machine meester te maken, en dan naar een punt van de kust vliegen, waarheen wij eerst de vrouwen zullen hebben gebracht!”
Maar Raffles schudde afkeurend het hoofd en zeide:
„Het is een voorstel van een dapper—en van een onverstandig man, Henderson! Ten eerste zegt niets ons, dat er nog niet veel meer wilden op het eiland zijn, die ons zouden kunnen overvallen, terwijl wij de vrouwen wegbrengen. Ten tweede is hun aantal, zelfs al zijn er niet meer, tienmaal te groot! Ja, als er slechts dertig waren, dan konden wij het beproeven, al zou het gevaar zeer groot blijven, maar nu? Wij zouden er misschien in slagen veertig of vijftig van hen neer te leggen—en de rest zou ons afmaken, want zij zouden ons van alle kanten op het lijf vallen—en ik wil je zeggen, dat zij hun werpspies tot op een afstand van vijftig meter met doodelijke juistheid weten te werpen!”
Henderson antwoordde niet, want in zijn hart begreep hij, dat Raffles maar al te zeer gelijk had, en dat het zelfmoord zou zijn, onder deze omstandigheden een overval te wagen—men zou er niets bij winnen, en integendeel alles kunnen verliezen!
„Als wij de schurken tenminste maar op de een of andere wijze wisten te verjagen!” bromde de reus.
„Dat zou zeker niet zoo gemakkelijk gaan, Henderson,—tenzij een van hun schrikwekkende Goden eensklaps onder hen verscheen, om hen te bedreigen!”
„Die menschen zijn zeker zeer bijgeloovig, Mylord?” vroeg Henderson nadenkend.
„Dat zijn zij inderdaad, James—zij verrichten slechts weinig wat zij niet in verband brengen met den invloed van de een of andere bovenaardsche macht. De bliksem, het weerlicht, de regen, een maansverduistering—het zijn allen manifestaties van een van hun Goden!”
„Hoe zien die er uit, Mylord, als ik vragen mag?”
„Afschrikwekkend genoeg, Henderson! Verdraaide ledematen, afschuwelijke gelaatstrekken, slachttanden als van een tijger, en boosaardig dreigende oogen. Hun afgodsbeelden zijn meestal uit hout, maar ook wel uit jaspis vervaardigd en in het eerste geval op bonte wijze beschilderd, en met menschenhaar versierd, afkomstig van de schedels hunner verslagen vijanden.”
„Wat een zoodje!” liet Henderson zich minachtend hooren, die den toestand geheel vergat waarin zij verkeerden, en op deze wijze verachting uitte voor de menscheneters, die hen hier tegen zijn zin gevangen hielden.
Raffles haalde glimlachend de schouders op en zeide slechts:
„Vermoedelijk denken zij op dezelfde manier over ons, Henderson, bedenk dat!”
De beide mannen zwegen.
Langzaam kropen de uren voorbij.
En toen was het of heel in de verte een zwak rommelend onweer opstak.