Lord Lister No. 0392: Het Eiland der Menscheneters
Part 2
Raffles had zijn kalmte geen seconde verloren, maar Charly bekende naderhand dat hij een benauwd kwartiertje had doorgebracht en Henderson had de grootste moeite, zich te bedwingen om niet als een bom temidden van de achterdochtig rondloopende politiemannen te vallen.
Maar Raffles scheen hem met een blik uit zijn staalharde grijze oogen als het ware te biologeeren en de reus verroerde zich niet.
Eindelijk kon de automobiel haar weg vervolgen, nadat de commissaris van politie, die in ellendig Engelsch met Raffles had gesproken, op brommerigen toon en blijkbaar met tegenzin zijn verontschuldiging had aangeboden.
Op het kalme gelaat van Raffles vertoonde zich slechts een vaag glimlachje, toen hij den hefboom weder overhaalde, maar Henderson barstte, zoodra de afstand groot genoeg was, uit in een van de kernachtige Londensche vloeken, waarvan hij het geheim scheen te bezitten en die hij toch maar zelden teneinde kon brengen, daar een bestraffende blik van Raffles voldoende was, hem halverwege te doen ophouden en de rest van zijn vloek als het ware in te slikken.
Van dat oogenblik af konden de drie mannen zich gerust als volkomen veilig beschouwen, want het ergste was nu zeker achter den rug.
Eenige uren later reden zij, maar nu heel wat langzamer, Genua weer binnen, en Raffles nam opnieuw zijn intrek in een van de weelderige hotels, welke de stad bezit, en liet geen tijd verloren gaan, om aanstonds zijn onderzoek naar Irwin Stanley opnieuw te beginnen.
Zijn laatste ontmoeting met den meester had plaats gehad in een onderaardsche schuilplaats, door een toeval ontdekt en die een deel scheen uit te maken van een ware ondergrondsche stad, zich uitstrekkend in het inwendige van een der hooge heuvels, tegen welker helling Genua is gebouwd.
Maar ook de politie had deze schuilplaats ontdekt en het was niet waarschijnlijk te achten, dat Stanley zich daar opnieuw zou gaan verbergen om daar zijn helsche plannen te smeden, geholpen door zijn Italiaansche luitenants.
Toch gaf Raffles de hoop niet aanstonds gewonnen, en nog dienzelfden avond, na zich goed te hebben vermomd, begon hij, door Charly vergezeld, opnieuw zijn onderzoek.
Onvermoeid onderzochten de beide mannen de havenwijk, overal het oor leenend, in de hoop, dat een onvoorzichtig uitgesproken woord, een uitdrukking, een snel gewisselde blik hen iets zou verraden omtrent de verblijfplaats van den gevaarlijken misdadiger, maar hun poging was vruchteloos.
Laat in den nacht keerden zij terug, legden hun vermomming af, en voor het eerst sedert langen tijd genoten zij daarop de weelde van een ongestoorde nachtrust.
De drie volgende dagen, bijna onafgebroken doorgebracht in de havenwijk, waar de misdaad het weligst tiert, leverden geen beter resultaat op en in den vierden nacht vernamen zij eensklaps, zonder er in het minst op verdacht te zijn, wat zij wilden weten, en toen wisten zij ook, dat zij nu wel aanstonds Genua konden verlaten, daar hun verblijf hier nutteloos was geworden. De meester was reeds drie dagen tevoren naar Londen vertrokken en wel aan boord van een plezierjacht, dat waarschijnlijk had toebehoord aan een van zijn vrienden, en waarop hij zoogenaamd dienst had gedaan als stoker.
Raffles en Charly vernamen dit in een kleine dievenkroeg, die bijna uitsluitend bezocht werd door het gevaarlijkste gespuis, toen zij naast een drietal mannen gezeten waren, die fluisterend over den meester spraken, maar toch niet zoo zacht of de beide mannen hadden hen kunnen verstaan.
Een oogenblik hadden zij geloofd, dat het niets anders was dan een valstrik om hen op een dwaalspoor te brengen, maar aanstonds kwamen zij van deze meening terug. Als Stanley hen ook maar een oogenblik verdacht had en hun vermomming had doorzien, hetgeen dan zou beteekenen dat hij hun spoor voortdurend had weten te houden, dan zou hij immers geen oogenblik geaarzeld hebben, de twee mannen hier onschadelijk te laten maken, hier, in dit kleine, donkere wijnhuis, dat binnen zijn muren reeds zoovele misdaden had zien volbrengen.
Er zou immers geen haan naar gekraaid hebben, als Irwin Stanley zijn doodsvijand en diens trouwen vriend hier op deze plek had laten vermoorden en de lichamen had laten werpen in een van die geheimzinnige putten, die zich in vele oude Genueesche huizen bevinden, vooral in deze buurt en die er grondeloos schijnen te zijn.
Neen, het was wel zeker. Zij wisten nu dat hun taak hier beëindigd was en zij moesten het zichzelve toegeven, dat zij het spoor van den meester voorloopig kwijt waren en niemand kon zeggen, waar en wanneer zij het zouden hervinden.
Zwijgend aanvaardden de beide vrienden nu den terugtocht en pas, toen zij op het punt stonden het hotel binnen te treden, zeide Raffles:
„Het blijkt nu, dat wij onzen tijd nuttiger hadden kunnen besteden, maar niemand had dit kunnen voorzien. Ik dacht niet dat hij het zou hebben gewaagd, reeds nu naar Londen terug te keeren.”
„Maar het is toch onmogelijk, Raffles, dat hij daar lang op vrije voeten blijft,” zeide Charly zachtjes. „Dank zij jouw toedoen is zijn signalement algemeen bekend, men weet dat Stanley inderdaad de meester moet zijn. Hij zal zich nergens kunnen vertoonen, want men zou hem aanstonds arresteeren.”
Maar Raffles schudde mistroostig het hoofd en hernam:
„Dat is in een stad van zeven millioen inwoners minder gemakkelijk, dan het schijnt, Charly. Londen heeft tallooze geheimen, het is ontzaglijk groot en men kan er zich gemakkelijker verborgen houden dan in de Sahara. Irwin Stanley heeft ongetwijfeld vrienden in overvloed, die hem een schuilplaats kunnen verleenen, zoolang het noodig mocht zijn. Al was het een jaar of nog langer. Dan kan hij zijn uiterlijk voldoende veranderen om de politie op een dwaalspoor te brengen. Kortom, die man kan nog zeer veel kwaad brouwen, al is het dan ook in het verborgene.”
„Wij blijven nu zeker niet hier?”
„Morgen vertrekken wij naar Londen.”
En daarop stapten de beide vrienden het hotel binnen en begaven zich ter ruste om reeds den volgenden morgen alles voor hun vertrek in gereedheid te brengen.
De auto, welke Henderson naar Italië had gebracht, zou opnieuw gebruikt worden en om elf uur in den ochtend nam de terugreis een aanvang. Thans echter langs een bijna rechte lijn, over Turin, Genève, Lion, Reims, Kamerrijk en Calais, een weg, die door de auto in twee dagen werd afgelegd en dat was te lang, volgens Henderson, die nog volstrekt niet kon begrijpen, waarom een auto langzamer moest loopen dan haar maximumsnelheid.
Men bereikte Calais, eenige uren voor de kanaalboot zou vertrekken en er was dus voldoende tijd een plaatsbewijs te laten nemen en de auto te laten inladen.
De overtocht had zonder het minste incident plaats en om drie uur in den middag reed de auto Londen weder binnen.
Raffles verkeerde in een tamelijk sombere bui en Charly was weinig minder dan wanhopig. Al die moeite was vruchteloos geweest en opnieuw zou de strijd tegen Stanley, den misdadiger, moeten worden aangebonden onder heel wat moeilijker omstandigheden dan ooit tevoren, want niemand kon thans zeggen waar de schurk zich ophield, wat zijn plannen waren en welke de middelen waren, waarover hij de beschikking had.
Dat Stanley het zeker niet meer zou wagen, naar zijn eigen huis terug te keeren, bleek Raffles nog dienzelfden dag, want toen hij des middags door de Kappelstreet liep, stond het huis van den meester te koop aangeslagen.
Raffles bleef een oogenblik verbaasd staan kijken naar het groote bord, dat aan den gevel was aangeslagen, en mompelde toen:
„Dat is de onbeschaamdheid ten top gedreven. De schurk verkoopt zijn huis als de eerste de beste brave burgerman, die genoeg heeft aan het leven in de stad en op het platteland wil gaan wonen. Ik ben benieuwd, wie deze zaak moet opknappen en hoe hij in het bezit zou komen van de koopsom. Maar daar valt me iets in, ik kon het huis zelf wel eens koopen, wanneer tenminste de prijs niet te hoog is.”
Toen Raffles des avonds dit plan aan Charly mededeelde, keek de jonge man hem verwonderd aan en riep toen uit:
„Wat moet jij in hemelsnaam met het huis beginnen.”
„Ten eerste wil ik het zoo grondig mogelijk onderzoeken, want je weet dat er zich veel geheimen bevinden, die voor mij misschien van veel belang zijn en ten tweede is het misschien mogelijk, op deze wijze, als ik mij als kooper presenteer, weder op het spoor te komen van Stanley.”
„Dat geloof ik haast niet. Hij zal natuurlijk een groot aantal tusschenpersonen gebruiken, die voor hem handelen. Een gansche keten van stroomannen, die je onmogelijk tot het einde zou kunnen volgen.”
„Wij kunnen het in ieder geval beproeven,” meende Raffles kortaf.
En reeds den volgenden dag begon hij zijn nasporingen onder een aangenomen naam, die van graaf Grasham, en Charly bleek maar al te goed te hebben gezien. Het huis bleek het eigendom te zijn van een eerwaardigen grijsaard, een man van bijna tachtig jaar, die verzekerde dat hij het in huur had gegeven aan een zekeren White, en reeds deze White bleek onvindbaar te zijn.
Het was duidelijk, dat deze White of hoe de man dan inderdaad anders mocht heeten, in relatie had gestaan met een vroegeren bewoner van dit huis en dat de eigenaar die reeds meer dan half kindsch bleek te zijn, volstrekt niet geweten had wie er eigenlijk in zijn huis gewoond had.
En bij een nader onderzoek bleek het eveneens, dat de tachtigjarige man slechts zeer weinig eigendomsrechten kon laten gelden, daar het huis zeer zwaar verhypothekeerd was en feitelijk reeds het eigendom was van den zooeven genoemden White of iemand anders, maar wie dat was, kon onmogelijk worden uitgezocht.
Maar dat was voor Raffles van minder belang. Hij kon nog zeer goed een huis in Londen gebruiken en daarom aarzelde hij geen oogenblik, maar kocht het en liet de koopsom, tachtig duizend pond sterling, onmiddellijk aan den zaakgelastigde ter hand stellen.
Er werd nog dienzelfden avond een acte van overdracht opgemaakt en toen kon Raffles zich de onbetwiste eigenaar rekenen van het groote, geheimzinnige huis, waar sedert eenige maanden de meester van het Genootschap van den Gouden Sleutel zijn tenten had opgeslagen.
Charly was maar half te spreken over deze transactie en mopperde, toen Raffles hem mededeeling kwam doen van zijn aankoop:
„Wat moeten wij nu in ’s hemelsnaam met dat huis doen, Edward. Je kunt toch geen tachtigduizend pond sterling uitgeven alleen om te voldoen aan je nieuwsgierigheid betreffende de inrichting van het huis. Je denkt het toch niet te verhuren?”
„Dat denk ik integendeel wel degelijk te doen,” antwoordde Raffles bedaard. „Ik zie niet in, waarom ik ook niet een weinig als huisheer zou fungeeren. Het huis kan met een weinig kosten zeer veel worden verbeterd en ook hier is de woningnood zeer groot, dat men als het ware zal vechten om in mijn huis te mogen wonen. Ik weet zeker, dat die tachtig duizend pond geen weggegooid geld zal blijken te zijn. Zij zullen hun rente ruimschoots opbrengen, reken daarop.”
„En neem eens aan, dat Stanley er achter komt, dat jij het was, die het huis gekocht hebt?”
„Wel, ik ben overtuigd, dat hij minstens evenveel moeite zal hebben om dat te ontdekken, dan wij hadden om er achter te komen, wie de eigenlijke lastgever was, inzake den verkoop van het huis, en wie het geld zal opstrijken, ofschoon ik er wel bijna zeker van ben, dat Stanley zelf dat zal zijn. Overigens kan ik niet inzien, wat het hem zou baten als hij te weten komt, dat het huis in handen over is gegaan van graaf Grasham. Vandaar tot de ontdekking, dat graaf Grasham en John Raffles een en dezelfde persoon zijn, is nog een heele stap, en tenslotte, vindt hij ook dat uit, dan kan ik dat slechts toejuichen, want op deze wijze lok ik den ellendeling wellicht opnieuw op mijn pad, en dan mag hij zich voor mij in acht nemen, want ditmaal zal ik geen mededoogen kennen.”
Maar in deze verwachting zou Raffles bedrogen worden.
Het was alsof Stanley eensklaps van dezen aardbodem was weggevaagd.
En toch was zijn aanwezigheid in Londen, voor hem, die goed wist op te merken, maar al te duidelijk, want het aantal zeer ernstige misdaden nam weder toe en voor Raffles viel er geen oogenblik aan te twijfelen, of zij gingen uit van een centrale organisatie, en de bedrijvers gehoorzaamden zekerlijk aan het bevel van den meester, dat bleek niet alleen aan de wijze, waarop de misdaden werden gepleegd maar ook uit hun onderlinge gelijksoortigheid.
Een paar malen had er in de bladen een klein bericht gestaan betreffende de ontvluchting van Stanley en toen leek het wel alsof de politie alle hoop liet varen hem weder in handen te krijgen en zich niet verder met de zaak wenschte in te laten.
Voor Raffles was deze staat van zaken ondragelijk, want ofschoon hij persoonlijk als Lord Aberdeen niet het minste gevaar liep en iedere mogelijkheid was uitgesloten dat de meester zijn lordschap zou aanzien voor den lang gezochten Gentleman-Inbreker, zoo zou zijn leven toch steeds gevaar loopen, zoolang zijn doodsvijand zich op vrije voeten bevond, want allicht kon een toeval de beide mannen weder tegenover elkander plaatsen en Raffles wist maar al te goed, hoe groot de macht was van de organisatie waarover Stanley het bevel voerde.
Er verliep een week, die door Raffles uitsluitend besteed werd aan ijverige nasporingen en tot tweemalen toe meende hij het spoor van Stanley te hebben hervonden en tweemaal had hij zich daarin vergist...
En toen trad hij op een morgen, nadat hij bijna den geheelen nacht door verschillende wijken van Londen had gezworven, de werkkamer van Charly Brand binnen en zeide kortaf:
„Maak je reisvaardig Charly. Wij vertrekken vanmiddag.”
De jonge man, die verdiept was in de bestudeering van eenige zeer oude jaargangen van de „Times”, wendde zich verrast naar Raffles en vroeg:
„Wij vertrekken? Waarheen?”
„Naar de Markiezeneilanden.”
HOOFDSTUK III.
OP WEG.
Een oogenblik bleef Charly Raffles verwonderd aanzien en toen herhaalde hij langzaam:
„Naar de Markiezeneilanden?”
„Ja. En meer speciaal naar het Diamanteneiland.”
„Je wilt Eleonora Manoury bezoeken?”
„Ja. Begrijp je niet waarom?”
„Ik moet erkennen....”
„Zij moet me behulpzaam zijn bij het opsporen van Irwin Stanley, haar voormaligen minnaar, den schurk, die haar geheele bestaan vernietigd heeft, haar ziel bedorven, haar toekomst verwoest, zij haat hem erger dan de pest, en zij zal geen seconde aarzelen, mij op de hoogte te brengen van zijn gewoonten. Zij weet natuurlijk de namen van zijn vertrouwde vrienden, bij wie hij een schuilplaats heeft kunnen vinden. Zij kent ook die schuilplaatsen en als ik die eenmaal weet, dan wordt het terrein van mijn onderzoekingen zeer aanzienlijk beperkt.”
Charly Brand had zwijgend toegeluisterd en geen oog afgewend van het gelaat van Raffles, dat strak en ernstig stond.
Toen stond hij op, klapte het zware boek dicht en zeide eenvoudig:
„Ik ben tot je dienst. Hoe zullen wij reizen?”
„Wij zullen de vliegmachine gebruiken. Wees zoo goed, Henderson eens hier te roepen.”
Charly trad op de huistelefoon toe en stelde zich in verbinding met de garage, die zich in den tuin bevond, zich uitstrekkend achter het huis in de Regentstreet, hetwelk Raffles sedert geruimen tijd onder den naam Lord William Aberdeen bewoonde.
Hij sprak eenige woorden in het toestel, hing het weer op en wendde zich glimlachend tot Raffles met de woorden:
„Wat denk je dat hij doet?”
„Natuurlijk een auto schoonmaken,” antwoordde Raffles. „Ik geloof dat die goede reus geen andere bezigheid ter wereld zoo aangenaam vindt, als een ketting smeren, een klepveer opschuren, of een nieuwe zuigerveer inzetten. Ja, ik ben overtuigd dat hij volkomen gelukkig zou zijn op een onbewoond eiland, mits men hem slechts een Engelschen sleutel, een stuk staal en een paar vellen schuurpapier meegaf.”
„Denk je hem mede te nemen?”
„Ja, het is een vermoeiende reis en het is beter dat we elkander aan het stuurwiel afwisselen.”
Een oogenblik later trad Henderson het vertrek binnen, nog bezig met het dichtknoopen van zijn livrei.
Hij bleef op den drempel staan en vroeg:
„Mylord beveelt?”
„Ik wilde je even zeggen, dat wij vanmiddag op reis gaan, Henderson,” antwoordde Raffles.
„Goed, Mylord. Met de auto?”
„Neen, Henderson, met mijn vliegmachine, met „Den duivel der lucht”.”
„Goed Mylord. Waarheen gaan we?”
„Naar de Markiezeneilanden.”
„Goed Mylord,” hernam Henderson zonder de minste aarzeling en zonder een spoor van verbazing te toonen.
Hij had slechts een vaag besef waar men ter wereld ergens deze eilanden moest zoeken en hij wist alleen, dat het zeer ver moest zijn, maar dit boezemde hem eigenlijk bitter weinig belang in.
Men zeide hem, dat zijn diensten verlangd werden om ergens heen te gaan en dat was ruimschoots voldoende, de rest was bijzaak.
Raffles keek hem even glimlachend aan en vervolgde toen:
„Weet je waar de Markiezeneilanden liggen, Henderson?”
„Ergens in den Stillen Oceaan, naar ik meen, Mylord.”
„Zoo is het. Je schijnt je niet goed voor te kunnen stellen, hoever het wel is, vriend James.”
„Is het verder dan Amerika, Mylord?” vroeg Henderson nieuwsgierig.
„Heel wat verder, Henderson,” antwoordde Charly lachend.
„Ja Henderson, mijnheer Brand heeft gelijk. Wij moeten eerst den Atlantischen Oceaan over steken, vliegen dan over een groot gedeelte van Zuid-Amerika en volgen dan de evennachtslijn, totdat wij ongeveer acht graden zuiderbreedte en ongeveer veertig graden westerlengte de Markiezen of Marquesas bereikt hebben.”
Henderson krabde zich achter het oor en keek nu toch een weinig verbijsterd.
„Dat is heel wat kilometers, Mylord.”
„Bijna veertien duizend, Henderson,” antwoordde Raffles met een effen gezicht. „Wij zullen over Para vliegen, een haven op de oostkust van Brazilië, en dit verlengt den afstand een weinig, maar dat heeft niet veel te beteekenen.”
Het geweldige cijfer scheen wel eenigen indruk op den reus te maken, want hij keek beteuterd voor zich heen, waarop Charly hem op den schouder klopte en hernam:
„Wij zullen je eenig denkbeeld geven van dien afstand, Henderson. Van Londen naar Para is juist vijf duizend kilometer, dat is hetzelfde alsof wij van Londen naar Moskou en terug zouden vliegen. Van Para tot aan de Markiezeneilanden is tachtig graden van den equator. Een equatoriale graad is honderd elf kilometer en nog een kleinigheid. De geheele afstand van Para tot aan ons einddoel is dus omstreeks acht duizend negen honderd vier kilometer. Tel daarbij de vijf duizend kilometer van Londen naar Para en je komt op het totaal van dertien duizend negen honderd vier kilometer.”
Henderson staarde Charly verbluft aan en riep:
„Dat is een heel reisje, mijnheer Brand.”
„Ja, Henderson, en dat zal ik je duidelijk maken. Weet je hoeveel de omtrek van onze aarde is?”
„Mijnheer Brand, ik— — —” stotterde de chauffeur. „Ik heb het nog nooit zoo precies becijferd. Zegt u het mij maar.”
„De omtrek van onze aarde, langs de evennachtslijn gemeten, bedraagt vier en vijftig honderd geografische mijlen, dat is veertig duizend acht en zestig kilometer. Als wij dus van hier naar de Markiezeneilanden gaan, dan leggen we iets meer dan een derde deel van den omtrek der aarde af.”
Henderson keek Raffles zwijgend en vragend aan alsof hij van hem een bevestiging verwachtte van deze verbazingwekkende mededeeling.
Raffles knikte glimlachend en zeide:
„Mijnheer Brand rekent je het daar zeer nauwkeurig voor, Henderson, zoo is het inderdaad.”
„Als u het zegt, dan moet ik het gelooven,” barstte Henderson uit. „En hoelang doen wij over dat reisje?”
„Als alles goed gaat, Henderson, kunnen wij den tocht in zeven en twintig uren volbrengen.”
Secondenlang bleef het stil in het vertrek na deze woorden, die wel een grap leken te zijn en toch sprak Raffles niets anders dan de waarheid.
Eenige jaren geleden had zijn geniale brein een vliegmachine uitgedacht, niet door benzine in beweging gebracht, maar door electriciteit en met dit vliegtuig had de Groote Onbekende reeds herhaalde reizen gemaakt met een snelheid die de vijfhonderd kilometer per uur onder gunstige omstandigheden soms overschreed.
Uiterlijk week dit toestel niet veel af van de moderne eendekkers, behalve dan, dat het bijna uitsluitend uit aluminium was vervaardigd, maar het geheim van de beweegkracht had Raffles tot dusverre uitmuntend weten te bewaren, daar de electrische machine geheel omsloten was door een metalen kap, welks geheime sluiting alleen door de drie mannen geopend kon worden, die hier thans in dit vertrek bijeen waren.
Het was ten tijde, waarop dit avontuur voor Raffles zich afspeelde, niet lang geleden bekend geworden, dat de stoutmoedige Fransche aviatuur Sadi Lecointe met zijn door benzine gedreven vliegmachine een snelheid had weten te bereiken van ruim drie honderd acht kilometer in het uur, maar dit slechts gedurende zeer korten tijd en hoe bleef deze waarlijk buitensporige snelheid ten achter bij die van den duivel der lucht, het wonderwerk van John Raffles.
Henderson was die eerste die weder sprak en er lag eerbied en iets als vrees in zijn stem, toen hij aarzelend sprak:
„Dit wil dus zeggen, Mylord, als ik mij tenminste niet vergis, dat wij met onze vliegmachine in nog iets minder dan drie en een half etmaal den geheelen aardbodem zouden kunnen omvliegen.”
„En wel langs haar grootsten omvang, Henderson,” antwoordde Raffles bedaard.
„Zoo is het mijn vriend, maar laat je dit niet al te zeer verbazen. Over een tiental jaren en misschien nog wel eerder zullen deze snelheden gemeengoed zijn geworden en ik ben vast overtuigd, dat dit moet bijdragen tot de verbroedering van de menschheid, waarnaar wij zooveel tientallen eeuwen lang vruchteloos met andere middelen hebben gestreefd.”
„Maar Mylord, dan—dan is onze geheele aarde niet veel meer dan een kersepit,” riep Henderson opgewonden.
„Minder Henderson. Een beetje minder,” antwoordde Raffles ernstig. „Een zandkorrel, een onnoozel stofje in de oneindigheid.”
Weer bleef het even stil en toen hernam de Gentleman-Inbreker:
„Wij vertrekken dus vanmiddag, Henderson, en ik verwacht, dat alles in orde is.”
„Wat mij betreft, Mylord, zouden we binnen een uur kunnen opstijgen,” hernam Henderson. „De vliegmachine staat in volmaakte orde in uw particuliere loods van het vliegveld van Hendon. Nog gisteren heb ik alles zorgvuldig nagezien. De machine is uitmuntend in orde. De accumulatoren zijn geladen en als het moest zouden wij er veertien dagen mee in de lucht kunnen blijven.”
„Goed zoo, Henderson. Dan behoeft er dus alleen nog maar gezorgd te worden voor proviand, dekens, onze tent, wapens, verrekijkers, ammunitie en andere benoodigdheden, waarvan mijnheer Brand een volledig lijstje heeft. Ik reken er op, dat wij om drie uur kunnen vertrekken.”
„Alles zal in orde zijn, Mylord,” hernam Henderson eenvoudig.
En hij draaide zich op zijn hielen om en vertrok, niet meer aangedaan of opgewonden dan wanneer Raffles hem zou hebben verzocht hem over een uur met de auto naar Piccadilly-circus te rijden.
Wat Charly Brand betreft, hij haalde dadelijk het lijstje te voorschijn, keurig met de schrijfmachine opgesteld, waarop tot in de minste bijzonderheden alles vermeld stond, wat de reizigers konden noodig hebben bij een reis naar de tropen en die een zoo goed als geheel onbewoond eiland tot einddoel had.
Het lijstje bevatte een honderdtal nummers, van vetlederen laarzen tot kaarsen, van ontplofbare geweerkogels voor de jacht op grof wild, tot schoenveters.
Binnen een uur was deze voorraad bijeen gebracht en met de uiterste zorg verpakt in twee langwerpige koffers van aluminium met afgeronde hoeken en die zoo vervaardigd waren, dat zij nauwkeurig pasten in wat men zou kunnen noemen het ruim van het kleine vliegtuig dat hen moest overbrengen.
Het gewicht van al deze benoodigdheden was op een paar ons na bekend, en Raffles wist dan ook steeds zeer nauwkeurig welk gewicht hij nog aan andere zaken, passagiers of goederen kon meenemen.