Lord Lister No. 0388: Een nieuwe Strijd
Part 1
LORD LISTER GENAAMD RAFFLES DE GROOTE ONBEKENDE.
NO. 388 EEN NIEUWE STRIJD.
EEN NIEUWE STRIJD.
HOOFDSTUK I.
IRWIN STANLEY.
Ver over middernacht snelde een groote auto, bestuurd door de vaste hand van een reusachtig gebouwd chauffeur, over den breeden weg, die van een der Noordelijke voorsteden van Londen naar de wereldstad voert.
Het was een gesloten auto, en binnen zaten twee heeren.
Een hunner was bezig, zijn bovenkleeren dicht te knoopen, en zijn gelaat was pijnlijk vertrokken en bleek, als van iemand die groote lichamelijke smart ondergaat.
Hij had een energiek geteekend, ernstig gelaat met doordringende, staalgrijze oogen, die een zonderling krachtigen invloed op de menschen schenen te kunnen uitoefenen, op wie zij gericht werden.
Deze man was John Raffles, de Gentleman-Inbreker, en wij zullen spoedig genoeg zien, wat hem en zijn trouwen vriend Charly Brand, die naast hem gezeten was, en die hem bezorgd aankeek, zoo laat in den nacht op dezen eenzamen straatweg bracht.
Charly Brand was vele jaren jonger dan Raffles, en onder normale omstandigheden vertoonde zijn rond blozend gelaat steeds een opgewekte uitdrukking.
Thans echter viel er vrees op te lezen, terwijl hij zich naar Raffles toeboog, en vroeg:
„Doet de wonde nog pijn?”
„Het zou wel vreemd zijn, als het anders was, Charly!” antwoordde Raffles met een flauwen glimlach. „Als er een droppel kokende olie van een hoogte van drie meter op je naakte borst valt—en dit wordt dan nog een paar maal herhaald, terwijl de gezeiende droppel juist op dezelfde plek valt—dan verzeker ik je dat dat voelbaar is!”
„Die ellendige schurk!” riep Charly uit, terwijl hij woedend de vuisten balde. „Die man moet een beest zijn, dat hij zulk een marteling voor je uitzocht!”
Raffles haalde de schouders op en zeide:
„Ik ben er van overtuigd, dat dit lang niet de ergste foltering was, waarover de chef van het Genootschap van den Gouden Sleutel, Irwin Stanley, te beschikken heeft, maar dat hij haar toepaste, omdat zij waarschijnlijk het gemakkelijkste kon worden aangewend—en omdat hij haast had, mijn geheimen te vernemen, toen hij er eenmaal in geslaagd was, mij door list in zijn macht te krijgen!”
De naam dien Raffles zooeven uitgesproken had, was de naam van zijn doodsvijand!
Irwin Stanley was nog niet lang geleden in zijn leven gekomen, en toch begrepen de beide mannen reeds na de eerste schermutselingen dat zij alles van elkaar te duchten hadden, en dat een hunner te veel was op deze aarde.
Stanley was niet lang geleden gekozen tot aanvoerder van het Genootschap van den Gouden Sleutel, dat wil zeggen van een soort misdadigers-federatie, waarbij de meeste dieven- en moordenaarsbenden der groote hoofdstad over de geheele wereld waren en nog steeds zijn aangesloten—want ofschoon Raffles herhaalde malen hen met veel succes bestreed, en hen geweldig schade wist te berokkenen—tot op dezen dag heeft hij ze nog niet geheel kunnen uitroeien.
Het genootschap is als een honderdkoppige draak, die gevaarlijk blijft, zoolang niet alle afschuwlijke koppen zijn afgehouwen, en zij groeien helaas maar al te spoedig weer aan.
Drie leiders van deze misdadigers-federatie had Raffles achtereenvolgens reeds weten te verslaan—hun namen waren Prof. Shydrift, Prof. Nicholson en Dr. Fox.
Allen hadden met hun leven moeten boeten voor de vreeselijke misdaden die zij bedreven hadden.
Maar met hen stierf het genootschap niet—wel was zijn macht voor eenigen tijd geknot—maar in het geheim wroetten de luitenants en de kapiteins van Dr. Fox voort, en niet lang geleden had men den vierden chef, of in de taal van de leden te spreken:—Den meester gekozen.
Door het toeval, dat zoovele van onze daden bestuurt, was Raffles in aanraking gekomen met dezen man, en aanstonds had hij ervaren, dat Stanley in sluwheid, ondernemingsgeest en vooral wreedheid zeker niet achter stond bij zijn voorgangers!
Wat het eerste betreft—reeds dadelijk was Stanley in staat, hiervan een staaltje te vertoonen, want de politie was niet in staat, de arrestatie van Stanley, die in het gewone leven een zeer rijk waarnemer was, te handhaven nadat Raffles den schurk in haar handen had weten te leveren!
Zeker, John Raffles wist wie en wat Stanley was, maar wat hielp het, of hij dit aan de politie mededeelde, zonder haar tevens afdoende bewijzen te leveren!
Stanley bleek niet de eerste de beste te zijn, en hij had zijn maatregelen al zoodanig genomen, dat men hem niet mocht of kon gevangen nemen, eenvoudig wegens gebrek aan bewijs, en de drie leden der bende, die in zijn huis gearresteerd werden, en die reeds langgezochte misdadigers bleken te zijn, dachten er niet aan, zijn geheim te verraden—zij wisten van dat oogenblik dat zij hun leven geen oogenblik zeker waren.
Ja, tot zelfs in de gevangenis toe, waarheen men hen kon brengen, zou men langs een geheimzinnigen weg, dien niemand goed kende, binnen zeer kort op de hoogte van hun verraad zijn—en men zou hen vroeg of laat er voor weten te straffen.
En zoo moest Raffles aanzien, dat de politie een bloeddorstigen schurk, die zeker tien maal de galg verdiend had, weder op vrije voeten gesteld had, nog wel met excuses wegens den overlast, dien men hem had aangedaan, omdat Stanley voor uitstekende alibi’s had weten te zorgen.
Men waagde niet, langer te twijfelen aan de volkomen achtbaarheid van Irwin Stanley, den zaakwaarnemer!
Maar geen van beide mannen had het avontuur vergeten!
En toen Stanley, doodkalmpjes, alsof er volstrekt niets gebeurd was, zijn prachtig huis in de Kapel-Street ging betrekken, aldus den Grooten Onbekende als het ware tartend, aarzelde Raffles geen oogenblik, om zijn netten uit te zetten, in de hoop, daarin ten slotte den bandiet te vangen.
Met Charly Brand en zijn trouwen chauffeur, James Henderson, had hij een zolderkamer weten te huren in een tegenoverliggend huis, en reeds denzelfden nacht was hij er in geslaagd, een microfoon aan te brengen in de werkkamer van Stanley, en den electrischen draad in zijn zolder te doen eindigen, zoodat het hem mogelijk was, alles te vernemen, wat er in de werkkamer werd besproken.
Maar noodlottiger wijze had Stanley de microfoon ontdekt!
Hij wist zich evenwel meesterlijk te beheerschen en maakte een geveinsde afspraak met een zijner luitenants, teneinde daardoor Raffles in de val te lokken.
De toeleg gelukte, en Raffles geraakte inderdaad in een afgelegen landhuis in de macht van zijn doodsvijand, die het er op gezet had, voor hij Raffles zou doen sterven, het geheim te leeren kennen van de schatkamers van den Gentleman-Inbreker, waarvan hij menigmaal gehoord had, maar wier ligging volkomen onbekend waren.
Raffles had echter standvastig geweigerd, iets van zijn geheimen te verraden, en om zijn tong los te maken had Stanley het middel eener Middeleeuwsche foltering gegrepen—met ontbloot bovenlijf werd Raffles onbewegelijk op een houten bank vastgebonden door zijn helpers, en met regelmatige tusschenpoozen liet de schurk een grooten druppel kokende olie neervallen op het ontbloote vleesch.
En het zou zeker slecht met Raffles zijn afgeloopen, wanneer Charly en Henderson niet te hulp waren gekomen!
De draad van de microfoon was stuk gesleten langs den scherpen kant van den schoorsteen op het dak, Charly was daarheen geklauterd om de fout op te sporen, en daarbij was hij gestuit op een viertal bandieten, die, met nog vier anderen, waren afgezonden door Stanley, om ook de beide helpers van zijn doodsvijand van kant te maken.
De vernielde draad redde Charly en Henderson, die waren achtergebleven, terwijl Raffles Stanley vervolgde, zonder eenigen twijfel het leven, en met de hulp van den ongelooflijk sterken reus slaagde Charly er in, de vier sluip-moordenaars onschadelijk te maken, terwijl Henderson uit een der aanranders het verblijf van Raffles wist te persen.
Met de allersnelste auto begaven zij zich naar het aangegeven huis, en daar kwamen zij juist bijtijds om Raffles te redden.
De zes leden van den bloedraad die Raffles gevonnist hadden, werden allen ernstig verwond, en stevig gebonden, waarop dadelijk de politie werd gewaarschuwd, maar op het laatste oogenblik had Stanley zich weten te redden op een even geheimzinnige, als wonderbaarlijke manier.
Wel hadden de drie mannen het huis, dat niet zeer groot was, in alle richtingen doorzocht, maar zonder eenig spoor van den meester te vinden.
Er kon niet meer aan getwijfeld worden—hij had de vlucht weten te nemen.
Ofschoon zijn wonde hem zeer veel pijn deed, had Raffles er op gestaan, vanuit een schuilhoek zich te overtuigen dat de politie inderdaad kwam opdagen.
Pas toen hij de politie-auto weder zag wegrijden, stapte hij zelf in den grooten wagen, dien Henderson en Charly naar deze plek had gebracht, en daarop werd de terugtocht naar Londen aanvaard.
Raffles had geruimen tijd met gesloten oogen achter in de auto geleund en pas geantwoord, toen Charly hem vroeg, of hij nog veel pijn had.
Nu hernam de jonge man:
„Ik had graag die zes kerels cadeau gegeven voor Stanley zelf!”
„Ik wel zestig, Charly!” hernam Raffles scherp. „Het wordt mij duidelijk dat een onzer te veel is! Ik zal mijn leven geen oogenblik meer zeker kunnen zijn, zoodra Stanley ontdekt, dat ik mij tegenwoordig verberg achter den persoon van Lord William Aberdeen, den welbekenden Londenschen philantroop. Als hij het wist, zou hij dadelijk een van zijn sluipmoordenaars op mij afzenden of hij zou trachten, mij op te lichten—om dan het spelletje van hedennacht nog eens te herhalen! En het zou mogelijk zijn, dat er dan geen trouwe vrienden aanwezig zullen zijn, die mij op het laatste oogenblik aan de klauwen van den dood ontrukken!”
Terwijl Raffles dit zeide had hij de handen van Charly gegrepen en krachtig gedrukt.
„Daar praten wij niet meer over, Edward!” zeide Charly haastig. „Het is van meer belang, op middelen te zinnen om dien kerel terug te vinden, en hem weer voor goed onschadelijk te maken!”
„Een zware taak, Charly—een zware taak!” hernam Raffles op somberen toon. „Je ziet dat ik op de medewerking van de politie niet hoef te hopen, zoolang ik haar geen andere bewijzen lever dan mijn eigen getuigenis—de woorden van John Raffles alleen leggen bij haar blijkbaar geen gewicht in de schaal.”
Hij had dit laatste op bitteren toon gezegd, en keek nu naar het voorbijschieten van de lichten der stad, welke men zooeven was binnengereden.
Na eenigen tijd vervolgde hij:
„Wij zouden natuurlijk een nieuwe observatiepost op den zolder van het huis tegenover dat van Stanley kunnen betrekken—maar dat heeft nu geen nut meer, nu de schurk onzen toeleg ontdekt heeft! Maar zeg mij eens—je hebt mij nog niet eens verteld hoe je mijn verblijf hebt ontdekt.”
„Dat is tamelijk eenvoudig in zijn werk gegaan, Edward, maar ik wil erkennen dat de Voorzienigheid mij daarbij de behulpzame hand heeft geboden!”
En nu deelde hij Raffles mede, hetgeen aan de lezers reeds bekend is.
De Gentleman-Inbreker had zwijgend toegeluisterd en zeide, toen Charly zijn verhaal geëindigd had:
„Dat zijn er dus weer acht—ik ben benieuwd, of de politie hen ook als onschuldige bezoekers zal beschouwen!”
„Dan was zij wel gek!” riep Charly verontwaardigd uit. „Gewapende kerels die, voor de helft over het dak, voor de helft binnenshuis sluipen, kunnen moeilijk als onschadelijke bezoekers worden gekenmerkt!”
„Dan moeten wij maar hopen dat een hunner althans te vinden is om zich buiten de gevangenis te houden, door dien bandiet van Stanley te verraden!” riep Raffles uit.
„Daar zou ik maar niet al te vast op rekenen—het zijn allen schurken maar men mag hen de eer niet onthouden, dat er een voortreffelijke discipline onder hen heerscht! Zij schijnen doodelijk bevreesd te zijn voor den bloedraad en al hebben wij dien nu voorloopig buiten werking gesteld—alle leden van die rechtbank hebben natuurlijk hun plaatsvervangers, en het helpt weinig denk ik, lood tegen oud ijzer te ruilen!”
„Hoe het zij, Charly, in een enkelen nacht hebben wij veertien leden van de bende onschadelijk gemaakt, en dat is ook wat waard!”
HET GEVAAR TEGEMOET.
Wat dit laatste aangaat zou Raffles zich deerlijk blijken te vergissen.
Want in den middag van den volgenden dag brachten alle bladen het bericht dat de politie de zes personen, die, deels gewond en gekneveld en gebonden in het eenzame landhuis waren aangetroffen, weder in vrijheid had gesteld.
Toen Charly des middags in de fraaie bibliotheek van het heerenhuis in de Regent-Street het bericht aan Raffles had voorgelezen, slaakte hij een kreet van woede, en riep:
„Ik heb mij dus vergist—de politie schijnt dus wel degelijk stapelgek te zijn!”
Maar Raffles haalde de schouders op, en zeide, een versche sigaret opstekend:
„Het is niet zoo verwonderlijk, Charly! Met welk recht had de politie hen eigenlijk in arrest mogen houden? Welke overtreding hebben zij begaan?”
„Welke overtreding?” schreeuwde Charly. „Maar voor den duivel—is het dan geen overtreding, dat ze jou hebben willen doodmartelen om je je geheimen te ontpersen?”
„Het is zelfs een vrij ernstige overtreding zou ik zeggen,” hernam Raffles met een flauwen glimlach, „maar wie bewijst het? Het is immers niet voldoende als het slachtoffer het zelf verklaart! Waar bleef dan de persoonlijke zekerheid? Iedereen kan zoo iets wel zeggen! Heb ik mij zelf persoonlijk bij de politie aangemeld? Is het denkbaar, dat ik mij nu naar Scotland Yard begeef en tegen den hoofdinspecteur Baxter zeg: „Ik ben John Raffles, ik ben de man die in den afgeloopen nacht in het eenzame landhuis van Stanley in zijn macht ben geweest, en door hem op de folterbank ben gespannen.” Hij zou natuurlijk beginnen met mij voor een ontsnapten krankzinnige aan te zien, maar als ik bleef volhouden dat ik inderdaad Raffles was, dan zou hij mij natuurlijk gevangen houden—en als ik eenmaal gevangen ben, zou het niet zoolang duren, of men zou ontdekt hebben, dat ik inderdaad de Groote Onbekende ben! Maar zelfs dan nog zou Baxter reden hebben om te kunnen twijfelen aan wat ik hem mededeelde!”
Charly stampte met den voet, en beet zich op de lippen—maar hij moest wel erkennen, dat er veel waars school in hetgeen Raffles zooeven gezegd had.
„Wat hebben zij eigenlijk aangevoerd?” vroeg de Gentleman-Inbreker, den sigarettenrook uit zijn neus blazend, en gemakkelijk achterover leunend in zijn clubfauteuil.
„Wel, zij hebben stijf en sterk volgehouden, dat zij het slachtoffer zijn van een laaghartige aanranding of een laffe grap! Het landhuis blijkt toe te behooren aan een van die kerels, die zeide, dat vijf anderen bij hem op bezoek waren, en dat zij rustig praatten met elkander, toen plotseling een tiental kerels, gemaskerd en met de revolver in de vuist, het vertrek binnendrongen, en hen in een ommezien bonden en knevelden!”
„En wat zou die overval voor doel hebben gehad?”
„Het heette dat een hunner er in geslaagd was, zijn arm wat los te maken en zijn revolver te grijpen, en met een paar schoten de bende op de vlucht had gejaagd. Uit wraak zou de aanvoerder der bandieten daarop zich voor John Raffles hebben uitgegeven en de politie hebben opgebeld.”
Raffles schudde glimlachend het hoofd, en zeide toen op spottenden toon:
„Het klinkt alles zeer romantisch, en als ik commissaris van politie was geweest, dan had ik niet zoo voetstoots genoegen genomen met deze verklaring! Ik denk echter, dat alle zes onze gevangenen te goeder naam en faam bekend stonden?”
„Dat is het! Zij behooren tot de hoogere kringen! Er is een geneesheer bij, een student in de rechtsgeleerdheid! Notabene!—een ingenieur, en dan nog een paar rijke leegloopers, zeer bekend op de renbaan, en achter de schermen van de variétés!”
„Nu, dat is voor de politie natuurlijk voldoende geweest, om hun woord te gelooven en mijn telefonische boodschap voor kennisgeving aan te nemen! Intusschen is dat in zooverre een streep door onze rekening dat wij nu de zes vijanden, die wij reeds onschadelijk gemaakt hadden, te gelegenertijd opnieuw op ons dak krijgen! En hoe staat het met de acht kerels, die de dappere Stanley op jou en Henderson had afgezonden, om jelui het levenslicht uit te blazen?”
Charly sloeg het blad weder open, las gedurende eenigen tijd, en antwoordde toen:
„Scotland Yard is tenminste zoo verstandig geweest, om die bandieten in verzekerde bewaring te stellen! Het blijkt dat juist de helft nog een appeltje te schillen heeft met vrouwe Justitia! En daarvan heeft één nog twaalf jaren te goed, de tweede vier, en de twee andere ieder ander half jaar!”
„En daar de politie wel begrepen zal hebben, dat die kerels over een kam geschoren moesten worden, heeft zij ze allen gevangen gezet!” riep Raffles uit. „Nu, dat is althans weer zooveel op den vijand gewonnen! Zeiden zij niets tot hun verdediging?”
„O, zij kwamen maar een weinig inbreken! zeiden zij!” kwam Charly. „Maar intusschen waren zij toch maar voorzien van revolvers, dolken, maskers, chloroform, en de vier boeven binnenshuis van een hermetisch gesloten bus, gevuld met bedwelmend gas, dat zij in onze kamer hadden willen spuiten!”
„En zeide een hunner iets omtrent Stanley?”
„Niemand!”
„Dat had ik wel gedacht. Ik zeide wel—zij koesteren een doodelijke vrees voor den bloedraad! Intusschen zijn wij weer even ver als te voren, en er zal niets aan te doen zijn, Charly, ik zal zelf handelend moeten optreden!”
„Maar hoe kun je dat doen, Edward? Je weet niet waar hij is, die Stanley, want het valt natuurlijk niet aan te nemen, dat hij nogmaals den moed zal hebben, zijn eigen huis in de Kappel-Street te betrekken!”
„Daar vergis je je—hij is er!” hernam Raffles kalm.
„Wat?” riep Charly op ongeloovigen toon. „Ben je daar zeker van?”
„Volkomen zeker! Ik kwam vanmorgen toevallig met mijn paard door de Kappel-Street en ik zag den bandiet juist kalm uit zijn auto stappen, en zijn huis binnentreden zonder eenige overhaasting, en blijkbaar volstrekt niet van zins het direct te verlaten.”
„Dat is—dat is wel het toppunt van onbeschaamdheid!” riep Charly woedend uit.
„Waarom eigenlijk? Nu de politie hem eenmaal met veel verontschuldigingen wegens de „fatale vergissing” heeft laten gaan, en nu de bladen het bericht hebben gebracht, dat zijn medeplichtigen hebben gezwegen, bestaat er voor hem volstrekt geen reden, zijn gewone leven niet te hervatten!”
Charly keek een oogenblik strak voor zich uit, trad toen op Raffles toe, legde hem de hand op zijn schouder, en zeide:
„Luister eens, Edward, ik heb een heel goed plan! Wij dringen met zijn drieën des nachts de woning van dien schurk binnen. Er zal in zijn huis wel ergens een flinke haak en een stevig stuk touw wezen—en met het laatste hangen wij hem aan de eerste op!”
„Een prachtig plan, Charly, en dat ook reeds bij mij had post gevat!” hernam Raffles.
„Uitstekend! Laten wij het dan dadelijk ten uitvoer brengen!” riep Charly opgewonden uit.
„Laat mij uitspreken, mijn waarde!” hernam Raffles, terwijl hij de hand ophief. „Ik zal namelijk zoo vrij zijn, je plan in zooverre te amendeeren, dat ik alleen zal gaan, en dat ik ook niet van een touw gebruik zal maken, maar dat ik den man die mij naar het leven staat, een eerlijke kans geven wil, het zijne te verdedigen.”
„Een tweegevecht dus?” riep Charly op verwijtenden toon.
„Je hebt het geraden!”
„Maar Edward! Dat is krankzinnigheid!” riep Charly wanhopend. „Laat je je in met een hyena, met een tijger in een tweegevecht? Neen immers—zulke verscheurende dieren schiet je neer zonder te waarschuwen!”
„Kom, kom, Charly—je meent immers zelf niet wat je zegt!” hernam Raffles, terwijl hij glimlachte. „Je bent nu driftig, en daarom zeg je dingen die je niet kunt verantwoorden! Sluipmoord is onder alle omstandigheden een gruweldaad, laf, en dien geen enkel gentleman ooit zal begaan. Ik wil tegenover dien man staan met gelijke wapens!”
„Dat zult je nooit, Edward! Hij is een sluwe baas, bedenk dat!” riep Charly uit. „Hij is een verraderlijk man, en hij zal het wel zoo weten aan te leggen, dat je niet levend zijn huis verlaat!”
Maar Raffles haalde de schouders op, en zeide op denzelfden rustigen toon:
„Ik zal mijn maatregelen nemen! Ik wil niet—versta je me?—ik wil niet dat men later kan zeggen, dat Raffles verraderlijk den man heeft neergeschoten die zijn doodsvijand was! Men mag mij een dief noemen—nooit zal men mij sluipmoordenaar mogen heeten! Ik wil er niet meer over hooren, Charly! Ik zal nog een paar dagen wachten, tot mijn wonde genezen is, die mij nu nog een weinig belemmert in mijn bewegingen—en dan zullen wij zien of er nog een rechtvaardigheid bestaat! Ik zal hem laten kiezen tusschen de revolver en den degen!”
„En als hij weigert met je te duelleeren?”
„Als er nog een sprankje eergevoel in hem is, dan zal hij niet weigeren!”
„Maar denk je zoo gemakkelijk zijn huis binnen te komen? De bedienden zullen je niet eens toelaten!”
„De bedienden? Wat heb ik met hen te maken? Denk je dan soms dat ik voornemens ben, overdag het huis in te gaan?”
„Wat was dan je doel?”
„Wel, natuurlijk wil ik hem des nachts overrompelen! Ik wil wel met den man duelleeren, maar ik wil niet mij om zijnentwille bloot stellen aan het gevaar dat zijn bedienden te hulp zullen komen en mij aan de politie over zullen leveren!”
Charly schudde afkeurend het hoofd en hernam:
„Des nachts zul je er in ’t geheel niet kunnen binnen dringen, Edward!”
„Ei? en hoe is het ons dan een paar nachten geleden gelukt, de microfoon tot in het plafond van zijn werkkamer aan te brengen?”
„Dat was heel iets anders! Het vertrek boven zijn werkkamer werd nooit of zeer zelden gebruikt! Je zult nu zijn slaapkamer moeten binnendringen—en die zal wel beter verdedigd zijn dan een vesting!”
„Al was het de Tower—ik zal er binnenkomen!” hernam Raffles op grimmigen toon. „Van dit oogenblik laat ik den man niet meer uit het oog, want ik ben overtuigd, dat hij onmogelijk zooveel voorzorgsmaatregelen kan nemen, want hij moet tegenover zijn bedienden toch altijd de brave, eerwaardige zaakwaarnemer blijven en waarom zou die zijn slaapkamer van geheime voetangels en klemmen voorzien? Zeker, er kan een alarmsein zijn, hij kan zijn deuren grendelen—maar sinds wanneer zijn dergelijke hinderpalen voor John Raffles een beletsel geweest?”
„Ik zie al,” zeide Charly zuchtend, „je plan staat vast—ik behoef natuurlijk geen moeite te doen, je er van af te brengen!”
„Zij zou slechts verloren zijn, Charly!” antwoordde Raffles glimlachend. „Stanley heeft mijn dood gezworen—en als ieder ander mensch heb ik het recht om mijn leven te strijden, maar ik wil het doen als een eerlijk man, en niet als een schelm! En daarbij blijft het!”
In den loop van den dag ging Raffles verscheidene malen uit, nu eens in deze, dan weder in gene vermomming, maar hij liet weinig los over het doel zijner tochten, ofschoon Charly wel begreep, dat die in verband moesten staan met zijn voorgenomen plan.
Laat in den avond sloot Raffles zich een uur in zijn werkkamer op, en schreef daar een aantal brieven, die hij op een klein stapeltje op den rand van zijn schrijftafel legde, en toen bedekte met een blad papier, waarop hij met krachtige loopende hand geschreven had:
„Alleen verzenden in geval ik heden om twaalf uur in den middag niet zal zijn teruggekeerd.”
Het was omstreeks half twaalf toen hij dit werk beëindigd had.
Hij stond op, rekte zich uit, en trad toe op een fraai gebeeldhouwde kast van zwaar ebbenhout, die zijn jachtgeweren en eenige wapens bevatte.
Hij nam er twee duelleerdegens uit, mat ze zorgvuldig, bevond dat ze beide juist even lang waren, en wikkelde de klingen in een zijden lap.
Vervolgens nam hij een pistolenkistje van een plank, opende het, keek beide pistolen zorgvuldig na, en laadde de twee loopen van de beide wapens, waarop hij ze weder in de doos legde, en deze sloot.
Hij nam de degens en het kistje onder den arm, verliet de werkkamer, na op den drempel nog even te hebben rondgekeken, en wendde toen zijn schreden naar de rookkamer, waar hij Charly op dit uur wist te vinden.