Lord Lister No. 0385: De Hotelratten

Part 1

Chapter 13,939 wordsPublic domain

LORD LISTER GENAAMD RAFFLES DE GROOTE ONBEKENDE.

NO. 385 DE HOTELRATTEN.

DE HOTELRATTEN.

HOOFDSTUK I.

RAADSELACHTIGE DIEFSTALLEN.

Sedert eenigen tijd werd Scotland Yard, het befaamde hoofdbureau van politie te Londen, bezig gehouden door een eigenaardige reeks diefstallen, die allen in hetzelfde hotel hadden plaats gehad en die zich in de laatste weken op een wijze begonnen te vermeerderen, die groote ontsteltenis had gewekt bij den eigenaar van het hotel in kwestie, die zich des te meer ongerust maakte, daar zijn inrichting nog sedert korten tijd was geopend en hij wel moest vreezen een groot aantal klanten te zullen verliezen.

In den aanvang had Carington, zoo was de naam van den eigenaar van het hotel, de diefstallen zorgvuldig verzwegen, en hij had zichzelf het offer opgelegd, zijn bestolen logeergasten althans gedeeltelijk schadeloos te stellen voor het geleden verlies.

Maar de derde maal gelukte dit niet, want toen was de bestolene een zeer slecht gehumeurd Amerikaan, die zich een paar kostbare juweelen had zien ontfutselen en die doof bleef voor den smeekenden Carington, maar regelrecht naar Scotland Yard snelde en daar mededeelde, wat hem was overkomen en zulks in een toestand, die niet veel verschilde van razernij.

Van dat oogenblik af had het volstrekt geen doel meer, eenige geheimhouding te bewaren, want de Amerikaan haastte zich, elders een onderdak te zoeken en hij liet niet na, aan iedereen die het hooren wilde, zijn beklag te doen.

Dit was nu zeer onaangenaam voor den heer Carington en hij had zich dan ook voorgenomen, nu iedere geheimhouding te laten varen en de politie in den arm te nemen.

Omstreeks drie maanden geleden was zijn hotel, het Kensington-Hotel, geopend.

De naam duidt reeds aan dat het gelegen was in de wijk van Kensington in het noorden van de reusachtige wereldstad.

Aan de Highgate-road, waaraan het nieuwe hotel gelegen was, had een combinatie van rijke ondernemers een paar jaren geleden een complex oude huizen gekocht, dank zij eenige intriges, die nog geruimen tijd stof opleverden voor perscommentaren, en die van vele kanten kritiek uitlokten, met het oog op den nog steeds heerschenden woningnood.

De combinatie van geldmannen had echter den hotelnood als tegenmotief aangevoerd en had de vier of vijf huizen met bekwamen spoed laten sloopen, die vervolgens plaats maakten voor een modern hotel, van alle gemakken voorzien en dat vooral zeer gewaardeerd zou worden door de reizigers die uit het noorden des lands kwamen en afstapten aan het Kensington-Hotel.

Het duurde dan ook niet lang, of het hotel, met zijn drie honderd kamers en bijna even zooveel badkamers, dat waarlijk weelderig was ingericht, mocht zich in een druk bezoek verheugen.

En toen kwam nauwelijks een maand na de opening dat betreurenswaardige voorval, de eerste diefstal.

De heer Carington was volslagen leek op het gebied van hoteldiefstallen en om de waarheid te zeggen begreep hij er volstrekt niets van.

De beroofde had een kamer gehad op de bovenste verdieping van het hotel, die toch altijd nog een half pond sterling per dag deed. Hij had zijn portefeuille met geldswaarde, naar hij stijf en sterk volhield, op de tafel in het midden van het vertrek laten liggen, hij had de gangdeur op slot gedaan en gegrendeld. Zijn kamer had geen andere deuren, behalve die op het balkon uitkwamen, en niettemin was den volgenden morgen de portefeuille verdwenen, alsof ze nooit bestaan had.

En toch viel er in het geheele vertrek geen spoor van braak waar te nemen.

Men zou hebben kunnen denken, dat de dief wellicht langs den kant van het balkon was binnen gedrongen, maar dat was totaal onmogelijk, want het bevond zich op een hoogte van minstens dertig meter van den beganen grond, en bovendien viel er aan de beide deuren geen spoor van braak te ontdekken, geen krasje, geen deukje. De ruiten zaten behoorlijk in de sponningen, de stopverf was hard als een bikkel. In het hout was nergens een klein gaatje te ontdekken, waardoor de dief wellicht een ijzerdraad met een haakje aan het eind had kunnen steken, hetgeen hem echter in dit geval ook weinig zou hebben geholpen, daar de espagnolet van het dubbele raam een hefboom en geen kruk had, die men trouwens met een dun ijzerdraad toch onmogelijk had kunnen omdraaien.

Kortom het was eenvoudig een raadsel, hoe de dief kon zijn binnen gedrongen, en vooral, hoe hij de kamer weder had verlaten om zich met zijn buit in veiligheid te brengen. Met den tweeden diefstal was het evenzoo gesteld, maar met dit onderscheid, dat de beroofde een kamer had op de vierde verdieping, dat wil zeggen op een na de hoogste verdieping.

Ook hier tastte de beklagenswaardige Carington volkomen in het duister aangaande de wijze, waarop de brutale dief was binnen gedrongen en niemand kon het hem euvel duiden, dat hij ook den tweeden keer aan een bedrog van den kant van den beroofde begon te gelooven.

Maar de Amerikaan kon hem niet langer in twijfel laten.

Ook deze had een kamer op de bovenste verdieping gehad en behalve zijn juweelen had men hem een bedrag van ongeveer twee duizend dollar in bankpapier ontstolen, welke hij in zijn portefeuille op zijn nachtkastje had gelegd.

Maar ook deze derde maal was het volkomen onverklaarbaar hoe de dief kans had gezien het vertrek binnen te dringen, waarvan de twee deuren stevig van binnen gesloten waren, het geld en de juweelen weg te nemen, zonder dat het slachtoffer er iets van bemerkte en tenslotte weder te verdwijnen op dezelfde wijze als hij gekomen was, dat wil zeggen op een wijze, die niemand begreep.

Scotland Yard zond onmiddellijk zijn beste detectives, die in het geheim een uitgebreid onderzoek begonnen in te stellen.

Het spreekt vanzelf dat het niet lang duurde, of de verdenking begon zich te richten tegen het hotelpersoneel.

Weliswaar was Carington zeer kiesch in het uitzoeken van zijn kellners, zijn portiers, zijn kamermeisjes, koks, liftboys, kruiers en ander personeel, maar het zou voldoende zijn, als er onder die vele een enkele bedrieger was geweest om althans eenigermate te kunnen verklaren hoe de diefstal had plaats gevonden.

Maar zelfs dan bleef nog altijd het een raadsel van de knippen op de deur.

Hieraan wijdden de detectives het eerst hun aandacht.

Het waren mannen met koele koppen, die niet aan bovennatuurlijke dingen geloofden, en die er vast van overtuigd waren, dat de dader een middel had bezeten om de kamers binnen te dringen, want men kon het wel als vaststaande aannemen, dat alle drie de diefstallen moesten worden toegeschreven aan een en dezelfde persoon.

De heeren detectives begonnen dus met een zeer nauwkeurig onderzoek van de sluitingen der kamerdeuren die op de breede gang uitkwamen en wel speciaal met de knippen.

Het waren stevige stalen schuifknippen, die wegens hun nieuwheid tamelijk stroef werkten en waarvan er zich twee aan iedere deur bevonden.

Met hun vergrootglazen gewapend, onderzochten de politiebeambten zeer zorgvuldig het hout van de deur in de buurt van de knippen, maar zij konden volstrekt niets ontdekken, wat op een doorboring van de deurpost wees.

Met een goed buigzaam staaldraadje door een klein gaatje gestoken, ware het wellicht mogelijk geweest den knop van den grendel te bereiken, en deze op die wijze terug te trekken, maar er was niets te vinden, dat daarop wees, niet het kleinste krasje op de koperen grendelknoppen, geen spoor van doorboring van het hout.

Bovendien twee van de drie beroofden verklaarden zeer pertinent, dat zij om hun kamer te verlaten, nadat zij den diefstal ontdekt hadden, den sleutel in het slot hadden moeten omdraaien, en deze waren zoo vervaardigd, dat men van buiten af onmogelijk het slot had kunnen omdraaien, wanneer daarop aan de binnenzijde de sleutel stak.

Het duurde niet lang of de heeren van Scotland Yard moesten tot de erkentenis komen, dat ze hier voor een raadselachtig geval stonden.

Ook zij helden al spoedig tot de meening, dat de dader onder het hotelpersoneel moest worden gezocht, maar zelfs al was dit zoo, dan zou daardoor toch nog altijd niet het geheim van het binnendringen der kamer zijn opgelost.

Toch begon men aanstonds alle leden van het personeel, onverschillig of zij in het hotel overnachtten of niet, in het geheim te bestudeeren, zonder het minste resultaat evenwel.

En dat niet alleen, vier dagen na de berooving van den Amerikaan had er in hetzelfde Kensington-Hotel opnieuw een diefstal plaats, die onder juist dezelfde omstandigheden als de drie anderen gepleegd werd.

De politiebeambten waren woedend, dat men als het ware onder hun neus door ging met de geheimzinnige berooving en hun ijver verdubbelde nog.

Maar hoe goed zij ook opletten, zij slaagden er niet in, den dief op heeterdaad te betrappen.

Een paar der detectives namen hun intrek in het hotel, als reizigers vermomd, maar dat hielp ook al niet, de dief scheen er lucht van te hebben gekregen en de detectives goed te kennen, want er gebeurde hen volstrekt niets.

Wel echter had er in den derden nacht van hun aanwezigheid in het hotel de vijfde diefstal plaats.

Carington was de wanhoop nabij en loofde een zeer hooge premie uit voor de aanhouding van den brutalen hoteldief, die binnen een paar weken tijd voor een waarde van ongeveer negen duizend pond sterling had gestolen.

Maar het zag er volstrekt niet naar uit, alsof hij deze premie binnen afzienbaren tijd zou moeten betalen.

Toen nam hij tot een ander middel zijn toevlucht.

Een oberkellner, wiens betrouwbaarheid boven iederen twijfel verheven was, kreeg de opdracht, de uiterste waakzaamheid te betrachten en de oogen goed open te zetten, in de hoop dat hij er wellicht in zou slagen, den geheimzinnigen hoteldief te vinden en op heeterdaad betrappen.

Bovendien stelde men een aantal detectives en rechercheurs verdekt op verschillende punten van het groote hotel op, en met name op de vierde en vijfde verdieping, waar tot dusverre alle beroovingen hadden plaats gevonden.

Het hielp echter niets.

Op een nacht werd er opnieuw een diefstal gepleegd in het logeervertrek, in welks onmiddellijke nabijheid zich toevallig den geheelen nacht een detective had opgehouden.

Dat was bijna meer dan Carington kon verdragen.

Hij dacht er over om de vloeren en zolderingen te laten onderzoeken, om het behang van de wanden te laten rukken, teneinde zich te overtuigen, dat er zich geen geheime deuren in de muren bevonden, ofschoon hij in zijn binnenste zeer wel wist dat dit volkomen ondenkbaar was.

Toch werden hier en daar de kleeden opgenomen en de vloeren werden zorgvuldig onderzocht, maar overal waren de planken behoorlijk vastgespijkerd, nergens viel een luik te bespeuren. De kalk van de plafonds was smetteloos en vlak als een biljardlaken, nergens vertoonde het behang een reet.

En steeds bleven de diefstallen voortgang hebben.

Men begon nu de logeergasten te verdenken, hetgeen ook niet kon uitblijven.

Van iedereen verlangde men zijn papieren en iedereen moest zich behoorlijk legitimeeren, waarbij de hoteldirecteur zich in duizend verontschuldigingen uitputte.

Scotland Yard kwam met haar misdadigersalbum aanzetten, afdeeling „hotelratten”, dat prijkte met honderden afbeeldingen van bekende internationale hoteldieven. Er begon als het ware een vergelijkende studie, maar veel logeergasten moesten volstrekt niets hebben van deze onderzoekingen en vertrokken zoo spoedig zij konden naar aangenamer oorden.

In stilte hoopte Carington, dat onder degenen die vertrokken, misschien de dief was, maar ook daarin kwam hij spoedig tot een andere overtuiging, toen de berooving met angstwekkende regelmaat meestal eens in de week voortgang bleek te hebben.

Natuurlijk had zich de pers reeds lang op dit smakelijke hapje geworpen en de Head Line-schrijvers, dat zijn de journalisten, wier eenige taak het is pakkende opschriften boven de artikelen te plaatsen, trachtten elkander een vlieg af te vangen in het bedenken van sensationeele „kopjes”.

Toen brak er een tijd aan, waarop de reeks diefstallen even plotseling werd afgebroken, als zij een aanvang had genomen en reeds meende Carington rustig te kunnen adem halen.

Maar zijn opluchting was maar van korten duur. Nog geen volle maand later werd een Russische grootvorstin, die een tamelijk groot fortuin had kunnen redden en die juist drie dagen te voren haar intrek in het hotel had genomen, des nachts in haar kamer, zonder dat zij er iets van bemerkte, van een bedrag van bijna drie duizend pond beroofd.

HOOFDSTUK II.

RAFFLES STELT BELANG IN DE ZAAK.

Het was in den morgen, volgende op dezen nieuwen brutalen diefstal, toen John Raffles en zijn trouwe vriend Charly Brand aan het ontbijt gezeten waren in de lichte fraai gemeubileerde eetkamer van het huis, hetwelk de Gentleman-Inbreker reeds sedert vele jaren onder den naam van Lord William Aberdeen in de Regentstreet bewoonde.

De heeren hadden juist het ontbijt beëindigd en Raffles was verdiept in de lezing van de Daily Mail.

Plotseling riep hij uit:

„Hij begint weer.”

„Wie begint weer? Waarmee begint hij?” vroeg Charly Brand verbaasd, terwijl hij Raffles onderzoekend aankeek.

„Vraag je dat nog? De geheimzinnige dief van het Kensington-Hotel. Je weet dat ik bijzonder veel belang in de zaak stel.”

„En niet zonder reden, Edward,” kwam Charly Brand. „Het gaat er zeer geheimzinnig in zijn werk, dat is zeker.”

„Het lijkt maar zoo, mijn waarde,” hernam Raffles glimlachend. „Natuurlijk zal achteraf blijken, dat alles heel gewoon in zijn werk is gegaan, ik wil echter toegeven, dat alles wel een zeer geheimzinnigen indruk maakt, en dat is ook niet te verwonderen. Ik zelf heb mij niet kunnen onttrekken aan den indruk dat we hier met een knappen kop te doen hebben. Dat is waar ook, ik las gisteren voor het eerst ergens, dat John Raffles wel de dader zou blijken te zijn.”

„Dat is wel het grootste compliment dat men den dader had kunnen maken en hij zal er danig mee in zijn nopjes zijn,” riep Charly uit. „Maar je zeide zooeven dat de man weder begonnen is, na bijna een maand rust, wie is het slachtoffer ditmaal?”

„Een Russische grootvorstin.”

„Rijk?”

„Dat gaat nog al naar het schijnt.”

„Wat voert zij hier uit?”

„Wat zou ze hier uitvoeren? Niets natuurlijk. Je kunt het tenminste geen bezigheid noemen, geloof ik, wanneer men zich uit de handen der Bolsjewiki tracht te houden.”

„In het land zelf zou het dat zeker zijn,” merkte Charly lachend op.

„Ik zal je eens wat zeggen, Charly,” hernam Raffles na eenigen tijd te hebben nagedacht. „Ik gevoel grooten lust dien geheimzinnigen dief eens van nabij in zijn verrichtingen gade te slaan. Daarmee wil ik volstrekt niet zeggen, dat ik mede wil helpen om hem te vangen, dat moet de politie zelf maar opknappen. Natuurlijk zoolang de man zich niet te buiten gaat aan geweldplegingen, want dan zal ik natuurlijk handelend optreden. Ik wil echter van nabij zijn methode eens bestudeeren.”

„Hoe denk je dat te doen?”

„Wel, heel eenvoudig. Wij zullen onzen intrek nemen in het Kensington-Hotel. Je hebt toch zeker wel lust om mij te vergezellen?”

„Wat een vraag. Ik zou je zeker niet alleen laten gaan. Ik zelf ben er zeer nieuwsgierig naar hoe de man te werk gaat.”

„Om je de waarheid te zeggen ben ik nog nieuwsgieriger naar de kamers,” merkte Raffles glimlachend op. „Ik heb veel respect voor de detectives van Scotland Yard, waaronder inderdaad schrandere mannen zijn, maar het kan dunkt mij niet anders of zij hebben ditmaal hun onderzoek niet op de goede wijze ingericht. Het is immers duidelijk, dat er iets aan de kamers moet zijn, dat tot dusverre aan hun aandacht is ontgaan. Onverschillig of de dader onder het personeel moet worden gezocht, onder de logeergasten, of buiten het hotel, er kan niet aan getwijfeld worden, of de kamers, waar de diefstallen plaats vonden moeten ergens toegankelijk zijn.”

„Wanneer wil je er heen gaan?”

„Wel, vandaag nog.”

„Onder welk uiterlijk?”

„Dat komt er volstrekt niet op aan. Alleen zou het verstandig zijn, wanneer ik mijn uiterlijk als Lord Aberdeen maar afleg! Wel is waar zijn er in de wijk niet veel armen, die mijn uiterlijk kennen, maar men kan toch nimmer te voorzichtig zijn. Kom, laten wij maar aanstonds werk van de zaak gaan maken—ik ben werkelijk benieuwd, wat wij daarginds zullen zien.”

De beide vrienden stonden van de tafel op, en begaven zich naar hun slaapkamers, die aan elkander grensden, en waar zij ruimschoots gelegenheid vonden hun uiterlijk geheel te veranderen.

Er bevonden zich daar verscheidene kasten vol kleeren, pruiken en baarden, en de beide vrienden wisten daarvan een uitstekend gebruik te maken.

Er was nog geen half uur verloopen, of zij waren volkomen onherkenbaar. Niet alleen was hun gelaatskleur veranderd, maar ook hadden zij door verschillende middelen den vorm van hun gezicht weten te veranderen, en in deze twee reizigers met hun Galicische typen zou men stellig niet Lord Aberdeen en zijn altijd zoo keurig gekleeden jongen secretaris herkennen.

De beide vrienden hadden een valies met goed gepakt en verlieten nu het huis aan de tuinzijde, waar een kleine tuinpoort toegang verleende tot een stille zijstraat, waar zich nimmer een levende ziel vertoonde.

Zij moesten de zware valiezen naar de Regentstreet dragen, maar daar hadden zij spoedig een huurauto gevonden, waarvan de chauffeur last kreeg hen naar het Kensington-Station te rijden.

Daar gekomen stapten zij uit, dankten den chauffeur af, en namen een tweede auto, die juist kwam aanrijden, en waarvan de chauffeur niet anders kon denken of zij waren zooeven met den trein aangekomen.

Na een rit van een kwartier ongeveer stond de auto stil voor het prachtige nieuwe hotel, wat het toneel was geweest van de geheimzinnige diefstallen, welke de gelederen der logeergasten reeds aanzienlijk hadden gedund.

Die gebleven waren konden wel onverschillig of zeer stoutmoedig genoemd worden, die als het ware het lot tartten of er vast van overtuigd waren, dat men in hun kamers niet zou binnen dringen.

Daar de diefstallen merkwaardig genoeg allen op de vierde of vijfde verdieping hadden plaats gehad, was er een groote vraag naar de kamers op de drie andere etages en de portier moest dan ook aan Raffles en Charly mededeelen dat er alleen een kamer op de vierde en vijfde verdieping te krijgen was.

Terwijl hij dit zeide keek de man de beide reizigers schuw aan, want hij had het gevoel, alsof reeds iedereen wist van de reeks beroovingen, zelfs twee reizigers, die blijkbaar regelrecht uit een of andere stad in het hartje van den Balkan kwamen.

Maar Raffles haalde eenvoudig de schouders op en antwoordde onverschillig:

„Het laat ons volkomen koud. Een kamer met twee bedden, wat ik je verzoeken mag, portier, of anders twee kamers naast elkander met een combinatiedeur.”

„Zou ik om de paspoorten der heeren mogen verzoeken?” vroeg de portier. „Gij zijt immers geen Engelschen.”

Nu had Raffles ook hierop gerekend, en zoo konden de beide mannen een paar voortreffelijk nagemaakte paspoorten laten zien, voorzien van alle mogelijke officieele stempels.

Nadat deze plechtigheid was afgeloopen, konden de beide vrienden een zeer gemakkelijke, voortreffelijk ingerichte kamer op de bovenste verdieping betrekken.

Een der hotelkruiers sjouwde de zware valiezen naar boven, kreeg daar zijn fooi en verdween.

Zoodra zij alleen waren, plantte Raffles zich, na overjas en hoed op zijn bed te hebben geworpen, midden in het vertrek, steunde de beide handen in de zijden en liet zijn blikken glimlachend in het rond waren.

„Daar zijn we dus in het hol van den leeuw,” zeide hij zachtjes, alsof iemand hem had kunnen hooren, buiten Charly. „Wie weet is het zelfs wel een van deze kamers, waar een diefstal heeft plaats gehad, maar natuurlijk zou de portier er zich wel voor hebben gewacht, om dit te openbaren.”

Zachtjes fluitend, trad hij op een der wanden toe en klopte er op verscheidene plaatsen op. „Een massieve muur, van verborgen deuren is geen sprake, en dat is toch ook immers iets onmogelijks. Ik kan aannemen, dat er in zulk een groot hotel clandestien het een of ander gemaakt is, dat er niet hoort, en dat niet door den architect is voorzien, maar zeker geen geheime tusschendeuren.”

„En evenmin luiken in den vloer dunkt mij.”

„Dat klinkt tenminste al zeer weinig waarschijnlijk,” hernam Raffles.

Hij had zijn vergrootglas uit zijn zak gehaald en was op de gangdeur toegetreden.

Met eindeloos geduld onderzocht hij de deurpost in de buurt van den grendel en na ongeveer een kwartier zeide hij zich tot Charly wendend:

„Niets te zien. Wanneer hier ergens een gat was geboord, als was het niet grooter dan om een naald door te laten, dan zou ik het met dit vergrootglas moeten zien en al zou het met stopverf zijn dicht gemaakt, dan zou ook dat mij niet ontgaan. Bovendien gaan deze grendels bijzonder stroef en ik kan ook volstrekt niet merken, dat zij bijvoorbeeld overdag door den dief zelf of een handlanger hier in het hotel geolied zijn, om het schuiven te vergemakkelijken. Ik acht het volstrekt buitengesloten, dat men met een dun ijzerdraad dezen zwaren grendel zou kunnen terugtrekken, om nog niet eens van den sleutel in het slot te spreken. Je zult je namelijk wel herinneren, dat op zijn minst twee der bestolenen pertinent hebben verklaard, den sleutel in het slot te hebben moeten terugdraaien, voor zij in den morgen na den diefstal de kamer konden verlaten. Ik heb te veel kennis van sloten, om niet te zien, dat men deze dingen hier onmogelijk aan den kant van de gang kan openen als van binnen de sleutel er op steekt.”

„Maar zouden alle kamers zoo zijn ingericht?”

„Er is volstrekt geen reden om daaraan te twijfelen. Natuurlijk zijn al die deuren en al deze sloten als massa-fabricatie gemaakt, en zij lijken op elkander als druppels water.”

„Dan ben ik er benieuwd naar, Edward, hoe jij het denkt te kunnen verklaren op welke wijze de dief hier is binnen gedrongen.”

„Wij zullen ons niet overhaasten, Charly. Wij zijn nu tot de overtuiging gekomen, dat het niet ging door de gangdeur, dan kan het niet anders of het moet aan de zijde van het balkon zijn geschied.”

„Maar het is dertig meter van den grond, Edward,” riep Charly uit.

„Die opmerking hebben de detectives ook gemaakt, mijn waarde. En ik kan niet zeggen, dat ze van groote schranderheid getuigt,” hernam Raffles schouderophalend. „Het is nog al duidelijk, dat de dief niet tegen het balkon is opgeklommen.”

„Hoe heeft hij het dan bereikt, volgens jou?”

„Op de eenige andere manier. Hij heeft zich van het dak er op laten neer zakken, een afstand die heel wat korter is dan dertig meter.”

„Hoe kwam hij op het dak?”

„Van een der aangrenzende huizen natuurlijk.”

„Goed, ik wil een oogenblik aannemen, dat de dief op het balkon is. Daar staat hij dus, achter de gesloten deur. Vertel me nu eens, hoe hij de deuren opent, en vooral hoe hij ze weer sluit achter zich, zonder de ruiten te vernielen en ook zonder dat er een spoor van te zien valt?”

„Wij zullen ons eens op het balkon begeven, mijn waarde, en zien wat het is,” zeide Raffles bedaard.

Hij trad op de beide balkondeuren toe, maar opende ze niet dadelijk en onderzocht de sluiting aan de binnenzijde.

Het was een gewoon dubbele balkondeur, met een groote smalle ruit er in en aan de onderzijde uit hout bestaande.

Zij werd gesloten door middel van een van die ijzeren stangen, welke door middel van een klein tandrad, hetwelk aan een ijzeren, met hout bekleede greep bevestigd is, grijpt in een tandrad, welke zich aan den stang bevindt, waardoor de beide heften van dezen stang onder en boven aan de deur in een stevig ijzer oog grijpen, waardoor de deur gesloten wordt.

Raffles duwde den greep naar beneden, de beide heften van de sluitstang maakten zich los uit de oogen en hij kon de deur naar zich toetrekken.

Langzaam trad hij op het balkon, dat over een lengte van bijna dertig meter langs den voorgevel liep, die uitkwam op de breede Highgate-road.