Lord Lister No. 0384: Het Diamanten Halssnoer
Part 2
„Gravin, ik heb hofbals bijgewoond, hier te Londen, te Madrid, en te Berlijn, toen daar nog keizer Wilhelm aan het bewind was. Gij moogt mij gelooven of niet, maar het is de waarheid. Laat ik er onmiddellijk aan toevoegen dat mijn bezoeken in al die gevallen vrij onaangename gevolgen hadden voor dezen of genen grootwaardigheidsbekleeder en eenmaal had ik zelfs de eer en het groote voorrecht, koning Alfons van Spanje onder mijn slachtoffers te mogen rekenen, bijna had ik gezegd, onder mijn clientèle. Wanneer mevrouw de gravin zich wellicht de desbetreffende verslagen in de dagbladen wil herinneren, zou zij moeten erkennen, dat ik geen naneef ben van baron van Münchhausen. Van opsnijden heb ik een ingekankerde afkeer. Nu echter ter zake, want ik zou bijna vreezen misbruik te maken van uw vriendelijkheid.”
„Van mijn vriendelijkheid,” barstte de gravin uit. „Waagt gij het, mijnheer, mij voor den gek te houden? Gij schijnt te meenen, dat gij volkomen veilig zijt.”
„Dat meen ik ook, gravin, meer nog, ik ben er zeker van. Ik behoor niet tot die lieden die over een nacht ijs gaan en voor ik mij kwam aanmelden, zoo vroeg in den morgen, heb ik mij deugdelijk overtuigd, dat men mij hier niet al te zeer in den weg zal loopen en ik ken alle trappen, gangen, vertrekken en ramen in uw huis, de balkons en de brandladder, de kelder zoowel als de zolder, minstens even goed en waarschijnlijk beter dan gij zelf. Ik had het genoegen een paar weken in uw dienst te zijn, jammer genoeg hebt gij mij toen wegens onverbeterlijke dronkenschap moeten ontslaan.”
„Wat, die huisknecht, dien man dien ik een paar weken geleden in dienst nam,” stamelde de gravin.
„Die man was ik, gravin,” zeide Raffles met een vriendelijken glimlach op zijn gelaat en een beleefde buiging. „Ik moest wel tot deze kleine list mijn toevlucht nemen, teneinde op de hoogte te komen van de beste wijze, de steenen van uw collier te kunnen vervangen door anderen, hetgeen mij een paar dagen geleden gelukt is, en nu mijn voorstel, gravin.”
„Een voorstel,” kwam de gravin verwonderd en verontwaardigd,
„Of mijn aanbod, als gij dat woord soms liever hoort.”
De gravin stampvoette van drift en zeide toen tusschen de tanden:
„Laat hooren.”
„Gij staat dus voor het feit, gravin,” begon Raffles met de grootste kalmte, „dat gij uw juweelen kwijt zijt, en dat ik ze vervangen heb door kunstmatige. Wel ga ik er niet prat op, dat mijn steenen de vergelijking kunnen doorstaan met die, welke thans vervaardigd worden door de Nobelmaatschappij, maar ik geloof toch, dat de mijne heel aardig zijn, dat een man als de juwelier Orlow ze herkent, verwondert mij niet zeer, want hij is een bekwaam man, maar ik geloof wel te mogen zeggen dat niet vele leeken op de gedachten zijn gekomen, dat uw diamanten collier niet het collier was, hetwelk wijlen uw echtgenoot u schonk.”
„Dat doet er niet toe, mijnheer,” riep de gravin uit. „Al zou niemand het kunnen zien, zelfs de bekwaamste deskundige niet, denkt gij soms, dat een gravin Mac Dougall met valsche diamanten wil loopen?”
„Ik heb steeds het tegendeel gedacht, gravin, en juist daarom ben ik hier gekomen, teneinde u het voorstel te doen, uw diamanten van mij terug te koopen.”
Raffles liet zich nonchalant achterover in zijn stoel terug vallen en keek de gravin glimlachend aan, die naar adem snakte en aanstalten scheen te maken flauw te vallen.
Zij wist zich echter te beheerschen en zeide:
„Gij waagt het mij het voorstel te doen, mijn eigen diamanten terug te koopen? Dat is wel het toppunt van onbeschaamdheid.”
„Ik ontken het niet, gravin. Het is mogelijk, dat ge daarin gelijk hebt. Maar bedenk wel, dat mijn eigenaardig beroep meebrengt, dat ik poog zooveel mogelijk geld te maken van mijn kleine ondernemingen. Gij hebt te kiezen of te deelen. Ik zal u een redelijken prijs noemen, dien gij, naar ik heel goed weet, zeer gemakkelijk zoudt kunnen betalen. Doet gij dat niet, dan zijt gij uw juweelen voor goed kwijt, en ik zou desnoods jarenlang kunnen wachten, alvorens ze aan den man te brengen, zonder gevaar voor ontdekking, en langs wegen, welke ik tot mijn spijt en om begrijpelijke redenen verborgen moet houden. Betaalt gij echter wel den prijs, dien ik zal noemen dan komt gij weder in bezit van uw geliefde diamanten, waarmede gij zoo gaarne pronkt.”
Raffles zweeg en wierp de gravin een scherpen onderzoekenden blik toe uit zijn staalgrijze doordringende oogen.
Gravin Eleonora beet zich op de lippen, speelde zenuwachtig met haar dunnen, gouden horlogeketting en scheen aan een hevigen tweestrijd ten prooi te zijn tusschen haar trots en haar zuinigheid.
Maar de begeerte om haar juweelen weder in bezit te hebben won het ten slotte.
Zij hield den blik afgewend op een der groote bloemen van het Smymatapijt terwijl zij kortaf vroeg:
„Hoeveel?”
„Wat denkt u van twintig duizend pond, gravin?”
Weer zette gravin Eleonora haar kleine witte tanden in haar bovenlip en toen antwoordde zij plotseling en vastberaden: „Het is goed. Ik zal een cheque voor dat bedrag schrijven.”
Raffles liet een spottend lachje hooren, legde toen zijn eene been over het andere, perste de toppen van zijn vingers tegenover elkaar en zeide:
„Dat dacht ik wel, ik meende reeds zooiets op uw gelaat te hebben gelezen. Maar gravin, gij beleedigt mij. Denkt ge soms te doen te hebben met een ezel, met een beginneling, met een boertje. Een cheque, maar ik zou immers nauwelijks de stoep af zijn, of gij zoudt reeds naar uw bank telefoneeren, met een vriendelijk verzoek, desnoods een half dozijn agenten in een hinderlaag te leggen, die mij aanstonds op het lijf zou vallen, zoodra ik daar mijn opwachting kwam maken om het bedrag te innen.”
De gravin maakte een gebaar van ongeduld en drift, nu haar plan doorzien was en hernam:
„Wat wilt gij dan?”
„Contanten, gravin,” antwoordde Raffles laconiek.
„Wat, twintig duizend pond in contanten?” riep de gravin opgewonden uit. „En denkt gij dat ik zulk een groot bedrag zoo maar in huis heb?”
„Ik denk het niet alleen, gravin. Ik weet het volmaakt zeker,” antwoordde Raffles rustig. „Tot mijn leedwezen ben ik opnieuw genoodzaakt er u opmerkzaam op te maken, dat John Raffles niet de eerste de beste is. Ik weet heel wat af van uw geldelijke omstandigheden, onder andere, dat u juist gistermiddag, niet lang voor uw eerste gasten kwamen, uw twee rentmeesters hebt ontvangen, die u de opbrengst van een pacht kwamen brengen. Een zeer groot bedrag en dat pleit voor de ijver van uw boeren. Neen, gravin, gij kunt voor mij niets verborgen houden. Het geld ligt op het oogenblik in uw brandkast en die staat in het boudoir hiernaast.”
„Maar als ik u die som betaal, wie waarborgt mij dan dat u mij de diamanten zult terug bezorgen?” riep gravin Eleonora uit.
„Hier zijn ze, gravin,” antwoordde Raffles glimlachend.
Hij had de hand in den binnenzak van zijn dikke ulster gestoken en haalde er nu een fraai rood marokkijnlederen etui uit, hetwelk hij geopend op zijn knie plaatste.
Daar schitterde in oogverblindende pracht het prachtige collier van drie snoeren.
En de gravin zelve moest erkennen, dat het valsche sieraad werkelijk prachtig was nagemaakt tot in de minste bijzonderheden.
Zij stak haastig de beide handen naar het etui uit, maar Raffles klapte het bedaard weder dicht, keek de gravin recht in het gezicht en zeide:
„Eerst de kleine, maar moeilijke tocht naar uw brandkast, gravin.”
„Gij zult me de diamanten terug geven?”
„Ik zal het genoegen hebben, gravin, ze eigenhandig in uw brandkast te plaatsen, naast het zwart lederen etui, dat de nagemaakte bevat.”
De gravin scheen nog een oogenblik te aarzelen, maar toen begreep ze blijkbaar dat haar geen andere uitweg overbleef dan te betalen.
Zuchtend stond zij op en dadelijk volgde Raffles haar voorbeeld.
Hij volgde haar op den voet, hij liet haar geen oogenblik uit het oog, toen zij haar schreden naar de tusschendeur richtte, deze opende, het aangrenzende boudoir binnen ging en naar de brandkast liep, een sierlijk meubel, dat niet ver van een van de ramen tegen den muur stond.
Raffles plaatste zich dadelijk tusschen het raam en de kast en zag glimlachend toe, hoe de gravin de deur van de brandkast opende en er een dikke stapel bankbiljetten uitnam, die in een stuk grauw papier gewikkeld waren.
Zij deed het papier open en nam twee pakjes bankbiljetten, door een elastiekje bijeen gehouden. Ieder van de pakjes bevatten honderd biljetten van honderd pond.
Raffles had intusschen het etui weder uit zijn zak gehaald, plaatste het in de kast en nam de beide pakjes met een buiging uit de handen van de gravin aan.
Toen zeide hij:
„Gij hebt er ongeveer vijf en zestig duizend pond sterling aan goud, bankpapier en effecten in uw kast, gravin, en het zou mij al zeer gemakkelijk vallen, mij dat alles toe te eigenen, maar ik wil niet al te inhalig zijn. Ik heb eenmaal mijn prijs genoemd en daarbij blijf ik. Misschien zijt gij er wel wat verwonderd over, dat ik niet liever het snoer en de diamanten afzonderlijk verkoop na eenige jaren te wachten, maar ik kies het zekere voor het onzekere. Niemand kan zeggen, of een diamant over een vijftal jaren meer waard is dan een keisteen, als de ontdekking van de ingenieurs der dynamietfabriek, welke ik zooeven noemde, werkelijk gunstige resultaten opleveren. Bovendien, twintig duizend pond is een goede prijs en daar mij thans niets meer hier houdt, gravin, heb ik het genoegen u te groeten.”
En voor de gravin zelfs den tijd had gehad iets te zeggen, had Raffles het boudoir en de ontvangkamer reeds verlaten.
De gravin had hem niet hooren loopen, zelfs geen deur hooren open gaan, en toch viel er met aan te twijfelen, of de stoutmoedige Gentleman-Inbreker was vertrokken.
De gravin ijlde naar de deur van het boudoir, die op de gang uit kwam met het doel, dadelijk de bedienden bijeen te schreeuwen. De deur was gesloten.
Zij begreep aanstonds, dat Raffles dit reeds gedaan moest hebben, voor hij binnentrad, of misschien, terwijl zij bezig was aan de kast.
Zij vloog woedend naar de ontvangkamer, ijlde naar de deur. Ook deze was van buiten op slot gedraaid.
De gravin wierp de ramen open, die op den achtertuin uitkwamen en schreeuwde zoo luid, dat tenslotte een bediende, die juist de binnenplaats overstak, verschrikt opkeek en toen haastig in het huis verdween.
HOOFDSTUK III.
EEN ONAANGENAME ERVARING.
Het duurde niet lang, of de gravin hoorde snelle schreden naderen.
„Ben jij daar, Hundsley?”
„Ja, gravin,” antwoordde de buttler. „Wat is er toch gebeurd?”
„Steekt de sleutel van buiten niet op het slot?”
„Ik zie niets, gravin.”
De buttler rammelde aan den deurknop en vervolgde verbaasd:
„Lieve hemel, de deur is op slot. Kunt u er niet uit?”
„Natuurlijk kan ik er niet uit, ezel,” riep de gravin buiten zichzelf van woede. „Geloof je soms dat ik kans zie uit het raam te klimmen en langs de regenpijp naar beneden te gaan?”
„Maar hoe kan dat?” hakkelde Hundsley. „Er is toch een bezoeker bij u?”
„Hundsley, als je nog eens zulke krankzinnige opmerkingen maakt, stuur ik je morgen weg,” riep gravin Eleonora. „Laat me voorloopig maar hier, en tracht dien bezoeker te achterhalen, al denk ik wel, dat het niet zal baten. Er is al veel te veel tijd verloopen. Hij was een dief. Hij is er met twintig duizend pond sterling van door en stuur dan maar een smid om de deur open te maken, of zie dat je een anderen sleutel kunt krijgen.”
Buiten de deur lieten zich talrijke kreten van schrik hooren en nu was in een oogenblik het geheele huis in rep en roer.
De bedienden stoven naar alle richtingen heen, ijlden de straat op, schreeuwden agenten aan, ondervroegen voorbijgangers en keerden na slechts korten tijd onverrichterzake weder terug.
Maar de bediende, die een der beide zijdeuren was uitgegaan, vond, toen hij door diezelfde deur weder binnentrad, een klein stukje papier, met een punaise tegen de deurpost bevestigd en daarop stond te lezen:
„Vermoeit u niet. Ik heb een auto genomen, John Raffles.”
Intusschen had de gravin haar brandkast gesloten na zich te hebben overtuigd, dat het valsche zoowel als het echte halssnoer zich daar bevonden en nu liep zij als een tijgerin in haar kooi heen en weer.
Toen naderden er opnieuw schreden in de gang. Het was Hundsley die terug keerde met een smid en deze had na eenig probeeren spoedig het slot van de deur geopend.
Zonder op de twee mannen acht te slaan, snelde de gravin hen voorbij, snelde de trap af en ging haastig op het telefoontoestel toe, hetwelk in de groote hal was.
Het volgende oogenblik had zij zich met Scotland Yard in verbinding gesteld en mededeeling gedaan van hetgeen geschied was.
Toen pas voelde zij haar zenuwen een weinig tot kalmte komen en kon zij den toestand beter overzien.
Dat zij haar twintig duizend pond sterling voor goed kwijt was, daaraan behoefde zij zeker niet te twijfelen.
Dat was een feit, waarin zij zich zou moeten schikken.
Juist toen de gravin zich gereed maakte, de trap weder te bestijgen, werd gescheld en de huisknecht die de deur opende liet Miss Keating binnen, het bevallige nichtje van de gravin.
Deze stond halverwege op de trap stil, wendde zich met een zuurzoeten glimlach tot haar nichtje en zeide:
„Je kiest zonderlinge oogenblikken uit om het huis uit te loopen, Grace.”
„Hoe zoo, tante?” vroeg het jonge meisje, verbaasd over de uitdrukking op het gelaat van de gravin.
„O, het heeft bijna niets te beduiden. Ik ben zooeven maar voor twintig duizend pond sterling bestolen. Dat is alles.”
„Twintig duizend pond?” riep Grace ontzet uit. „En zooeven? Op klaarlichten dag? Maar tante dat is....”
„Ik weet wat je wilt zeggen, dat is onmogelijk. Dat had je willen zeggen, nietwaar? En toch is het de zuiverste waarheid.”
„Maar beste tante ik kon toch niet vooruit zien. Herinnert u zich dan niet meer dat u mij hebt opgedragen Miss More naar den trein te brengen?”
„Dat is waar, dat had ik vergeten,” mompelde de gravin. „Neem het mij maar niet kwalijk. Mijn hoofd is heelemaal in de war. Ga mede naar mijn kamer dan zal ik je zeggen, wat er gebeurd is.”
Maar nog eenmaal zou de gravin verhinderd worden om aanstonds aan haar plan gevolg te geven.
Want er werd nogmaals gescheld en toen de deur door den huisknecht geopend werd zagen de beide dames voor het terras een splinternieuwe, grasgroene auto staan, een sportwagentje, voor twee personen, van sierlijk model. En op de bovenste trede van het terras stond Lord Binning, buigend als een knipmes.
Plotseling veranderde het gelaat van de gravin en glimlachend daalde zij de treden weder af om den vroegen bezoeker tegemoet te gaan.
„O, maar dat is alleraardigst van u, Lord Cecil,” zeide zij met een gemaakt stemmetje. „Ik begrijp al wat u komt doen. U komt mij afhalen om met uw nieuwe auto, waarover u gisteren sprak, een tochtje te maken. Werkelijk charmant van u en het treft uitstekend. Gij moet weten, dat ik juist een zeer dringende boodschap heb in de buurt van het Strand. Ik moet mijn juwelier opzoeken. Lord Cecil gij zijt werkelijk een galant man. Kom binnen en neem plaats, wat ik u bidden mag. Ik ga mij aanstonds kleeden.”
Bedremmeld had Binning naar deze woorden geluisterd en zijn blikken vlogen verlegen en schuw naar Grace, die met een guitig lachje om de lippen had toegeluisterd, toen hij stotterde:
„De zaak is, gravin, dat ik.... ik wilde eigenlijk.”
Hij keek Grace smeekend aan als verwachtte hij haar hulp en uitkomst, maar het jonge meisje was meedoogenloos, en zeide op spottenden toon:
„Wel, het zal alleraardigst zijn in dat twee persoonswagentje, Mylord. Tante is dol op dergelijke ritjes. Kom tante, laat Lord Cecil niet te lang wachten. Ga spoedig mee en vertel mij dan wat er geschied is, want ik brand van nieuwsgierigheid.”
En de ongelukkige Lord Binning was wel verplicht als man van de wereld het verzoek op te volgen en zuchtend liet hij zich neervallen op een van de prachtige eikenhouten banken, terwijl een van de bedienden de wacht hield bij het splinternieuwe autootje, dat heel iemand anders had moeten ontvangen dan gravin Eleonora.
Mylord troostte zich echter met de gedachte, dat hij wellicht onderweg gelegenheid zou vinden de gravin te spreken over de plannen ten aanzien van haar nichtje, al ontveinsde hij zich niet dat zijn kansen voor het oogenblik niet bijzonder goed stonden en dat het jonge meisje geheel ongevoelig scheen voor zijn attenties.
Met des te meer schrik echter had hij waargenomen, dat gravin Eleonora hem aanzag met oogen, die een zeer duidelijke taal spraken.
Intusschen was de gravin met haar nicht naar het boudoir gegaan en daar deelde zij haar mede, wat er zooeven geschied was.
Grace had verbaasd toegeluisterd en toen de gravin haar verhaal beëindigd had sloeg ze de kleine handen ineen en riep uit:
„U hebt dus met Raffles in eigen persoon gesproken?”
„Je schijnt het heel belangwekkend te vinden. Van meer belang dan de diefstal,” riep de gravin verontwaardigd uit.
„Neem me niet kwalijk, tante,” hernam Grace beschaamd. „Het is natuurlijk heel erg voor u en toch moet u er niet boos om zijn, als ik zeg, dat ik er graag bij had willen zijn, toen u met dien brutalen roover sprak.”
„Bij een volgende gelegenheid zal ik niet nalaten je te waarschuwen,” hernam gravin Eleonora schamper.
„Dat ontbrak er nog aan. Ik ga aanstonds met de snoeren naar Orlow en dan naar de politie, ik durf het echter niet langer in huis te houden. Wie weet wat er verder mee geschiedt.”
„En neemt u Lord Cecil mee, tante?” vroeg Grace, terwijl zij zich omwendde teneinde het lachje te verbergen dat om haar lippen speelde.
„Ja, hij heeft mij toch gevraagd?”
„Zoo, ik heb het niet gehoord, maar dat zal wel aan mij liggen,” hernam Grace onschuldig.
Gravin Eleonora begaf zich nu haastig naar haar slaapkamer en maakte daar toilet.
Zij trok een fraaien bontmantel aan, drukte zich een bontmuts op het hoofd en begaf zich toen weder naar het boudoir, teneinde de colliers uit de brandkast te nemen.
Vervolgens draafde zij haastig de trap af en nog voor zij de vestibule bereikt had, riep ze uit:
„Daar ben ik, Mylord. Ik hoop, dat ik u niet al te lang heb laten wachten.”
Mylord bromde iets wat voor een beleefde ontkenning kon doorgaan en daarop verlieten beiden het heerenhuis, terwijl de bedienden zich terzijde van de deur schaarden.
De gravin nam naast den Lord plaats, die zelf zijn nieuwe auto zou besturen en zeide:
„Ik leg beslag op u, Mylord. Dat vindt ge zeker wel goed?”
„Dat spreekt immers vanzelf, gravin,” antwoordde het beklagenswaardige slachtoffer.
„Rijd mij dan eens spoedig naar Orlow, den juwelier. Ik moet hem spreken.”
Lord Binning bracht den sportwagen in beweging en snel reed het fraaie voertuigje door de drukke straten van Londen om tenslotte stil te staan voor den juwelierswinkel van Paul Orlow.
Het was een zeer fijne zaak en dat bleek reeds uit de wijze, waarop de etalage was ingericht.
Achter een fijn geslepen spiegelruit, in dof eikenhout gevat, prijkten slechts weinige sieraden, maar zij waren op zeer kunstzinnige wijze ten toon gesteld, zonder zich op te dringen.
Ook de winkel, dien men eigenlijk een met verfijnden smaak gemeubeld vertrek moest noemen, herinnerde op het eerste gezicht slechts weinig aan het beroep van zijn eigenaar.
Een toonbank was er niet, maar wel een zeer fraaie lange tafel van Slavonisch eikenhout, ingelegd met kostbare houtsoorten, en dan waren er eenige zeer fraaie wandkasten met kleine, geslepen ruitjes, die enkele sieraden van groote waarde bevatten.
Er stonden een aantal gemakkelijke stoelen en van de eikenhouten zoldering hing een prachtige kristallen kroon af.
Een paar winkelbedienden gingen geruischloos af en aan om een paar klanten te bedienen.
Maar hieraan stoorde gravin Eleonora zich volstrekt niet, want nauwelijks was zij binnen getreden of zij beval, met haar schelle, eenigszins kijfachtig klinkende stem:
„Ik wil mijnheer Orlow spreken.”
De bedienden wierpen een snellen en onderzoekenden blik op de bezoekster en zij schenen haar dadelijk te herkennen, want een hunner zeide:
„Ik zal mijnheer waarschuwen, wees zoo goed plaats te nemen.”
Toen de beide bezoekers een stoel hadden genomen, trad de winkelbediende op het telefoontoestel toe, sprak er eenige woorden in en zeide:
„Mijnheer Orlow laat zich nog een oogenblik excuseeren. Hij is dadelijk tot uw beschikking.”
Er verliepen nog tien minuten ongeveer en toen trad Orlow den winkel binnen.
Hij richtte zijn schreden aanstonds naar zijn goede klant, aan wie hij reeds heel wat verdiend had.
„Waarde Orlow, kan ik u een oogenblik onder vier oogen spreken,” vroeg gravin Eleonora op fluisterenden toon. „Het gaat om het diamanten halssnoer.”
„Het geschenk van uw echtgenoot, gravin?”
„Ja.”
„Wees dan zoo goed, mij te volgen.”
De winkelier ging de beide bezoekers voor naar een ander vertrek achter den winkel gelegen en daarvan gescheiden door twee schuifdeuren.
Zoodra allen gezeten waren, begon de gravin, na de beide etui’s voor zich op tafel te hebben neergezet:
„Gij gelooft toch wel, dat gij een expert zijt, nietwaar Orlow?”
„Ik vlei mij met te mogen zeggen, dat er niet veel juweliers zijn, gravin, die met mij op een lijn kunnen worden gesteld,” antwoordde Orlow.
„Nu dan, dan zal ik u eens op de proef stellen. Ik zal nu onder de tafel beide colliers uit het etui nemen. Gij kent het een zoowel als het ander, Orlow. Vanmorgen is mij het echte terug gebracht door den dief. Ik heb er twintig duizend pond voor moeten betalen en ik moet zeggen, dat ik verstomd stond over de merkwaardige gelijkenis. Ik zelf kan geen onderscheid hoegenaamd zien. Nu moet gij mij eens, en zònder[** accent of vlekje?] al te lang te talmen, zeggen wat het echte is, als ik ze tegelijk voor u neerleg, en voor ik er mede naar de politie ga.”
De gravin was reeds naar de tafel toegeschoven en had de beide etuis op haar schoot gezet om ze te openen, toen Orlow met een beweging van zijn blanke hand vol verbazing zeide:
„Een oogenblik, gravin. Gij zegt daar dingen, die mij grootelijk verbazen en gij schijnt mij op de hoogte te achten van zaken, die mij volkomen onbekend zijn. Is er iets met uw collier gebeurd?”
„Wat is dat nu, Orlow,” riep de gravin uit. „Gij zijt toch wel goed wakker. Zijt gij het dan niet juist geweest die mij voor het eerst er opmerkzaam op maakte, dat mijn snoer was nagemaakt?”
„Pardon, gravin, wanneer zou dat geweest moeten zijn?”
„Wanneer dat geweest zou moeten zijn?” herhaalde de gravin, terwijl zij zenuwachtig op haar stoel verschoof en den juwelier met groote oogen aankeek.
Zij wendde zich tot haar begeleider en riep uit:
„Hoort gij dat, Lord Cecil? Hij vraagt, wanneer dat geweest zou moeten zijn. Hij schijnt geheel vergeten te zijn, dat hij gisteravond tot de gasten behoorde, die mijn soiree bezochten. Hebt gij ooit zoo iets gehoord? Gij hebt hem toch zelf ook gesproken en gezien, nietwaar?”
„Inderdaad, gravin,” antwoordde Lord Binning, die zich nu zelf zeer verwonderd toonde.
Maar het meest verbaasd van allen was toch wel Paul Orlow, die van den een naar den ander keek, en toen langzaam zeide:
„Ik zou gisteren op uw soiree geweest zijn? Hoe laat ongeveer?”
„Maar minstens een paar uur!” riep gravin Mac Dougall wanhopig uit. „Van negen tot elf uur ongeveer!”
„Dat is dan wel zeer merkwaardig, gravin, want gisterenavond om elf uur stapte ik te Edinburgh in den nachttrein, en het is nog geen uur geleden, dat ik hier in mijn zaak kwam!”
De indruk van deze woorden was overweldigend.
De gravin liet zich achterover in haar stoel vallen, naar adem snakkend als een visch op het droge, terwijl zij ongearticuleerde klanken uitstiet, als iemand die in koortstoestand ijlt.
Wat Mylord betreft die knipperde een tijdlang zeer snel met zijn oogleden, en trok zijn wenkbrauwen zoo hoog op, dat het niet weinig scheen te schelen, of zij waren onder zijn haren verdwenen.
Mylord was de eerste, die weder tot zichzelf kwam, en genoeg kracht had om te vragen:
„Gij houdt ons toch waarlijk niet voor het lapje, waarde Orlow? Alles wel beschouwd is de zaak toch te ernstig....”