Lord Lister No. 0383: De Fabrieksbaas
Part 4
Op zijn verbaasde vraag wat hen mankeerde, schreeuwde een van de vrouwen ademloos, dat de heer Bates vermoord was en dood in één der vertrekken van zijn kantoor lag met een mes in de borst. Ten uiterste ontzet door deze mededeeling, ijlde Hayman de trappen op, zoo snel als zijn trillende beenen hem wilden dragen, en een oogenblik later had hij zich overtuigd van de vreeselijke waarheid. Arthur Bates lag op zijn rug op het dikke tapijt van een soort kabinet, waar hij wel eens particuliere zaken afdoet en zijn vrienden ontvangt, en in zijn borst stak het heft van het moordwapen. De portier zag evenwel dadelijk, dat de schoonmaaksters zich vergist hadden, toen zij van een mes spraken. Het was één der Japansche dolken, die op het wapenrek prijkten, hetwelk tegen een der muren was opgehangen.
Zonder een oogenblik tijd te verliezen snelde de portier naar de groote werkkamer, waar de heeren Bates en Holborn hun zaken plegen af te doen, en wilde daar de telefoon ter hand nemen, teneinde de politie te waarschuwen, maar daarin kon hij niet slagen, daar de telefoondraad doorgesneden bleek te zijn. En nu pas bemerkte hij, dat de deur van de brandkast open stond. Het meubel vertoonde geen krasje en er moest een zeer fijn instrument gebruikt zijn, om het slot te openen, tenzij er een valsche sleutel was gebruikt, maar de kostbare inhoud was zoo goed als geheel verdwenen. Buiten zichzelf van ontzetting ijlde de portier weder naar zijn loge, greep de telefoon en stelde de politie op de hoogte, die een kwartier later verscheen in den persoon van een inspecteur, vergezeld van twee detectives en agenten van politie.
Onderweg had de inspecteur den gerechtsgeneesheer van zijn woning gehaald en aanstonds bemoeide deze zich met het slachtoffer, maar op het eerste gezicht was te zien, dat hier geen menschelijke hulp meer kon baten. De dood moest reeds vele uren van te voren zijn ingetreden en het lichaam was reeds koud en stijf.
Volgens het oordeel van den geneesheer moest de misdaad gepleegd zijn tusschen 10 uur en 12 uur in den avond.
De politie staat hier voor een raadsel, want het is niet goed in te zien, waarom de inbreker zijn slachtoffer gedood zou hebben in de particuliere ontvangkamer waar hij niets te zoeken had, daar zich hier niets van waarde bevindt en die op tamelijk verren afstand van de werkkamer is gelegen, waar de brandkast staat.
Zij neemt echter aan, dat de inbreker niet op de hoogte is geweest van de inrichting van het gebouw en dat de ongelukkige fabrikant hem in de ontvangkamer overvallen heeft, waarop de inbreker het scherpe wapen van het rek gegrepen heeft en den fabrikant gedood.
In het vertrek heerschte volstrekt geen wanorde en alle meubels stonden op hun plaats.
Natuurlijk waarschuwde men aanstonds telefonisch den compagnon van het slachtoffer, maar de heer Holborn had den vorigen avond Londen verlaten voor een zakenreis en bevond zich op dat oogenblik in Schotland.
Zijn zuster gaf echter aan de politie het adres aldaar op en Holborn seinde, toen men hem een telegram zond, terug, dat hij zoo spoedig mogelijk zijn reis zou onderbreken, maar dat hij onderweg door een ongesteldheid was overvallen, die hem noodzaakte, eenige dagen zijn bed te houden op voorschrift van den dokter.
Trouwens zouden de mededeelingen van den heer Holborn voor de politie van weinig waarde zijn geweest. Hij was den vorigen avond reeds om acht uur vertrokken na het diner, om den avondsneltrein naar Edinburgh te kunnen halen en men had hem alleen maar willen vragen, welk bedrag er uit de brandkast vermist werd.
Men was hiervoor nu aangewezen op den boekhouder en deze raamde het bedrag op niet minder dan zes en dertig duizend pond sterling.
Reeds gaan de verdenkingen van de politie een bepaalde richting uit, maar daar wij tot geen prijs het onderzoek willen bemoeilijken, zullen wij voorloopig verzwijgen, welke deze verdenkingen zijn.
In ieder geval staat het vast, dat deze treurige zaak binnen eenige uren haar oplossing tegemoet kan zien.”
Charly liet het blad zinken en keek Raffles zwijgend en onderzoekend aan.
Deze had met gebogen hoofd en gefronste wenkbrauwen toegeluisterd en toen Charly het bericht had voorgelezen zeide hij op ernstigen toon:
„Het is maar al te duidelijk, welke richting de verdenking van de politie volgt.”
„Maar dat noem ik onzinnig, Edward,” riep Charly uit. „Ik wil nog aannemen dat—de man, dien wij beiden op het oog hebben, de daad op een oogenblik van vreeselijke woede zal hebben volbracht, maar dat hij vervolgens nog den moed zou hebben om de brandkast leeg te halen, dat is immers volkomen uitgesloten.”
„Dat is ook zoo, Charly,” zeide Raffles laconiek.
„Ik weet bijna zeker, ja ik zou er een eed op willen doen, dat de inbraak niet gepleegd is door denzelfden man die Bates doodde.”
„Al weer moet ik je gelijk geven, Charly, want de man, die de brandkast leeg haalde, was ik,” zeide Raffles rustig.
Charly liet zich achterover in zijn stoel vallen en keek Raffles met een ongeloovigen blik en open mond aan.
Toen kwam het haastig over zijn lippen:
„Meen je dat werkelijk, en zeg je mij dat nu pas?”
„Ik vond nog geen aanleiding, vroeger van dat bagatel te reppen, Charly,” antwoordde Raffles schouder ophalend.
„Maar ik heb er in het geheel niets van gemerkt,” hernam Charly Brand uiterst verbaasd en volkomen overrompeld door deze mededeeling van Raffles.
„Dat is zoo verwonderlijk niet. Wij kwamen om elf uur thuis. Wij hebben ons toen ter ruste begeven maar ik ben dadelijk het huis weder uitgegaan, om die kleine werkzaamheid te verrichten. Ik geloof niet dat ik langer dan anderhalf uur ben weggebleven. Het had werkelijk niets om het lijf, de brandkast had een cijferslot, maar Bates had haar moeten openen, terwijl ik daar was, en in een sterk vergrootend spiegeltje had ik het nummer kunnen aflezen, zonder dat hij het merkte. De rest was natuurlijk kinderwerk. Ik geloof niet dat ik daar langer dan twintig minuten ben geweest.”
„Het is alsof ik een sprookje hoor,” hernam Charly hoofdschuddend. „Het gaat mijn verstand te boven. Je spreekt er over alsof het een kleinigheid betrof, niet belangrijker, dan wanneer je even naar den hoek van de straat loopt om sigaretten te koopen.”
„Dat was het ook niet, Charly. Het wordt nu alleen maar belangrijker in verband met het vreeselijke lot, dat Bates getroffen heeft.”
„Dat is waar ook. Als jij daar geweest bent vannacht, dan moet je immers van alles goed op de hoogte zijn,” hernam Charly levendig.
„Minder goed, dan je schijnt te denken, mijn waarde,” zeide Raffles, terwijl zijn blikken op de tafel gevestigd bleven. „Maar dat kan ik je zeggen, dat Bates om twaalf uur in den nacht nog leefde.”
„Wat zeg je daar? Hoe weet je dat?” riep Charly in de grootste verbazing.
„Omdat ik hem op dat tijdstip heb hooren praten.”
„Praten? Sprak hij in zichzelf?”
„Neen, hij sprak met een tweeden man.”
„Met.... Jerry Humber?” vroeg Charly aarzelend.
„Neen, het was Humber niet. Het was de stem van een man, dien ik zeker niet ken.”
„Je hebt hem dus niet gezien?”
„Je vraag is een weinig zonderling, Charly. Als ik den man gezien had en wist wie het was, zou ik natuurlijk nu reeds zijn opgestaan om de politie per telefoon op de hoogte te brengen. Er was echter een deur tusschen ons, en je zult wel begrijpen, dat ik bijzondere reden had om die deur gesloten te houden.”
„Waar had het gesprek plaats?”
„In de werkkamer van de firmanten.”
„Heb je kunnen verstaan, wat ze spraken?”
„Slechts onduidelijk, maar ik weet wel dat ze met elkander twistten. Het duurde ook maar kort, zeker niet langer dan eenige minuten, want toen stierven de stemmen weg en ik verborg mij snel, vreezend dat de beide mannen te voorschijn zouden treden op de gang die tamelijk helder verlicht was en mij zouden zien. Zij moeten zich toen echter naar een ander vertrek hebben begeven. Ik vermoedde, dat Bates met zijn bezoeker het kantoorgebouw verliet, en toen alles volkomen stil bleef, sloeg ik mijn slag.”
„Maar dan is het bijna zeker, Edward, dat die vreemde man, wiens stem je gehoord hebt, de moordenaar is,” riep Charly uit.
„Dat vermoed ik ook,” hernam Raffles bedaard.
„En wie weet, heeft hij Bates neergestooten, terwijl jij bezig was de brandkast....”
„Dat is volstrekt niet onwaarschijnlijk,” kwam Raffles koeltjes. „De Times merkt terecht op, dat de beide vertrekken ver van elkander liggen en het tapijt is zeer dik, en het is zeer wel mogelijk, dat de misdaad daar heeft plaats gehad, zonder dat ik het bemerkt heb.”
„Vreeselijk,” zeide Charly zachtjes, terwijl hij een huivering onderdrukte.
„Bates is zeer zwaar gestraft, dat is zeker,” bevestigde Raffles op gedempten toon. „Zwaarder dan zelfs de laffe misdaad tegenover Lucie Macloed rechtvaardigde, maar wie kan zeggen, of deze man in zijn leven niet nog meer wandaden verricht heeft, dat er niet nog andere menschen zijn, die hij gruwelijk onrecht heeft aangedaan en die zich hebben willen wreken.”
„In ieder geval verheugt het mij dat je beschermeling Jerry Humber thans in geen geval gevaar loopt, voor den moordenaar te worden aangezien,” zeide Charly.
„Waarom denk je dat hij niet voor den moordenaar zou kunnen worden gehouden,” vroeg Raffles, terwijl hij Charly strak aankeek.
„Waarom? Je verklaart immers zelf, dat Bates om twaalf uur nog in leven was?”
„Wat zou dat? De politie kan heel goed aannemen, dat de moordenaar later is gekomen en bovendien, geloof je in ernst dat ze eenige waarde zou hechten aan de mededeeling van John Raffles, dat hij daar in het huis is geweest en Bates om twaalf uur in den nacht heeft hooren praten met een onbekenden bezoeker.”
„Vroeger heeft ze je verklaring ook wel geloofd?”
„Dat waren andere gevallen. Thans kan ze niet anders aannemen, of ik tracht haar op een dwaalspoor te leiden. Zij zal vermoeden, op zijn best genomen, dat Raffles wellicht in verbinding heeft gestaan met den moordenaar en misschien denkt ze wel, dat hijzelf de misdaad heeft gepleegd.”
„Dat zal zij nooit, Edward. Dat weet je zelf heel goed. Men weet op Scotland Yard wel, dat je nog nimmer geweld hebt gepleegd en dit ook nooit zult doen, en dat alleen schurken en misdadigers van de ergste soort onder jouw hand zijn gevallen.”
„Dat mag zoo zijn, maar in ieder geval zal zij zich stellig niet ophouden met briefjes van John Raffles, die haar zulk een vreemde geschiedenis opdischt. Zij zal dan de vraag stellen, waarom hij de misdaad niet belette, zij zal achterdochtig zijn, en zij zal wel denken, dat de moordenaar zelf het briefje geschreven heeft, in de hoop haar van zijn spoor af te leiden.”
„Maar dan, dan, als jij zelf de brandkast geopend hebt, dan is het immers niet onmogelijk, dat Jerry Humber toch....” stamelde Charly.
„Neen, Charly, daarvan is geen sprake,” zeide Raffles op vasten toon, „wiens stem het geweest is, weet ik niet, maar stellig was het niet die van den jongen Humber.”
„Maar wie kan het dan toch geweest zijn?” riep Charly uit.
Raffles haalde de schouders op en antwoordde:
„Ik kan het je niet zeggen. Ik heb er niet het flauwste denkbeeld van, maar in ieder geval kan ik je wel verzekeren dat de moordenaar een man van buitengewone lengte moet zijn geweest.”
„Waaruit leidt je dat af?”
„Uit het feit, dat hij den Japanschen dolk gebruikt heeft om Bates te dooden.”
„Hoe zoo?”
„Toen ik Bates kwam bezoeken, ben ik voorbij die ontvangkamer gekomen, waarvan de deur open ging en natuurlijk heb ik een blik naar binnen geworpen. Welnu, het wapenrek in kwestie is zoo hoog opgehangen dat slechts een man van meer dan middelmatige lengte den onderkant van het rek bereiken kan, waaraan de Japansche dolken zijn opgehangen.”
HOOFDSTUK VI.
WIE IS DE DADER?
Nog in den loop van denzelfden middag werden de oude Macloed, zoowel als Jerry Humber op het hoofdbureau van politie ontboden, teneinde daar aan een streng verhoor te worden onderworpen.
De speurneuzen van Scotland Yard waren er al spoedig achter gekomen na een onderzoek onder het fabriekspersoneel, welke verhouding er bestaan had tusschen den patroon aan den eenen kant, den werkbaas en den teekenaar aan de andere zijde.
Het was gebleken, dat Macloed tot tweemaal toe zich in de hevigste bewoordingen tegen Bates had uitgelaten en hem zelfs bedreigd had en ook van Humber was het bekend dat hij met gevoelens van haat tegenover zijn werkgever was bezield.
Hoewel men op het hoofdbureau van politie nog niet de ware reden kende van deze vijandige gevoelens, vermoedde men toch genoeg om te kunnen weten, dat Jerry Humber zijn patroon innig moest haten.
Ook de portier van de fabriek, die tevens waker was en die om acht uur in den avond verscheen, om pas om zes uur in den morgen weder te vertrekken, werd verhoord, en zijn getuigenis werd van groot gewicht geacht en zeer bezwarend voor den jongen Humber.
Het bleek namelijk dat Jerry omstreeks negen uur in den avond zich was komen aanmelden en toegang had verlangd, teneinde zijn teekengerei, dat zijn eigendom was, te komen halen.
De avondportier, die den jongen man zeer goed kende, had volstrekt geen bezwaar gemaakt, hem binnen te laten. Hij had hem echter niet weder zien vertrekken en dit zou een noodlottige omstandigheid blijken te zijn.
De nachtportier verklaarde eveneens, dat hij mijnheer Bates ongeveer één uur vroeger, even nadat hij zijn loge had betrokken, het kantoorgebouw had zien binnengaan.
Ook hem had hij niet zien vertrekken, maar dit had hem volstrekt niet verbaasd, want het kwam wel eens voor, dat de patroon tot zeer laat in den nacht geheel alleen in het groote kantoorgebouw bleef werken.
Overigens had de nachtportier eenige malen zijn loge verlaten, teneinde zijn ronde te doen in het fabrieksgebouw, zooals zijn plicht was.
Dit alles was voor Jerry Humber zeer bezwarend en zijn toestand werd er niet minder gevaarlijk om, toen het bleek, dat hij dien nacht pas om half één was thuis gekomen en geen voldoende verklaring kon geven van hetgeen hij tusschen negen uur en half een in den nacht had verricht.
De jonge man zeide, dat hij tot bijna tien uur in de fabriek was geweest om zijn zaken bijeen te zoeken, dat hij daarna geruimen tijd geloopen had en dat hij tenslotte met een bus naar zijn woning was gereden, maar het was ongelukkig voor hem, dat er niemand was, die deze verklaring kon bevestigen.
Wat Raffles en Charly reeds urenlang gevreesd hadden, geschiedde in den middag. Jerry Humber werd in verzekerde bewaring genomen.
Scotland Yard achtte de bewijzen, welke zich tegen hem opstapelden zoo drukkend, dat zij niet geaarzeld had het bevel tot arrestatie te geven.
De avondbladen namen nog eenige discretie in acht, maar uit de berichten bleek maar al te duidelijk, dat men eindelijk op de hoogte was gekomen van de ware verstandhouding, die tusschen Bates, Macloed, Lucie en Jerry Humber had bestaan.
Wat de oude werkbaas betreft, hij had een afdoend alibi kunnen aanvoeren, hij had zijn geheelen avond kunnen verantwoorden, tot diep in den nacht, en zoo kon Humber, aldus meende Scotland Yard, alleen als de schuldige beschouwd worden.
Toen Raffles het bericht in de Times las, hij bevond zich toen met Charly in de conversatiezaal van de Windsorclub, schudde hij het hoofd en zeide:
„Ik ben er nu zeker van, dat zij het volkomen mis hebben. Zelfs al zou ik mij vergist hebben aangaande den aard van het stemgeluid dat ik vernomen heb, maar wanneer het inderdaad te bewijzen is, dat Humber om half één thuis was, dan kan hij met geen mogelijkheid de daad hebben verricht, want op dat uur hoorde ik Bates praten.”
„Het is heel jammer, Edward, dat je hem ook niet gezien hebt,” zeide Charly peinzend.
„Ja, dat is zoo en ik heb er nu spijt genoeg van, dan had ik misschien de misdaad kunnen voorkomen. Maar al heb ik dien man niet gezien—ik weet zeker dat ik mij onmogelijk heb kunnen vergissen—het was zonder eenigen twijfel zijn heesch eenigszins krassend stemgeluid, en er valt voor mij geen oogenblik aan te twijfelen, of de man die bij hem was om half één in den nacht zijn moordenaar was.”
Geruimen tijd zwegen de beide vrienden, en toen hernam Charly:
„Ik vermoed dat je het hier niet bij zult laten—dat je alles in het werk zult stellen, om de onschuld van Jerry Humber daghelder te bewijzen.”
„Dat spreekt van zelf! Ik zal beginnen met aan Scotland Yard te schrijven, dat ik om half één daar ginds was, en dat Bates toen nog leefde. In ieder geval zal dat de heeren detectives misschien doen twijfelen aan hun onfeilbaarheid, en hen doen overwegen, dat zij zich misschien toch vergist hebben.”
„Ongetwijfeld, Edward—maar je vergeet een ding! Scotland Yard zal jouw mededeeling misschien niet voor zich houden—en als de ware moordenaar het leest en tot de ervaring moet komen, dat jij een gedeelte van zijn gesprek met Bates kunt hebben hooren, dan zal hij zeker op zijn hoede zijn, en zich door de vlucht aan alle nasporingen onttrekken, terwijl hij nu in de veronderstelling moet verkeeren, dat hij in betrekkelijke veiligheid is, daar men een ander voor den moordenaar aanziet.”
„Misschien heb je wel gelijk, Charly,” hernam Raffles peinzend. „Ik zou echter de opmerking kunnen maken, dat de werkelijke moordenaar in ieder geval zeer ongerust moet zijn wegens de inbraak, die onmiddellijk op zijn misdaad gevolgd is—ja, misschien wel tegelijkertijd gepleegd werd. Hij moet wel tot het besef komen, dat er na hem nog iemand anders in het kantoorgebouw moet zijn geweest, en dat het volstrekt niet onmogelijk is, dat de inbreker iets heeft gemerkt van hetgeen er zich in de nabijheid afspeelde! Wie weet denkt hij wel, dat de man voorloopig zwijgt, ofschoon hij alles weet, maar zich gereed houdt om op het gunstige oogenblik te voorschijn te komen, en hem te dreigen, alles bekend te maken, wanneer hij niet zijn stilzwijgendheid met een groot bedrag koopt. Hij zal dus in ieder geval goed oppassen, hoe dan ook! Toch zal ik nog eenige dagen wachten met het opzenden van mijn briefje aan Scotland Yard, maar ik zal aanstonds nagaan, wie de advocaat is van den jongen Humber, en aan dien rechtsgeleerde zal ik mededeelen, wat ik weet, opdat hij althans zijn cliënt zal kunnen geruststellen. En intusschen, waarde Charly, zullen wij zelven eens op onderzoek uitgaan, en eens zien, of wij dit geheim niet kunnen oplossen.”
„Geloof je ook niet, Edward, dat de misdaad gepleegd moet zijn door een man, die Bates minstens even sterk haatte, als Humber dit deed?”
„Dat spreekt vanzelf. Het was een moord uit wraak, daaraan behoef je niet te twijfelen! En ik geloof dat hier eveneens een vrouw in het spel is, want ik herinner mij nu zeer goed, dat ik een paar malen den naam Kate heb hooren uitspreken en wel door den geheimzinnigen bezoeker op een toon van groote woede en verontwaardiging.”
„Maar hoe verklaar je het, Edward, dat de man, die Bates bezocht in het geheel niet door den nachtportier is gezien?”
„Daar zijn maar twee verklaringen voor, Charly. Ten eerste kan de nachtportier juist in de fabriek zijn geweest, teneinde daar zijn ronde te doen en dan spreekt het vanzelf, dat Bates den man moet hebben verwacht, en hem zelf heeft binnen gelaten, ten tweede kan de bezoeker door de fabriek zijn binnen gekomen. Ik heb je nog niet gezegd, dat men de fabriek ook door een kleine fabriekspoort kan binnen gaan, die op de binnenplaats uitkomt.”
„Maar weet je wel, Edward, dat die omstandigheid je onderzoek zeer kan vergemakkelijken en beperken?” riep Charly opgewonden uit. „Want dan moet immers de bezoeker iemand geweest zijn, die niet alleen goed thuis was in de fabriek, maar die er was aangesteld, en wel in een zeer aanzienlijke betrekking, daar hij waarschijnlijk den sleutel had van het kantoorgebouw, dat op de binnenplaats uitkomt?”
„Dat heb ik bij mijzelf ook al overwogen, Charly,” hernam Raffles bedaard. „Het feit is inderdaad van groot belang en wij zullen er dan ook gebruik van maken bij ons onderzoek. Ik vermoed dat de boekhouder, de procuratiehouder, de kassier, de opzichters van de fabriek en nog een paar beambten wel van sleutels voorzien zijn geweest, omdat men zich een grooten omweg bespaart, wanneer men in het kantoorgebouw moet zijn en van den zijkant de fabriek nadert.”
„Maar dan kunnen wij binnen een paar dagen weten, wat wij weten willen,” hernam Charly. „Het kunnen niet meer dan zeven of acht menschen zijn, die een sleutel bezitten—en daar de moordenaar volgens jouw verzekering buitengewoon lang moet zijn, kunnen wij hem binnen korten tijd hebben ontdekt.”
„Wij zullen daarmee in ieder geval beginnen, Charly,—maar verlies niet uit het oog, dat degeen, die zich van de sleutels heeft bediend, dit misschien op onrechtmatige wijze deed, ik wil zeggen, dat hij ze misschien heeft afgenomen van een van die zeven of acht personen. Maar wij zullen onmiddellijk met ons onderzoek beginnen.”
„Van avond nog,” riep Charly uit. „Ik kan het denkbeeld niet verdragen, dat die arme jongen, die zich zoo nobel gedragen heeft, op dit oogenblik in zijn eenzame cel zit, beticht van een afschuwelijke misdaad, welke hij niet heeft bedreven.”
Raffles wierp een blik op zijn horloge, en zeide toen:
„Het is natuurlijk het best, wanneer wij de personen, die in aanmerking komen, onbemerkt kunnen bespieden, zonder hun argwaan gaande te maken. En des avonds is er natuurlijk niemand op het kantoor meer werkzaam. Het is jammer, dat Holborn niet in de stad is, anders zouden wij hem kunnen vragen, wie een sleutel hebben van de kleine zijpoort en van de achterdeur.”
„Hij zal natuurlijk aanstonds terugkeeren, zoodra hij er de gelegenheid toe heeft, maar zijn verklaringen zullen wel van zeer weinig belang zijn, vrees ik,” zeide Charly, die reeds was opgestaan, en ongeduldig scheen te zijn om met het onderzoek een aanvang te nemen.
„Als ik mij niet vergis is ook de procuratiehouder Marshall lid van de Windsorclub. Je moet hem eens laten praten—en ik geloof, dat ik aanstonds aan zijn stem zal kunnen hooren, of hij de bezoeker is geweest, die een einde aan het leven van Arthur Bates maakte.”
„Ik ben tot je dienst, Edward. Ik zou deze werkeloosheid niet lang meer kunnen volhouden. Laten wij maar spoedig gaan.”
De beide vrienden stonden op en begaven zich naar de groote billardzaal, waar een tiental voortreffelijke tafels stonden, waarvan op dit oogenblik vier in gebruik waren.
De beide vrienden drentelden langzaam rond, op gedempten toon met elkander pratend, maar zij gaven hun oogen goed den kost, en het duurde niet lang, of Charly had in een hoek een rijzig man ontdekt, met rossig haar, die een sigaret rookte, en onverschillig, met beide handen in de zakken, tegen een stoel aanleunde, en in die houding de verrichtingen gadesloeg van een paar matadors op het groene laken.
„Dat is hij—dat is Marshall,” zeide Charly fluisterend.
Raffles keek den man met het rossige haar scherp aan, en zeide toen met een licht schouderophalen:
„Hij is flink lang, die Marshall, en daarom zullen wij het maar eens probeeren, maar hij heeft alles behalve het type van een geweldenaar, van den man, die zich door zijn woede tot zulk een misdaad laat medesleepen—eerder gelijkt hij op een goedig schaap, op een man, die tranen vergiet als hij een mug ziet dood slaan.”
De beide vrienden waren Marshall, den procuratiehouder, dicht genaderd, en Charly, die hem tamelijk goed kende, sprak hem aan en vroeg:
„Wel, mijnheer Marshall—ben je niet onder den indruk van het vreeselijk ongeluk, dat Bates getroffen heeft?”
„Niet heel erg, mijn waarde Brand,” antwoordde Marshall doodbedaard. „Tusschen ons gezegd en gezwegen, en zonder iets te kort te doen aan zijn kundigheden als zakenman—Arthur Bates was de grootste schoelje, dien ik ooit heb ontmoet, en ik dacht er al sterk over, mij van de firma los te maken, al had ik ook veel sympathie voor Holborn”.
Raffles had nauwkeurig toegeluisterd, en hij nam nu Charly glimlachend onder den arm en zeide: