Lord Lister No. 0383: De Fabrieksbaas

Part 1

Chapter 14,013 wordsPublic domain

LORD LISTER GENAAMD RAFFLES DE GROOTE ONBEKENDE.

NO. 383 DE FABRIEKSBAAS.

DE FABRIEKSBAAS.

HOOFDSTUK I.

DE FABRIEKSBAAS.

Sedert eenige dagen bevatten bijna alle bladen, die te Londen uitkwamen, het verhaal van een geheimzinnigen, in vodden gehulden, ouden man, die zich sedert een paar weken bij verschillende instellingen van liefdadigheid, tehuizen voor dakloozen, gasthuizen en andere inrichtingen kwam aanmelden, en dat niet om onderstand te vragen, zooals natuurlijk de portiers van die inrichtingen aanstonds meenden, zoodra zij den haveloozen man zagen aankomen, die moeilijk op een stok geleund ging, maar integendeel, om een gift weg te schenken.

In de meeste gevallen bedroeg deze waarlijk koninklijke gift vijf honderd pond sterling in een enkel bankbiljet.

De geheimzinnige grijsaard had een grijs linnen zak bij zich, die met deze kostbare biljetten wel geheel volgepropt scheen te zijn, want geldswaardig papier van minder waarde gebruikte hij maar hoogst zelden.

De onbekende schenker van deze groote giften vertoefde altijd slechts zeer kort op de plaats van zijn bestemming.

Meestal vroeg hij den directeur te spreken, maar ook gaf hij vaak zijn bankbiljetten van vijf honderd pond aan een hoofdverpleegster en zelfs wel eens, zonder een woord van dank af te wachten, eenvoudig aan den portier om dan dadelijk weer rechtsomkeert te maken en weder heen te strompelen, leunend op zijn zwaren stok, het witte hoofd naar den grond gebogen, de hand van zijn linkerarm op den rug tot een vuist ineen gebald.

Het kon niet uitblijven, of te eeniger tijd werden de rondgangen van dezen geheimzinnigen schenker bekend.

Men zag hem meestal in de arme wijken van de onmetelijke wereldstad, nu eens in Houndsditch, dan weder in het Cockney district, in de buurt van de dokken. Op den eenen dag in het Zuiden, dan weder in het Noorden en overal liet hij zijn biljetten van vijf honderd pond achter.

Een globale berekening, door een blad gepubliceerd, bewees al spoedig, dat de vrijgevige grijsaard binnen een paar weken een bedrag van niet minder dan vijftig duizend pond had weg geschonken en zoo kon het niet uitblijven, of sommige personen begonnen argwaan te koesteren en vroegen zich af, of de bankbiljetten wel echt waren, welke de grijsaard met zijn eerwaardig uiterlijk en zijn langen witten baard bij tientallen aan inrichtingen van liefdadigheid achterliet.

Maar er behoefde geen seconde aan te worden getwijfeld. De bankbiljetten waren volkomen echt.

Eenige directies hadden ze naar de Bank van Engeland ter onderzoek opgezonden en het antwoord luidde, dat de biljetten zoo echt en degelijk waren, als men ze maar kon verlangen.

Nog nimmer had de grijsaard, hij moest wel minstens vijf en zeventig jaar zijn, zijn naam willen noemen, en ook had hij altijd geweigerd een kwitantie voor zijn gift in ontvangst te nemen.

Zoodra men het hem wat lastig begon te maken met vragen en er bij hem op aandrong, toch een kwitantie in ontvangst te nemen, liep hij zoo vlug hij kon weg om zich te onttrekken aan dezen rompslomp, zooals hij het noemde.

Deze of gene directeur had hem al eens gevraagd, of hij bij de eenigszins langdurige voortzetting van zijn rondgang langs de gasthuizen niet straatarm zou worden, maar de geheimzinnige grijsaard had eenvoudig geglimlacht, en de verklaring afgelegd dat hij oud werd en het geld hem toch van geen nut meer was.

Familieleden bezat hij niet en als hij wilde, zou hij nog geruimen tijd kunnen voortgaan, zijn biljetten van vijf honderd pond weg te geven.

Niemand wist waar hij woonde en de grijsaard scheen er zeer bepaald op gesteld te zijn, dat men hem niet volgde, teneinde dit te ontdekken, want zoodra hij slechts het vermoeden koesterde, dat men hem na ging, riep hij een huurauto aan en verdween daarmede snel.

Maar het verwonderlijkste was misschien wel het volgende:

Eens had de portier van een instelling, waarvan de directeur het er bepaald op gezet had, den naam en de verblijfplaats van den edelen weldoener te leeren kennen, zeer duidelijk letters en nummers van de huurauto gezien, waarmede de geheimzinnige grijsaard snel wegreed, toen hij zag dat men hem iemand uit de inrichting achterna zond.

De portier had dit nummer aan den directeur medegedeeld en deze was er vlug bij geweest om bij verschillende maatschappijen navraag te doen naar den chauffeur, die deze auto gereden had, teneinde van dezen man te vernemen, waar hij den grijsaard had moeten brengen.

Maar tot groote verwondering van dezen directeur moest hij vernemen, dat op dien dag en dat uur een huurauto van dat nummer onmogelijk in de bewuste straat kon zijn gezien, daar het voertuig juist den dag te voren in reparatie was gedaan en de eerste dagen zeker niet gereed zou zijn.

Aanvankelijk hield de portier stijf en sterk staande, dat hij een auto met dat nummer wel degelijk had zien wegrijden, maar tenslotte begon de man te twijfelen en eindelijk meende hij, dat hij zich dan zeker wel vergist zou hebben.

Intusschen was dit kleine voorval wel geëigend om de groote belangstelling voor den edelen weldoener te vermeerderen.

Men wist toen nog niet dat de grijsaard zijn rondgang even plotseling zou staken, als hij dien begonnen was en dat men binnen een paar dagen niets meer van hem zou vernemen....

Het was in het begin van den winter, die zeer fel had ingezet, toen de geheimzinnige grijsaard met zijn gewone boodschap aanschelde aan de deur van een eenvoudig huis in een der volksbuurten, een van die toevluchten voor onbehuisden, die maar al te vaak met geldnood te kampen hebben en meestal moeten bestaan van giften, daar de lieden, die hier hun toevlucht komen zoeken, zoo weinig betalen, dat de instelling daarvan onmogelijk kan rondkomen.

Een man in grijs linnen werkpak gekleed opende de deur en vroeg wat hij wenschte.

„Ik kom niet om onderdak vragen, goede vriend,” antwoordde de grijsaard glimlachend. „Is de directeur te spreken?”

„Daar komt hij juist aan, vadertje,” hernam de man in het linnen pak, die meende, met een zwerver te doen te hebben, die misschien een fantastisch verhaal zou komen opdisschen over zijn rampspoeden en waarschijnlijk zou eindigen met gratis een bord soep te vragen.

De directeur, een man met een vriendelijk gelaat, trad op den grijsaard toe.

Deze had reeds de hand in zijn grijs linnen boodschappenzak gestoken en haalde er een van zijn bankbiljetten van vijf honderd pond uit.

Aanstonds scheen de directeur te begrijpen, met wien hij te doen had.

Hij was dus niet eens verrast, toen de vreemdeling hem het biljet toestak met de woorden:

„Ik denk, dat gij dit wel zult kunnen gebruiken, mijnheer. Ik zelf zal er toch niet lang van kunnen profiteeren.”

De directeur nam het biljet aan en zeide op ontroerenden toon:

„Ik dank u, mijnheer, uit naam van de ongelukkigen, die bij mij een toevlucht komen zoeken en die ik niet steeds kan helpen, zooals ik dit zou wenschen. Uw gift is mij zeer welkom. Ik verzeker u, dat die goed besteed zal worden.”

„Daar ben ik van overtuigd, mijnheer,” hernam de grijsaard en reeds wendde hij zich weder naar de deur.

„Wilt gij geen kwitantie, mijnheer,” riep de directeur hem achterna.

„Dat is volstrekt niet noodig.”

„Maar wilt gij mij dan tenminste toestaan, u mijn inrichting te laten zien, opdat gij weet waaraan gij uw geld besteedt.”

„Ook dit is volkomen overbodig, mijnheer. Ik ken uw tehuis zeer goed, dat verzeker ik u. Gij kunt er van overtuigd zijn, dat ik altijd een grondig onderzoek laat instellen naar de inrichtingen waaraan ik mijn kleine giften schenk.”

Hij lichtte even zijn verschoten hoed op en het volgende oogenblik had hij het huis verlaten.

Met gebogen hoofd ging hij verder, nu en dan omziende, teneinde zich te overtuigen dat men hem niet volgde.

De grijsaard bevond zich op dat oogenblik in de buurt van White Chapel en wel in de buurt van de koninklijke munt, die niet ver van de Tower is gelegen.

Hij liep langzaam verder, zonder zich te overhaasten en al dien tijd volgde hem een ledige huurauto, achter welks stuurwiel een reusachtig gebouwd chauffeur gezeten was, een man met een nek als van een stier, en verbazend breede schouders en vuisten als smidshamers, die er naar uitzagen, alsof zij met het grootste gemak het stuurwiel zouden kunnen versplinteren, dat zij met vasten greep omklemd hielden.

De grijsaard sloeg nu de Dockstreet in, welke in de richting van de groote Londensche dokken loopt.

Hij stond nu en dan een oogenblik stil, om een klein stukje papier te raadplegen, dat blijkbaar een aantal namen bevatte, namen van instellingen, welke hij dien dag wilde bezoeken.

Maar er zou iets geschieden, hetwelk zijn plannen voor dien dag zouden wijzigen...

De Dockstreet loopt uit op Smithfield.

Daar op den hoek van laatstgenoemde straat en Penningtonstreet verheft zich een reusachtig fabrieksgebouw, waar machines, draaibanken, fraisbanken, persen en dergelijke vervaardigd worden, en die het eigendom is van de heeren Bates & Holborn.

Het is een geweldig complex gebouwen, voor het grootste gedeelte omgeven door een twee meter hoogen muur, en dat in onmiddellijke verbinding staat met de Londensche dokken.

Rondom een groote binnenplaats, van waar een aantal spoorlijnen naar de dokken voert, onder een geweldige poort door, verheffen zich de verschillende fabrieksgebouwen, die daar in den loop der jaren zijn verrezen, en daar nu zwart berookt, log en onwrikbaar oprijzen.

De fabriek telt bijna drie duizend arbeiders, en sedert het begin van den oorlog had zij volop werk gehad.

Een schier eindelooze muur strekte zich uit langs Penningtonstreet, slechts hier en daar onderbroken door een zwaar ijzeren hek.

Het was bij één van deze hekken, dat de grijsaard een grooten oploop waarnam, een groep van schreeuwende en tierende mannen, die verontwaardigd schenen te zijn.

Eén van de beide vleugels van het hek stond open, en daarachter stond een portier met bleek gelaat, en die zich blijkbaar in het geheel niet op zijn gemak gevoelde.

Toen de grijsaard naderbij kwam, nog altijd gevolgd door de langzaam rijdende huurauto, bemerkte hij dat de groep uit een dertigtal tierende en opgewonden mannen bestond, die zich verdrongen rondom een boom van een kerel, massief gebouwd en met een kop, die zeer veel herinnerde aan dien van Richepin, dezelfde overvloed van verwarde grijze lokken, dezelfde rechte, groote neus, dezelfde hoekige wenkbrauwen, als een puntdak boven de scherpe, doordringende oogen, dezelfde waaiervormig geknipte ruige baard. De man was zeer bleek, er lag een woeste uitdrukking op zijn gelaat.

Hij zelf sprak niet, maar des te meer schreeuwden de mannen, die om hem heen stonden.

De grijsaard was nu zoo dicht genaderd, dat hij duidelijk hoorde, wat de opgewonden mannen schreeuwden.

„Als jij eruit gaat, Jim, dan gaan wij allemaal mee! Het is een schande, dat de patroon je om zoo’n bagatel op straat werpt! Wij zijn allemaal wel eens driftig op onzen tijd, en het zal hem goed doen, als één van ons dien schurk van een Bates eens de waarheid zegt! Als je binnen een uur niet weer in dienst bent genomen, leggen wij allemaal het werk neer! Hij heeft je niet eens een behoorlijke reden voor het ontslag kunnen opgeven! Wij willen jou als werkbaas op de afdeeling, en niemand anders! Laat hij oppassen, die Bates, of het zal hem nog eens slecht vergaan!”

Terwijl de mannen zoo schreeuwden en dreigden stond de zwaar gebouwde man in het midden, dien zij als Jim hadden aangesproken, met gebogen hoofd en gebalde vuisten tegenover hen, voor zich uitstarende zonder een woord terug te zeggen.

Maar nu hief hij eensklaps het hoofd op, legde den mannen met een gebaar het zwijgen op, en zeide met vaste stem:

„Dat mogen jullie in geen geval doen, kameraden! Wat er is tusschen Bates en mij—dat gaat jullie niet aan! Wel wil ik je zeggen, dat hij de grootste schurk is, dien ik ken en dat hij zich voor mij in acht zal moeten nemen, maar dat alles mag voor jullie geen reden zijn om het werk neer te leggen.”

„Het is wel om minder gedaan, Jim,” riep één van de fabrieksarbeiders uit. „Als wij niet eens meer mogen staken om een onrechtvaardig ontslag, waarom moeten wij het dan doen?”

„Ik wil niet, kameraden, dat jullie om mijnentwege het werk er bij neerlegt,” hernam de werkbaas. „Wat ik op te knappen heb met Bates, dat zal ik zelf wel doen. De winter is begonnen en jullie vrouwen zouden je slecht ontvangen, als je nu thuis kwam met de boodschap, dat je ter wille van een werkbaas de staking had uitgeroepen. Ga dus weer rustig terug en doe geen domheden. Ik dank jullie voor je vriendschap en goede bedoelingen.”

„Maar waarom wil je niet dat wij staken, Jim?” riep dezelfde arbeider van zooeven. „Een jaar geleden heb je zelf aangedrongen op een staking, toen één van de machinisten om een wissewasje aan den dijk werd gezet. Ook midden in den winter, en ofschoon je zes kinderen te eten moet geven.”

„Dat was wat anders,” bromde de werkbaas op grimmigen toon. „Wat er met den machinist gebeurd was, mocht het licht zien, maar ik wil niet dat er iemand ontdekt, wat er tusschen Bates en mij bestaat, versta je, dat wil ik niet. Er zijn dingen, die iedereen voor zich houdt, omdat je het zou besterven als anderen het wisten en gaan jullie nu dadelijk aan het werk. De patroons zullen toch al woedend zijn, dat jullie mij zijt nageloopen. Jullie hoort nog wel van mij.”

Schoorvoetend en als met tegenzin, grommend en terwijl sommigen de vuisten dreigend naar de fabriek uitstaken, gingen de arbeiders het hek weder binnen, hetwelk de portier weer haastig achter hen sloot.

De werkbaas bleef alleen.

Hij wendde zich langzaam af en wilde heen gaan, na een blik van woesten haat op de fabriek te hebben geworpen, toen hij een hand op zijn schouder voelde.

Hij keerde zich onwillig om en keek in het gelaat van den grijsaard, die gehoord had wat er zooeven was gezegd.

„Wat is er vader,” vroeg de werkbaas met gefronste wenkbrauwen.

„Zeg mij eens eerst, of je mij niet herkent, Jim Macloed.”

De werkbaas keek den grijsaard verrast aan en riep na eenige aarzeling:

„Welzeker, gij zijt de brave man, die een paar dagen geleden vijf honderd pond sterling zijt komen brengen voor de weduwen- en weezenkas, die de arbeiders van de fabriek onder elkaar hebben opgericht, en waarvan ik het beheer voer.”

„Het verheugt mij dat ge mij herkent. Wilt ge mij toestaan dat ik u help?”

Jim Macloed boog het hoofd en een smartelijke uitdrukking kwam er op zijn krachtig gelaat en toen klonk het op doffen toon:

„Ik ben niet te helpen, mijnheer. Wat mij geschied is, dat is nooit meer goed te maken.”

HOOFDSTUK II.

EEN SCHURK TEN TOONEELE.

Macloed had één van de spijlen van het hek gegrepen en stond daar nu gebogen als een man, die het lot voor altijd heeft neergeslagen.

Zijn gelaat was smartelijk verwrongen en achter zijn oogen voelde hij de tranen branden, welke hij met geweld terug trachtte te houden.

De grijsaard naderde hem opnieuw, legde hem weder de hand op den schouder en dwong hem zoo, hem in het gelaat te zien.

Toen hernam hij op een toon, vol innige deelneming:

„Ik wilde, dat gij in mij een vriend zou zien. Gij kunt mij vertrouwen. Ik weet reeds veel van u, van de fabriek daar ginds, van haar beide eigenaren. Ik ken de beide compagnons persoonlijk en ik weet zeer nauwkeurig wat zij waard zijn. Ik kan ook heel wat van uw familieomstandigheden....”

Macloed wendde hem met een ruk het gelaat toe en riep:

„Wat weet gij van mijn familieomstandigheden, wat? Ik had u nooit tevoren gezien, voor gij bij mij kwaamt met uw gift.”

„Ik heb altijd veel belang in u gesteld, vriend Macloed,” hernam de grijsaard op zachten toon. „Wilt gij mij niet zeggen om welke reden men u ontslagen heeft. Misschien kan ik dat ontslag wel ongedaan maken. Ik beschik over meer macht, dan gij denkt.”

Macloed schudde het hoofd en antwoordde op doffen toon:

„Gij kunt mijn ontslag niet ongedaan maken, mijnheer, en zelfs, al zoudt gij het kunnen, dan nog zou het mij onmogelijk zijn, weder te gaan werken op de fabriek, waar de ellendeling het bevel voert, die.... die....”

Een droge snik belette hem, verder te gaan.

Hij drukte zich de handen voor de oogen en zijn geheele sterke lichaam trilde van ingehouden smart.

„Dan is het dus wel iets zeer ernstigs geweest, dat er bestaat tusschen den man, bij wien gij twintig jaar in dienst zijt geweest, en u?”

„Iets zeer ernstigs, mijnheer, en ik wilde dat ik het u ook kon zeggen, maar ik kan het niet. Het wil mij niet over de lippen.”

„Zeg het dan niet,” hernam de grijsaard op vriendelijken toon. „Ik denk er niet aan u een geheim te ontlokken, dat gij alleen wenscht te bezitten, maar in ieder geval zijt ge nu zonder werk. Wilt ge dan volstrekt niet toestaan, dat ik u op een andere wijze help.”

„Ik heb wat geld over kunnen sparen, mijnheer,” antwoordde Macloed op gesmoorden toon. „Ik dank u voor uw aanbod. Gij schijnt een edel, een goed mensch te zijn. Maar Jim Macloed heeft nog nooit een aalmoes aangenomen. En hij hoopt het ook nimmer te doen. Ik wil u met die woorden volstrekt niet kwetsen, mijnheer. Ik waardeer uw goede bedoeling, maar ook een arbeider heeft zijn eergevoel, nietwaar?”

„Ik denk er niet aan, u iets tegen uw zin op te dringen, mijn vriend. En over een aalmoes moogt gij ook in het geheel niet spreken. Ik had u slechts willen aanbieden u geldelijk bij te staan, totdat gij een nieuwe betrekking zoudt hebben gevonden, hetgeen voor u zeker niet moeilijk zou zijn.”

„Zeg dat niet, mijnheer,” hernam de werkbaas op moedeloozen toon. „Gij weet niet, welke macht Bates en Holborn bezitten. Als zij willen kunnen zij het mij in Londen bijna onmogelijk maken, weder een goede betrekking te vinden. Want zij kennen alle directeuren van machinefabrieken, die voor het meerendeel in één of ander opzicht van hun afhankelijk zijn en hen naar de oogen zien. Gij hebt natuurlijk wel eens gehoord van de zwarte lijst? Zulk een lijst berust bij elken fabriekseigenaar en daar staan de namen op vermeld van alle arbeiders die tot geen prijs in dienst mogen worden genomen. Met de redenen daarvoor er achter: anarchisme, onverbeterlijke drankzucht, ziekelijkheid en dan ook nog brutaliteit. Geen gewone brutaliteit, wel te verstaan, maar een zeker verzet tegen de heeren patroons, om bijzondere redenen, welke ik u echter niet zal noemen. Welnu, ik ben er zeker van, dat ik reeds morgen op die lijsten zal zijn ingeschreven.”

„Een reden te meer om mijn hulp te aanvaarden. Een man met twintig jaar trouwen dienst op dezelfde fabriek mag geen honger kunnen lijden. En, of gij wilt of niet, of gij trotsch zijt of niet, ik zal u bijstaan. Maar in uw geheimen dringen zal ik nooit, tenzij gij het mij toestaat. En nu, vaarwel, of liever tot ziens, Macloed. Wij zullen elkander zeker spoedig terug zien.”

De grijsaard drukte den werkman de hand en wilde zich verwijderen, maar Macloed riep hem terug en zeide aangedaan:

„Ik zou u alles toevertrouwen, mijnheer, want ik weet dat gij een vriend van de arbeiders zijt, wanneer het slechts mijn eigen geheim was, maar het is dat van iemand, die mij zeer, zeer dierbaar is. Niemand kan zeggen, of dat geheim niet op een andere wijze zal uitlekken, maar ikzelf kan en wil het niet zeggen, het zou mij breken.”

En zonder af te wachten, wat de grijsaard zou zeggen, snelde Macloed weg. De oude man bleef hem nog even nakijken en wenkte toen den chauffeur van de huurauto, die zijn voertuig op een afstand van vijftig meter had laten stil staan.

Dadelijk kwam de auto aanrijden en de oude man stapte in, nadat hij op zachten toon tot den chauffeur gezegd had:

„Het is al laat, Henderson, rijd me maar naar huis.”

De chauffeur liet de auto keeren en in snelle vaart reed het voertuig nu door de drukste straten van Londen en vervolgens langs het Theems Embankement naar Pall Mall en vandaar naar de Regentstreet.

De chauffeur opende de deur, de auto reed naar binnen, de deuren sloten zich vanzelf weder en daarop stapte de oude man uit, liep door den tuin op het huis toe, ging toen door een achterdeur binnen en besteeg met een vlugheid, die verwonderlijk mocht heeten voor een vijf en zeventig-jarige, een breede trap op, die naar een tweede verdieping van het huis voerde, tot hij stil stond voor een wit gelakte deur.

Hij opende deze en trad een fraaie slaapkamer binnen.

En daar gekomen deed de grijsaard iets zeer eigenaardigs. Hij nam een witte pruik af, en ontdeed zich vervolgens van den eerwaardigen witten baard, die het benedenste gedeelte van zijn gelaat verborg.

Tenslotte nam hij plaats voor een kaptafel, en begon daar zijn gelaat te ontdoen van een zeer dun laagje van één of ander kleurmiddel, van de rimpels, die naast de oogen en naast den neus door de huid schenen te groeven en die het voorhoofd doorgroefden. Dat alles met behulp van een kleurloos vocht, hetwelk deze eigenaardige schmink als bij tooverslag liet verdwijnen.

Binnen vijf minuten had het gelaat van den grijsaard plaats gemaakt voor dat van een man in de kracht van zijn leven, met doordringende grijze oogen, een hoog gewelfd voorhoofd en scherp geteekende trekken, die van een ontembare wilskracht en een buitengewone schranderheid getuigden.

De man, die daar voor den spiegel zat en de laatste restjes van het kleursel met een schoone witte lap van zijn gelaat veegde, was John Raffles, alias Lord Edward Lister, de Groote Onbekende, door de politie spottenderwijze zoo geheeten, maar bij anderen bekend als de Gentleman-Inbreker, en die dit huis bewoonde onder het mom van Lord William Aberdeen, een schatrijk en eenigszins zonderling filantroop, welbekend bij de meeste Londensche instellingen van liefdadigheid.

Nog terwijl Raffles bezig was, zijn boord aan te doen en zijn das te strikken nadat hij zijn lompen verwisseld had tegen een rokcostuum, een waar kunstgewrocht van een der duurste en bekwaamste Londensche tailleurs, werd er op de deur geklopt en een heldere stem riep:

„Mag men binnen komen?”

„Ben jij het, Charly. Een oogenblikje.”

Raffles trad op de deur toe en draaide den sleutel in het slot om.

Nu trad een jonge man het vertrek binnen, nog in den bloei der jeugd, met een rond lachend gelaat, waarin twee blauwe oogen glansden, wangen als van een meisje, maar met een krachtig geteekende kin, die veel weg nam van den indruk van de vrouwelijke zachtheid, welke het gelaat op het eerste gezicht maakte.

Het was Charly Brand, de trouwe vriend van John Raffles en diens metgezel bij de meeste zijner gevaarlijke avonturen, beleefd in alle werelddeelen, en in verbijsterende opeenvolging, die de zenuwen van een normaal mensch binnen korten tijd zouden hebben geknakt.

Maar de zenuwen van John Raffles en van zijn getrouwe waren van staal, en vooral de Gentleman-Inbreker scheen het begrip „vermoeidheid” slechts van hooren zeggen te kennen.

„Wel, ben je nog al wat kwijt geraakt?” vroeg Charly Brand lachend, terwijl hij Raffles de hand toestak.

„Ditmaal heb ik den inhoud van mijn linnen zak niet geheel kunnen wegschenken, want er heeft zich iets voorgedaan, dat mij lang ophield en verandering in mijn route bracht.”

En nu deelde Raffles in weinige woorden mede, wat hem zooeven in de Penningtonstreet vóór de fabriek van de heeren Bates en Holborn wedervaren was.

Charly had aandachtig toegeluisterd en toen Raffles zijn verhaal geëindigd had, mompelde hij half in gedachten voor zich heen:

„Bates, en mededirecteur van de machinefabriek. Maar die is geloof ik lid van de Windsorclub, die de eer heeft, jou als vice-president te kennen.”

„Zou het dezelfde zijn?” kwam Raffles.

„Dat zou me althans niet verwonderen. Bates is sedert een paar maanden lid, maar ik kan niet zeggen, dat ik veel met hem op heb. Hij is een bruut, een hartelooze schelm, die alles zou opofferen aan zijn persoonlijke genietingen. Maar wat kan hij wel gehad hebben met dien ouden werkbaas, Macloed heet hij, nietwaar?”