Lord Lister No. 0382: De agent van Lenin

Part 3

Chapter 33,952 wordsPublic domain

Zoo gingen er een paar dagen voorbij, welke Raffles besteedde aan het opmaken van een plan en het bespioneeren van den Russischen agent, zonder dat deze er een flauw vermoeden van had, dat al zijn gangen werden nagegaan, nu eens door Charly Brand, op de oogenblikken dat deze vrij was, dan weder door Henderson, den reusachtigen chauffeur van den Grooten Onbekende, die hem in bijna al zijn avonturen trouw terzijde had gestaan en hem reeds menigmaal het leven had gered, maar meestal toch door Raffles zelf, die daartoe den meesten tijd en ook de meeste bekwaamheden bezat.

Als een kat de muis, zoo hield Raffles den Bolsjewistischen agitator in het oog, ieder oogenblik gereed om toe te springen.

Hij woonde nog steeds als de gebogen grijsaard in het Hotel Cecil, maar men was daar reeds gewend aan zijn bewegelijken aard en aan zijn langdurige afwezigheden.

Het was omstreeks vijf dagen nadat Raffles voor het eerst het vertrek van den Rus had onderzocht en omstreeks tien uur in den morgen, toen Bogowitsj een der kelners last gaf zijn auto te laten voorkomen.

Een paar seconden later wist Charly, dat Bogowitsj voornemens was uit te rijden en onmiddellijk zocht hij Raffles op om het dezen mede te deelen. En hij wist hem nog iets nieuws te zeggen, namelijk, dat de secretaris van Bogowitsj de rekening voor hen beiden betaald had, want dat de beide Russen dienzelfden middag een kleine rondreis zouden beginnen door het Zuiden van Engeland, die vijf dagen zou duren.

Hun kamers bleven aangehouden en de huur ervan zou betaald worden, zoodat niemand het recht had daar te logeeren gedurende den tijd, dat Bogowitsj afwezig zou blijven.

Wat Biridef betreft, hij zou vooruit reizen en voor zijn meester en zichzelf kamers bespreken in een hotel in een der steden van Wales. Welke, dat wist Charly echter niet mede te deelen, want daaromtrent had de secretaris zich nog niet uitgelaten.

Daar er echter koffers moesten verzonden worden, zou het Charly waarschijnlijk niet moeilijk vallen de plaats van bestemming der beide Russische Bolsjewisten te ontdekken.

Onmiddellijk maakte Raffles zich gereed den Rus te volgen.

Hij begreep wel, dat hij het zonder geld op reis niet zou kunnen stellen, en reeds het volgende uur zou bewijzen, dat Raffles daarin goed gezien had....

Hij verliet zoo spoedig hij kon het hotel en liep een zijstraat in, waar hij wist, dat Henderson hem met onuitputtelijk geduld wachtte achter het stuurwiel van een der grootste en snelste auto’s.

Hij gaf den braven reus op gedempten toon een kort bevel, stapte in de auto, die haastig wegreed, liet de beide gordijntjes neer en trok toen van onder een der banken een breede doos te voorschijn, welke bij opening een aantal pruiken, valsche baarden, wat geheimzinnige potjes en fleschjes en verder een paar stellen kleederen bleek te bevatten.

In een oogwenk had Raffles zich ontdaan van zijn witte pruik en zijn uiterlijk een geheele gedaanteverwisseling doen ondergaan.

Hij zag er nu uit als een soort banklooper en de gelijkenis werd nog treffender, toen hij uit een andere bergplaats in de groote auto een groote lederen portefeuille te voorschijn haalde, zooals men die wel door bankbeambten ziet gebruiken.

Dit alles had zeker geen vijf minuten geduurd en op dat tijdstip stond de auto reeds weder dicht bij het Hotel Cecil stil, maar thans in een andere straat dan zooeven.

Raffles had de gordijntjes reeds weder opgehaald en wierp een blik naar buiten; zoo juist was de maandauto van Bogowitsj voorgereden en daar kwam hijzelf reeds de trappen van het terras afdalen, terwijl hij zijn handschoenen dichtknoopte en vergezeld door Biridef, die een lederen handvalies droeg.

De beide Russen spraken zacht met elkander.

„Zoo, zoo, het schijnt dat Biridef al op reis gaat. Hij lijkt wel een impresario, die voor een operaster alles van te voren in orde moet maken.”

Daar Henderson zijn bevelen reeds gekregen had, bleef Raffles rustig waar hij was en zag toe, hoe de beide Russen instapten, waarop de auto wegreed.

Henderson had echter eveneens het voertuig goed in het oog gehouden en begon het nu te volgen.

Na een rit van ongeveer twintig minuten hield de auto stil en toen Raffles door de voorruit keek, zag hij, dat de wagen van de twee Russen stilhield voor den breeden, somberen ingang van het Victoria Station.

Hij zag, hoe het portier openging, hoe Biridef uitstapte, met zijn valies beladen, en daarop Bogowitsj de hand drukte, om ten slotte haastig in het stationsgebouw te verdwijnen.

Raffles keek even op zijn horloge en bromde voor zich heen:

„Over vijf minuten vertrekt er een trein naar Dublin, onze man maakt groote haast en zoo zou het mij niet verwonderen, dat hij dien trein moest halen. Nu, dat is voorloopig van minder belang. Biridef is voorloopig van het tooneel verdwenen en dat komt mij bijzonder te stade.”

Intusschen was de auto van Bogowitsj reeds weder verder gereden, om pas na verloop van omstreeks drie kwartier ten tweede male stil te staan, thans voor het groote gebouw van de Midland Bank, in Suffolk Road.

In een wip had Raffles zijn plaats in de auto verlaten en stapte uit.

„Wachten tot ik terug kom,” zeide hij op zachten toon tot Henderson.

Het volgende oogenblik was hij in het bankgebouw verdwenen, met zijn portefeuille onder den arm geklemd, op een paar passen afstands achter Bogowitsj, dien hij nu niet meer uit het oog wilde verliezen.

De Rus richtte zich zonder links of rechts te zien en als iemand, die er den weg weet, naar de groote marmeren hall, waar zich de loketten bevonden, ging deze door en nu opende, nadat hij eenige woorden met den man gesproken had, de buigende concierge onderdanig het vergulde hek voor hem, waarop in kleine koperen lettertjes te lezen stond: „Credietbrieven en deposito’s”.

Door de spijlen van het hek kon Raffles gemakkelijk alles waarnemen, wat er geschiedde.

Bogowitsj nam plaats in een der gemakkelijke leunstoelen, die bij een der groote ramen om een rooktafeltje geschaard stonden en een oogenblik later trad er handenwrijvend en glimlachend een kaalhoofdig heer in een deftig gekleede jas op hem toe.

De Rus scheen hem te kennen, knikte hem hooghartig toe, haalde zijn portefeuille te voorschijn, teekende eenige papieren, welke de heer met de zwarte jas in ontvangst nam, waarop deze zich haastig verwijderde.

Raffles had zich een plaatsje veroverd bij een der loketten, tusschen een aantal andere wachtenden in en zoo kon hij waarnemen, wat daar binnen geschiedde, zonder dat het opviel.

Na verloop van omstreeks tien minuten kwam de heer met de gekleede jas terug, drukker dan ooit in zijn handen wrijvend en thans vergezeld door een tweeden heer, die een klein kistje droeg, hetwelk hij op het rooktafeltje plaatste en opende.

De man stond half met zijn rug naar het vergulde hek toe, maar toch kon Raffles aan zijn bewegingen heel goed zien, dat hij bezig was, bankbilletten af te tellen, met de raadselachtige vlugheid, welke aan geoefende kassiers eigen is.

Het duurde vrij lang en telkens maakte de heer met de zwarte jas een korte aanteekening in een notitieboekje, dat hij uit zijn zak had gehaald.

Eindelijk werd het kistje weer gesloten, Bogowitsj stond op, streek een zeer grooten stapel bankpapier naar zich toe, begon die in zijn portefeuille te rangschikken en moest daar nog een tweede bij te hulp roepen, terwijl de beide bankbeambten eerbiedig als bij een plechtigheid toekeken.

Toen begeleidden zij hem gezamenlijk naar de deur in het vergulde hek, en trapten elkander bijna op de teenen in hun haast om haar voor den voordeeligen klant te openen.

Bogowitsj had de beide portefeuilles zorgvuldig in zijn binnenzak geborgen, zijn jas en vervolgens zijn pels erover dichtgeknoopt.

Met een korten hoofdknik nam hij afscheid van de beide bankbeambten en verliet vervolgens het bankgebouw weder.

Dadelijk volgde Raffles hem weder, terwijl hij bij zichzelf mompelde:

„Hij schijnt daar heel wat te hebben opgestreken en dat zonder veel omslag. Nu, het zal niet aan mij liggen, als hij niet langer dan tot vanavond in het bezit van dat gestolen geld blijft.”

En met dit voornemen bezield nam Raffles weder in zijn auto plaats en volgde den wagen van den Rus weder naar het Hotel Cecil terug.

Het was op dat oogenblik omstreeks half twaalf in den morgen.

Een kwartier daarna vroeg en kreeg de pas aangenomen étage-kelner over wien de oberkelner zeer tevreden was, verlof om zijn vrijen middag reeds op dat oogenblik aan te vangen.

— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —

Omstreeks tien minuten voordat de bel voor den lunch zou weerklinken door het groote hotel, hield er een gewone huurauto voor stil, waaruit twee mannen stapten, waarvan de eene een uniform droeg van inspecteur van politie.

De ander was als een gewoon burger gekleed, maar een kenner zou in hem op een mijl afstand den rechercheur herkend hebben.

Hij was een groote, zwaargebouwde en blijkbaar een zeer sterke kerel, in staat om desnoods drie mannen tegelijk de boeien aan te doen.

De beide mannen gingen haastig de vestibule van het hotel binnen en wendden zich dadelijk naar de loge van den portier, die hen niet zonder verbazing zag naderen.

„De gérant?” vroeg de inspecteur kortaf.

„De gérant is in de eetzaal, mijnheer. Wenscht gij hem te spreken?”

„Ja. Kunt gij hem telefonisch waarschuwen? Ik wil liever niet naar binnen gaan.”

„Niets is gemakkelijker, mijnheer. Wie moet ik bij hem aandienen?”

„Zeg eenvoudig, dat er een inspecteur van politie is voor een ernstige zaak.”

Hoofdschuddend nam de portier het toestel ter hand, sprak er een oogenblik in en zeide toen:

„De gérant komt onmiddellijk bij u.”

„Het is goed. Zeg mij eens, goede vriend, hebt gij graaf Stijkof, nadat hij omstreeks half twaalf met zijn auto was teruggekeerd, nog zien uitgaan?”

„Graaf Stijkof?” herhaalde de portier verbaasd en tegelijk verschrikt. „Neen, mijnheer, die is dadelijk naar zijn kamer gegaan en daar moet hij nu nog zijn.”

„Wanneer dacht hij op reis te gaan?”

„Om vier uur!”

„Weet gij niet waarheen?”

„Zeker weet ik het niet, mijnheer, maar zijn koffers zijn naar Dover geadresseerd.”

Op dat oogenblik verscheen de gérant in de loge, die den inspecteur van politie onthutst aankeek, en zeide:

„Wat wenscht gij, mijnheer? Wat kan die ernstige zaak zijn waarvoor gij mij wenscht te spreken?”

„Dat zal ik u dadelijk zeggen, mijnheer,” antwoordde de inspecteur. „Ik kom hier om graaf Stijkof te arresteeren.”

„Wat zegt gij daar! Het kan u toch geen ernst zijn?” riep de gérant verschrikt uit.

„Volmaakte ernst, mijnheer!”

„Maar waarom dan in ’s hemels naam?”

„Omdat er zeer ernstige verdenkingen tegen hem bestaan!”

„Van welken aard?”

„Wij vermoeden, dat hij volstrekt geen graaf is en ook geen Stijkof heet, maar dat hij door het propaganda-comité te Moskou hierheen is gezonden, teneinde hier de geesten rijp te maken voor de revolutie!”

„Maar dat klinkt ongeloofelijk, mijnheer!” hernam de gérant, die zeer bleek was geworden. „Graaf Stijkof is heel rijk en wij zagen hem altijd aan voor een werkelijken edelman.”

„De schijn bedriegt vaak, mijnheer,” hernam de inspecteur met een eigenaardig spotlachje, „en wat het rijk zijn betreft, wel, de Russische propagandisten voor de Bolsjewistische idee kunnen over net zooveel geld beschikken, als zij maar verkiezen; er zijn door de Sovjet-autoriteiten ongeloofelijke sommen gestolen van de rijken en de edelen in Rusland; er zijn duizenden juwelierswinkels geplunderd en de opbrengst daarvan is eenvoudig niet te becijferen. Hier is mijn aanstelling, mijn rechercheur zal u eveneens zijn penning laten zien. Gij zult zeker wel zoo goed zijn, ons even naar het logeervertrek van den graaf te brengen. Ik heb hier een machtiging om tot huisonderzoek over te gaan.”

„Maar bedenk eens, als gij u vergist!” riep de gérant wanhopig uit. „Wij moeten denken om den naam van ons hotel! En zal zoudt gij u niet vergissen, het zou voor ons een buitengewoon groot schandaal zijn.”

„Wij vergissen ons niet, mijnheer,” hernam de inspecteur koeltjes. „Ik wil u echter wel belooven, dat alles zoo bedekt mogelijk in zijn werk zal gaan, zoodat het niet zal uitlekken, wat hier zal geschieden. Mocht het inderdaad blijken, dat wij ons toch nog vergist hebben, wat ik niet geloof, dan zal ik mij haasten u mijn verontschuldigingen aan te bieden. Gij zult wel zoo goed zijn ons te vergezellen en bij de huiszoeking aanwezig te zijn.”

„Maar graaf Stijkof zal vreeselijk opspelen!” meende de gérant hoofdschuddend, die alles behalve was ingenomen met dit onverwachte incident.

„Als dat het ergste is....!” kwam de inspecteur schouderophalend. „Beter dat uw gast een weinig uit zijn humeur is, dan dat een geheel land naar den ondergang wordt gestuurd.”

De gérant zuchtte en zeide toen:

„Als het niet anders gaat, in ’s hemelsnaam dan! Maar ik verzoek u dringend zoo voorzichtig mogelijk te werk te gaan, want gij moet wel begrijpen, welk een schade het voor onze inrichting oplevert, als er iets dergelijks binnen haar muren voorvalt, onverschillig of de betichting van vijandelijke propaganda op waarheid berust of niet.”

„Ik herhaal u nogmaals, dat ik niet zal nalaten, om alles zoo geheim mogelijk te doen geschieden,” hernam de politie-beambte. „En laten wij nu maar spoedig gaan. De Rus is zeker op zijn kamer?”

„Ja, en gij zult u moeten haasten, want hij wil deelnemen aan den lunch en de groote gong in de vestibule zal wel dadelijk slaan!”

„Vooruit dan maar!” kwam de inspecteur nu.

Hij wendde zich naar de deur, maar voor hij het vertrek verliet, zeide hij tot den portier:

„Met niemand een woord hierover, verstaat gij? Vooral geen opschudding. Wij zijn nog meer Bolsjewisten op het spoor en hoe langer zij in onzekerheid zijn omtrent het lot van hun chef, hoe beter het voor ons is.”

„Ik beloof u, dat ik er met niemand een woord over zal spreken, mijnheer,” antwoordde de portier benauwd.

Hierop volgden de beide politiemannen den gérant, die hen vlug, zeer bevreesd, dat een van de gasten hen onderweg zou zien, tot voor de deur van het appartement van den gewaanden graaf bracht.

Juist ging deze deur open en Bogowitsj, blootshoofds en blijkbaar voornemens om zich naar de groote eetzaal te begeven, verscheen op den drempel.

De inspecteur deed een stap op hem toe en zeide op zachten toon:

„In naam des Konings, Fedor Bogowitsj, ik arresteer u!”

HOOFDSTUK V.

DE AFWIKKELING DER ONDERNEMING.

Bogowitsj bleef een oogenblik doodstil staan, liet zijn zwarte oogen van den een naar den ander dwalen en vroeg toen, terwijl hij den inspecteur strak aankeek:

„Met welk recht wilt gij mij gevangen nemen? Wat heb ik misdaan? Heeft een Rus dan niet meer het recht hier te vertoeven?”

„Dat heeft hij slechts onder zekere omstandigheden,” antwoordde de inspecteur koeltjes. „Ten eerste moet hij een erkend middel van bestaan hebben, ten tweede moet hij zijn eigen naam voeren, ten derde moeten zijn passen in orde zijn en dan moet hij zich ten vierde vooral niet inlaten met vijandelijke propaganda.”

„Wat verstaat gij daaronder?” vroeg Bogowitsj op gedempten toon.

„Dat weet gij evengoed als ik,” antwoordde de inspecteur. „Gij zijt een Bolsjewist, wat niemand u hier kan kwalijk nemen en gij wilt het Bolsjewisme ook in Engeland invoeren, en dat duidt men u daarentegen zeer euvel!”

„Hoe zult gij mij dit bewijzen?”

„Kom, kom, Fedor Bogowitsj,” riep de inspecteur ongeduldig uit, „tracht u niet langer van den domme te houden! Uit het feit, dat ik uw waren naam ken, moest u reeds voldoende blijken, dat ik u doorzien heb. Maar als gij nog meer bewijzen wilt, ik ben overtuigd, dat wij die hier in uw kamer te kust en te keur zullen vinden!”

De inspecteur, de rechercheur en de gérant waren het logeervertrek reeds binnen getreden en de laatste had de deur snel gesloten, bevreesd als hij was, dat er iets van het schandaal naar buiten zou uitlekken.

De inspecteur wierp een snellen blik om zich heen, terwijl de andere beambte den Rus goed in het oog hield.

Er stonden reeds een paar handvaliezen gepakt en een groote koffer stond in een hoek van het vertrek, nog niet gesloten, maar tot aan den rand met kleederen gevuld.

Blijkbaar was de Bolsjewiek voornemens geweest, dadelijk na den lunch de toebereidselen voor zijn reis voort te zetten.

„Ga daar zitten,” zoo wendde de inspecteur zich tot Bogowitsj, „en verroer u niet! Doorzoek zijn zakken!”

Dit laatste werd gezegd tot den rechercheur, die dadelijk op den gewaanden graaf toe trad.

Bogowitsj verbleekte en riep op doffen toon:

„Durft gij het wagen mij te fouilleeren?”

„Ik zou u aanraden een minder hoogen toon aan te slaan,” kwam de inspecteur hooghartig. „Wij weten reeds alles van u, Fedor Bogowitsj.”

„Misschien.... is het toch wel een vergissing,” kwam de gérant benauwd, terwijl hij zenuwachtig zijn handpalmen over elkaar wreef. „Als dat werkelijk zoo mocht blijken te zijn, graaf, dan....”

„Het is geen vergissing, mijnheer!” riep de inspecteur ongeduldig uit. „Gij zult u er aanstonds zelf van kunnen overtuigen.”

De rechercheur had intusschen, terwijl de inspecteur met getrokken revolver voor den Rus had plaats genomen, de zakken van dezen laatste met groote snelheid geledigd en den inhoud op de tafel uitgespreid.

Nu nam de inspecteur deze voorwerpen achtereenvolgens op, en zeide, zich half tot den gérant keerend:

„Gij ziet wat het is! Een kleine browning met scherp geladen, een paar portefeuilles opgepropt met Engelsch bankpapier, een boksbeugel, een gummi ploertendooder, een paspoort ten name van graaf Stijkof, een brochure over het Bolsjewisme, of liever de proefjes ervan met blauw potlood gecorrigeerd, en een zeemlederen zakje met ongeslepen en geslepen diamanten, ter waarde van omstreeks tien duizend pond sterling. Denkt gij, dat de echte graaf Stijkof zulk een zonderlinge verzameling in zijn zak zou medevoeren?”

De gérant keek bedremmeld voor zich.

Hij zag zelf wel in, dat hetgeen hier te voorschijn was gekomen, in de zakken van een uitgeweken Russischen graaf al een zeer vreemd figuur zou maken, maar de houding van Bogowitsj was nog altijd zoo zelfbewust en hooghartig, dat de gérant nog steeds meende, met de een of andere grap of met een betreurenswaardige vergissing te doen te hebben.

Raffles zag de aarzeling op zijn gelaat en vervolgde schouderophalend:

„Ik zie wel, dat gij meer noodig hebt om u te laten overtuigen, mijnheer! Welnu, ik ben voorzien van een volmacht hier in de kamer van den verdachte huiszoeking te doen en ik noodig u uit, daarbij tegenwoordig te blijven. Er zal nog wel het een en ander aan den dag komen, in staat om ook uw laatsten twijfel geheel weg te nemen.”

En terwijl de rechercheur den arrestant met zijn revolver in bedwang hield, begon de inspecteur met een handigheid, die de bewondering van den gérant opwekte, alle meubels grondig te onderzoeken.

Hij liet geen lade ongeopend, geen kast ondoorzocht, geen vakje ondoorsnuffeld.

Maar vooral de koffer van Bogowitsj scheen zijn aandacht tot zich te trekken.

Hij keerde het ding eenvoudig op den vloer om, zoodat de geheele inhoud er uit rolde, schopte alles met zijn voet uiteen, haalde er een sandelhouten cassette uit, die op slot bleek te zijn en had haar binnen enkele tellen geopend, terwijl Bogowitsj schuimbekkend van woede toekeek.

Maar daarin scheen hij niets van belang te ontdekken, want ofschoon de doos een aantal papieren bevatte, die de inspecteur snel doorlas, wierp hij slechts nu en dan een veelzeggenden blik op zijn gevangene.

Hij keerde de cassette om, klopte op den bodem, mat met behulp van zijn zakpotlood eerst de binnenzijde en vervolgens den buitenkant en... glimlachte.

Zonder zich de moeite te geven te zoeken naar de juiste ligging van het geheime vakje, dat hij zooeven had ontdekt door een eenvoudige meetbewerking, liet hij het kistje op den grond vallen en zette er den voet op.

Krakend barstte het uiteen.... en daar vielen eenige papieren uit.

Bogowitsj was met een onwillekeurige beweging opgesprongen om te voorkomen, dat de inspecteur de papieren zou oprapen, maar met een enkelen duw kwakte de rechercheur hem zeer onzacht weder op zijn plaats.

De inspecteur raapte snel de papieren op en nauwelijks had hij er een blik op geworpen of hij riep zegevierend:

„Nu zult gij u toch wel gewonnen moeten geven, mijnheer de gérant! Wat ik hier in mijn hand heb zijn de legitimatiebewijzen van Bogowitsj, op zijn eigen naam gesteld en die hem toegang moeten geven tot de Bolsjewisten, die hier reeds in ons land vertoeven, niet bepaald tot zijn meerder geluk. En dan zijn er nog eenige brieven, die u echter weinig belang zullen inboezemen, maar mij des te meer.”

De gérant liet zich op een stoel neervallen en wischte zich met zijn zakdoek het voorhoofd af.

Toen stamelde hij:

„Wie had dat ooit kunnen denken! Ik bid u, inspecteur, kan dat alles niet in het geheim behandeld worden? Bedenk, dat de naam van een der grootste hotels van Londen er mee gemoeid is. Het is nog niet zoolang geleden, dat wij hier een zeer onaangenaam voorval hebben moeten beleven, waarin John Raffles, u natuurlijk wel bekend, een groote rol heeft vervuld, en nu dit weer.... werkelijk, wij zouden het op hoogen prijs stellen, wanneer er in het geheel geen ruchtbaarheid aan deze zaak werd gegeven.”

„Ik kan u daaromtrent volstrekt geen vaste toezeggingen doen, mijnheer,” antwoordde de inspecteur, om wiens lippen heel even een zonderling glimlachje gespeeld had, toen de gérant den naam van John Raffles noemde, „maar wel wil ik u belooven, dat ik bij mijn chefs de grootst mogelijke stilzwijgendheid zal bepleiten. Dat is ook voor onszelven van belang, want hoe minder wij van deze aangelegenheid aan de groote klok hangen, hoe gemakkelijker wij ook de overige vooraanstaande Bolsjewisten in handen zullen krijgen. Wij zullen hen zeker niet ontijdig waarschuwen door al te veel ophef van de arrestatie van Bogowitsj te maken.”

„Ik zeg u daarvoor hartelijk dank, mijnheer,” riep de gérant uit. „Een avontuur met Raffles is voor ons al meer dan voldoende, de eerste jaren behoeven wij niets meer van dien aard te beleven, dat verzeker ik u.”

„Dat kan ik mij levendig voorstellen,” zeide de inspecteur droogjes. „En nu zullen wij maar aanstonds handelend optreden.”

Hij wendde zich tot den arrestant en zeide:

„Wij zullen u uwe overjas over de schouders werpen, zoodat niemand zal kunnen zien, dat gij geboeid zijt. Maar ik waarschuw u, dat iedere poging om te ontvluchten voor u zeer ernstige gevolgen zal hebben; maar eerst de stukken van overtuiging....”

Snel greep de inspecteur een valies, dat onder het bereik van zijn hand op de tafel stond en nog geheel ledig was, en begon er de papieren en het geld in te pakken.

Dit alles duurde nauwelijks eenige minuten.

Hij sloot het valies, nam het op, tikte even aan zijn pet voor den gérant, die met bleek gelaat op dezelfde plek was blijven staan en zeide op korten toon tot den rechercheur:

„Doe hem zijn jas om!”

De reusachtige politiebeambte deed wat hem bevolen was, na de jas van den stoel te hebben genomen, waar zij gereed lag.

Daarop vervolgde de inspecteur, zich tot zijn gevangene richtende:

„Sta op en loop voor mij uit. Hoe vlugger gij loopt, hoe minder men u arrestatie zal bemerken.”

„Gij schijnt te vergeten, dat ik er wel eens op gesteld kon zijn, dat men mijn arrestatie juist wel en zeer duidelijk bemerkte, mijnheer!” zeide Bogowitsj op doffen toon.

„Aha, ik begrijp wat gij zeggen wilt,” kwam de inspecteur spottend. „Gij hebt hier zeker kameraden in de buurt, die wraak zouden kunnen nemen, niet waar? Laat ik u mogen zeggen, dat wij ook hierop gerekend hebben. En nu geen praatjes meer, vooruit!”

De kleine stoet verliet het vertrek.

Vooraan liep Bogowitsj en hij had in het hotel zeker geen medeplichtigen, want hij liep zeer snel en scheen verlangend te zijn het gebouw te verlaten.

Beneden gekomen keek hij even rond en stapte toen, op een wenk van den inspecteur in de wachtende auto.