Lord Lister No. 0345: De bankroovers
Part 4
Maar al had de jonge man dit bevel willen opvolgen, dan zou hij het toch niet hebben kunnen doen.
Want boven, in de deuropening, verscheen een vierde man, met een revolver in de vuist en er viel niet aan te denken, dat Charly, in de positie waarin hij als het ware aan de trap vastkleefde, met eenige kans van raken van zijn eigen wapen gebruik zou kunnen maken.
Lang voor hij het had kunnen grijpen, zou de ander hem hebben kunnen neerschieten.
En daarom deed hij het verstandigst, wat er in de gegeven omstandigheden te doen viel, hij liet zich op zijn beurt op den vloer vallen, en werd evenals Raffles overmand.
De drie geheimzinnige mannen hadden hun gevangenen snel van hun wapens beroofd, en dwongen hen nu, door de nauwe opening in een der muren te gaan, waardoor zij zelven waren binnengekomen.
Nu bevonden zij zich in een tweeden kelder, maar veel lager en kleiner dan de andere, en met onregelmatige wanden, hier en daar met sterke eikenhouten balken gestut.
Dicht bij een der langste wanden stond een krachtige dynamo, en de dikke draden daarvan verdwenen in de zoldering.
Behalve deze machine stond er nog een kleine keukentafel en een tweetal stoelen.
Op de tafel lag een vel papier, bedekt met teekeningen en cijfers.
Zelfs in den toestand waarin hij zich thans bevond, was Raffles helder genoeg van geest om dadelijk te zien, dat daar een keurig geteekend plan van de tunnel voor hem lag.
Voor de tafel zat een breedgeschouderd man met kleine, opmerkelijk glanzende zwarte oogen.
Raffles herkende hem op het eerste gezicht, het was de zoogenaamde drukker.
De man scheen zich volstrekt niet bijzonder te verbazen over de komst van de twee indringers, en keek ternauwernood op van het plan, in welks beschouwing hij geheel verdiept was.
De kleine kelder was zeer helder verlicht door een booglamp, die aan den zolder hing.
„Hier zijn de mannen, chef!” zeide een der drie kerels, die zich van de twee vrienden hadden meester gemaakt.
Nu wendde de man met de glanzende oogen zich met een ruk op zijn stoel om, en keek Raffles en Charly beurtelings onderzoekend aan.
„Zoo, dus mijn kleine val heeft goed gewerkt, en hedennacht is er, geloof ik, kostbaar wild ingeloopen! Ik heb zeker het genoegen, met de eigenaars van de tunnel te spreken, die rechtstandig op de mijne loopt, ongeveer ter hoogte van de Baker-Street?”
„Het genoegen is geheel aan onze zijde, mijnheer de drukker!” kwam Raffles minzaam. „Gij ziet, dat ik u herken, al hebt gij, daar het hier tamelijk warm is, afstand gedaan van de fraaie pruik, welke u tooide, toen ik voor de eerste maal tot u het woord mocht richten. Maar nu ik u wat nader beschouw, meen ik u van vroegere gelegenheid te herkennen! Indien mijn geheugen mij niet bedriegt, zijt gij lid van de Bende der Wolven, en draagt gij den goed gekozen bijnaam „de Lynx” waarschijnlijk wegens uw fonkelenden blik!”
De Lynx was langzaam opgestaan, en plaatste zich nu met de handen in de zijde voor Raffles.
Zijn wenkbrauwen waren dreigend zamengetrokken.
„Die man uit de provincie, dat waart gij dus? Nu, laat ik tot mijn eigen lof zeggen, dat ik u dadelijk gewantrouwd heb, al erken ik, dat gij voortreffelijk waart in uw rol! Lieden als wij moeten steeds wantrouwend zijn, begrijpt gij?”
„Volkomen!” antwoordde Raffles rustig. „Als men een aanslag wil plegen op een instelling als de Midland-Bank, dan is men allicht geneigd in iederen vreemdeling een afgezant van de gevreesde politie te zien!”
„Gij zijt bijzonder goed op de hoogte,” bromde de Lynx tusschen de tanden, en er verscheen een gevaarlijk licht in zijn gitzwarte oogen. „Maar misschien zal u blijken, dat ook wij niet tot de domooren behooren! Ik begin nu in te zien, hoe de zaak zich heeft toegedragen. Gij hebt in uw eigen tunnel, welke gij zoo goed hebt weten te verdedigen, het gerucht van ons graafwerk gehoord, en nieuwsgierig als gij zijt uitgevallen, wellicht ook een weinig uit vrees, dat ons werk uw tunnel wel eens in gevaar zou kunnen brengen, hebt gij onderzoek gedaan naar het beginpunt van den nieuwen gang. Onze zoogenaamde drukkerij boezemde uw belang in en gij hebt, als een schrander man, uw gevolgtrekkingen gemaakt uit zekere zonderlinge zaken in die drukkerij! Gij ziet, dat ik er niet aan denk, er doekjes om te winden! Het zal u spoedig genoeg blijken, waarom ik zoo openhartig met u spreek.”
„Ik begrijp het nu al, met lieden, die in onze macht zijn, behoeven wij geen schuilevinkje te spelen, denkt gij!” kwam Raffles bedaard.
„Gij geeft werkelijk blijk van een helder doorzicht!” riep de Lynx sarcastisch uit. „Inderdaad zijt gij niet ver bezijden de waarheid! Ik wil u wel zeggen, dat wij voor hedennacht uw onwelkom bezoek wachtende waren. Toen wij het gat in uw tunnelwand geslagen hadden, en gij dat gat afsloot met duivelsch harde staalplaten, toen begrepen wij, dat gij er het grootste belang bij had, het geheim van uw eigen gang te bewaren. Wij hebben door het gat eenige dingen gezien, die ons zeer verbaasden, ik behoef zeker niet nader te verklaren, wat dat geweest is. Gij moest er rekening mede houden, dat binnen niet al te langen tijd uw stalen borstwering toch zou bezwijken, en daarom, zoo redeneerden wij, kondet gij wel eens beproeven, hier een inval te doen! Gij zult moeten toegeven, dat die redeneering niet zoo dom was!”
„Ik verklaar zelfs, dat zij uit een helderen kop afkomstig is!” kwam Raffles hoffelijk.
De Lynx maakte een gebaar van ironische dankbetuiging, en vervolgde:
„Wie gij zijt weet ik niet, ofschoon ik wel zekere vermoedens koester, welke ik echter voorloopig voor mij wensch te houden. Maar het doet er ook weinig toe, wie gij zijt. Voor mij is het gewichtigste uw tunnel.”
Hij zweeg even, en wierp een loerenden blik op het gelaat van Raffles, die onbewegelijk tegenover hem stond.
„Het moet wel een zeer bijzonder soort van tunnel zijn, daar gij haar zoo hardnekkig verdedigt!” ging de Lynx voort. „En een man, die zoo maar over een stel van de allerbeste staalplaten beschikt, die is zeker niet de eerste de beste! De man laat mij koud, tenminste voor het oogenblik, maar het geheim van de tunnel moet ik tot iederen prijs doorgronden! Het kan mij en mijn vereeniging van het grootste nut zijn....”
Hij keek Raffles onderzoekend aan, maar deze bleef zwijgen, en hij ging voort:
„Wel, wat hebt gij hier op te antwoorden?”
„Wat zou ik er op moeten antwoorden?” vroeg Raffles koeltjes. „Natuurlijk denk ik er geen seconde aan, u het geheim van een tunnel mede te deelen, welke ik juist met zooveel inspanning tegen uw onbescheiden blikken heb beschermd!”
„Ah, gij weigert?” ging de Lynx voort, met een valsch lichten in zijn zwarte oogen. „Nu wij zullen wel zien.... Zeg mij eerst eens, waarom gij niet dadelijk de politie gewaarschuwd hebt, toen gij moest vreezen, dat wij dwars door uw tunnel zouden heengaan?”
„O, gij kunt er van verzekerd zijn, dat ik dat dadelijk gedaan zou hebben, als ik maar eerder geweten had, in welk huis ik moest zoeken om het begin van uw tunnel te vinden!”
„Maar toen wij het gat door den wand hadden geboord, toen belette toch niets u, de politie te gaan halen, haar in uw eigen tunnel te brengen, haar het gat te laten verwijden, en langs dien kant onze gang te laten binnendringen?”
„Ik had mijn bijzondere redenen, om dat juist niet te doen,” kwam Raffles, steeds even rustig.
„Ah, daar heb ik u!” riep de Lynx triomfantelijk uit. „De politie moest er tot iederen prijs buiten gehouden worden, niet waar? Ik had het dus bij het goede eind, dat gij..... John Raffles waart!”
„Noem mij, zooals gij verkiest!” kwam Raffles schouderophalend.
„O, gij behoeft het niet te loochenen!” riep de Lynx toornig uit. „Er is maar één man in geheel Londen in staat tot zulk een werk! Wij kennen u, wij weten, wat gij waard zijt! Gij zijt wel is waar onze doodsvijand, zoo goed als van de Bende der Raven, en van het geheele Genootschap van den Gouden Sleutel, maar niemand onzer denkt er aan, uw ongeloofelijke schranderheid en uw stoutmoedigheid te ontkennen. Wel, hoe is het, wilt gij bekennen, dat gij Raffles zijt?”
„Ik zeg u nogmaals, mijnheer de Lynx, dat het mij volkomen onverschillig is, welken naam gij mij verkiest te geven!” kwam Raffles ongeduldig. „Kom terzake, wat ik u verzoeken mag! Ik denk, dat gij binnenkort in de bank wilt inbreken, en mij zoolang wilt vasthouden totdat het ontdekken van uw tunnel er niet meer op aankomt, niet waar?”
„Welzoo, denkt gij er werkelijk zoo gemakkelijk af te komen?” riep de Lynx op woesten toon. „Neen, mijnheer Raffles. Dan hebt gij het mis! Gij deelt ons dadelijk alles mede wat wij van uw tunnel willen weten, en anders ondergaat gij de straf van alle, die een belangrijk geheim van de Bende hebben doorgrond! Ik behoef zeker niet duidelijker te zijn!”
„O neen, die moeite kunt gij u sparen,” zeide Raffles bedaard. „Ik ken uwe methodes! Welnu, ik blijf bij mijn weigering!”
„Luister dan goed naar mij, John Raffles!” zeide de Lynx, en hij kwam vlak voor Raffles staan, die geen stap terug week. „Ik geef u volle zes uren om u te bedenken, wanneer die tijd verstreken is, en gij hebt mij het geheim van uw tunnel niet medegedeeld, dan sterft gij!”
HOOFDSTUK VI.
BANGE UREN.
Raffles knipte zelfs niet met de oogen, toen hij deze vreeselijke woorden hoorde.
Hij had immers niet anders verwacht....
Zijn stem klonk volkomen helder en onbewogen, toen hij hernam:
„Ik weiger! Maar, gij zult toch zeker niet zoo beestachtig wreed zijn, mijn vriend voor mijn weigering te laten boeten?”
„Uw vriend zal uw lot deelen!” schreeuwde de Lynx, met een giftigen blik in zijn koolzwarte oogen.
„Doe dan wat gij wilt, en ik hoop dat het u niet zal berouwen!” zeide Raffles op ernstigen toon.
„Die verantwoording neem ik op mij!” zeide de Lynx hooghartig. „Het is nu twee uur, wanneer gij om acht uur morgenochtend niet tot andere gedachten zijt gekomen, dan wacht u de dood, en ik verzeker u dat wij onverbiddelijk zullen zijn! Als gij werkelijk John Raffles zijt, en daaraan twijfel ik geen oogenblik, dan zou de tegenwoordige chef van het Genootschap van den Gouden Sleutel het mij zelfs zeer kwalijk hebben kunnen nemen, dat ik u niet onmiddellijk een kogel door het hoofd heb geschoten! Maar ik wil u een kans geven, omdat ik begrijp, dat de kennis van het geheim van die tunnel voor ons van het grootste gewicht is. Die gang zal wel naar een of andere huis loopen, waar gij gewoonlijk verblijf houdt, en het zou voor ons van veel belang zijn, als wij wisten, onder welken naam John Raffles de Londensche politie zoo fijn om den tuin leidt.”
„Dat kan ik mij zeer goed voorstellen, maar daar ik van mijn kant zeer bepaald er op sta, om het geheim van die tunnel voor mij zelf te behouden, wie ik dan ook zijn moge, daarom zult gij het uit mijn mond niet vernemen! Gij hebt gelijk als gij zegt dat het van gewicht is, ik kon evengoed dadelijk een einde aan mijn leven maken, of mij gevangen gaan geven op Scotland-Yard. Gij moet dus inzien dat uw wachten vruchteloos is.”
„Wij zullen zien!” hernam de Lynx kortaf.
Hij wendde zich daarop tot de gemaskerde mannen, die zwijgend en met de revolver in de hand op dezelfde plek waren blijven staan en zeide:
„Breng hem weder naar den grooten kelder, bindt hem goed, en laat een uwer hem bewaken.”
„Neem mij niet kwalijk, chef,” zei een van de mannen, „ik zou er maar twee van maken als ik u was.”
„En het werk in de tunnel dan?” vroeg de Lynx.
Niemand antwoordde.
De chef dacht nog even na en hernam toen:
„Misschien heb je ook wel gelijk, als hij Raffles is, dan hebben wij met een gevaarlijken tegenstander te doen. Twee blijven dus hier om op hem te passen en de anderen gaan weder naar de tunnel, naar het andere einde, en stellen daar alles in het werk, om die stalen platen op te ruimen. Is dat geschied voordat de zes uren om zijn, misschien kan dat dezen man dan het leven redden, maar in het tegenovergestelde geval.....”
De Lynx voltooide den zin niet, maar de dreigende blik in zijn oogen sprak een duidelijke taal, die niet misverstaan kon worden.
Alles werd nu in gereedheid gebracht, om de beide gevangenen goed te kunnen bewaken.
Er werden twee zware stoelen ergens uit het huis gehaald en daarop werden de beide gevangenen vastgebonden, hun beenen tegen de sporten, hun armen achter de leuning, en bovendien werden hun polsen nog te samen gebonden, met het stevigste touw.
En daarop werden de stoelen midden in het vertrek gezet, zoodat de twee bewakers voortdurend om de gevangenen heen konden loopen, teneinde zich te overtuigen of de touwen nog stevig vast waren.
De Lynx had reeds al te veel gehoord van de buitengewone bekwaamheid van John Raffles om zich van de sterkste boeien te bevrijden.
De chef kwam zich zelf overtuigen, dat de touwen stevig waren geknoopt, en zeide toen, zich tot Raffles wendende:
„Zes uren, denk er om! Gij hebt het leven thans in uw eigen hand! In uw eigen belang zou ik u raden, niet al te veel op onze goedhartigheid te vertrouwen! In dergelijke zaken kennen wij geen medelijden, en ook al waart gij niet de man voor wien ik u aanzie, dan zoudt gij toch sterven als gij ons verlangen niet inwilligt!”
„Ik zeg u nog eens dat ik mijn geheim niet verraad, en als gij mij beter kende, dan zoudt gij weten dat ik nimmer op een eenmaal genomen besluit terug kom!”
De Lynx haalde de schouders op, en riep uit:
„Wij zullen eens zien of gij om acht uur even bout spreekt! Bedenk ook wel dat gij niet alleen u zelf maar ook uw vriend en helper het leven beneemt als gij weigert.”
Er kwam een sombere smartelijke uitdrukking op het gelaat van den Grooten Onbekende, maar dadelijk liet de stem van Charly zich hooren, die vastberaden uitriep:
„Bekommer je niet om mij, Edward! Ook ik denk er niet aan om ons geheim te verraden en als jij sterft, welk doel zou mijn leven dan nog hebben?”
„Zeer aandoenlijk!” zeide de Lynx op spottenden toon. „Wij zullen wel eens zien of die broederlijke genegenheid stand houdt in het gezicht van den dood.”
Hij stak beide handen in de zakken, riep den man die nog altijd met de revolver in de hand boven aan de trap stond en wenkte een van de drie kerels die Raffles en Charly overweldigd hadden.
Zij begaven zich naar den kleinen kelder waar de dynamo stond, en de zware met ijzer beslagen deur viel dicht.
De beide gevangenen bleven alleen met hunne bewakers.
Een hunner had, voor de Lynx en de beide anderen zich verwijderden, een schakelaar omgedraaid, zoodat de kelder nu in een helder electrisch licht baadde, en vervolgens een hefboom overgehaald waardoor het boveneinde van de trap langzaam weder in zijn oorspronkelijken toestand kwam, waarin zij werd gehouden door een zware ijzeren bout, die er bij wijze van deurgrendel voorgeschoven werd.
Raffles had het gevoel alsof hij nog nimmer zoo helder van hoofd was geweest als op dit oogenblik in dezen kelder en in het aangezicht van den dood, die hem toegrijnsde, als hij weigerde het kostbare geheim prijs te geven, dat als het ware met zijn leven zelf was samengeweven.
Inderdaad, de tunnel zelve was zeker van minder belang, en haar verlies bijvoorbeeld door een groote instorting, zou wel ernstig, maar volstrekt niet onoverkomelijk zijn, maar zij leidde aan den eenen kant naar het huis van Lord William Aberdeen en het zou zeker niet lang duren of de bandieten zouden den geheimen toegang naar het tuinhuis gevonden hebben.
Het leven van Lord Aberdeen zou bekend worden, al was het dan voorloopig maar aan de bendeleden, en dit zou zulk een noodlottigen invloed uitoefenen op al zijn ondernemingen, dat hij evengoed regelrecht naar den hoofdcommissaris van politie zou kunnen loopen.
Als ooit werd uitgemaakt dat Lord Aberdeen en John Raffles een en dezelfde persoon waren, dan zou het geheele bouwwerk van zijn dubbelleven ineen storten en hij zou weder een geheel nieuw plan moeten opstellen, hetgeen zeker met de grootste moeilijkheden gepaard zou gaan.
Maar over dit alles dacht hij slechts kort.
Het stond voor hem vast dat hij het geheim niet zou verraden, en daarover behoefde hij dus in het geheel niet na te denken.
Neen, zijn gedachten waren uitsluitend gericht op de kansen welke hij had om zich te bevrijden alvorens de zes uren verstreken waren.
Hij begreep maar al te goed, dat deze kansen al bijzonder gering waren, de kelder was daghelder verlicht, de stoelen stonden in het midden van het vertrek, de touwen waren stevig en goed geknoopt, al had hij kans gezien door tijdens het binden zijn spieren zooveel mogelijk te spannen, zich een weinig speelruimte te verschaffen, de oppassers waren krachtige kerels, klaar wakker en goed gewapend, en geen enkele beweging hunner gevangenen zou hun ontgaan.
Maar Raffles was er de man niet naar, om iedere hoop te laten varen.
Integendeel, al waren de bezwaren reusachtig groot, toch was al zijn denken nu gericht op de mogelijkheid hier te ontsnappen.
Charly scheen op zijn gelaat te lezen wat er in hem omging maar de stemming van den jongen man was veel minder opgewekt als men het zoo noemen mag, hij zag de toekomst zeer duister in, en hij vreesde dat deze kelder wel hun laatste verblijf zou zijn.
Raffles liet met opzet een half uur voorbijgaan voor hij ook maar de geringste beweging maakte.
Toen rekte hij zich eens uit, voor zoover dit mogelijk was, zoodat de touwen kraakten, maar dadelijk kwam een der wakers voor hem staan, die zich nu beiden van hun masker ontdaan hadden en zeide dreigend terwijl hij zijn revolver ophief:
„Laat die grappen maar, het zou je kunnen berouwen!”
„Gij staat het mij dus niet toe dat ik mij uitrek en zoodoende den slaap in mijn ledenmaten tegen ga?” vroeg Raffles op onderdanigen toon.
„Dat zal ik niet dulden, ik heb van je gehoord, man, ik ken je duivelskunsten, je bent al ontelbare malen gesnapt.”
Hij liep om den stoel heen, betastte de touwen, als vreesde hij waarlijk dat Raffles ze al had laten afknappen, en ging toen weder naar zijn makker, die op dezelfde plek was blijven staan.
Nu bracht het beroep van Raffles mede dat hij een voortreffelijk gelaatskenner was en op het gezicht van dezen tweeden man zoo duidelijk als in een boek las, dat hij zooals men dat noemt, „liever lui dan moe” was, en bovendien vast overtuigd, dat er aan de ontvluchting der beide gevangenen niet te denken viel.
Hij en zijn makker immers waren gewapend, de beide gevangenen niet, en bij de eerste poging om op te staan, zouden zij reeds een kogel in het hoofd hebben.
Raffles glimlachte flauwtjes voor zich heen, en zeide in zich zelf:
„Zelfvertrouwen is goed, mijn vriend, maar men moet het toch nooit te ver doordrijven!”
De Groote Onbekende wierp Charly een blik toe, een zeer snellen blik, maar die den jongen man alles onthulde wat er op dit oogenblik in het hoofd van zijn vriend omging. Raffles begon nu met het vertrek zeer zorgvuldig te bestudeeren.
Wij zeiden reeds dat er een houten trap naar beneden leidde, die ongeveer in het midden beweegbaar was.
Zij telde dertig tot twee en dertig treden en liep langs den gladden zijwand van den kelder.
De deur bovenaan kwam dadelijk op de trap uit zonder portaal.
De hefboom, zooeven door een der bandieten overgehaald, bevond zich niet ver van den voet van de trap, en de schakelaar van het electrische licht was naast de stevige deur, geheel van ijzer vervaardigd, en in de grijze kleur van de steenen geschilderd, waardoor Raffles en Charly haar, toen zij op de trap stonden, niet aanstonds hadden kunnen zien.
De kelder was ongeveer vijf meter breed en bijna zeven meter lang, en zooals gezegd, de beide stoelen stonden in het midden, ruim een meter van elkander.
De bewakers liepen voortdurend heen en weder oogenschijnlijk om te voorkomen dat zij in slaap zouden vallen.
Weer verliep een half uur en Raffles had reeds een paar keeren gegaapt.
„Neem mij niet kwalijk, mijne heeren,” zeide hij, „maar het is toch zeker niet verboden om te rooken in dit vertrek? Er is niets zoo goed als een voortreffelijk sigaret om zich den tijd een weinig te korten en wakker te blijven.”
De twee bewakers schenen elkander met een blik te raadplegen en toen antwoordde een hunner brommend:
„Als gij kans ziet om te rooken, gij kunt uw gang gaan, maar ik heb geen sigaretten!”
„Het is ook de vraag of ik uw sigaretten wel zou lusten!” riep Raffles spottend uit. „Wees zoo goed en haal mijn koker eens te voorschijn, hij zit in mijn binnenzak, en het is vreemd, maar ik kan er zelf niet bij!”
De bewaker, dien Raffles in gedachten „De onverschillige” had genoemd trad op hem toe, knoopte zijn jas open, stak de hand in den binnenzak, en haalde er een fraaien, gouden sigarettenkoker uit.
Hij liet een zacht fluitend geluid van bewondering hooren, wierp het kostbare voorwerp een paar malen omhoog, en zeide grinnikend:
„Ik geloof dat ik dat mooie dingetje maar confisceer! Het is zeker een erfenis, niet waar?”
„Gij kunt doen wat gij verkiest, als gij mij maar eerst een sigaret geeft!” antwoordde Raffles schouderophalend.
De bandiet opende het étui en wilde er een sigaret uitnemen, maar Raffles zeide haastig:
„Blijf er liever af met je vingers, vriend! Ik wil volstrekt niets afdingen op je zindelijkheid, maar de aroma van deze fijne sigaretten heeft er onder te lijden als zij te veel worden aangevat! Houdt mij het étui maar voor, ik zal er met de lippen wel een uitnemen!”
De bandiet, een weinig verbluft, gehoorzaamde, en hield Raffles het étui zoo dicht mogelijk bij den mond, dat deze er met de lippen een sigaret uit kon nemen.
„Nu een beetje vuur, als ik je verzoeken mag!” zeide hij.
De bandiet haalde een lucifersdoosje uit zijn zak, streek een lucifer af, en hield die aan de sigaret.
Vol welbehagen deed Raffles een paar trekjes, en de bandiet, opgetogen over de heerlijke lucht, riep uit:
„Bij mijn ziel, dat is eerst een sigaret! Kom, wij zullen er ook eens den brand in steken!”
Hij nam een sigaret uit den koker en had haar het volgende ooogenblik aangestoken.
Hij kwam nu met het étui naar zijn makker toe en hield het hem voor, maar deze, die het geheele tooneeltje een weinig argwanend had gadegeslagen riep uit:
„Ik rook de sigaretten van dien man niet!”
„Kom, kom, hij heeft er toch zelf ook een aangestoken!” riep „de onverschillige”.
„Wel mogelijk, maar ik vertrouw hem niet! En als ik jou een raad mag geven, Jim, dan gooi je dat ding dadelijk weer weg! Vooruit, doe wat ik zeg! Ik heb het niet voorzien op sigaretten van iemand die John Raffles heet, of kan zijn!”
De aangesprokene die naar den naam Jim luisterde scheen de autoriteit van den ander te erkennen, want hij bromde binnensmonds een vloek, deed nog snel een paar lange halen aan de sigaret, verdraaide zijn oogen van genot, en wierp toen het rolletje tabak in den hoek, maar niet zonder dat hij een verliefden blik op de smeulende sigaret liet rusten.
Daarop stak hij den gouden koker in zijn zak, en zeide tevreden:
„Die zijn dan in ieder geval goed voor een volgende gelegenheid!”
„Als ze je maar niet opbreken,” mompelde de tweede bandiet. „Ik zeg je nog eens, sigaretten van John Raffles, daar pas ik voor!”
HOOFDSTUK VII.
WIE HET ONDERST UIT DE KAN WIL HEBBEN.....
Jim begon te lachen, een luide, rollende lach, maar die eensklaps werd afgebroken, afgesneden als met een mes als het ware.
Hij bleef eensklaps als uit steen gehouwen en met starende oogen in zijn lach steken, bracht toen met een vaag gebaar een trillende hand aan het hoofd, rochelde eenige keeren alsof hij iets in de keel had dat hij niet kon wegslikken, deed een paar wankelende stappen.... en zakte toen in elkaar.
Een rilling doorliep zijn lichaam en toen lag hij onbewegelijk.
Zijn makker slaakte een waar gebrul en schreeuwde:
„Ik heb het je wel gezegd! Die verdoemde sigaretten!”
Hij vergat zelfs een oogenblik zijn gevangenen, knielde naast Jim neder, schudde hem heen en weder, wierp een blik op het gelaat, waarin de trekken eensklaps verstijfd schenen en op de glazige oogen, en sprong toen met een woesten vloek weder overeind.