Lord Lister No. 0344: Het raadsel van Harrow Road

Part 1

Chapter 13,888 wordsPublic domain

LORD LISTER GENAAMD RAFFLES DE GROOTE ONBEKENDE.

NO. 344 HET RAADSEL VAN HARROW ROAD.

HET RAADSEL VAN HARROW ROAD.

HOOFDSTUK I.

DE INBRAAK.

Het was omstreeks twee uur in den nacht.

De maan hield zich schuil achter een dikke wolkenbank, waaruit gestadig een trage regen neerdruppelde, die de straten van Londen nog vuiler maakte, dan zij gewoonlijk reeds waren.

Paddington, een der deftige Westelijke wijken van de wereldstad, lag daar rustig, en maar zelden hoorde men de stappen der voorbijgangers, die zich haastig huiswaarts spoedden, met moeite hun parapluie ophoudend, tegen de gure rukwinden.

Langs de Edgeware Road liepen met haastigen stap twee heeren, in lange regenmantels gehuld, en den vilten hoed diep in de oogen getrokken.

Wanneer hun gelaat even beschenen werd door het licht van een straatlantaarn, dan kon men zien, dat de eene een krachtig geteekend gelaat had met scherpe trekken en doordringende grijze oogen, terwijl zijn metgezel, vrij wat kleiner, blond was en blauwe oogen had.

Zonder te spreken stapten zij voort, zich blijkbaar niet bekommerend om den regen, die steeds harder uit den donkeren hemel begon neer te storten.

Op den hoek van de Harrow Road aangekomen sloegen zij deze breede straat in en volgden haar over een geruimen afstand, tot zij den hoek van Maide Hill hadden bereikt.

Daar verhief zich een vrij groot, nog nieuw gebouw, met een hardsteenen pui en dat van den breeden weg gescheiden was door een kleinen voortuin, waar door heen een klinkerpad naar de huisdeur liep.

Even boven de straat had het huis een zestal kelderramen, die van vuistdikke tralies waren voorzien.

Naast de huisdeur bevond zich een koperen plaat, waarop met roode letters te lezen stond:

AUSTIN GRAMMONT

Commissionnair in effecten

BANKZAKEN ENGROS EN EN-DETAIL.

Aan den kant van Maide Hill bezat het huis eveneens een deur, en verderop was er nog een tweede, maar deze behoorde tot een muur van omstreeks twee Meter hoogte, die een grooten tuin omgaf.

Over dezen muur heen kon men het dak zien van de garage, die dicht bij den achtermuur geplaatst werd.

Het scheen een oogenblik of de beide heeren wilden doorloopen, maar zij sloegen snel Maide Hill in, en het volgende oogenblik waren zij verdwenen, alsof zij eensklaps door den grond waren gezonken.

Zij hadden echter niets anders gedaan, dan gebruik gemaakt van de kleine tuindeur, waarvan zij blijkbaar een sleutel hadden.

En toch hoorden zij hier blijkbaar niet thuis, want in plaats van dadelijk het huis aan de achterzijde binnen te gaan, stonden zij geruimen tijd stil, een weinig voorovergebogen en ingespannen luisterend.

Wie waren deze beide heeren, die op zulk een ongewoon tijdstip en langs zulk een ongewonen weg het huis van den bankier Grammont binnengingen?

De grootste, de man met het strakke, scherp geteekende gelaat, was John Raffles, de gentleman-inbreker, de langgezochte vijand van Scotland Yard en zijn metgezel was zijn trouwe vriend Charly Brand.

En spoedig genoeg zal uit het vervolg blijken, wat de beide onafscheidelijke vrienden hier kwamen uitrichten.

Toen zich in het groote huis volstrekt niets liet hooren, gingen zij, behoedzaam over den grasrand van een der tuinpaden loopend, naar de achterzijde van het huis, en stonden daar wederom even stil.

Nu vroeg Charly Brand, zoo zacht dat het bijna niet te verstaan was:

—Hoe staat het eigenlijk met het hondje van onzen vriend Grammont? Ik meende dat het een zeer waakzaam dier was?

—Dat is het ook, en als ik een vreemdeling was, zou het beest zeker vreeselijk te keer gaan en ons verraden. Maar ik heb in mijn hoedanigheid als Lord William Aberdeen bij ieder bezoek, dat ik aan Grammont bracht, de gelegenheid te baat genomen om goede maatjes met Sherif te worden. Het dier ontvangt mij altijd kwispelstaartend, zonder eenig geluid te geven.

Juist toen Raffles dit gezegd had, liet een naburige kerkklok een enkelen galmenden slag hooren.

Het was halfdrie.

Raffles verloor geen tijd, maar zette zich aanstonds aan het werk.

Van onder zijn mantel haalde hij een kleine lederen tasch te voorschijn, die een aantal instrumenten bevatte, alle aan zijn eigen uitvindersvernuft ontsproten en in flanel gewikkeld, opdat zij geen geluid zouden geven bij het dragen.

Eén daarvan was een vlijmscherpe beitel, met eenigszins gekromd lemmet, hetwelk hij in het paneel van de achterdeur zette, en hieruit vervolgens een stuk sneed; groot genoeg om er de hand door te kunnen steken.

Het eerste, wat hij deed, was den draad van een alarminrichting door te snijden, die onder het bereik van zijn hand langs den deurpost liep.

Vervolgens trok hij een paar zware grendels terug, en tenslotte draaide hij den sleutel in het slot van de deur om.

Een oogenblik later waren de beide mannen binnengedrongen.

Raffles had dit alles volkomen op den tast verricht, maar nu zij binnenshuis waren, zette hij eerst het uitgesneden stuk van het paneel weder in de deur, en daarop maakten de beide mannen licht met behulp van hun zaklantaarns.

Zij stonden in de met blauwe tegels geplaveide gang.

In het midden daarvan begon de diensttrap, naar de bediendenkamer, waarvan de deur half aanstond.

Er lag geen looper op de trap, maar niettemin slopen de beide mannen volkomen geruischloos naar boven, en bereikten zoo de eerste verdieping.

Zij stonden op een portaal met een dikken cocos looper bedekt, waarop twee deuren uitkwamen.

Charly wierp Raffles een vragenden blik toe, maar deze schudde ontkennend het hoofd en zeide, na zijn mond vlak bij het oor van den ander te hebben gebracht:

—De rookkamer en de kleine biljartzaal.

—Waar is ergens de werkkamer?

—Aan het einde van deze gang, en daar staat ook de brandkast, zooals ik je gezegd heb, maar wij zijn in het midden van den zomer en het zou ons veel te lang ophouden, om dat zware meubelstuk open te breken of open te smelten. Over een uur is het klaarlichte dag.

—Maar hoe komen wij er dan in?

—De sleutels heeft Grammont in zijn slaapkamer, in de lade van het nachtkastje. Wij zullen het oude, beproefde middel moeten toepassen en een weinig bedwelmend gas in het slaapvertrek spuiten. Het is een kwestie van vijf minuten. Je hebt immers alles bij je?

—Ja, natuurlijk. Waar slapen de bedienden ergens?

—Eén slaapt in het sousterrain en twee op de bovenste verdieping. De huishoudster heeft een kamer op de derde verdieping.

—En het hondje?

—Dat schijnt nog al ongeregelde gewoonten te hebben. Het slaapt nu eens hier, dan eens daar! Ik mag Sherif graag leiden, maar ik wilde toch voor alle zekerheid, dat wij hem niet tegen het lijf liepen.

—En de slaapkamer van Grammont?

—Een verdieping hooger, ga maar met mij mede.

Zij sloegen een hoek van de gang om en bestegen opnieuw een trap, maar ditmaal een breede, fraai bewerkte, van zwaar eikenhout.

Deze trap was met een dikken Smyrna looper belegd, en de voetstappen van de beide mannen waren volkomen onhoorbaar.

Na het schijnsel van hun electrische lampen zoover te hebben gedempt, dat zij er nog juist even bij konden zien, slopen de beide mannen naar een hooge, wit gelakte deur, met fraai snijwerk versierd.

Charly begreep, dat het moeilijkste deel van de onderneming thans stond aan te breken. Dit was zeker de slaapkamer.

Raffles bukte zich, bracht zijn oog voor het sleutelgat en kwam dadelijk met een verbaasd gelaat weder overeind.

—Wat is er? vroeg Charly een weinig ongerust.

—Wat er is! Er brandt geen licht in de kamer!

—Wat zou dat dan?

—Wel, ik weet volkomen zeker dat Grammont steeds gewend is bij licht te slapen. Hij zou in het donker geen oog kunnen dicht doen, zoo heeft hij herhaaldelijk in gezelschap verzekerd.

—Hij zal toch niet uit de stad zijn? vroeg Charly.

—Welneen, om half elf was hij nog in de Windsor Club. Er was toen geen sprake van, dat hij de stad zou uitgaan. Zijn gewoonten zijn zeer geregeld, hij had om half één uiterlijk in bed moeten liggen.

—Een galant avontuurtje wellicht?

—Ik zeg niet, dat het onmogelijk is, maar Grammont was er juist de man naar om dat ten aanhoore van alle leden van de Windsor Club te gaan uitbazuinen. Hij is niet zoo bijzonder bescheiden, onze goede vriend Grammont. Hoe dan ook, ik geloof niet dat hij op het oogenblik in deze kamer is.

—Maar daaromtrent dienen wij toch zekerheid te hebben, hernam Charly zacht fluisterend.

—Natuurlijk! Als hij binnen is, dan is de deur stellig op slot gedraaid, als ik haar kan openen, dan kunnen wij er wel zeker van opaan, dat hij niet thuis is.

En met deze woorden legde Raffles zijn hand op de kruk van de deur, en begon haar met oneindig geduld, en zeer langzaam, open te draaien.

Er verliepen bijna volle vijf minuten, en toen week de deur naar binnen open.

Raffles maakte haar, na zijn revolver ter hand te hebben genomen, weder dicht en op het eerste gezicht zagen de beide vrienden, dat het groote mahoniehouten bed in het midden van de kamer onbeslapen was.

De beide mannen keken elkander even aan en toen zeide Charly:

—Ik geloof, dat wij nu wel rechtsomkeert kunnen maken, natuurlijk heeft hij de sleutels van zijn brandkast in zijn zak.

—Dat is nog zoo zeker niet, maar in ieder geval is de kans groot. Ik vrees, beste Charly, dat het een verloren nacht zal zijn, want wij hebben werkelijk geen tijd meer om de kast met geweld te openen. Het is een verbazend zwaar en groot meubel, en ik zou op zijn minst anderhalf uur noodig hebben om er een gat in te krijgen, en dan zou nog alles moeten meeloopen. Ik moet je zeggen, dat mij die uithuizigheid van Austin Grammont alles behalve aanstaat. Wat drommel, waarom heeft hij mij niet van te voren gewaarschuwd?

—Ja, dat was hij eigenlijk jegens zijn Vice President van de Windsor-Club half en half verplicht, zeide Charly spottend.

—Nu bij gebrek aan brood, eet men korstjes van pasteien, zeide Raffles schouderophalend. Er zal in ieder geval wel iets in de secretaire te vinden zijn. Een paar duizend pond is wel niet veel, maar het is beter dan niets.

Op dit oogenblik deed een zacht geritsel hem plotseling ophouden, en met de hand aan den palm van zijn revolver roerloos stilstaan.

Het geritsel kwam van den kant van de groote kleerenkast, en het volgende oogenblik kwam kwispelstaartend een kleine foxterriër aanloopen, die zich met een geweldigen geeuw behaaglijk uitrekte en toen naar Raffles toekwam als naar een ouden kennis.

Hij ging tegen hem opstaan, en Raffles streelde het dier over den schranderen kop en zeide op zachten toon:

—Ga maar weer slapen, Sherif, als een brave hond.

Het dier scheen hem zeer goed te begrijpen, en trippelde kalm weer naar zijn warm plekje in den hoek bij de kleerenkast, waar hij zich rustig neervlijde en verder geen notitie meer nam van de beide indringers.

Raffles en Charly verlieten het vertrek, waar zij niets meer te zoeken hadden, daalden de trap weder af en traden de groote werkkamer van den bankier binnen, waar in een hoek half in den muur gemetseld, een brandkast van bijna twee Meter hoogte stond.

—Wat een gevaarte! kwam Charly bewonderend.

—O, wij zullen het ding nog wel eens aan den tand voelen, hernam Raffles glimlachend.

—Wanneer de nachten wat langer worden en ik er wat meer tijd aan kan gaan besteden, zullen wij dit huis nog wel met een bezoek vereeren. Grammont is mij, over het algemeen genomen, volstrekt niet onsympathiek, maar de man is veel te rijk.

Onder het spreken was hij op een fraai schrijfbureau toegetreden, en in een oogwenk hadden zijn vaardige vingers het slot van de kap verbroken en de lade geopend.

Zijn vermoeden bleek juist te zijn, en in een der stevig gesloten laden vond hij een pakje bankbiljetten van tien pond, dat hij zonder het zelfs te tellen, in den binnenzak van zijn jas liet glijden.

Hij liet zijn blikken door het vertrek dwalen, nam hier en daar als terloops een paar fraaie gouden voorwerpen van schoorsteen of tafeltje, en liet ze nonchalant in de tasch glijden, welke Charly hem geopend voorhield.

Daarop raadpleegde hij zijn horloge.

Het was juist drie uur.

—Kom, mijn jongen, wij zullen dit huis weder verlaten, waar wij zoo weinig welwillend ontvangen zijn, zeide Raffles. Een volgende maal beter.

De twee vrienden verlieten het vertrek, sloten de deur achter zich, gingen de bediendentrap weder af en stonden een oogenblik later weer in den tuin.

Voor het achterlaten van een voetspoor behoefden zij niet bevreesd te zijn, want het regende nog altijd hard en het hemelwater zou spoedig alle sporen hebben uitgewischt.

In het Oosten begon de lucht zich te tinten met een lichter grijs, toen zij weder door de tuindeur gingen, welke Raffles opnieuw geopend had met den sleutel, dien hij zelf naar een wasafdruk van het slot had vervaardigd.

Een oogenblik bleven zij staan luisteren, maar toen zich niets liet hooren, dan heel in de verte de stap van een patrouilleerenden agent, sloegen zij den kraag van hun jassen op en verlieten het terrein van hun nachtelijke werkzaamheden, om pas een heel eind verder, aan het begin van de Oxford Street, een huurauto aan te roepen, die hen tot op honderd meter zou brengen van het fraaie huis in de Regentstreet, hetwelk Raffles onder den naam van Lord Aberdeen bewoonde.

HOOFDSTUK II.

EEN VREEMDE VERKLARING.

De avondbladen van den volgenden dag behelsden een vrij uitvoerig relaas van de inbraak, en Raffles en Charly lazen het met de belangstelling van een acteur voor de kritiek eener première.

En zij lazen het tevens met een verbazing, die groeide, naarmate zij verder gingen.

Dit geschiedde in de groote conversatiezaal van het Cecil-hotel, waar zij gedineerd hadden.

Raffles had een nummer van de „Times” genomen, Charly had zich een Daily Mail laten brengen en in dit laatste blad las de jongeman het volgende verslag van de inbraak:

—In den afgeloopen nacht heeft er weder een uiterst brutale inbraak plaats gehad, in het nieuwe huis van den heer Austin Grammont, den bekenden bankier, hetwelk deze niet lang geleden in Paddington, Harrow Road 39, heeft laten bouwen.

De inbrekers, want naar alle waarschijnlijkheid zijn er twee geweest, zijn langs de tuinzijde binnengekomen, en hebben zich toegang tot het huis weten te verschaffen, door een stuk uit een paneel van de achterdeur te zagen, en door de opening heen de knippen terug te schuiven en het slot om te draaien.

Tevens hebben zij de draden van het alarmsignaal doorgesneden.

De inbrekers hebben echter niet getracht de geweldig groote brandkast aan te tasten, voor welk werk zij zeker zijn teruggeschrikt en zij hebben zich tevreden moeten stellen met den inhoud van het schrijfbureau, waaruit zij ongeveer elfhonderd pond sterling aan bankpapier konden stelen, en met een aantal gouden voorwerpen tot een gezamenlijke waarde van zeshonderd pond.

Op welk tijdstip de inbraak heeft plaats gehad, is niet nauwkeurig na te gaan, maar in ieder geval moet het na één uur geweest zijn, want op dat tijdstip was de butler van den heer Grammont, Henry Dayton, nog wakker.

Toen begaf hij zich pas naar bed, daar hij meende, niet langer op zijn meester behoeven te wachten.

De heer Grammont zelf verklaarde aan den detective, dat hij omstreeks half twee was thuisgekomen, en zich toen dadelijk ter ruste had begeven, en dat hij weliswaar een half uur later eenig gerucht had meenen te hooren, maar daaraan geen beteekenis had gehecht, en opnieuw was ingeslapen.

De bedienden zelven hebben volstrekt niets gehoord, maar wat het vreemdste is, ook de foxterriër, anders een zeer waaksch dier, dat bij het minste gerucht aanslaat, heeft in het geheel geen teeken van leven gegeven.

De politie stelt een grondig onderzoek in, maar zij koestert slechts geringe hoop, dat zij de daders zal kunnen vatten, want deze hebben niet het minste spoor achtergelaten. Zij droegen blijkbaar overschoenen, welke zij voor de achterdeur hebben uitgedaan en binnenshuis is niet den minsten afdruk van hand of voet gevonden.

Daar de conversatiezaal op dit oogenblik bijna geheel verlaten was, had Charly dit korte verslag op zachten toon aan Raffles kunnen voorlezen.

Toen hij gereed was, zeide Raffles:

—De „Daily Mail” noemt het gedrag van Sherif het vreemdst. Maar er is één ding, dat nog veel vreemder is, en dat is dat Grammont, die niet thuis was, ons gehoord heeft.

—Dat is zeker al heel eigenaardig! Maar is het niet mogelijk, dat hij ergens anders is geweest, in een ander vertrek van het huis?

—Dat is eenvoudig ondenkbaar, Charly, om verschillende redenen. Als een zakenman om twee uur ’s nachts niet in zijn bed ligt, dan kan men hem alleen maar in zijn werkkamer vinden, of met vrienden in de speelkamer. Maar in het eerste vertrek was hij niet, en in het tweede kan hij niet geweest zijn, want de speelkamer is daar vlak naast en wij hadden dan natuurlijk moeten hooren lachen en praten. Je zult je echter herinneren, dat het doodstil was in huis, en dan nog iets, als Grammont dan in een andere kamer geweest is, en ons gehoord heeft, waarom is hij ons dan niet komen overvallen? Hij is een man van even veertig jaar en zeker geen lafaard. Ten slotte, hij zegt, dat hij wakker is geworden en weer ingeslapen.

—Dat is waar, mompelde Charly, terwijl hij verbaasd voor zich uitstaarde, dat is waar! Wel, dan begrijp ik er niets van!

—Ik moet je eerlijk zeggen, dat ik het ook niet goed begrijp. Welke reden kan Grammont voor den drommel hebben, om een verklaring af te leggen, waaruit blijkt, dat hij thuis was, terwijl wij heel positief weten, dat dat niet het geval is geweest?

Charly haalde de schouders op en antwoordde:

—Ik kan je daar geen antwoord op geven, het is mij volkomen duister!

—Mij dunkt, dat daar maar één verklaring voor mogelijk is. Grammont is ergens geweest, hetgeen hij tot iederen prijs geheim wenscht te houden, en daarom heeft hij maar gezegd, dat hij eenig gerucht gehoord heeft. Hij kan onmogelijk weten, dat wij in de slaapkamer zijn geweest, en daarom gelooft hij, dat hij ongestraft deze leugen kan vertellen. Maar waarom liegt de man? Welke reden kan hem daartoe bewogen hebben?

De beide vrienden bleven eenigen tijd zwijgend tegenover elkaar zitten in diep nadenken verzonken, en toen hernam Raffles:

—Zoo zal het wel zijn, Grammont is ergens geweest, en dat wil hij liever niet weten voor de buitenwereld. Het moet den schijn hebben, alsof hij den nacht in zijn bed heeft doorgebracht en slechts even na één uur is thuisgekomen. Nu, misschien brengen de volgende edities wel een nadere opheldering.

Maar in deze verwachting zou Raffles bedrogen worden.

De late avondédities behelsden niets omtrent de inbraak, geen enkel woord, misschien wel op verzoek van de politie.

Maar daarentegen las Raffles een bericht, dat hem zeer trof, ofschoon het volstrekt niets te maken had met de inbraak en alleen maar, omdat het feit, waarop het bericht betrekking had, zich op zeer korten afstand had toegedragen bij het huis in de Harrow Road.

Het blad, waarin het bericht voorkwam, was de „Daily Telegraph” en het luidde als volgt:

GEHEIMZINNIGE MOORD!

Een griezelige ontdekking.

In den afgeloopen nacht is er in Paddington een geheimzinnige misdaad gepleegd, waaromtrent de politie nog volkomen in het duister tast en die groote opschudding heeft gewekt in de geheele buurt.

Een paar machinisten begaven zich hedenmorgen omstreeks vier uur naar hun machineloods, staande in het spoorwegdepôt, tusschen de Harrow Road en Bishop Road.

Zij hadden dienst en wilden hun machine uit de loodsen halen.

Het depôt is een zeer groot vierkant, doorkruist met een groot aantal spoorlijnen, die naar de machineloodsen voeren, of naar een der talrijke werkplaatsen.

Er worden veel wagons en ook machines hersteld en verder dient het depôt voor het bewaren van oude en nieuwe wagons en goederenwagens, waarvan er zich op dit oogenblik honderden bevinden.

Aan de zijde van Harrow Road is het terrein slechts door een laag ijzeren hek van den openbaren weg afgesloten, terwijl het aan de drie andere zijden omgeven is door een hoogen muur.

De machinisten hadden hun loods bijna bereikt, toen zij in de halve schemering iets wits meenden te ontdekken, onder een goederenwagen.

Zij traden naderbij en deinsden met een kreet van afschuw en schrik achteruit.

Daar—tusschen de rails—lag een menschelijk lichaam, zonder eenige bedekking.

De beide mannen vatten echter moed en trokken het lichaam te voorschijn.

Zij hielden een lijk in de handen.

Zooals gezegd, ontbrak ieder spoor van kleeding, de vingers hadden ook geen ringen, maar wat het vreeselijkste was, het gelaat was totaal onkenbaar, bedekt met een laag geronnen bloed, en afschuwelijk verminkt.

De beide machinisten onderdrukten hun afgrijzen en zochten naar het wapen, waarmede deze vreeselijke verwondingen waren toegebracht, die het gelaat zoodanig hadden verminkt, dat herkenning wel onmogelijk zou zijn.

En spoedig hadden zij het gevonden, op eenige meters afstand, het was een soort zware koevoet, zooals ze in de depôts veel gebruikt worden om wissels over te halen.

Het moordwapen was van onder tot boven met bloed bespat.

De beide machinisten ijlden, bleek van schrik en trillend over hun geheele lichaam naar het huisje van den portier, dat zich aan den ingang van het groote hek bevindt, en deelden hem, stotterend van ontzetting, hun ontdekking mede.

Tien minuten later was de politie ter plaatse, nog geen kwartier daarna was een inspecteur en een gerechtsgeneesheer komen aansnellen.

Deze laatste deelde als zijn vaste overtuiging mede, dat de ongelukkige nog geen volle drie uren dood kon zijn.

Hij was waarschijnlijk eerst bewusteloos geslagen, en daarna had men met krankzinnigen drift op het gelaat gebeukt met de ijzeren staaf, zoodat dit volkomen onkenbaar was geworden.

De politie staat hier voor een raadsel.

Zij heeft slechts kunnen ontdekken, dat het slachtoffer waarschijnlijk ongeveer halverwege het lage hek verraderlijk is overvallen, en, na te zijn neergeslagen door den moordenaar of de moordenaars over het hek is geworpen, waarop zijn aanvallers hem over het terrein naar een reeks wagons hebben gesleurd.

Het onderzoek van het lijk leverde verder hoegenaamd geen resultaat op.

De geneesheer kon nergens een litteeken ontdekken, of eenig ander herkenningsteeken.

Op verzoek van de politie vermelden wij hier het signalement van den doode, natuurlijk voor zoover dit mogelijk is:

Lengte 64 inches, borst breed en gewelfd, beenen in geringe mate hoepelvormig, hoofdhaar donkerblond, gave tanden, behalve een tweeden rechterboventand, die geplombeerd is, groote voeten en fijne, blanke handen, kortgeknipte snor.

Degenen, die mogelijkerwijs omtrent de identiteit van den doode eenige inlichtingen zouden kunnen verschaffen, worden verzocht zich op het hoofdbureau van politie in Downing Street aan te melden.

Raffles legde het blad terzijde, waarin hij dit treurige bericht had gelezen en wendde zich tot Charly, die het reeds had gelezen, met de opmerking:

—Daar zal wel weinig van terecht komen! Als het gelaat zoozeer verminkt is, dat het onkenbaar is geworden, dan zal het wel heel moeilijk zijn, den dader te vinden!

—Met welk doel zouden de moordenaars hun slachtoffer zoo verschrikkelijk hebben toegetakeld? vroeg Charly, die nog vol afgrijzen was over hetgeen hij had gelezen.

—Dat kan ik je niet zeggen, maar in ieder geval moet de man, die het deed, een beest zijn geweest!

—En waarom is het lijk geheel ontkleed?

—Ook op die vraag moet ik je het antwoord schuldig blijven, Charly, ik weet het niet, dat is alles wat ik zeggen kan.

Raffles haalde de schouders op en ging voort: