Lord Lister No. 0328: Het raadsel van Niassa
Part 6
Priesters bewogen zich rondom het beeld, en nu traden twee hunner naar voren, en trokken een luik in den buik van den afgod open.
Dadelijk werd een felle gloed zichtbaar.
„Wat is dat toch Mylord?” vroeg Henderson fluisterend, „wat doen die menschen daar?”
„Dat afgodsbeeld, Henderson, is het beeld van den God Baäl, en die lieden daarginds gaan een menschenoffer brengen. De jonge meisjes welke wij zooeven geboeid voorbij hebben zien leiden, zullen in het binnenste van dat bronzen beeld verbrand worden!”
Charly en Henderson slaakten een kreet van woede en ontzetting, en de jonge man riep uit:
„En moeten wij daarbij lijdelijk toezien, Edward? Moeten wij dat afschuwelijke dulden?”
„Wat kunnen wij er tegen doen?” vroeg Raffles op doffen toon. „Wat kunnen wij beginnen tegen die overmacht? En voor wij daarginds boven zouden zijn, zou toch alles al achter den rug zijn.”
Plotseling gaf Henderson een schreeuw, en wees met uitgestrekten vinger naar het afgodsbeeld.
Twee priesters hadden een der naakte jonge meisjes gegrepen, die thans van hun boeien ontdaan waren, en hen met geweld naar de deur van den helschen laaienden oven gesleurd, het volgende oogenblik was de ongelukkige verdwenen, en de drie reizigers verbeeldden zich, dat zij hier haar jammerklachten konden hooren.
De koningin, steeds op haar sponde uitgestrekt, leek glimlachend toe te zien.
Maar dit was meer dan drie Europeanen konden verdragen.
„Dan maar met de vliegmachine!” schreeuwde Raffles. „Misschien zal onze verschijning alleen wel voldoende zijn, om hen op de vlucht te jagen! Ik ben overtuigd dat zij, zoodra wij verdwenen zijn, opnieuw zullen beginnen, maar dan zullen wij al thans geen getuigen van dat afschuwelijke schouwspel zijn.”
De drie reizigers scheepten zich onmiddellijk in, en laadden hunne geweren, eenige seconden later begon de schroef te wentelen, de vliegmachine schoot over het terras en verhief zich daarna in de lucht, om recht op de tempelstad aan te sturen.
In minder dan vijftien seconden was de afstand afgelegd, en onvervaard liet Raffles de machine midden tusschen de doodelijk ontstelde menigte neerdalen. Velen hadden zich op den grond geworpen maar het meerendeel nam in allerijl de vlucht, gillend en met de handen boven het hoofd geheven, de priesters, de slaven, de danseressen, het gevolg van de koningin en ook de ongelukkige jonge meisjes, die aan den God Baäl ten offer hadden moeten worden gebracht.
Alleen de soldaten trachtten zich een oogenblik te weer te stellen, maar een paar goed gerichte geweerschoten brachten zulk een ontsteltenis en bijgeloovige vrees te weeg, dat de geheele legermacht op de vlucht sloeg.
Binnen enkele oogenblikken was er boven op den toren geen levend wezen meer te bespeuren, alles had de vlucht genomen voor deze bovenaardsche verschijning, deze vuurspuwende draak.
De tempel was geheel verlaten.
Op eenige meters van den ingang lagen te weerszijden twee geweldige, zuiver ronde kogels, van klinkklaar goud, en blijkbaar massief, want Henderson kon ze nauwelijks verrollen. Zij moesten ieder minstens drie honderd kilo wegen.
„Wij zullen deze fraaiigheden als aandenken medenemen,” zeide Raffles, „maar wij zullen verstandig zijn, en ze aan niemand laten zien, want men zou ons toch voor bedriegers houden.”
Met vereende krachten werden de gouden kogels aan boord van de vliegmachine getild. Juist toen dit geschied was klonk er van de vlakte een onbeschrijflijk gehuil, en toen de mannen naar beneden keken zagen zij het geheele dal als het ware overdekt met honderdduizenden en nog eens honderdduizenden zonderlinge wezens, sterk behaard, en allen met pijl en boog, knuppel of steenen bijl gewapend.
„Holbewoners,” zeide Raffles lakoniek. „Zie, zij gaan den toren bestormen, de schoone koningin heeft hen zeker op ons afgezonden, wij zullen zoo verstandig zijn en dat leger van een half millioen hier niet afwachten, want zelfs voor onze moderne geweren is die overmacht te groot. Kom vrienden, laten wij ons inschepen, en uit deze oorden vertrekken, en er voorloopig vooral niet over spreken, daar men ons misschien in een gekkenhuis zou opsluiten.”
Een oogenblik later zweefde de Duivel der Lucht weder boven dit gebied, zoo vol wonderen en geheimen, terwijl daar beneden een woedend gehuil, gelijkend op het rauwe geblaf van hyena’s, uit honderdduizenden kelen opklonk.
Dat was de afscheidsgroet uit het Land der Vergetelheid..........