Lord Lister No. 0308: Het geheim van Waverghem
Part 2
De detective nam het kogeltje tusschen duim en wijsvinger en behoefde er slechts een blik op te werpen, om met zekerheid te zeggen:
—Een kogel uit een ordinaire bazarrevolver, een prul van een paar shilling. Geheel van lood, zonder stalen mantel en van gering kaliber. Naar ik schat stak de kogel zes of zeven millimeter in het hart, dokter.
—Voor zoover ik met de sonde kon nagaan, had het projectiel juist den hartwand doorboord! Als de majoor een dikke jas gedragen had, zou de kogel er waarschijnlijk niet doorheen zijn gegaan.
—Diezelfde opmerking heb ik zooeven ook reeds hooren maken, kwam Sullivan glimlachend. Dit doet intusschen niets af aan het afschuwelijke van deze misdaad—ten minste dat zou ik zeggen!
Maar nu trad Dorrit op hen toe en zeide:
—Vindt gij het niet vreemd, dat inbrekers zich bedienen van zulk een minderwaardig wapen?
—Ja, dat is eigenaardig genoeg! gaf Sullivan peinzend te kennen. Want het is natuurlijk buiten twijfel, dat die bezoeker den weg heeft gebaand voor zijn makkers en hen waarschijnlijk later heeft binnen gelaten.
Maar het jonge meisje schudde langzaam het hoofd en zeide:
—Ik weet het niet—ik vind het wel wat zonderling om op deze wijze op te treden. Hebt gij er ooit van gehoord, meester, dat inbrekers een hunner vooruit zenden om het slachtoffer te vermoorden en pas daarop binnendringen?
Sullivan knikte bevestigend.
—Daar weet ik zelfs verscheidene gevallen van, Dorrit! kwam hij. Laat ik er echter dadelijk aan toevoegen, dat het hier inbraken gold in een afgelegen huis op het platte land, dat slechts door een paar oude menschen bewoond werd.
—Het nadere onderzoek zal ons wel wijzer maken! meende het jonge meisje.
Sullivan had zich weder tot den coroner gewend en vroeg nu:
—Waarde dokter, zoudt ge mij ook reeds kunnen zeggen, of hier aan zelfmoord kan worden gedacht?
De gerechtsgeneesheer dacht even na, en gaf toen ten antwoord:
—Geheel onmogelijk is het niet, maar dan zou de doode het wapen op een eigenaardige, geforceerde wijze hebben moeten vasthouden, want het kogelkanaal staat loodrecht op de oppervlakte van de borst. Als de majoor zichzelf van het leven had willen berooven, dan zou dat kanaal zeker veel schuiner hebben geloopen, en er is nog iets—een oud-soldaat zal zich maar hoogstzelden door het hart en in de allermeeste gevallen door het hoofd schieten, waaraan dat is toe te schrijven weet ik niet, maar ik kan u verzekeren dat het zoo is!
—Uit medisch oogpunt kunnen wij dus wel vaststellen, dat zelfmoord zeer onwaarschijnlijk is, merkte Sullivan op. Nu zullen wij eens zien hoe het er mee staat op technisch gebied! Om te beginnen kunnen wij het gerust als vaststaande beschouwen, dat een man als majoor Wigmore geen bazar-prul in zijn zak zal dragen als waarmede dit kogeltje is afgedrukt!
Hij wendde zich tot Brix, die onbewegelijk bij het raam was blijven staan.
—Hebt gij hier een wapen, een revolver of een pistool op den grond gevonden?
—Neen, mijnheer, antwoordde de bediende.
—Hebt gij de kleederen van uw meester onderzocht?
—Wij hebben hem niet aangeraakt, mijnheer, behalve om hem op den divan te leggen.
Sullivan trad op het lichaam van den doode toe, stak de hand in den revolverzak en haalde er een Browning van klein kaliber uit, een voortreffelijk wapen, dat nog op drie honderd pas afstand een stalen kogel door een eiken plank van twee duim dikte joeg.
De detective schoof de sluitplaat van de kolf terug, en zag dat de pistool met zeven kogels geladen was, een in den loop, en zes in het magazijn.
—Het is duidelijk, dat de majoor zelfs geen gelegenheid heeft gehad, naar dit wapen te grijpen en dat hij dus waarschijnlijk bij verrassing overvallen is! mompelde Sullivan voor zich heen.
Hij keerde zich opnieuw tot Brix, en vroeg:
—Hebt gij den indruk gekregen, alsof uw meester den bezoeker kende, toen gij deze bij hem binnen liet?
—Daarop zou ik u geen antwoord kunnen geven, mijnheer—ik heb alleen maar de deur geopend en den bezoeker binnen gelaten.
De majoor stond uit zijn stoel op en trad hem een paar passen tegemoet. Ik heb slechts een seconde zijn gelaat gezien, maar ik geloof niet dat hij den bezoeker herkende—met zekerheid durf ik het echter niet te zeggen.
Sullivan had de browning op de schrijftafel neêrgelegd, en begon nu alle zakken leeg te halen van de kleederen welke de doode droeg. Hij vond daar een portefeuille in, een gouden cigarettenkoker, een klein schildpadden zakmes, een zilveren sigarenaansteker en nog eenige andere voorwerpen, welke hij allen zorgvuldig bij elkander op de tafel legde.
Den sleutelbos had hij reeds vroeger op een der laden van de groote schrijftafel gevonden.
Hij stond nu in gedachten verdiept midden in de kamer met de gebalde vuisten in de zijde gesteund, en liet zijn blikken langzaam in het rond waren.
Toen richtte hij eensklaps het hoofd met een energieke beweging op, en riep:
—Wij zullen nu eens verder zoeken, vrienden! En wij willen mijnheer den coroner hier rustig zijn rapport laten opmaken.
De politiebeambten begaven zich nu naar het aangrenzend vertrek en onderzochten daar zoo nauwkeurig mogelijk de brandkast, in de hoop, ergens een vingerafdruk te zullen zien.
Zij waren bijna een kwartier bezig geweest, maar toen was Dorrit ook zoo gelukkig een zeer duidelijken afdruk te vinden op den bovenkant van de kast, waar blijkbaar iemand met de volle hand op had gerust.
—Dat is werk voor onzen fotograaf en onzen conservator! riep zij tevreden uit. Een scherpe indruk, nietwaar mijnheer Sullivan.
Sullivan knikte voldaan en antwoordde:
—Dit is althans iets waaraan wij houvast hebben! Wat de inbraak betreft, deze kast is met groote bekwaamheid geopend door lieden die blijkbaar over een langjarige ervaring beschikken.
—Gelooft gij niet dat...... hij het misschien gedaan heeft? vroeg Dorrit op fluisterenden toon.
—Wien meen je? John Raffles? kwam Sullivan even zacht. Neen, dat acht ik volkomen onmogelijk. Er zijn honderd redenen voor één die het tegen spreken.
Ten eerste zou Raffles zijn slachtoffer nimmer om het leven brengen, ten tweede zou hij deze kast op een geheel andere wijze hebben geopend, en ten derde zou hij stellig geen vingerafdrukken nalaten.
Op dit oogenblik kwam Brix, die zich weder had mogen verwijderen, verschrikt aanloopen, en riep uit:
—Ik heb zooeven gelijkvloers een openstaand raam gevonden, mijnheer!
—Waar? vroeg Sullivan haastig.
—Aan de achterzijde van het huis! Er is daar een kleine tuin met een vrij lagen muur, waarover men gemakkelijk kan heen klimmen, als men over vlugheid en moed beschikt.
—Was er iets gebroken?
—Niets mijnheer! het luik was eenvoudig aan de binnenzijde geopend.
—Aan de binnenzijde? riep Sullivan verwonderd uit, breng er ons aanstonds eens heen!
Brix geleidde Sullivan en Miss Evans door een paar gangen en langs een diensttrap naar de achterzijde van het groote huis, en voerde hen naar een met groote tegels geplaveide gang, waarop een raam uitkwam.
—Dat is het, mijnheer, zeide hij.
Sullivan trad haastig op het raam toe en onderzocht het luik.
Hij had aanstonds ontdekt, dat men er eenvoudig den bout had afgenomen en dat er volstrekt niets was verbroken.
Hij wierp een blik naar buiten en zag op eenige passen afstand een regenton aan den voet van den muur staan.
Hij klom door het raam en onderzocht met de grootste zorgvuldigheid den bodem, terwijl hij op de ton toeliep.
De grond bestond voor een deel uit kleine klinkers, verder op was een grintpad en ten slotte kwam een stuk van een bloembed, waarin nu slechts de rulle zwarte aarde te zien was.
Het noodlot wilde echter dat het dien nacht zwaar geregend had en de voetstappen waren grootendeels uitgewischt.
Maar toch meende de detective aan de indrukken te kunnen zien dat er hier niet alleen in een enkele richting, maar dat er heen en weer was geloopen.
Hij wisselde een blik met miss Evans en sprak:
—Het wordt geloof ik al iets duidelijker! De bezoeker heeft denkelijk, nadat hij den majoor had neergeschoten, dit raam voor zijn medeplichtigen geopend, en dezen zijn, na de inbraak te hebben volbracht, weder op dezelfde wijze vertrokken als zij gekomen zijn!
—Ja, dat geloof ik ook, antwoordde de jeugdige detective. Ik kan mij vergissen, maar ik geloof, dat hier minstens drie mannen hebben geloopen. Ondanks den regen kan men dat nog tamelijk goed zien.
—Ja, je hebt gelijk, Dorrit! zeide Sullivan. En laten wij nu maar weder naar binnen gaan. Hier valt niets meer te zoeken!
De beide politiebeambten klommen weder door het openstaande raam naar binnen en daarop vroeg Sullivan aan Brix, die was blijven wachten:
—Alle ramen worden natuurlijk des nachts goed gesloten?
—Ja, daar stond de majoor bijzonder op.
—Zoo, dus hij was steeds een beetje bang voor inbrekers! kwam Sullivan.
—Dat weet ik niet! kwam de oude bediende kortaf.
De detective wilde nog iets vragen, maar hij bedacht zich en ging weder den zelfden weg terug naar het vertrek, waar hij en Dorrit zich zooeven hadden bevonden.
De coroner had juist zijn rapport beëindigd en nam zijn hoed, teneinde zich te verwijderen.
—Ik ben gereed, waarde Sullivan, zeide hij. En ik kan u wel reeds zeggen, dat het schot is gelost op een afstand van ongeveer drie passen uit een ordinaire revolver, waarvan de kogels weinig doorslagskracht hebben. De dood is bijna onmiddellijk ingetreden en wel omstreeks elf uur in den avond van gisteren! Als gij nog meer wilt weten ben ik op Scotland Yard gaarne tot uw dienst!
—Dat is voorloopig meer dan voldoende, dokter! zeide Sullivan, terwijl hij den gerechtsgeneesheer de hand drukte.
Deze maakte een buiging voor Dorrit Evans en had het volgende oogenblik het vertrek verlaten.
Het jonge meisje was weder begonnen half instinctmatig het vertrek opnieuw te onderzoeken, toen zij eensklaps een lichten kreet slaakte en zich bukte, om iets op te rapen van een berenvel, dat midden in de kamer onder een kleine rooktafel lag.
Zij kwam dadelijk naar Sullivan toe, die verrast had omgezien op het hooren van dien kreet, en liet het voorwerp zien, dat zij op de palm van haar hand had gelegd.
Sullivan slaakte op zijn beurt een uitroep van verbazing.
Het ding, zooeven door de jonge detective opgeraapt, was een haarspeld!
HOOFDSTUK III.
WAAR RAFFLES ZICH MET DE ZAAK BEMOEIT.
Sullivan en miss Evans keken elkander een oogenblik verstomd aan, en daarop wendde de eerste zich dadelijk tot Brix met de vraag:
—Is hier gisteravond ook een dame gekomen?
—Een dame? Neen, mijnheer! antwoordde de oude bediende verbaasd.
—In den loop van den dag dan?
—Ook niet!
—Ontving de majoor nooit damesbezoek?
—Enkele keeren! antwoordde de bediende stug.
—Hoelang is de laatste keer geleden?
—Ongeveer een maand!
—Kan er hier gisteren een dame geweest zijn, zonder dat gij het zoudt hebben gemerkt?
Brix dacht even na en antwoordde toen:
—Onmogelijk is het niet—maar wel zeer onwaarschijnlijk! De majoor geneerde zich volstrekt niet voor ons—een oud-militair! Maar als die dame wellicht gehuwd was—dan—misschien heeft hij haar zelf binnen gelaten door de zijdeur. Ik ben echter den geheelen dag thuis geweest en ik durf wel verzekeren, dat ik dat gemerkt moest hebben.
—Hoezoo?
—De gang, die naar die zijdeur loopt, gaat langs het dienvertrek, en men zou het daar dus wel hebben opgemerkt!
—Maar voor den drommel—die haarspeld kan daar toch niet vanzelf zijn gekomen! riep Sullivan ongeduldig uit. Gij hebt mij immers gezegd, dat hier alleen mannelijk dienstpersoneel in huis is?
—Ja, dat is zoo!
—Nu, dan moet er hier een vrouw geweest zijn, dat is duidelijk!
—Kan de majoor die haarspeld misschien niet van buiten hebben meegebracht? vroeg miss Evans.
—Dat klinkt niet erg waarschijnlijk, Dorrit! antwoordde Sullivan. Men kan een haar van een vrouw mede naar huis nemen—maar een haarspeld—neen, dat komt mij ongeloofwaardig voor! En toch—er is bijna geen andere oplossing mogelijk, als deze man het bij het goede einde heeft!
Op dit oogenblik trad Grim het vertrek binnen, die zijn tijd nuttig had besteed met een ondervraging van de andere bedienden, den butler en den kamerbediende.
—Hebt gij iets naders kunnen ontdekken? vroeg hij, nadat hij de deur achter zich gesloten had.
—Een haarspeld! antwoordde Sullivan lakoniek.
—Wat? Hier? riep Grim verwonderd uit. Er is dus een vrouw hier geweest?
—Dat zou men er tenminste uit afleiden, maar volgens de verklaringen van dezen man is daar geen sprake van!
—Dan moet hij haar zelf in zijn kleederen hebben medegebracht! hernam Grim.
—Dat zeide ik ook al, Grim! riep Dorrit uit. Maar mijnheer Sullivan meent, dat zooiets onmogelijk is!
—Onmogelijk of tenminste zeer onwaarschijnlijk! gaf Sullivan te kennen.
—Dan moet er hier een vrouw zijn geweest, sprak Grim kortaf. Een tusschenweg is er niet.
Hij keek Brix strak aan, en zeide toen op strengen toon:
—Gij spreekt toch de waarheid? Bedenk, dat gij voor de rechtbank onder eede zult worden gehoord!
—Dat weet ik, mijnheer! antwoordde de oude bediende eenvoudig. En voor de heeren rechters zal ik juist hetzelfde zeggen wat ik zooeven aan mijnheer daarginds heb gezegd!
De drie detectives zwegen en schenen ieder in hun eigen gedachten verdiept te zijn.
Toen vroeg Sullivan, terwijl hij zich tot Grim wendde:
—Heeft de ondervraging van de bedienden u iets nieuws opgeleverd?
—Niet veel, waarde collega! Zooals je weet, is de butler gisteravond uit geweest, want hij had een uitgaansavond. Hij keerde pas om twaalf uur terug, na met zijn meisje een variété te hebben bezocht en ging regelrecht naar zijn slaapkamer, daar hij wel wist, dat zijn meester tehuis was en zich reeds ter ruste had begeven. Diens kleederen hingen in de vestibule aan de haken en alles was donker in huis.
—En de kamerbediende?
—Die is al om half elf gaan slapen, nadat Brix—dat zal deze man hier wel zijn—hem gezegd had, dat zijn meester hoofdpijn had, en zich aanstonds te bed zou begeven.
—Is dat zoo? zoo wendde Sullivan zich tot den ouden man, die zwijgend had toegeluisterd.
Brix knikte bevestigend.
—Hebt gij soms gevraagd, of iemand van de twee andere bedienden den laten bezoeker in het gezicht hebben gezien? aldus wendde Sullivan zich opnieuw tot zijn collega.
—Ja. De butler, Farrington geheeten, had het huis reeds verlaten, toen de bezoeker zich voor de eerste maal aanmeldde, en de kamerbediende Clifford zegt, dat hij hem noch den eersten, noch den tweeden keer gezien heeft.
—Dat is ook de waarheid, mijnheer, liet de vlakke stem van Brix zich hooren. Ik zelf heb den bezoeker beide malen open gedaan.
—Brix zeide mij zooeven, dat de bezoeker de tweede maal aanschelde, juist even nadat Wigmore van de opera was thuis gekomen, zeide Sullivan. Ik vermoed dus, dat hij ergens in de buurt is blijven wachten en het huis in het oog heeft gehouden, om dadelijk bij de hand te zijn, zoodra hij den heer des huizes zag terugkeeren.
—Dat klinkt niet onwaarschijnlijk, collega! zeide Grim.
—Dan zouden wij eens kunnen onderzoeken, of men hier in de buurt iemand op wacht heeft zien staan, hernam de detective. Wellicht is hier een café of een wijnhuis aan de overzijde, vanwaar de moordenaar het huis in het oog heeft kunnen houden.
Hij trad naar het venster, sloeg de gordijnen geheel ter zijde, en wierp een blik op straat.
Aanstonds liet hij een kreet van voldoening hooren en riep:
—Juist, aan den overkant is een wijnhuis, of een bar! Laat een der agenten eens dadelijk gaan vragen, of daar gisteravond een bezoeker is geweest, die van ongeveer acht uur tot kwart over tienen onafgebroken voor een der ramen heeft gezeten!
Grim opende dadelijk de deur en wisselde eenige woorden met een der agenten die salueerde, en toen vlug heen liep, om het ontvangen bevel ten uitvoer te gaan brengen.
Intusschen had Sullivan de telefoon ter hand genomen en zich in verbinding gesteld met Scotland Yard, teneinde het hoofdbureau van politie op de hoogte te stellen van hetgeen hij had ontdekt.
Hij liet een fotograaf komen met al het noodige om een afdruk van de vingervlek op het glimmend metaal van de brandkast te nemen, on daarop wachtten allen met ongeduld de terugkomst van den agent af.
Ongeveer tien minuten nadat hij was heengegaan, keerde de agent weder terug en ging in de houding voor Sullivan staan.
—Welnu? vroeg deze haastig.
—De patroon van de zaak zegt, dat er gisteravond inderdaad iemand in zijn lokaal is geweest, die daar een paar uur gezeten heeft voor een van de ramen, en die om even over tien uur eensklaps is opgestaan, een goudstuk op de tafel heeft geworpen en toen overhaast is heengegaan.
Sullivan had met gebogen hoofd staan luisteren, en liet nu een kreet van zegepraal hooren.
—Dat brengt ons reeds heel wat verder! zeide hij tevreden. Heb je misschien gevraagd, hoe die man er uitzag? vroeg hij, zich weder tot den agent wendende.
—Ja, mijnheer! Hij was nog heel jong, een jaar of twee-en-twintig, met zwart haar en een bleek gezicht. Het was wat men noemt „een knappe jongen”, met een glad geschoren gezicht, en keurig gekleed. De kellners dachten dat hij op iemand zat te wachten, met wien hij zeker aanstonds dacht te vertrekken, want hij had den geheelen avond zijn jas en hoed aangehouden en scheen zeer zenuwachtig te zijn.
—Dat is onze man! riep Grim uit, terwijl zijn oogen schitterden. Nu zal het niet zoo lang meer duren, of wij hebben hem! De kellners zullen wel een nauwkeurig signalement van hem kunnen geven, en daar hij wel niet te voet zal zijn hier gekomen, hebben wij ook nog houvast aan den chauffeur, die hem heeft gereden.
Een oogenblik was het stil in het vertrek waar de doode lag.
Toen richtte Sullivan zich tot Brix met de vraag:
—Had uw meester veel geld in huis?
—Dat geloof ik haast wel, wamt hij betaalde dikwijls groote rekeningen en dan kwam het geld altijd uit de brandkast, die nu is opengebroken.
—Was dat nog al bekend hier in huis?
—Wel, ik denk wel, dat alle bedienden dat wisten! zeide Brix zacht, terwijl zijn stem eenigszins beefde.
—Wie was de bankier van den majoor?
—Caruthers.
—Dan zullen die wellicht de nummers weten van de bankbiljetten in de kast, meende Dorrit.
—Wij kunnen er in ieder geval naar vragen, hernam Grim. En nu geloof ik niet, dat wij hier nog veel te doen hebben, collega’s! Of hebt gij soms nog iets ontdekt in den tijd dien ik in het dienstvertrek doorbracht?
—Een openstaand raam gelijkvloersch en voetstappen, mijn waarde Grim! antwoordde Sullivan.
En nu deelde hij den detective mede wat hij zooeven ontdekt had.
—Wij kunnen niets anders doen dan op de komst van den fotograaf wachten, maar ik wil u niet weerhouden, als gij soms elders het onderzoek wilt voortzetten, waarde Grim! zeide Sullivan.
—Dat wilde ik u juist voorstellen! Ik ga eens naar het wijnhuis—wellicht weet men mij daar wel iets meer mede te deelen omtrent den jongen man, die daar als een kat voor het muizenhol op de loer heeft gezeten!
En daarop nam Grim afscheid en ging zijns weegs.
Ongeveer twintig minuten later verscheen de gerechtsfotograaf, die eenige opnamen maakte van de kamer en van den doode, zooals men hem volgens de getuigenis van den bediende had gevonden, liggende midden in het vertrek met uitgespreide armen.
Vervolgens nam hij den vingerafdruk op de brandkast zeer zorgvuldig over door middel van een met roet gesmeerd stuk papier, waarop de nerven van de vingerhuid zeer duidelijk uitkwamen en nam van dit papier eenige opnamen, om deze zelfde bewerking nog eens te herhalen aan het openstaande venster, waar Dorrit, die op eigen gelegenheid nog eens was gaan kijken, aan de raampost eveneens den indruk van een hand had gevonden, met behulp van haar vergrootglas.
Dit alles had bijna een vol uur in beslag genomen en het was bijna twaalf uur toen alle politiebeambten het huis weder verlieten, waar nu slechts een paar agenten overbleven, om de wacht bij het stoffelijk overschot van den vermoorde te houden.
Den zelfden avond stonden de bladen vol van den moord op majoor Richard Wigmore, en vooral de volksbladen hadden er een paar kolommen over, doorspekt met tal van foto’s.
Want dit was ten minste weder eens een ouderwetsche moordzaak, niet een ordinaire overval op den openbaren weg, waarvan bijna niemand meer notitie nam, of een gewone diefstal, maar een geheimzinnig voorval, waarvan niemand goed de ware toedracht begreep—het publiek evenmin als de politie!
Ja—het was een geheimzinnige zaak, want er hadden zich in den loop van den dag nog enkele dingen voorgedaan, welke wel in staat waren, Scotland Yard in opschudding te brengen.
Het was om te beginnen onomstootelijk vastgesteld, dat majoor Wigmore dien avond zeer stellig niet in damesgezelschap was geweest, en dus kon hij de haarspeld die op het berenvel in de kamer van den moord was gevonden, onmogelijk van buiten hebben medegebracht.
En evenzeer was het, dat er noch dien dag, noch geruimen tijd te voren dames in het huis aan de Ormond Street waren verschenen.
Er bleef dus alleen de mogelijkheid, dat er een vrouw in gezelschap van de inbrekers was geweest!
Dit nu was een unicum in de geschiedenis der criminaliteit en de detectives hadden moeite hieraan te gelooven.
En toch was een andere mogelijkheid wel geheel buitengesloten!
Dan moest worden opgehelderd het bezoek aan den majoor.
Want uit het nader verhoor was thans gebleken, dat het late bezoek minstens een half uur moest hebben geduurd!
Immers had Brix zijn getuigenis nader aangevuld met de verklaring, dat hij om kwart voor elven, toen hij langs de kamer liep waar de bezoeker en zijn meester zich ophielden, licht onder de reet van de deur had zien schemeren, en ook stemmen had gehoord.
En nu was het wel zeer ongewoon, dat een misdadiger, die een inbraak komt voorbereiden door den bewoner van het huis overhoop te schieten, eerst een lang gesprek met hem houdt!
Zoo hadden zich al vrij spoedig twee kampen op Scotland Yard gevormd—een, welke de stelling voorstond, dat de late bezoeker tot de inbrekers had behoord, en den aanslag had voorbereid, en een, welke de meening was toegedaan, dat deze bezoeker niets uitstaande had gehad met de inbrekers, die later kwamen, en dat louter toeval hen in het zelfde huis bijeen had gebracht.
Het moet gezegd, dat deze laatste lezing slechts weinig aanhangers vond, en eigenlijk waren in het sombere gebouw in Downing Street Sullivan en zijn leerlinge Dorrit Evans de eenigen, die deze opvatting huldigden.
Maar buiten het gebouw waren er enkele personen, die het in dit geval met hen eens waren.
En onder dezen bevond zich John Raffles, de gentleman-inbreker!
Raffles had de avondbladen, en den volgenden dag de ochtendbladen met groote aandacht gelezen en aanstonds had hij groot belang in deze zaak gesteld, juist omdat er zich eenige elementen in voordeden, welke haar vreemd en geheimzinnig maakten.
Lord William Aberdeen—dit was de naam, waaronder de Groote Onbekende reeds eenige jaren te Londen leefde, in een fraai huis aan de Regent Street—zat voor zijn groot schrijfbureau in zijn werkkamer, toen er op de deur geklopt werd, en het hoofd van een jongeman om de deurreet kwam gluren.
Het was Charles Brand, de trouwe vriend van Raffles, en in diens hoedanigheid als Lord Aberdeen zijn secretaris.
—Heb je het druk? vroeg de jonge man, terwijl hij binnen trad.
—Zeer druk Charly—ik denk! antwoordde Raffles, terwijl zijn groote grijze oogen door het groote raam naar buiten dwaalden, naar den vrij grooten tuin achter het huis, waar de ontbladerde boomen troosteloos schenen te druilen in het vale licht van een triestigen Novemberdag.
—En mag men vragen, waarover je denkt? vroeg Charly, terwijl hij zich in een gemakkelijken stoel liet vallen, en zijn heldere blauwe oogen op het krachtig gelaat met de scherpe trekken tegenover zich vestigde.
—O ja—het is geen geheim! Ik dacht over de zaak in de Ormond Street!
—De moord op majoor Wigmore?
—Juist! Vind je het geen belangwekkende zaak?
—Ja, hoogst belangwekkend! Maar ik geloof toch niet, dat het lang zal duren voor de politie de schuldigen op het spoor is gekomen!
—Waarom?