Lord Lister No. 0305: De schijndooden

Part 2

Chapter 23,958 wordsPublic domain

—En toch is het de waarheid, riep de hoofdverpleegster zegevierend uit, alsof zij zelve een rol in dit geheimzinnige drama had vervuld. Die zoogenaamde detectives waren bedriegers, en zij hebben de twee mannen, die u hier zijn komen lastig vallen, ontvoerd!

—Maar met welk doel? riep Beaupré uit, die eens wilde zien wat de politie wel, en wat zij niet wist.

—Ja, het doel—dat is juist het ongehoorde! antwoordde de hoofdverpleegster. Dat begrijpt niemand! Maar het staat vast, dat hier een misdrijf gepleegd is, dat niet geheel kon worden volvoerd. Ik zal u nu zeggen, hoe de politie dit alles weet!

De praatzieke dame was op haar gemak gaan zitten en vervolgde, terwijl Beaupré als het ware aan haar lippen hing:

—De vier mannen zijn hier voor de deur in een huurauto gestapt en wij meenden natuurlijk niets anders of de gewaande detectives zouden hunne arrestanten rechtstreeksch naar Scotland Yard brengen. Er geschiedde echter iets geheel anders met de twee mannen die hier zijn geweest! De beide bedriegers hadden hen op de een of andere wijze—hoe, dat weten de geneesheeren nog niet—bewusteloos gemaakt, en toen de auto stil stond, hebben zij hen naar een onbewoond huis aan de Bishop Street gebracht, en daar opgesloten. Maar nu komt het mooie! De chauffeur, die hen gereden had, was nieuwsgierig uitgevallen! Hij had een buitengewoon hooge fooi gekregen, om zoo snel mogelijk te rijden, en dat droeg er niet toe bij, hem te kalmeeren, dat begrijpt gij wel!

—Ik begrijp het volkomen, miss! antwoordde de Fransche Markies, die brandde van ongeduld om de rest van het verhaal te hooren.

—Hij had duidelijk gezien, dat de twee mannen die hem besteld hadden de beide anderen onder den arm hadden moeten nemen, en dat die er al heel gek uitzagen met hun wijd geopende oogen, die echter niets schenen te zien, en hun automatische bewegingen! Hij kon niet begrijpen, wat die mannen in dat huis gingen uitvoeren, en omdat hij, zooals gezegd, heel nieuwsgierig was—zoo reed hij niet weg, maar plaatste zijn auto om een hoek van een dwarsstraat en stelde zich verdekt op in een donker portiek!

—En......? vroeg Beaupré ademloos.

—Na een half uur kwamen er twee mannen uit het huis—en dat waren de lieden, die geboeid waren binnengeleid! Maar van boeien was niets te bekennen en zij liepen ook volkomen recht en natuurlijk! Zij schenen groote haast te hebben en riepen een auto aan, die juist voorbij reed. En de chauffeur was zoo overbluft, dat de wagen al uit het gezicht was, voor hij er aan dacht hen met zijn eigen auto te volgen!

—Merkwaardig! mompelde Beaupré, om iets te zeggen, maar hij was zeer verschrikt door dezen loop der zaken, waarvan Raffles nog niet het minste vermoeden scheen te hebben!

—Daar de chauffeur de twee mannen toch niet meer kon achterhalen, besloot hij de politie te waarschuwen, en die op de hoogte te brengen van het zonderlinge voorval, waarvan hij zooeven getuige was geweest. Het duurde eenigen tijd voor er een aantal agenten onder bevel van een inspecteur ter plaatse waren en de dag begon al aan te breken toen men eindelijk de buitendeur openbrak, daar er op het herhaaldelijk schellen niet werd opengedaan en de chauffeur pertinent volhield, dat er zich nog twee personen in het huis moesten bevinden. En wat denkt gij wel, dat de agenten vonden?

—De twee rechercheurs? vroeg Beaupré onnoozel.

—Wel neen! antwoordde de hoofdverpleegster ongeduldig. Die waren al lang weg! Zij vonden daar de twee mannen die hier waren geweest, geboeid en wel, bewusteloos op een groot bed liggen!

—Dat is kras! bromde de Franschman.

—Niet waar? riep de verhaalster uit. Men deed alles, om de beide mannen uit hun zonderlinge bewusteloosheid te doen ontwaken, maar vruchteloos! Toen werd er een dokter bijgehaald—en toen nog een, maar met hen beiden slaagden zij al evenmin! Zij moesten verklaren hier voor een raadsel te staan! Zij beproefden alle bekende opwekkende middelen, maar zij hadden dit evengoed met poppen kunnen doen! Daarop werd besloten de twee mannen naar een gasthuis te doen overbrengen! Een hunner ligt daar drie bedden van u af!

—Daar staat mijn verstand bij stil! riep Beaupré uit, ofschoon hij de geheele zaak volkomen begreep. En waar is de andere?

—In de groote operatiezaal. De geneesheeren zijn op dit oogenblik bezig allerlei middelen te beproeven om hem tot bewustzijn te brengen.

—En...... lukt het? vroeg Beaupré snel, terwijl hij de verpleegster met zijn groote, zwarte oogen vorschend aankeek.

—Neen! Hij ligt daar nog even stil en schijnbaar levenloos, ofschoon het lichaam warm is, als toen hij hier werd binnen gebracht.

Beiden zwegen en eindelijk vroeg de hoofdverpleegster:

—Kunt gij u in het geheel niet voorstellen wat dit alles te beteekenen heeft en in welke verhouding die twee zoogenaamde detectives met de mannen stonden, die u hier gisterenavond zijn komen bezoeken?

—Neen, zeide Beaupré onvervaard, ofschoon hij het zich maar al te goed kon voorstellen!

—Maar die twee bezoekers van gisteren—die kent gij toch wel?

—Slechts vluchtig, miss!

De hoofdverpleegster wilde nog iets zeggen, toen de deur geopend werd en er een man met een krachtigen lichaamsbouw, ofschoon niet zeer groot, met een vierkant, schrander gelaat, waarin twee donkergrijze, energieke oogen schitterden, de ziekenzaal binnentrad.

Die man was James Sullivan, een der bekwaamste detectives van Scotland Yard, die reeds eenige malen had deelgenomen aan de jacht op den Grooten Onbekende, en tot zijn felste vijanden gerekend mocht worden.

Hij bleef eenige oogenblikken op den drempel staan en trok de dichte, zwarte wenkbrauwen samen, toen hij de hoofdverpleegster zoo druk in gesprek zag met den gewonde.

Toen trad hij snel op het bed toe en zeide tamelijk kortaf:

—Vergun mij een oogenblik, zuster...... Dit is zeker de man, die hier gisterenavond door messteken zwaar gewond werd binnen gebracht?

—Ja, mijnheer! antwoordde de hoofdverpleegster.

Sullivan trok haar een weinig terzijde en vroeg op zachten toon, zoodat de zieke hem niet zou kunnen verstaan:

—Hebt gij dien man alles medegedeeld, wat u zooeven per telefoon is gezegd?

—Ja, mijnheer! antwoordde de zuster aarzelend, en een weinig schuldbewust, toen zij de ernstige, grijze oogen zoo strak op zich gevestigd zag.

—Dat doet mij leed! hernam Sullivan en hij klemde de lippen opeen.

—Ik wist niet, dat ik er verkeerd aan deed, stamelde de hoofdverpleegster. Wie is die man dan?

—Dat weet ik niet, maar hij speelt toch in dit alles een vrij dubbelzinnige rol en het ware beter geweest, als gij hem onkundig hadt gehouden van wat wij zoo pas ontdekt hebben! Nu, er is niets meer aan te doen—en ik zou u nu wel gaarne verzoeken mij den man eenige vragen te laten stellen. Hij schijnt sterk genoeg te zijn, om een kort verhoor te kunnen ondergaan!

—Een verhoor! herhaalde de hoofdverpleegster verschrikt. Maar wat vermoedt gij dan eigenlijk, mijnheer?

—Dat kan ik nu nog niet zeggen, miss! antwoordde Sullivan kortaf. Gij kunt er trouwens bij tegenwoordig zijn, en goed opletten, of de man zich zelf wellicht tegenspreekt!

De detective trad nu op het bed toe, zag den gewonde strak aan en begon:

—Ik ben detective van Scotland Yard en aan mij is de taak opgedragen onderzoek te doen, naar het geheimzinnig voorval, dat zich deels in dit ziekenhuis, deels... ergens anders heeft afgespeeld en waarin gij eveneens een rol hebt gespeeld, misschien ondanks uzelf! Hoe is uw naam?

Het was een moeilijk oogenblik voor den Franschen Markies.

Hij kende den detective van aangezicht zeer goed en wist wie hij was—een der beste speurneuzen van de politie der Engelsche hoofdstad.

Maar Sullivan herkende hem niet—dat was duidelijk—en dat was in ieder geval een goede troef!

De bandiet dwong zich dus tot zoo groot mogelijke kalmte en antwoordde:

—Mijn naam is Dubois—Pierre Dubois! Ik ben Franschman, als Engelschman genaturaliseerd.

—Woont gij hier dan al lang?

—Sedert een aantal jaren!

—Men zou naar uw adressen kunnen informeeren?

Dat was een vraag waarop de Franschman niet gerekend had! Want inderdaad was hij pas drie jaren in Engeland, en daarvan had hij nog eenige maanden in de Fransche hoofdstad doorgebracht, als chef eener bende!

Toch antwoordde hij onverschrokken:

—Dat spreekt vanzelf—ofschoon ik mij al die adressen niet al te goed meer herinner! Ik heb in dozijnen pensions gewoond!

—Ja—dat kan ik mij begrijpen! antwoordde Sullivan droogjes. Men heeft mij medegedeeld, mijnheer Dubois, dat gij hier zijt binnengebracht, zwaar gewond door messteken. Zoudt gij mij willen zeggen hoe gij aan die wonden gekomen zijt?

—Heel eenvoudig—ik ben op straat aangerand!

—Kunt gij het dan verklaren, hoe het komt, dat men u niets ontstolen heeft? Uw beurs, horloge, uw zilveren sigarettenkoker zijn allen op uw persoon gevonden!

Een ander zou door die vraag misschien in verwarring zijn gebracht, maar niet aldus Beaupré!

Hij had zich nu hersteld en was vastbesloten zijn incognito tot het uiterste te verdedigen.

En zoo antwoordde hij rustig:

—Ik vermoed, dat de straatroovers, die mij hebben overvallen, door de nadering van agenten op de vlucht zijn gedreven voor zij gevolg hadden kunnen geven aan hun voornemen mij te berooven.

—Maar gij zijt niet door agenten gevonden!

—Dan hebben zij het zich eenvoudig verbeeld en waren het burgers die naderden en die mij gevonden hebben! Gij moet mij de opmerking ten goede houden, mijnheer, maar dit begint veel te gelijken op een verhoor! Mag ik weten, wat gij eigenlijk denkt of vermoedt?

Sullivan beet zich op de lippen en scheen een oogenblik met zijn houding verlegen.

Hij wantrouwde dezen man, dat was zeker, maar redenen, deugdelijke redenen zou hij daarvoor niet kunnen opgeven.

En zoo zeide hij met een lichte buiging:

—Ik denk er niet aan u een verhoor af te nemen, mijnheer Dubois! Ik wilde slechts eenige inlichtingen uit uw mond vernemen, die mij wellicht van nut kunnen zijn, bij mijn verdere naspeuringen in deze duistere zaak! Daarbij wilt gij mij toch zeker wel helpen?

—Ongetwijfeld! Als dit slechts in mijn vermogen is! Vraag vrij uit!

—Als gij mij dit toestaat dan zou ik u willen vragen: wie waren de twee mannen, die u gisteravond kwamen bezoeken en wat wilden zij van u?

—Het zijn twee schurken, die iets uit mijn verleden weten, waarvan de openbaarmaking mij groot nadeel zou kunnen berokkenen en daaruit willen zij munt slaan! antwoordde Beaupré brutaal, ofschoon hij zijn hart voelde kloppen bij het stellen van deze gevaarlijke vraag. Hun namen wensch ik om begrijpelijke redenen niet te noemen.

—Maar dan hebben die mannen zich aan een strafbare zaak schuldig gemaakt! riep Sullivan uit. En als gij een aanklacht in dient, kunnen wij hen vervolgen wegens poging tot afpersing! Dat kunnen wij slechts dan doen, als het slachtoffer zelf een klacht bij het parket indient!

—Misschien zal ik dat later ook wel doen, mijnheer! antwoordde Beaupré. Als ik maar eerst dit ziekenhuis verlaten heb!

Sullivan haalde de schouders op.

—Uw stilzwijgen maakt onze taak niet gemakkelijker! zeide hij. Er heeft hier een geheimzinnige gebeurtenis plaats gehad, waarin die twee mannen een gewichtige rol vervullen. En het onderzoek naar de identiteit van de beide gewaande detectives, die hen zijn komen arresteeren—met een doel, dat ons volkomen onverklaarbaar is—zou ons heel wat lichter worden gemaakt, als wij wisten, wie zij zijn!

—Wacht, tot zij uit hun bewusteloosheid ontwaakt zijn, kwam Beaupré kortaf. Dan zullen zij wel spreken!

Hij had het stoutmoedig gezegd—maar bij zich zelf overwoog hij, dat het voor hem wel eens zeer onaangename gevolgen zou kunnen hebben, als de schurken inderdaad begonnen te spreken!

—Dat is ook juist een der meest verrassende zijden van deze gansche geschiedenis! riep Sullivan uit. Geen der geneesheeren weet te zeggen, welke eigenaardige verdooving de twee mannen heeft aangegrepen!

Beaupré bromde iets onverstaanbaars in zich zelf, maar hij antwoordde niet.

Sullivan wierp nogmaals een verstolen, onderzoekenden blik op den gewonde, en hernam toen:

—Ik wil u thans niet langer lastig vallen, want gij zult wel rust behoeven. Later echter hoop ik u nogmaals eenige vragen te mogen stellen.

Hij knikte Beaupré toe en stapte vervolgens op het bed toe waar de bewustelooze ter neder lag.

Eenigen tijd keek hij onafgebroken naar het witte gelaat met de wijd geopende oogen en toen schudde hij het hoofd en haalde de schouders op.

—Ik begrijp er niets van! mompelde hij. Het lichaam is blijkbaar warm en volstrekt niet stijf—het heeft niet weinig van schijndood!

Juist op dit oogenblik ging de deur open en traden twee geneesheeren binnen.

HOOFDSTUK III.

EEN RAADSELACHTIG GEVAL.

De beide doktoren waren in een druk gesprek met elkander verdiept en begaven zich dadelijk naar het bed van den bewusteloozen man.

Sullivan maakte dadelijk bescheiden plaats voor hen en bleef een weinig op een afstand staan.

Wat Beaupré betreft—hij voelde zijn hart in zijn keel kloppen, want als deze geneesheeren er werkelijk eens in slaagden om den man weder tot bewustzijn te brengen, dan liep zijn vrijheid groot gevaar!

Want de man daarginds zou zeker wel vastgehouden worden—het zou spoedig uitkomen wie hij werkelijk was—en dan zou hij den Markies zeker in het ongeluk willen meeslepen, en diens waren identiteit verraden.

Een der geneesheeren trad naast het hoofdeinde van het bed en trok een der oogleden omlaag.

Even bleef het lid in dien zelfden toestand, maar toen schoof het uit zich zelf langzaam weder naar boven.

De geneesheer lichtte een arm op en liet hem weder vallen, tastte den pols, opende den mond, niet zonder moeite, en legde een thermometer onder de tong van den bewustelooze.

Na eenigen tijd trok hij het instrument weder terug en raadpleegde het.

Hij schudde het hoofd, maakte een wanhopig gebaar en zeide op zachten toon tot zijn collega:

—Normale bloedwarmte—iets meer dan zeven en dertig graden—de pols een weinig langzaam—maar toch zoo goed als normaal! Geene reflexbeweging—en een geringe verlamming van de oogspieren—die blijkbaar slechts van tijdelijken aard is! Volkomen dezelfde verschijnselen als bij den anderen man. Ik herken het volmondig—ik sta hier voor een raadsel!

—Hebt gij reeds van alles geprobeerd? vroeg de andere geneesheer.

—Van alles! Onderhuidsche injecties, met een zoutoplossing, morphine inspuiting, insnijdingen in de voetzool—waarbij ik er op wil wijzen, dat er geen druppel bloed te voorschijn kwam—electrische bestraling, cocaïne, cognac, het hielp alles niets! Ik zou zeggen dat wij hier te doen hebben met atropie van de gevoelszenuwen, een tijdelijke stilstand van het zintuigelijk waarnemingsvermogen, maar waardoor dat teweeg is gebracht, en hoe wij het kunnen doen eindigen, dat is mij een raadsel!

—Hoelang zouden lieden zich reeds in dezen toestand bevinden?

—Op dit oogenblik bijna een half etmaal!

Nu trad Sullivan naderbij, stelde zich voor en zeide:

—Ik zou het bijzonder op prijs stellen, als ik u een vraag zou mogen doen!

—Vraag slechts mijnheer—maar ik vrees, dat ik u wel niet zal kunnen antwoorden, antwoordde de geneesheer die zooeven den patiënt onderzocht had.

—Acht gij het mogelijk dat deze man zich uit zich zelf bewogen heeft?

De wenkbrauwen van den geneesheer gingen de hoogte in en als een antwoord daarop antwoordde hij glimlachend met een kwalijk verborgen medelijden van den vakman voor den leek:

—Dat is volkomen buiten gesloten!

—Maar hoe verklaart gij het dan, dat deze twee lieden zelf uit een auto zijn gestapt en een huis zijn binnen gegaan?

—Dat verklaar ik niet, mijnheer—dat ontken ik—antwoordde de geneesheer kortaf. Dat is onmogelijk! Als er getuigen zijn die verklaren dat zij dit gedaan hebben, dan kunnen zij niet in de auto bewusteloos zijn gemaakt, maar dan moet dit in dat huis geschied zijn!

—Ik dank u voor uwe bereidwilligheid om mij te antwoorden, maar ik ben niet voldaan, antwoordde Sullivan.

—Waarom niet? als ik vragen mag, hernam de geneesheer een weinig uit de hoogte.

—Omdat ik mij niet kan voorstellen hoe die beide mannen zonder eenigen tegenstand te bieden, of tenminste hun verbazing te uiten, dat donkere, onbewoonde huis in de Bishop Street binnen gingen! Zij moesten immers verwacht hebben naar Scotland Yard of naar een Huis van Bewaring te worden overgebracht?

De geneesheer gaf niet aanstonds antwoord, maar stond met gefronst voorhoofd stil, terwijl hij zenuwachtig met de vingers op zijn rug friemelde.

Toen antwoordde hij een weinig gemelijk:

—Ik kan u op die vraag geen antwoord geven, mijnheer—dat zijn politiezaken. Wel kan ik u echter zeggen dat er geen sprake van is dat deze man of zijn metgezel zich zouden hebben kunnen bewegen.

Sullivan haalde vluchtig de schouders op en zeide:

—Als dat uw vaste overtuiging is—dan moet ik mij daar natuurlijk wel bij neerleggen. Maar het maakt voor mij de zaak des te raadselachtiger.

Beaupré had het geheele gesprek, ofschoon het op tamelijk zachten toon gevoerd was, gehoord, en hij was door zijn hoop en vrees heen en weer geschommeld.

Nu waren zijn twee doodsvijanden nog bewusteloos, maar wie weet hoe lang dat zou duren?

Zij konden weder ieder oogenblik tot het leven terugkeeren—met al de gevolgen daarvan.

De Franschman zag nu hoe de beide geneesheeren zich verwijderden, na nogmaals een blik op den bewustelooze geworpen te hebben en het volgende oogenblik waren zij weg, door Sullivan op den voet gevolgd.

—Ik moet Marthe waarschuwen! mompelde Beaupré zacht. Zij moet John Raffles op de hoogte brengen. Hij is de eenige die mij kan helpen! Als die man daarginds spreekt ben ik verloren—en Raffles was de man die hem bewusteloos heeft gemaakt en hij is dus waarschijnlijk de eenige die hem weder tot het bewustzijn kan terugroepen. Hij moet hen hier trachten weg te voeren, voor het te laat is.

En nu begonnen de hersens van den Franschen markies met koortsachtige haast te werken.

Hij overwoog alle mogelijkheden, en ten slotte meende hij de eenvoudigste oplossing te hebben gevonden. Hij zou zich houden alsof zijn toestand plotseling zeer verergerde, en dan zou men zeker niet weigeren Marthe aanstonds bij hem te laten komen.

Beaupré gaf aanstonds gevolg aan zijn voornemen!

Hij begon te kreunen, wentelde het hoofd van links naar rechts over zijn kussen en het duurde niet lang of een der verpleegsters kwam toeloopen, boog zich over hem heen, en vroeg:

—Hebt gij erge pijn?

—Vreeselijk, zuster! antwoordde Beaupré. Ik geloof dat het met mij ten einde loopt.

—Maar uw toestand was van morgen redelijk, riep de zuster verschrikt uit. Ik zal aanstonds de hoofdverpleegster roepen.

Deze werd gehaald en kwam haastig op het bed van den gewonde toeloopen.

Nu was deze inderdaad een weinig uitgeput, door het langdurig en opwindend gesprek, gevolgd door het verhoor van Sullivan en de vrees voor zijn vrijheid had het zweet met fijne druppeltjes op zijn slapen doen parelen.

Hij stak een bevende hand naar de hoofdverpleegster uit en zeide op heeschen toon:

—Ik geloof dat het met mij mis loopt! Ik smeek u aanstonds mijn vriendin te laten halen!

—Gij ziet werkelijk heel bleek, zeide de verpleegster verschrikt.

Zij legde den zieke den thermometer aan en bemerkte dat hij hooge koorts had.

Een oogenblik stond zij in beraad, en toen nam zij een besluit en zeide:

—Geef mij het adres van uw vriendin—ik zal haar laten halen, maar gij moogt volstrekt niet langer dan vijf minuten met haar spreken.

—Dat beloof ik u, Miss—vijf minuten zijn voldoende om afscheid van haar te nemen,—kwam de Fransche Markies op dramatischen toon.

Hij noemde een afgelegen straat in een der Noordelijkste wijken van Londen, een oogenblik later was er een telegram aan het adres van Marthe Debussy gezonden.

Met koortsachtig ongeduld wachtte Beaupré de komst af van zijn minnares en zijn vrees en ongerustheid deden hem veel zieker schijnen dan hij inderdaad was.

Onophoudelijk wendde hij zijn blik naar den bewustelooze, vreezend hem eensklaps te zien ontwaken.

Het zou niet veel helpen, als hij zich onder de dekens verborg, want „Big Billy”, zoo was de naam van den bewustelooze, wist zeer goed wie er in dat bed lag!

Er verliepen twee bange uren—en toen werd de deur opengeworpen en trad Marthe Debussy doodelijk verschrikt binnen.

Het telegram had haar zeer ontsteld en zij meende niet anders of zij zou haar minnaar stervende vinden.

Zij snelde op het bed van Beaupré toe, maar deze stelde haar onmiddellijk met eenige gefluisterde woorden gerust, en hernam daarop iets luider opdat de verpleegster hem zou kunnen verstaan:

—Ik meende zooeven mijn einde te voelen naderen—en ik wilde je nog eens zien voor ik stierf! Wij hebben slechts vijf minuten!

De verpleegster verwijderde zich bescheiden, en nu volgde Beaupré zachtjes:

—„Big Billy” is in deze zelfde zaal gebracht—hij ligt drie bedden van mij af—kijk aanstonds eens voorzichtig!

Marthe Debussy kon met moeite een kreet van schrik weerhouden, want ook zij had aanstonds het gevaar begrepen!

Zij kende Big Billy maar al te goed en zij wist dat hij geen medelijden zou kennen, als hij zelf gearresteerd werd—hij zou trouwens overtuigd zijn, zijn vriend Dr. Fox een grooten dienst te bewijzen als hij den Franschen markies, diens mededinger, in het verderf stortte!

Zij keek even schichtig in de aangeduide richting en zeide toen fluisterend:

—Ja—hij is het!

—Luister dan goed, Marthe! Raffles is nu nog onze vriend—jij bent een vrouw en ik ben thans machteloos! Hij is een gentleman—en hij zal het zijn plicht achten mij te redden, nu ik hier hulpeloos ter neder lig; al ware het slechts omdat hij in mij later een bruikbaren bondgenoot tegen Fox denkt te vinden!

Zeg hem aanstonds hoe de zaken hier staan en verzoek hem al het mogelijke te doen om Big Billy hier te verwijderen.

—Maar dat is onmogelijk! fluisterde de jonge vrouw verschrikt.

—Voor Raffles is niets onmogelijk, hernam Beaupré. Zeg hem slechts wie hier ligt en ik ben zeker dat hij een middel zal weten te vinden, om hem zonder zelf gevaar te loopen, te verwijderen.

—Ik zal het doen, omdat het jouw veiligheid geldt, maar ik vrees dat dit boven zijn macht gaat!

—Neen, ik ben volkomen gerust nu, hernam de Franschman. Zeg mij eens, Marthe—ben je nu niet gevolgd?

—Neen—Raffles heeft er voor gezorgd dat zij ons spoor bijster zijn geraakt.

Hij heeft mij trouwens zelf vergezeld, hij wacht in een klein wijnhuis hier tegenover.

—Zooveel te beter. Zeg hem aanstonds maar wat ik je zooeven heb medegedeeld! Ik zou geen seconde gerust kunnen ademhalen voor die twee kerels verwijderd zijn.

Marthe durfde haar minnaar niet teleurstellen, maar zij zelf wanhoopte aan het welslagen van iedere poging om de twee schurken in hun tegenwoordigen toestand uit het gasthuis weg te krijgen—noch met geweld—noch met list.

En daardoor gaf zij slechts blijk dat zij John Raffles nog niet kende......

Zij nam weder afscheid van Beaupré, na aan de hoofdverpleegster het adres van een klein hotel in de onmiddellijke nabijheid van het ziekenhuis te hebben opgegeven, waar zij nadere berichten omtrent den toestand van den gewonde zou afwachten.

Beaupré was er door al deze opwindende gebeurtenissen zeker niet op vooruit gegaan, en hij liet zich nu uitgeput doodsbleek in de kussens vallen.

Lukte het plan niet, werden de bewusteloozen hier wakker, dan wachtte hem een gevangenisstraf van tenminste twintig jaren!

Intusschen ging het leven in het ziekenhuis zijn geregelde gang. Nu en dan werden er zieken binnengebracht, tweemaal werden er een paar mannen weggehaald om naar de operatiezaal te worden vervoerd, en slechts een hunner werd, wit als het laken dat hem bedekte, weder binnengebracht.

De andere was tijdens de operatie bezweken en voorgoed van alle pijnen en smarten verlost.

Het was omstreeks vier uur in den middag en reeds was overal het licht aangestoken, toen de hooge gangdeur weder openging en een hulpverpleegster snel naar het tafeltje liep waar de opzichteres bezig was haar staten bij te houden, waarop de toestand van alle zieken in de zaal nauwkeurig vermeld werd.