Lord Lister No. 0304: De wraak eener vrouw
Part 3
Het licht stroomde door een achttal hooge vensters naar binnen.
Een paar verpleegsters liepen zachtjes heen en weder langs den breeden middenloop, die met een dikken kokoslooper bedekt was.
In het midden daarvan stond een kleine tafel met een stoel er voor ten gebruike van de hoofdverpleegster, aan wie het toezicht over de geheele zaal was toevertrouwd.
Er waren ruim honderd bedden bezet, en overal zag men wasbleeke ingevallen gezichten, koortsachtig schitterende oogen, of onrustig heen en weer over de kussens woelende hoofden.
Dadelijk trad er een verpleegster op Lord Aberdeen toe, en de rondgang begon.
De secretaris van zijn Lordschap, Brand, had een notitieboek en een vulpenhouder te voorschijn gehaald, en maakte aanteekeningen.
De verpleegster begon met haar eentonige opsomming van ontberingen, armoede en ellende van allerlei aard, en de jonge man schreef.
Met ernstig gelaat luisterde Lord Aberdeen toe.
Bij ieder ziekbed stond hij een oogenblik stil, nu eens om een paar bemoedigende woorden te spreken tot een zieke die daar al maanden en maanden lag en den rijken bezoeker reeds kende, dan weder om nadere bijzonderheden te vernemen uit den mond zelf der patiënten.
Zoo werd het een geheel verhaal van troostelooze, sombere misère, waarbij alleen de hoofdpersonen anderen waren, maar het drama zelf bijna onveranderlijk hetzelfde bleef.
Daar waren metselaars, die van een steiger waren gevallen, en wier gezin reeds weken honger leed, daar waren bejaarde kantoorklerken, door een kwaal overvallen en die niet wisten wat zij moesten doen, als zij weder uit het ziekenhuis ontslagen zouden worden. Daar waren werkloozen, van stadswege verpleegd en in wier woningen sedert lang bittere armoede heerschte en daar waren ten slotte oorlogsinvalieden, die hier als wrakken gestrand waren, zonder hoop, zonder uitzicht op verbetering van den toestand, het hart vervuld van wrok jegens een ondankbare maatschappij, die hen eerst den dood tegemoet had gezonden, en hen nu verstiet, juist nu zij haar hulp zoozeer behoefden.
Geduldig, zonder ooit iemand in de rede te vallen, hoorde Lord Aberdeen deze verhalen van lijden en ontbering aan, terwijl zijn secretaris ijverig schreef.
Maar eensklaps bleef hij stilstaan en hield zijn groote grijze oogen onafgewend op een gestalte die naast een der bedden geknield lag, met het hoofd op een kussen, waarop reeds een ander, stil, bleek hoofd gevlijd lag met gesloten oogen en pijnlijk dichtgeknepen lippen.
Het was een vrouw, tamelijk opzichtig gekleed en met een geschminkt gezicht, maar dat de sporen van een groot smartelijk leed vertoonde.
Zij kon niet veel ouder zijn dan zes-en-twintig jaar, ofschoon een leven van vermaak en van late braspartijen reeds zijn sporen op haar wit gelaat had gedrukt.
Zij zat daar doodstil, waarschijnlijk uit vrees om den man te wekken, die daar zoo stil en bleek terneder lag.
De verpleegster was reeds verder gegaan maar hield nu haar schreden in, om op Lord Aberdeen te wachten, die nog altijd zijn blikken beurtelings op den man in het bed en de vrouw daar voor gevestigd hield.
—Wie is die man? vroeg Lord Aberdeen eindelijk op zachten toon, terwijl hij zich tot de verpleegster wendde.
—Dat weten wij niet, Mylord, antwoordde de verpleegster. Hij is hier vannacht door een paar mannen binnengebracht met een diepe steekwond in de rechterzijde, welke hij moet hebben opgedaan in een straatgevecht.
Daarover verwonderden wij ons wel een weinig, want de man droeg vrij dure kleeren en zijn gelaat ziet er ook niet uit als van iemand die zich op straat in een messengevecht zal begeven.
—Neen, dat doet het zeker niet! zeide Lord Aberdeen, terwijl hij het hoofd langzaam schudde, zonder zijn blikken van den zwaar gewonde af te wenden.
Daarop vervolgde hij fluisterend:
—Wie is de vrouw die aan zijn bed knielt?
—Zijn vrouw of zijn minnares, Mylord, antwoordde de verpleegster even zacht. Zooals gij weet is het bezoekuur nog niet aangebroken, maar zij klaagde zoo luid, en smeekte zoo innig om haar bij dezen man toe te laten, dat wij het niet over ons hart konden krijgen haar weg te zenden.
—Maar als gij den naam van dien man nog niet eens kendet, hoe kon de vrouw dan weten dat haar minnaar of haar man juist hier zou liggen? vroeg Charly Brand nu.
De verpleegster haalde de schouders even op en antwoordde:
—Ik weet niet, mijnheer! antwoordde de verpleegster even zacht. Zij zeide dat zij het van vrienden gehoord had.
—Maar dan moet zij toch zelf den naam van haar minnaar hebben genoemd! hernam Lord Aberdeen verwonderd.
—Neen, dat deed zij niet, ging de verpleegster voort, of liever, wij zijn er van overtuigd dat zij met opzet een verkeerden naam heeft opgegeven.
Lord Aberdeen en zijn secretaris hadden een bliksemsnellen blik met elkander gewisseld, die door de verpleegster niet werd opgemerkt en nu vroeg de eerste:
—Waarom denkt gij dat als ik vragen mag!
—Zij noemde een echt Engelschen naam, Mylord. Brand en de gewonde heeft een deel van den nacht geijld en daarbij voortdurend Fransch gesproken! Bovendien heeft hij ook een buitenlandsch accent.
—Is zijn toestand gevaarlijk?
—Als er zich geen complicaties voordoen en de wondkoorts niet verergert, kan hij binnen een week weder genezen zijn. Het bloedverlies had hem uitgeput, maar hij heeft blijkbaar een zeer krachtig gestel.
Gedurende dit gesprek was het kleine groepje reeds weder verder geloopen, maar Lord Aberdeen zoowel als zijn secretaris hadden van tijd tot tijd een blik achter zich geworpen naar de jonge vrouw, die nog altijd bewegingloos naast het bed geknield lag. De rondgang door de zaal werd toen voortgezet, en eindelijk waren alle bedden bezocht.
Het notitieboekje van den jongen secretaris was voor een groot gedeelte volgeschreven en hij liet het weder in zijn zak glijden toen hij en zijn meester weder bij de breede deur stonden, die zij waren binnengetreden met de wetenschap dat Lord Aberdeen ongeveer met vijfhonderd pond sterling dezen rondgang zou betalen.
Toen de beide mannen bij de deur afscheid namen van de vriendelijke verpleegster, wierpen zij nogmaals een blik op het bed, waar de zwaargewonde terneder lag.
De vrouw had zich thans opgericht en stond naast het bed met de hand van den man in de hare.
Haar bleeke lippen schenen woorden te prevelen, welke echter niemand verstond.
Het volgende oogenblik viel de deur achter de beide bezoekers dicht.
In gedachten verzonken volgden de beide mannen den breeden corridor, daalden de trap af en stonden weder in de vestibule.
Lord Aberdeen haalde zijn horloge te voorschijn en wierp een blik op het met kostbare juweelen versierde uurwerk.
Van de vestibule uit konden de twee mannen juist de blauwe auto weder zien aanrijden. Henderson, de chauffeur, was juist op tijd, zooals trouwens steeds.
Lord Aberdeen en zijn secretaris liepen den wagen tegemoet, die juist het hek wilde doorrijden.
Lord Aberdeen opende het portier, maar voor hij instapte wendde hij zich tot Charly Brand en zeide zacht:
—Ik rijd alleen naar huis, blijf jij hier wachten, stel je verdekt op en volg die vrouw, je hebt haar natuurlijk herkend!
—Haar zoowel als hem! Hij is Markies Beaupré de la Sardogne die reeds eenigen tijd door de politie van zijn land wordt gezocht, en zij is zijn minnares, Marthe Debussy!
—Dat zag ik ook bij den eersten blik, Charly, je gaat dus die vrouw na, en rust niet voor je haar adres weet.
—Ik beloof het je!
De beide mannen drukten elkander de hand, Lord Aberdeen stapte in zijn auto, na den chauffeur zijn bevelen te hebben gegeven, en de wagen reed snel weg.
Wie was deze man, die dit zonderlinge gesprek had met zijn secretaris?
Niemand anders dan John Raffles, de Gentleman-inbreker, de langgezochte Groote Onbekende, op wiens aanhouding door Scotland Yard een premie van duizend pond sterling was gesteld.
Maar welke Londenaar zou geloofd hebben, dat zich achter den bekenden filantroop, die jaarlijks tienduizenden ponden aan allerlei instellingen van liefdadigheid schonk, en zeker nog veel meer in het geheim, den man verborg, die het de politie jaren lang zoo bitter lastig had gemaakt, en op wiens rekening een aantal inbraken werden gesteld, die door hun weergalooze stoutmoedigheid tot zelfs de bewondering van Raffles’ natuurlijke vijanden, de rechercheurs en detectives hadden gewekt?
Men zou den man, die het had durven beweren, eenvoudig voor gek hebben verklaard!
John Raffles had dus in de auto plaats genomen, die door zijnen trouwen chauffeur Henderson bestuurd werd, en een half uur later bevond hij zich in zijn fraai huis, in het begin van de Regentstreet gelegen, dicht bij Pall Mall.
Een oude bediende met spierwit haar, Gaston, had zijn hoed en overjas in ontvangst genomen, en ontkennend geantwoord op de vraag van zijn meester, of er boodschappen of brieven waren gekomen.
Raffles begaf zich naar de rookkamer, en wachtte daar rustig op de terugkomst van Charly Brand.
Hij ging in zijn gedachten nog eens de omstandigheden na, onder welke hij Markies de Beaupré voor de eerste maal had gezien.
Dat was eenige maanden geleden, toen de verkiezing voor een nieuwen chef van het genootschap van den Gouden Sleutel had plaats gehad.
Raffles had Beaupré toen ontmoet in een toestand van onbeschrijfelijke woede, omdat de keuze niet op hem maar op zijn mededinger dr. Fox was gevallen.
Hij had hem aangesproken, hem gezegd, dat hij hem zijn hulp wilde aanbieden, voor het geval dat Beaupré den nieuwen chef wilde bestrijden.
Eenige weken later was Raffles in de gelegenheid geweest, den eenen tegenstander tegen den anderen uit te spelen, en het had toen maar weinig gescheeld, of dr. Fox had het loodje gelegd.
Sindsdien had hij den Franschman niet terug gezien, tot op dezen dag.
En nu had een toeval hem weder op het spoor van den markies gebracht!
Van dat straatgevecht geloofde Raffles niet veel.
Dat Beaupré onder normale omstandigheden op straat met een mes zou hebben gevochten, kwam hem al heel onwaarschijnlijk voor.
Dat lag in het geheel niet in den aard van den eleganten booswicht!
—Neen, daar zal wel wat anders achter steken—en hij hoopte dat Charly Brand hem aanstonds berichten zou komen brengen, die hem van dienst zouden kunnen zijn.
Nadat Raffles een paar uren gewacht had en besteed aan het bijhouden van zijn correspondentie, keerde Charly weder terug.
Hij ging het werkvertrek van Raffles binnen, waar deze thans voor zijn schrijfbureau gezeten was, deed de deur achter zich dicht en zeide:
—Ik heb haar gevonden.
HOOFDSTUK V.
EEN GESPREK DAT GEVOLGEN HEEFT.
—Ik ben blij dat je geslaagd bent, Charly, zeide Raffles eenvoudig. Ik denk dat ik die vrouw noodig kan hebben! Zoolang de wereld draait is een schoone vrouw, een vrouw met temperament, een scherp wapen geweest in de handen van een bekwaam man die het wist te hanteeren—zie bijvoorbeeld maar eens naar de minnaressen van de groote Fransche koningen! Madame Dubarry, La Pompadour, om er slechts twee te noemen, zijn beiden door sluwe intriganten geëxploiteerd om invloed op den koning uit te oefenen, soms zonder dat ze er zelf van bewust waren.
—Zou Marthe Debussy op de hoogte zijn van wat er met haar minnaar geschied is?
—Maar dat spreekt immers van zelf, dat is natuurlijk dadelijk uitgelegd. Voor een vrouw die werkelijk lief heeft kan men dergelijke dingen onmogelijk geheim houden. Ik heb op haar gelaat gelet, terwijl zij naast het bed van den zwaar gewonde geknield lag, en daarop kon men lezen als in een open geslagen boek. Er waren vele gevoelens op dat gelaat afgespiegeld: blinde liefde voor den man die daar zwaar gewond ter neder lag en woeste haat jegens den man die hem in dien toestand gebracht had. Fox behoort evenmin tot mijn vrienden en te zamen met die vrouw die natuurlijk op wraak zint, zullen wij wel in staat zijn den schurk machteloos te maken! Ik hoop dan slechts, dat de Engelsche gevangenissen een weinig moeilijker zullen zijn te verlaten dan de Amerikaansche.
—Ja, daar schort nog al het een en ander aan, zeide Charly minachtend. Dat men eenmaal uit een gevangenis ontsnapt, kan ik mij nog begrijpen, maar het is mij volkomen duister hoe men daarin een tweede maal kan slagen.
—Dr. Fox had daar machtige helpers, hernam Raffles schouderophalend, die bende schijnt over de geheele wereld te beschikken over zeer bekwame bondgenooten, tot in de gevangenissen toe! En nu zullen we eens handelen, mijn jongen.
—Wat wil je doen?
—Ik wil die vrouw gaan bezoeken!
—En denk je dat ze je hulp zal aanvaarden? Vergeet niet dat de Beaupré ze heeft afgeslagen!
—Dat vergeet ik niet, maar hij was trotsch. Hij was een man, en hij meende het alleen wel af te kunnen in zijn strijd tegen den meester! En tot op zekere hoogte kan ik die gevoelens waardeeren. Zij is echter een vrouw, zij staat alleen, zij heeft niet alleen Fox, maar ook zijn vrienden tegen zich en zij zal dus eerder geneigd zijn de hulp aan te nemen van een man die over machtige middelen beschikt!
—Ook dan, als die man verklaarde vijand te zijn van de dievenbende, waarvan ook haar minnaar lid is?
—Ook dan! Je mag ook niet uit het oog verliezen, dat Fox en Beaupré persoonlijke vijanden zijn, en dat die vrouw natuurlijk niets liever zou willen dan dat Fox voor goed werd verslagen en haar minnaar aan het hoofd van het machtige misdadigersgenootschap mocht komen te staan. Het eergevoel is juist bij dergelijke vrouwen zeer sterk ontwikkeld, al is het dan een eigenaardig eergevoel. En nu genoeg gepraat. Zeg mij nu waar zij woont dan ga ik er heen.
—Zij heeft haar intrek genomen in een tweederangs hotel in Lincoln. Het heet „Het vergulde Hert”. Het is een logement dat zeker uit het begin van de zeventiende eeuw dateert en waaraan bijna nog niets verbouwd is. Jij als liefhebber van oude gebouwen zult er zeker je hart aan ophalen:
Maar à propos, je zult er toch zeker niet naar toe gaan dan na je duchtig te hebben vermomd?
—Daar kun je zeker van zijn!
—En zul je je ware hoedanigheid openbaren?
—Dat zal wel moeten, antwoordde Raffles, anders zal ze mijn hulp zeker niet aannemen, zij zou voor een valstrik vreezen!
—Maar zal ze gelooven, dat je werkelijk John Raffles bent?
—Daaraan twijfel ik niet; ik kan haar voldoende zaken mededeelen waaruit onaanvechtbaar blijkt, dat ik John Raffles moet zijn omdat die dingen alleen aan hem bekend kunnen zijn.
Raffles was onder het spreken opgestaan en wendde zich nu naar de deur.
—Ik hoop over een paar uren terug te zijn, Charly, maak jij intusschen een lijst op van de gezinnen der zieken die wij vanmorgen bezocht hebben, zoodat wij die in een enkelen dag kunnen bezoeken en daar doen wat er te doen valt.
Hij knikte Charly nog eens toe, sloot de deur en begaf zich naar zijn groot slaapvertrek, waarvan de drie ramen uitzagen op den grooten tuin achter het huis.
Hij opende een geheim vak in den wand, of liever de deur van een zeer groote kast, bijna een kamer, waar een zeer groot aantal kleederen keurig waren gerangschikt; uniformen van leger en vloot, van politieagenten en van matrozen, livreien, afgedragen kleederen—kortom, alles wat iemand als John Raffles noodig kon hebben om zich onkenbaar te maken.
Daarbij behoorde een groote hoeveelheid voortreffelijk vervaardigde pruiken, baarden en knevels.
Raffles stond eenigen tijd in beraad en koos toen een eenvoudig zwart costuum, een weinig versleten, waarin hij er, met een grijze pruik en een korten ringbaard zou uitzien als een diaken of een ouderling.
Hij besteedde groote zorg aan zijn vermomming en toen hij zich een half uur later in den grooten spiegel bekeek, kon hij tevreden zijn over zichzelf. Hij geleek in niets meer op den man die zooeven het vertrek was binnengetreden. Zijn gelaatskleur, zijn houding, zijn gebaren waren veranderd, ja zelfs de vorm van zijn gezicht en de vorm van zijn oogen schenen een wijziging te hebben ondergaan.
Hij sloot het vak weder met de grootste zorg en verliet het slaapvertrek door een tweede deur, die uitkwam op een smalle gang, welke hem naar een trap bracht, die regelrecht naar een deur in den zijmuur van het huis voerde, zoodat hij dit ongezien kon verlaten, zonder door Gaston, zijn grijzen kamerbediende, te worden opgemerkt.
Hij liep de doodstille zijstraat vlug door en riep vervolgens een huurauto aan, hij gaf den chauffeur het adres van het kleine hotel en ongeveer twintig minuten later stond de auto stil voor het „Vergulde Hert” in Lincoln.
Charly had er niet te veel van gezegd, het was inderdaad een zeer fraai oud gebouw, uitstekend onderhouden, en dat in den loop der eeuwen slechts zeer geringe veranderingen had ondergaan.
Alleen vertoonde zich aan den ingang de onvermijdelijke portier in zijn groene jas met de blinkende knoopen en den gouden band om zijn pet, die wel wat afstak met de prachtige eikenhouten lambriseering in de ouderwetsche, ruime hal met zijn geweldigen schoorsteen, waarin een groot houtvuur vlamde.
Er was nog meer geofferd aan den geest des tijds—en zoo werd Raffles niet ontvangen door een deftigen, vriendelijken waard, een kuitbroek, met een kastanjekleurig staartpruikje op, en in hagelwitte hemdsmouwen, maar door een geblankette jonge dame, die achter een soort toonbank gezeten was, waarop een lijvig register lag.
Plotseling viel Raffles in, dat Marthe Debussy waarschijnlijk niet haar eigen naam zou hebben opgegeven en zoo was hij wel genoodzaakt een beschrijving van haar persoon te geven.
Er werd een vestibule-kellner bijgehaald, en toen ook nog de portier en toen wist men wel, wie de bezoeker bedoelde. Hij kwam zeker om Miss Bispham.
Raffles had dus wel gelijk gehad, de minnares van den Franschen markies had een valschen naam opgegeven—of liever een anderen naam dan Debussy, want als zoodanig zou zij ook wel niet vermeld staan in het Fransche register van den Burgerlijken Stand!
Men was wel een weinig verbaast, dat de bezoeker den naam niet eens scheen te weten van de dame welke hij wenschte te spreken—en achter zijn rug gaf men elkander een knipoogje—die oude heer in het zwart en met zijn eerwaardig uiterlijk, kneep zeker de kat in het donker.
Er werd nu een étage-kellner geroepen en deze bracht Raffles door een doolhof van gangen, voor het meerendeel met door ouderdom bijna zwart geworden eikenhoutbeschotten en langs een aantal tamelijk donkere trappen naar het vertrek, hetwelk de zoogenaamde Miss Bispham bewoonde.
De kellner verzocht Raffles even te wachten, en vroeg toen:
—Miss Bispham verwacht u zeker?
—Neen! antwoordde Raffles kortaf.
De wenkbrauwen van den kellner gingen een eind de hoogte in en daarop hernam hij:
—Mag ik uw naam weten als-tu-blieft?
—Die komt er niet op aan—de dame kent mij toch niet, zeg maar dat iemand, die belang in haar stelt haar om een zeer ernstige reden moet spreken.
Er was nu niemand in de buurt om tegen te knipoogen en daarom haalde de kellner zijn neus maar eens op, keek den bezoeker schuin aan, en klopte.
Daarbinnen antwoordde een vrouwestem: Binnen! De kellner ging binnen, en kwam terug met de boodschap of de bezoeker niet aan hem kon mededeelen, wat hij verlangde.
—Onmogelijk, antwoordde Raffles eenigszins ongeduldig. Ik moet de dame absoluut zelf spreken. Zeg maar dat het een zaak van het hoogste gewicht betreft.
Schouderophalend ging de kellner nogmaals naar binnen, en een oogenblik later keerde hij terug.
—Miss Bispham verzoekt u binnen te komen, zei hij.
Hij maakte plaats voor Raffles, die, voor hij binnentrad nog juist zag, dat de goede man tersluiks een collega wenkte, die aan het eind van de gang nieuwsgierig toezag, waarschijnlijk om hem het schandaaltje mede te deelen, dat een oud man, die er naar het oog zoo eerbiedwaardig uitzag, bezoeken kwam brengen bij een dame, die er nu niet bepaald als een heilige uitzag.
Raffles had de deur achter zich gesloten en stond nu in een vrij eenvoudig gemeubelde hotelkamer, met tamelijk kleine ramen, en een open haard.
Zelfs wat de verwarming betreft scheen de eigenaar van het hotel er niet toe te hebben kunnen besluiten de prachtige ouderwetsche schoorsteenen te vervangen door leelijke radiators, of nog leelijker kolenkachels.
Dicht bij een der ramen stond een jonge, bleeke vrouw, met groote zwarte oogen, welke Raffles aanstonds zou hebben herkend, ook al had hij niet geweten wie hij hier zou vinden.
Zij had hoed en mantel, welke zij in het ziekenhuis droeg, nonchalant op het bed geworpen, en scheen juist op het punt te staan, weder uit te gaan.
Zij keek den binnenkomende met lichtgefronste wenkbrauwen aan, en vroeg, terwijl zij ongeduldig met den kleinen voet trappelde:
—Wilt gij mij spoedig mededeelen, mijnheer, wie gij zijt en wat de reden van uw komst is; ik moet u bekennen, dat ik weinig tijd heb.
Raffles was het vertrek wat verder binnengetreden, keek de jonge vrouw een oogenblik doordringend aan en zeide toen op zachten toon:
—De reden van mijn bezoek zal u reeds iets duidelijker worden, miss, als ik u aanspreek met den naam, waaronder ik vroeger reeds eenmaal het genoegen heb gehad met u kennis te maken, Marthe Debussy!
De jonge vrouw deed een stap achteruit, keek Raffles verschrikt aan, en vestigde toen haar blik op de deur alsof zij vreesde dat iemand dien naam had kunnen hooren.
Toen trad zij dicht op Raffles toe, en zeide op fluisterenden toon:
—Als gij mij bij dien naam noemt dan moet ge mij goed kennen; zeg mij spoedig wat gij wilt!
—Ik wenschte uw hulp, zeide Raffles, terwijl hij de jonge vrouw aandachtig aankeek.
—Mijn hulp? hernam Marthe verwonderd, in welk opzicht kan ik u van dienst zijn?
—Gij kunt mij helpen in den strijd tegen een man, dien gij als uw doodsvijand moet beschouwen, omdat hij de doodsvijand van uw minnaar is.
De jonge vrouw deinsde nu met de hand op het hart gedrukt achteruit, en stamelde:
—Gij zijt van de politie? Gij zijt een detective? Want er is maar een man ter wereld op wien gij kunt doelen!
—Ik ben geen detective! antwoordde Raffles glimlachend.
—Misschien een slachtoffer van dien man?
—In zekeren zin, ja, madame! Ik wil u niet langer in het onzeker laten! Ik ben John Raffles!
De jonge vrouw sloot een oogenblik haar oogen en haar ademhaling ging zwaar.
Zij stond nu onbeweeglijk midden in het vertrek en staarde Raffles onafgebroken aan.
Toen kwam het toonloos over haar lippen:
—Dan—dan zijt gij ook een vijand van—van hem—van mijn vriend!
Raffles schudde zachtjes het hoofd en hernam:
—Gij kent mij slecht, Madame! Ik ben de vijand van Markies de Beaupré in zooverre hij deel uitmaakt van een bende, die werkt met middelen welke mij zeer tegen de borst stuiten, nog geheel daarvan af gezien dat ze mij concurrentie aandoet! Maar aan den anderen kant ben ik zijn vriend, omdat hij een fel tegenstander is van mijn vijand, dr. Fox. Gij ziet dat ik man en paard noem!
—Ja, als gij dit weet, dan moet gij wel werkelijk John Raffles zijn! zeide de jonge vrouw, terwijl zij eenige malen langzaam met het hoofd knikte.
—Op dit oogenblik is, naar mijn spionnen mij hebben medegedeeld, uw vriend zeer zwaar gewond, nietwaar?
Even scheen Marthe te aarzelen, maar toen antwoordde zij:
—Waarom zou ik er een geheim van maken—het is zoo!
—Wilt ge mij mededeelen, wie hem die wonden heeft toegebracht?
De minnares van den Franschen markies antwoordde niet en klemde de lippen opeen.
Maar haar gelaatstrekken kon zij niet in bedwang houden, en die spraken zoo duidelijk, dat Raffles met een flauwen glimlach vervolgde:
—Gij behoeft niets te zeggen, ik weet het reeds!
Hij wachtte even en vervolgde toen: