Lord Lister No. 0302: Chesterton en Chesterton
Part 4
Charly keek Raffles met groote oogen aan en stotterde:
—Ik begrijp volstrekt niet, waar je heen wilt! Wat bedoel je eigenlijk? Wat wil je van Chesterton?
—Ik wil wraak op hem nemen! antwoordde Raffles eenvoudig. De man heeft zich tegenover mij op een zeer onheusche wijze gedragen, om het nu maar eens beleefd uit te drukken. Hij schijnt het woord „dankbaarheid” niet in zijn woordenboek te hebben—ik zal hem bewijzen, dat het woord „vergelding” in het mijne wel degelijk voorkomt!
Charly had hoofdschuddend toegeluisterd en zeide toen op zachten toon:
—Ik begrijp je niet! Ieder ander mensch zou de Voorzienigheid prijzen, die hem uit de handen van Flannagan, Sullivan en c.s. redde, en zich haasten het stof van deze ondankbare stad af te schudden. Jij daarentegen weet niets beter te bedenken, dan je onmiddellijk in nieuwe avonturen te storten. Ben je soms bang, dat je niet genoeg beweging hebt? Luister eens—dit grenst toch aan waanzin!
—Noem het zooals je wilt, mijn waarde, maar ik heb het er nu eenmaal op gezet, om dien Chesterton een poets te spelen, die hem zal heugen!
Charly zuchtte diep, maar hij begreep wel, dat er niet aan te denken viel, Raffles van zijn voornemens af te brengen.
—Als ik het dus wel begrepen heb, begon hij weder, ben je van zins dien Chesterton naar de gevangenis te brengen.
—Ja, dan is hij afwezig en kan mij niet lastig vallen, als ik nogmaals een bezoek aan zijn woning breng.
—En hoe denk je dat wel te doen?
—O, er zijn genoeg middelen!
—En moet dat alles vandaag nog gebeuren?
—Je wilt immers gaarne spoedig vertrekken? was de spottende wedervraag.
—O, wat dat betreft, liever over een kwartier, dan over een uur!
—Laten wij zeggen, vannacht om 2 uur, hernam Raffles glimlachend.
—Je bent toch een vreeselijk mensch! zuchtte Charly hoofdschuddend. Ik zal mij echter wel moeten schikken, en ik bid slechts, dat je geen spijt zult hebben van deze nieuwe caprice.
De drie vrienden gebruikten hun maaltijd in het logement, en lazen daar, Raffles zeer op zijn gemak, Henderson en Charly niet zonder vreezen, de dagbladverslagen over de raadselachtige ontvluchting van John Raffles uit het Huis van Bewaring.
De commentaren, welke de bladen hieraan vastknoopten, liepen tamelijk ver uiteen.
Sommigen eischten, dat alles in het werk zou worden gesteld, om Raffles weer in handen krijgen, maar anderen kwamen er rond voor uit, dat zij het op zijn minst zeer unfair zouden vinden, den man, die de geheele stad zulk een onmetelijken dienst had bewezen, daarvoor te beloonen met een zware straf, gevolgd door uitlevering aan Engeland. Ook waren er enkelen, die hun bewondering voor de stoutmoedigheid van den gentleman-inbreker niet onder stoelen en banken staken en te kennen gaven, dat er uit dezen Londenaar een detective te maken zou zijn geweest, die in de geheele wereld vruchteloos zijns gelijke zou vinden.
Het was omstreeks 9 uur, toen Raffles een versche sigaret opstak, opstond, zich eens uitrekte, en zeide:
—Het wordt tijd voor onze kleine comedie, mijn vrienden. Ik gevoel mij tien jaren jonger, alleen bij de gedachte aan het gezicht van mijn waarden vriend Chesterton.
—Waar gaan wij nu heen? vroeg Charly, die zich met den staat van zaken reeds had verzoend.
—Wij zullen ons eerst een weinig verkleeden! Ik heb in de buurt een uitdragertje ontdekt, en bij dien man zullen wij wel een paar agenten-uniformen kunnen krijgen.
—Mag ik vragen, welke rol mylord mij heeft toegedacht? vroeg Henderson op bescheiden toon.
—Je zult je gewone beroep uitoefenen, dat van chauffeur! antwoordde Raffles glimlachend. En wij rekenen speciaal op je scherpen blik, en je oplettendheid. Want daar zal vanavond veel van afhangen!
—Hebben wij dan een auto, mylord? vroeg Henderson.
—Ik heb een zeer snelle toerauto gehuurd, Henderson, die tot je beschikking is! antwoordde Raffles. Wij komen zoo aanstonds langs de garage, en daar kun je haar halen, de garantiesom en de huur is vooruit betaald.
De drie mannen verlieten nu het logement en wandelden rustig, als werklieden die hun dagtaak achter den rug hebben, het was een Zaterdag, door de drukke straten.
Na een kwartier loopens, hadden zij de garage bereikt, en Henderson kreeg zijn laatste instructies.
—Je rijdt met de auto naar het einde van deze straat, waar een dwarsstraat in aanbouw is, die naar een open terrein voert, zeide Raffles. Daar wacht je, totdat je ons weder ziet verschijnen in de uniform van agent en brigadier. Dan rijdt je ons naar het huis van mijnheer Chesterton, en dan zul je wel verder zien.
Henderson verdween in de groote garage en de twee vrienden liepen verder, traden bij den uitdrager binnen, en hadden zich vrij spoedig voorzien van een paar nog zeer toonbare uniformen.
Zij wikkelden ze nu in een krant, namen de pakken onder hun arm, en liepen de straat ten einde.
Zij drentelden de zijstraat in, waar een aantal huizen in aanbouw was, verdwenen achter een lange schutting, en trokken daar snel de uniformen aan.
Hun gelaat behoefden zij niet meer te veranderen, want dat was reeds geschied.
Zonder zich in het minst te haasten, kwamen zij weder te voorschijn, Raffles als brigadier, Charly als agent gekleed.
Henderson was op zijn post, de twee agenten stapten in de auto en de wagen reed snel weg, om een kwartier later voor het huis van Chesterton stil te houden.
Charly en Raffles stapten uit, en de eerste belde aan.
Henry, de oude bediende, opende de deur en trok een kwaad gezicht, toen hij de uniformen ontwaarde.
—Is dat gezanik met de politie nu nog niet gedaan? bromde hij. Wat komt gij doen?
—Je bent niet erg beleefd, oude heer! zeide de gewaande brigadier. Mag ik je er aan herinneren, dat je met vertegenwoordigers van het gezag praat. En zeg me nu maar eens, of je meester thuis is.
—Mijnheer is thuis, maar ik betwijfel of hij u zal willen ontvangen!
—Hij zal wel wijzer zijn! hernam Raffles. Zeg hem maar dat het een zaak van groot belang geldt.
Henry verdween, en keerde even later terug, met het verzoek om hem te willen volgen.
Alvorens naar boven te gaan, trad Raffles op de telefoon toe, die op de vestibule hing, en welke een paar dagen tevoren tot zijn groot nadeel door denzelfden bediende was gebruikt, belde het Hoofdbureau van Politie op, en vroeg om 4 agenten ter assistentie....
Daarop wendde hij zich tot Henry, en vervolgde, terwijl den ouden man hem argwanend en verbaasd aanzag:
—Ga jij maar eens mee, goede vriend, want wij hebben misschien wel hulp noodig.
De bediende haalde de schouders op en ging de twee mannen voor naar de rookkamer, waar Richard Chesterton verdiept was in de lezing van een sportblad.
Hij was in de rok gekleed en stond zeker op het punt om zich naar zijn Club of naar een of andere mondaine gelegenheid te begeven.
Hij stond langzaam op en keek den gewaanden brigadier en diens metgezel verbaasd aan.
—Wat is er, brigadier? vroeg hij verwonderd. Wat komt u hier zoo laat bij mij uitrichten?
Als eenig antwoord trok Raffles zijn revolver en riep op bevelenden toon:
—Steek je handen maar eens uit, vriendlief—dan zul je het doel van mijn bezoek aanstond begrijpen.
Chesterton verbleekte en deed een paar stappen achteruit.
—Ben je gek geworden, man? vroeg hij op schorren toon.
—Steek uw handen vooruit, en geen praatjes anders maak ik van mijn revolver gebruik.
Met een machinaal gebaar hief Chesterton de handen op en een seconde later waren zijn polsen in de boeien geklonken.
—Wil je me nu duidelijk eens zeggen, wat dit te beteekenen heeft? riep hij woedend.
—Dat beteekent, dat ik de premie van 5000 dollar in mijn zak heb, die op de aanhouding van John Raffles is gesteld! riep de brigadier zegevierend uit.
—Wat! schreeuwde Chesterton. Is er nog geen einde gekomen aan die vervloekte comedie der vergissingen!
—Er is hier geen sprake van vergissing, man, antwoordde Raffles rustig. Maar ik moet zeggen, dat je de onbeschaamdheid wel wat ver hebt gedreven, om na je ontvluchting onder het mom van mijnheer Chesterton, hier terug te keeren. Wat heb je met hem gedaan?
—Ik zeg dat je je vergist, kerel! brulde Chesterton, buiten zichzelf van woede. Ik heb een moedervlek op mijn linkeronderarm.
—Dat is niets merkwaardigs—ik heb er een op mijn grooten teen! antwoordde de gewaande brigadier. Dat moet u trouwens maar op het hoofdbureau van politie zeggen. Misschien gelooven ze daar uw praatjes wel!
Nu wendde Chesterton zich tot Henry, die sidderend als een wespenblad bij de deur was blijven staan en riep:
—Ben ik je meester, Henry—of ben ik het niet?
—Ik geloof het wel, mijnheer! Ik geloof het wel... maar zeker weet ik het niet, stotterde de grijze bediende, ik moet echter zeggen, dat u sprekend op mijn meester gelijkt.
Chesterton liet weder moedeloos zijn gebonden handen zakken, en zeide op doffen toon:
—Het noodlot schijnt tegen mij te zijn! Zelfs mijn eigen bediende herkent mij niet.
Hij wendde zich weder tot Raffles, en vervolgde op een toon, die bijna onverschillig klonk:
—Gij kunt met mij doen, wat gij wilt! Ik verzeker u echter, dat ik er zorg voor zal dragen, dat gij deze ezelachtigheid duur zult boeten, gelooft gij soms, dat men een man van mijn positie ongestraft kan hoonen?
De gewaande brigadier haalde de schouders op en hernam:
—Als ik een ezelachtigheid begaan heb, vriend, dan zal ik de gevolgen als een man weten te dragen, wees daar maar zeker van!
—Zijt gij voornemens mij zoo geboeid over de straat te vervoeren?
—Wat denkt gij wel? Gelooft gij dat ik zulke slechte manieren heb? Gij zult in een gesloten auto worden overgebracht.
Op dit oogenblik ging de schel van de voordeur over, en een oogenblik later liet een andere bediende vier stoere politieagenten binnen.
Raffles wendde zich tot de ordebewakers, en zeide:
—Goed, dat jelui gekomen zijt, mannen! Jullie ziet, dat ik den ontsnapten vogel alweer in het net heb!
—John Raffles? riep een der agenten uit.
—Ik ben blij dat je hem herkent, ja, John Raffles, die gisternacht uit het huis van bewaring is ontsnapt en de ongehoorde onbeschaamdheid heeft, in dit huis te verblijven en opnieuw de rol van mijnheer Chesterton te spelen.
—Dat is kras! riep dezelfde agent, maar wat is er dan met den echten Chesterton gebeurd?
—De hemel mag weten, wat Raffles met hem heeft uitgevoerd, luidde het antwoord, natuurlijk heeft hij hem ergens opgesloten, opdat hij hem niet in den weg zou loopen, en laten wij nu geen tijd meer verliezen mannen—brengt hem onmiddellijk weder naar de gevangenis terug, houd hem goed in het oog, en let niet op zijn praatjes! Hij zou in staat zijn, u allen onderste boven te praten, en als men hem hoort, dan is hij een onschuldig lam, niet in staat om een vlieg kwaad te doen.
—Dat is nog al duidelijk—want ik ben Chesterton! riep de bezitter van dien naam wanhopig uit.
Raffles wendde zich glimlachend tot den agent en hernam:
—Ziet gij wel? Daar begint hij al! En zoo zal hij den geheelen weg doorgaan!
—Laat hij zijn gang maar gaan, brigadier! Hij kan lang praten voor wij hem gelooven.
—Breng hem dan weg, en zeg dat brigadier Smiles hem gearresteerd heeft, op deugdelijke bewijzen, welke hij over een uur zelf zal komen mededeelen, ik moet nog zoolang hier blijven om een en ander na te zien.
De agent salueerde, vatte Chesterton tamelijk onzacht bij den arm, en geleidde hem met zijn drie makkers weg.
Maar hij had den drempel nog niet bereikt, of Raffles riep:
—Halt! de schavuit zou waarachtig de sleutels van mijnheer Chesterton medenemen.
Dadelijk verdween de hand van een der agenten in den zak van den gevangene en haalde er een bos sleutels uit, dien hij den brigadier toewierp.
—Dat is het toppunt van onbeschaamdheid! riep Chesterton woedend uit. Met welk recht eigent gij u mijn sleutels toe?
—Met het recht van den sterkste, antwoordde Raffles koeltjes, en nu weg met hem, mannen!
De deur viel achter Chesterton dicht, en het geluid van zijn woedende protestkreten werd hoe langer hoe onduidelijker.
Eindelijk viel de voordeur achter hem in het slot, en Raffles en Charly hoorden hoe de auto wegreed, die den beklagenswaardigen Chesterton naar de gevangenis terugbracht.
Maar het geroffel van den motor was niet weggestorven of reeds had Raffles den sleutelbos ter hand genomen en een aanvang gemaakt met het openen van verschillende laden en kasten.
Henry keek van zijn plaats van de deur verschrikt toe, en stamelde:
—Neem mij niet kwalijk, mijnheer—maar wat zou mijnheer Chesterton daar wel van zeggen.
—Dat weet ik niet goede vriend, en het is mij ook volkomen onverschillig, antwoordde Raffles. In de eerste plaats moeten wij de diepte van het bedrog peilen, waaraan Raffles zich heeft schuldig gemaakt, en daartoe is het natuurlijk noodig dat wij de papieren hier in de kamer nazien.
En onverstoorbaar gingen Raffles en Charly voort met hun onderzoek.
Raffles had een ijzeren kistje op tafel gezet, hetwelk boven op een kast had gestaan, en opende het met behulp van een der sleutels.
Het bleek een aantal bankbiljetten en rollen goudgeld te bevatten.
Raffles liet zonder het geld te tellen, een en ander kalm in zijn zak glijden, terwijl Henry met groote oogen toekeek.
—Is het noodig, mijnheer, dat gij ook dit geld meeneemt? vroeg hij aarzelend.
—Volstrekt noodig! antwoordde Raffles plechtstatig, want luister—het kon wel eens valsch zijn!
—Valsch—het geld van mijnheer Chesterton? riep Henry verontwaardigd uit.
—Wat praat je toch van Chesterton! riep de gewaande brigadier ongeduldig; de man die hier anderhalven dag gewoond heeft, en jouw zijn bevelen heeft gegeven, was John Raffles, en je weet immers niet wat hij hier gedurende dien tijd heeft uitgericht.
—Het is op uwe verantwoording, mijnheer de brigadier, zeide de bediende schouderophalend.
—Uitsluitend op mijn verantwoording, bevestigde Raffles, terwijl hij onverstoorbaar voortging met het nasnuffelen van het groote schrijfbureau.
Charly had zich ondertusschen met de brandkast bezig gehouden, en deze trachten te openen, hetgeen hem evenwel niet gelukte, daar zij een nummerslot had.
—Kun je niet opschieten met die kast, man? zoo wendde Raffles zich tot Charly.
—Neen, brigadier—het is een nummerslot.
—Dat is lastig genoeg, want wij moeten in die kast zijn, hernam Raffles met vaste stem.
—In de brandkast, brigadier? riep Henry verschrikt: uit, ik heb u zeker niet goed verstaan?
—Wel zeker! ik heb immers Engelsch gesproken! antwoordde Raffles kalm.
—Maar gij zoudt die kast nooit zonder geweld kunnen openen, hernam Henry.
—Welnu—dan zullen wij het met geweld doen!
En met een vlugheid welke den bediende verstomd deed staan hadden de gewaande brigadier en de agent alles in gereedheid gebracht, om de deur van de kleine brandkast met geweld te openen.
Met behulp van een kleinen zuurstofcylinder werd een steekvlam ontwikkeld van geweldige hitte en binnen een kwartier was het slot weggesmolten.
—Gij ziet dat het zeer eenvoudig is! merkte Raffles lachend op, terwijl hij zich tot den bediende wendde, die stokstijf was blijven toezien, niet begrijpende wat hij van dit alles moest denken.
Daarop wendde Raffles zich tot Charly en vervolgde:
—Haal er maar alles uit wat van waarde is, op het bureau zullen wij alles afgeven!
En ondanks het protest van den bediende, haalde Charly de brandkast tot den laatsten dollar leeg, en deed den inhoud in een sterke gele tasch, welke hij uit een kast had genomen.
Juist toen dit gedaan was, klonk voor de straatdeur het bekende sein van de claxon.
Het was Henderson die met zijn auto van de gevangenis terugkeerde!
HOOFDSTUK VI.
EEN ONAANGENAME VERRASSING.
De Brigadier had wel gelijk gehad, gedurende den geheelen rit had de arrestant niet opgehouden te betuigen dat hij Richard Chesterton en niemand anders was, dat de agenten een grooten flater begingen, welken zij zich later bitter zouden berouwen, en dat hij, Chesterton, door een zijner vrienden de zaak in de Kamer ter sprake zou doen brengen!
Hij wilde eens zien of er in de Vereenigde Staten nog recht was te krijgen en of men ongestraft, de rijkste en fatsoenlijkste burgers mocht beleedigen.
De agenten echter lachten maar wat, en eindelijk gaf Chesterton den moed op, om hen tot andere gedachten te brengen en besloot hij, zijn stembanden liever te sparen totdat hij voor den gevangenisdirecteur zou zijn gebracht.
Maar de beklagenswaardige gevangene trof het niet bijster, want de directeur bleek zich reeds ter ruste te hebben begeven daar hij dien dag aan zware hoofdpijn had geleden.
De dienstdoende hoofdcipier wilde den man dien zij voor Raffles aanzagen, zonder omwegen weder opsluiten, maar Chesterton, die zich thans met geweld tot kalmte dwong, hield hem zoo ernstig de gevolgen daarvan onder het oog, dat de man begon te aarzelen, en tenslotte besloot den directeur toch maar te laten wekken.
Een kwartier later stond Chesterton voor den directeur der gevangenis, die in een verre van rooskleurig humeur was en den gevangene woedend aankeek.
De vier agenten die hem hadden overgebracht bevonden zich eveneens in het vertrek en een hunner kreeg bevel om mede te deelen wat er geschied was.
De directeur hoorde hem met gefronste wenkbrauwen aan en Chesterton had den man, zonder hem een enkelen keer in de rede te vallen, laten uitspreken.
Toen de agent zijn rapport had uitgebracht vroeg de directeur op barschen toon:
—Hoe zit deze zaak nu eigenlijk? De agent vertelt mij, dat gij voortdurend hebt volgehouden niet Raffles maar Chesterton te zijn!
—Dat is ook zoo, mijnheer, zeide Chesterton, zonder stemverheffing en wel inziende dat hij met kalmte en geduld het verst zou komen.
—Kunt gij dat bewijzen? vroeg de directeur.
Een oogenblik stond Chesterton bedremmeld, want hij begreep maar al te goed dat hij zich in een neteligen toestand bevond, en dat hij met afdoende bewijzen zou moeten aankomen om den directeur van zijn ware identiteit te kunnen overtuigen.
Dit zou hem immers te moeilijker vallen, omdat Raffles ontvlucht was.
Hij dwong zich tot kalmte en zeide:
—Laat ik beginnen met u te zeggen, mijnheer, dat volgens de politieverslagen Raffles een pruik moet hebben gedragen!
—Ja, dat schijnt zoo!
—Het is zoo, mijnheer! riep Chesterton met stemverheffing, maar wij kunnen aanstonds deze zaak oplossen, als gij de moeite zoudt willen nemen mijn vriend Flannagan op te bellen en hem te verzoeken hier te komen! Ik weet dat hij nachtdienst heeft, en hij zal zich dus wel op het hoofdbureau van politie bevinden. Hij kent mij zeer goed en hij zal deze voor mij uiterst onaangename zaak wel weten op te lossen.
De directeur bedacht, dat het hoofdbureau van politie op slechts tien minuten gaans van de gevangenis was gelegen, en daarom nam hij zonder een woord te spreken de telefoon ter hand en verzocht den jongen inspecteur aanstonds bij hem te willen komen aangaande een dringende zaak, waarbij John Raffles betrokken was. Er verliepen tien minuten, en toen traden, aangediend door een cipier, drie personen het vertrek binnen. Flannagan, Sullivan en zijn leerlinge Dorrit Evans.
Flannagan trad dadelijk op den directeur toe, salueerde en zeide:
—Ik heb mij veroorloofd, mijnheer, mijn vriend Sullivan en diens veelbelovende leerlinge Miss Evans mede te brengen. Zij waren toevallig op mijn bureau, om te vernemen of er nieuws van Raffles was en zij vroegen mij aanstonds verlof mij hierheen te mogen vergezellen.
De directeur had Flannagan de hand toegestoken en zeide nu:
—Miss Evans en mijnheer Sullivan zijn welkom! En nu terzake! Kent gij den man die daar staat?
Flannagan wendde zich naar Chesterton, trad dicht naar hem toe, draaide om hem heen, trok hem eensklaps ruw aan de haren zoodat de tranen den gevangene in de oogen kwamen, beval hem de mouw van zijn rechterarm op te stroopen, wreef met kracht over de moedervlek, die zich daar bevond, stak Chesterton de hand toe en zeide tot den directeur:
—Deze man is Richard Chesterton, mijnheer.
—Zijt gij er volmaakt zeker van?
—Volmaakt!
—Ik dank je, Theodor, riep Chesterton, en ik vergeef het je, dat je mij zooeven zoo hard aan de haren hebt getrokken, het deed pijn, maar mijnheer de directeur zal nu ten minste wel overtuigd zijn van mijn identiteit!
Een oogenblik heerschte er een onheilspellend stilzwijgen in het vertrek.
Toen barstte de directeur los:
—Maar voor den duivel wat heeft dit alles dan te beteekenen, wat is dit voor een dwaze klucht?
Daar niemand aanstonds antwoordde, trad Sullivan naar voren en vroeg, zich tot den directeur wendende:
—Wilt gij mij veroorlooven, mijnheer, een paar vragen tot mijnheer Chesterton te richten?
—Ga uw gang, mijnheer!
De Londensche detective trad op Chesterton toe, keek hem recht in de oogen en vroeg:
—Wie heeft u gearresteerd?
—Een brigadier en een agent!
—In uniform natuurlijk?
—Ja, zij waren in uniform.
—Ik zou die mannen wel even willen ondervragen; zij zijn natuurlijk met u mee gekomen?
—Neen, zij zijn in mijn huis achtergebleven! antwoordde Chesterton opgewonden en met een verschrikten klank in zijn stem.
—Achtergebleven in uw huis? herhaalde Sullivan langzaam.
Zijn lippen prevelden eenige woorden, welke niemand verstond, en daarop vervolgde hij luid:
—Welke reden gaven zij voor hun achterblijven op?
—Hij verklaarde dat hij nog een en ander moest nazien!
—Moest hij iets nazien? klonk het ironisch van de lippen van den Engelschen speurder. Wel, wel, dat is zeer belangwekkend. Hoe was de naam van dien brigadier, die het aan ondergeschikten overliet, een zoo uiterst gewichtig gevangene hierheen te brengen?
—Smiles was zijn naam!
Sullivan wendde zich tot Flannagan en vroeg:
—Hebt gij in uw sectie een brigadier van dien naam?
—Een brigadier die Smiles heet, zei Flannagan hoofdschuddend, neen, ik weet bijna zeker van niet.
Sullivan wendde zich weder tot Chesterton en vervolgde:
—Gij zijt natuurlijk niet te voet hierheen gebracht?
—Neen, per auto.
—Met een politieauto?
—Neen, het was een gewone wagen—ik geloof een toerwagen.
—Waar is de chauffeur van die auto?
—Dat kan ik u niet zeggen!
Maar nu trad een der vier agenten naar voren, salueerde en zeide:
—Daarop kan ik u antwoorden, mijnheer. Zoodra wij mijnheer Chesterton uit de auto hadden gehaald, liet de chauffeur zijn wagen keeren en reed op de hoogste versnelling weg.
—Een zonderlinge wijze van doen, vindt gij dat ook niet? zoo wendde Sullivan zich tot den inspecteur, met een eigenaardigen glimlach om zijn krachtig besneden mond.
—Ik moet erkennen dat ik het een vreemde handelswijze vind, antwoordde Flannagan. Ik vraag mij ook af hoe die brigadier aan zulk een particuliere auto kwam; ik vrees dat hier iets achter schuilt, mijn waarde Sullivan!
—Daaraan behoeft gij niet te twijfelen, hernam de Londensche detective. Als die Smiles werkelijk mijnheer Chesterton voor den ontvluchten Raffles aanzag—hetgeen op zich zelf volstrekt niet onmogelijk is, waarom geleidde hij hem dan niet zelf hierheen om rapport uit te brengen? Wat had hij in de woning nog te maken? Waar kwam die auto vandaan? Waarom wachtte de chauffeur niet op orders? Hoe komt het dat de naam Smiles in het geheel niet bekend is in uw sectie?
Niemand gaf antwoord op deze vragen en toch lag dat antwoord op ieders lippen.
—Wij kunnen spoedig zekerheid hebben! Daartoe hebben wij niets anders te doen dan naar het huis te telefoneeren van mijnheer Chesterton.
—Maar dan loopen wij de kans, dat die zoogenaamde Smiles zelf aan het toestel komt en dan zijn wij niet veel verder, zeide Sullivan.
—Dat kan wel voorkomen worden, mijn butler heeft een eigen nummer! riep Chesterton haastig uit.
—Zoo veel te beter, hernam Sullivan, bel hem dan op, vraag hem of de brigadier en de agent er nog zijn en gelast hem, hen zoolang mogelijk aan den praat te houden, natuurlijk als hem dat gelukt.
—En als het hem eens niet gelukt! hernam Chesterton.
Sullivan antwoordde niet rechtstreeks, maar vroeg na even te hebben nagedacht: Hoeveel bedienden hebt gij?
—Op het oogenblik zijn er vier thuis, maar een daaraan is al zeer oud.
Sullivan schudde mismoedig het hoofd en hernam: