Lord Lister No. 0301: Het einde van een schrikbewind

Part 5

Chapter 53,944 wordsPublic domain

Maar toen werd zijn aandacht getrokken door Buster Finn en zijn tafeldame, het jonge meisje in het rose costuum.

De hand van den jongen man lag op tafel, en zijn wijsvinger had zooeven vliegensvlug een klein figuur geteekend...

Daarop had hij een bliksemsnellen blik met zijn dame gewisseld en zich onmiddellijk tot zijn anderen buur gewend.

Het had maar even geduurd en in de blauwe schelvischoogen had het een ondeelbaar oogenblik geweerlicht......

Raffles voelde hoe zijn slapen klam werden—hoe zijn hart luider klopte—hij had die eigenaardige gewaarwording van den jager, die urenlang op zijn post in het bosch heeft gezeten, en nu ieder oogenblik verwacht, dat het lang begeerde wild onder schot zal komen.

Niemand zou naderhand goed hebben kunnen zeggen, wie er het eerst weder over begon—maar het duurde niet lang of men sprak alweder over de beruchte Bende.

—Ik houd vol, zeide Raffles op een zeker oogenblik, dat als de politie niet al te dom is, de Moloch binnen een week gevangen is! Daarover wil ik gaarne met iedereen die wil een weddenschap aangaan.

—Ik houd tegen, Richard! riep Buster Finn luidruchtig, terwijl hij zijn glas Rijnwijn ophief.

—Tot je dienst, Buster! kwam Raffles. Kom, laten wij er op klinken!

Hij was opgestaan en Buster had zijn voorbeeld gevolgd.

Over de tafel heen raakten de beide glazen elkander.

Maar Raffles stootte blijkbaar een weinig te hard—zijn glas brak—en het afgebroken glas maakte een diepe snede in de pink van Buster Finn.

Het bloed viel in dikke druppels op het tafelkleed.

—Duizendmaal excuus! stamelde Raffles. Dat was zeer onhandig van mij! Ik hoop toch dat ik je niet bezeerd heb, Buster?

—Wel, man—het heeft niets te beteekenen! riep Buster Finn uit en zijn schelle stem deed een siddering over het lichaam van den Grooten Onbekende loopen...

Die klank—was hem bekend!

Hij wist zich slechts met moeite te beheerschen, en ging weer zitten, terwijl Buster zijn zakdoek om zijn sterk bloedende pink had gewikkeld.

Men was het kleine incident spoedig vergeten en de maaltijd eindigde in groote opgewektheid.

Raffles had een paar kostelijke anecdotes verhaald en ook de gastheer had een paar verhalen gedaan, waarmee hij veel succes had gehad.

De heeren hadden zich naar de fraai ingerichte rookkamer begeven en de dames hadden zich verzameld in het boudoir van Cissy, waar het gelukkige jonge meisje haar vriendinnen ongetwijfeld zou onderhouden over haar uitzet.

Eenige heeren waren naar de biljard-kamer vertrokken, en daaronder waren ook Raffles en Flannagan.

Toen een partij beëindigd was nam Raffles den jongen inspecteur ter zijde en zeide op fluisterenden toon:

—Ken je dat meisje in het rose, de tafeldame van Buster?

—Een interessant gezichtje, nietwaar? Ik ken haar nog pas kort—zij moet een vreemdelinge zijn, en heeft op een liefdadigheidspartij met Cissy kennis gemaakt.

—Is Buster verliefd op haar?

—Dat schreeuwt hij tenminste van de daken!

—Kent men de identiteit van het jonge meisje?

Inplaats van te antwoorden keek Flannagan den gewaanden Chesterton strak aan en zeide in de grootste verbazing:

—Wat bezielt je toch vandaag? vroeg hij eindelijk op zachten toon. Wat is er met je, Richard? Vanmiddag in het park, tijdens den wandelrit heb je het doopceel willen lichten van Buster Finn en nu praat je zoo vreemd over dat jonge meisje, dat zijn belangstelling heeft gaande gemaakt. Wat moet dat toch beteekenen?

—Misschien meer, dan ik je op dit oogenblik nog kan zeggen, Theodor, antwoordde Raffles op ernstigen toon. Je zoekt immers naar leden van de Bende? Neem dan een goeden raad van mij aan, en laat de gangen van het meisje in het rose in het geheim eens goed nagaan—maar zeer in het geheim, want je hebt niet met de eerste de beste te doen.

Flannagan wierp Raffles nogmaals een onderzoekenden blik toe en zeide toen:

—Als dat van jou niet al te dwaas zou klinken, zou ik bijna zeggen, dat je een weinig te ver bent gegaan in het proeven van den wijn van mijn aanstaanden schoonvader.

—Ik ben volkomen nuchter, Theodor, en ik verzoek je ook dringend niet aan mijn gezond verstand te twijfelen.

Op dit oogenblik kwam Buster Finn binnen met zijn gewone lawaai en riep reeds op den drempel van de deur:

—De heeren voor de opera worden verzocht zich gereed te maken! Over een kwartier komen de auto’s voor. Kom, Richard—wat sta je daar weer te beraadslagen met den man des gezags! Zet je queue weg en maak je gereed te gaan genieten van het nieuwe ballet.

—Wij komen aanstonds! riep Flannagan uit. Vergeet niet dien zakdoek van je pink te doen—het staat allesbehalve fraai. Cissy kan je wel aan een hechtpleister helpen.

—Ik zal er om denken, hi, hi! grinnikte de fat, terwijl hij wegliep!

Raffles keek hem eenige oogenblikken na en wendde zich toen opnieuw tot Flannagan.

—Luister eens, Flannagan! begon hij op zachten, maar dringenden toon. Ik heb je een verzoek te doen—en ik hoop van ganscher harte, dat je er gevolg aan zult geven, zonder mij al te veel te vragen.

—Wat dan wel? vroeg Flannagan verbaasd, en zelfs eenigszins verontrust door den ernst, waarmede de gewaande Chesterton had gesproken.

—Je gaat met Cissy, Peter Vandyke, Buster en nog eenige anderen naar de opera?

—Ja zeker! antwoordde Flannagan verbaasd. Jij bent toch ook van de partij?

—Neen, ik zal door hevige hoofdpijn verhinderd zijn.

—Daar begrijp ik niets van! mompelde de inspecteur. En nu je verzoek?

Raffles ging zoo dicht mogelijk bij den inspecteur staan, en fluisterde hem toe:

—Laat Buster Finn in geen geval tusschentijds vertrekken, niet voor dat de Opera geheel geëindigd is, dus omstreeks kwart over elf. Belet het hem tot iederen prijs om jullie te verlaten—desnoods met geweld!

—Wat zeg je daar? Man, je bent gek! stotterde Flannagan.

—Ik zeg je nogmaals, dat ik volkomen bij mijn verstand ben! Ik verzoek je dringend—houdt Buster Finn tot vanavond kwart over elf aan je zijde! En ik voeg er nogmaals aan toe—al moest je geweld gebruiken. Ik neem de geheele verantwoordelijkheid voor mijn rekening.

—Maar wat denk je dan? Wat vermoedt je dan? vroeg Flannagan, die zeer bleek was geworden.

—Ik denk dat ik op het spoor ben van den Moloch, meer kan ik nu niet zeggen! antwoordde Raffles. En nog iets, als Buster wil vertrekken, als de Opera gedaan is, laat hem dan gaan, en houdt tegen twaalf uur vannacht een honderdtal goed gewapende agenten gereed.

En nog vóór Flannagan van zijn ontsteltenis bekomen was, en nog iets had kunnen vragen, was Raffles verdwenen.

HOOFDSTUK VIII.

EINDELIJK.

Raffles had haastig afscheid genomen, een vreeselijke hoofdpijn voorwendend en had te voet het huis verlaten.

Hij wandelde een kwartier snel voort, en nam op een standplaats van huur-auto’s een taxi.

Hij gaf den chauffeur bevel hem naar Brooklyn te rijden, de voorstad van New-York, en noemde hem den naam van een voorname straat.

Daar steeg hij uit, betaalde, en ging te voet verder, tot hij een klein, fraai huis bereikt had, aan alle kanten door een tuin omgeven.

Hij liep het smalle tuinpad af en belde aan.

De deur werd geopend door Henderson, den reus.

Het gelaat van den trouwen chauffeur glansde van vreugde, toen hij zijn meester in de hem bekende vermomming zag.

—Mijnheer Brand is toch zeker thuis, Henderson? vroeg hij.

—Hij zit in de voorkamer en leest, Mylord!

Raffles trad het aangewezen vertrek binnen en dadelijk werd hij begroet niet alleen door Charly Brand, maar ook door Busto, die als dol tegen hem opsprong.

De twee vrienden drukten elkander krachtig de hand en daarop zeide Charly vol bewondering:

—Je vermomming is uitstekend geslaagd! Als ik vanmorgen in het Central Park je sein niet dadelijk gezien had, en dus wist, dat je geslaagd was, dan zou ik mijn eigen oogen niet geloofd hebben! Maar Busto scheen er anders over te denken, want die blafte vreeselijk tegen je!

—Dat was niet tegen mij, Charly, dat was tegen een der beide mannen, die in mijn gezelschap waren! Hij had den Moloch geroken!

Charly deed een paar stappen achteruit, en herhaalde, terwijl hij verbleekte:

—De Moloch? Maar dat is toch onmogelijk, je was in gezelschap van Flannagan en Buster Finn!

Raffles knikte.

—Buster Finn was het!

Charly gaf een schreeuw van verbazing.

—Maar als dat zoo is—dan is alles mogelijk! riep hij uit. Die ezel, dat hol klinkende vat, die onnoozele sukkel—het hoofd van zulk een misdadigersbende? Maar Edward, dat is toch ondenkbaar!

—Dat lijkt het slechts, mijn jongen! antwoordde Raffles op kalmen toon. Ken je die verhalen van „De Roode Pimpernel”? Sir Percy werd door zijn eigen vrouw voor een warhoofdigen sukkel, een ijdelen gek aangezien—en toch was hij de aanvoerder, de geniale chef van een Engelsche vereeniging, welker eenig doel was, de Fransche aristocraten uit de klauwen van Marrat en Robespierre te redden!

—Maar dat was een roman, Edward!

—Dat mag zoo zijn—maar een roman, die de werkelijkheid tot grondslag had! Want de zaak is werkelijk zoo gebeurd! Alleen de namen zijn veranderd. Welnu, die Finn kan wel een even voortreffelijk comediant zijn als Sir Percy—al erken ik, dat hij dan zijn rol speelt op een wijze, die een beroepsacteur bewondering zou afdwingen.

—Maar dan moet er onder dat onbeteekenende, slappe uiterlijk een ziel van een tijger, van een boosaardigen duivel huizen!

—Welnu? Dat is meer gezien! Vraag het iederen psychiater en hij zal je bevestigen, dat in bijna ieder mensch een tweeslachtige natuur heerscht, en dat dit bij sommige individuen buitengewoon sterk ontwikkeld is. Ik heb een blik in die waterblauwe oogen verrast, een blik, die nauwelijks een honderdste seconde duurde, maar die mij veel onthulde!

—Maar als je je vergist, Edward!

—Dan zou ik dat natuurlijk dadelijk toegeven! antwoordde Raffles. Ik geloof het echter niet. Toen je met den hond voorbijreed, heeft Finn den teugel gewend, en is je achterna gegaloppeerd! Heb je hem in het geheel niet gezien?

—Neen!

—Dan reed je auto te hard. Hoe het zij, ik weet, dat hij zich zekerheid heeft willen verschaffen en heeft willen zien, waar jullie bleven, om misschien wel den hond te kunnen dooden, die een voortdurend gevaar voor hem moest opleveren, dien hij herkend heeft, ofschoon ik hem heb laten kaalscheren.

Hij wachtte even en ging toen voort:

—Ik ben hier gekomen om je te zeggen, dat ik mij zelf wil overtuigen of ik mij al of niet vergist heb. Finn is met Flannagan, Cissy en haar vader en een paar vrienden naar de Opera, en ik heb den inspecteur verzocht Finn tot iederen prijs vast te houden tot de Opera uit is.

—Waarom?

—Omdat ik in dien tijd zijn huis wil onderzoeken.

—Maar er zullen toch bedienden zijn?

—Natuurlijk. Hij heeft er drie, en ik weet niet of die leden van de bende zijn of niet, maar ik ben eerder geneigd om het laatste te vermoeden, dat is voor hem wel zoo veilig!

—Wil je ons beiden medenemen?

—Ja, ik zal jullie diensten wel noodig hebben! Maak voort, want het is reeds over half negen.

Enkele minuten waren de drie mannen in een huurauto gezeten, welke hen tot op een vijftigtal meters afstand van het huis bracht, hetwelk door Buster Finn bewoond werd.

Het was in een der oudste straten van New-York gelegen, niet groot, maar van een sierlijken bouwstijl.

Raffles belde aan en een oogenblik later werd de deur geopend door een grijzen bediende, die wel wat verwonderd naar de drie bezoekers keek.

De Groote Onbekende liet den man echter geen tijd om vragen te stellen, maar trad met zijn beide metgezellen de vestibule binnen, sloot de deur achter zich dicht en zeide:

—Je behoeft je niet te verontrusten, mijn vriend—je zult niets te vreezen hebben. Wij zijn van de politie.

De man verschrikte blijkbaar en stamelde:

—Politie? Maar wat komt gij hier in ’s hemelsnaam zoeken, mijnheer? Weet gij, in wiens huis gij zijt?

Raffles wilde antwoorden, toen een licht geraas in een naastgelegen kamer zijn aandacht trok—daar werd een telefoontoestel van den haak genomen.

Met een paar sprongen was Raffles bij de deur, rukte haar open, en zag een man in een donkere livrei in een half verlicht vertrek bij het telefoontoestel staan.

Hij wilde juist om aansluiting vragen, toen het geluid van de opengaande deur hem deed omzien.

Hij tastte naar zijn zak, maar hij was een onderdeel van een seconde te laat—Raffles had zijn revolver reeds op hem gericht, en beval kortaf:

—Handen op!

Charly, die achter Raffles was binnengetreden, trad vlug op den man toe, die hem met van haat fonkelende oogen aanzag en snel zijn zakken begon leeg te halen.

Onder de voorwerpen, die zich daarin bevonden, was een Browning en ook een soort wind-pistool, hetwelk met behulp van samengeperste lucht bijna geruischloos achter elkander die kogels kon afschieten.

—Bindt hem vast en knevelt hem, beval Raffles kortaf.

Juist toen Charly het bevel had opgevolgd, ging de telefoon opnieuw over.

Raffles sprong er op toe en greep het toestel.

—Hoe is de naam van dien kerel? vroeg hij op fluisterenden toon aan den grijzen bediende, die doodsbleek was binnen gekomen,

—Francis, mijnheer!

Nu ontspon zich snel het volgende gesprek:

—Met wien? klonk de stem van Buster Finn.

—Met Francis!

—Alles in orde?

—Alles!

—Waarschuw mij, als er soms bezoekers mochten komen!

—Het zal gebeuren.

—Ik kom om half twaalf terug—er zijn ernstige zaken te behandelen.

—Het is goed!

Raffles hing het toestel weder aan den haak en wendde zich tot den gebonden bediende:

—Zijt gij van plan ons in te lichten omtrent de identiteit van uw meester en aldus waarschijnlijk uw eigen vrijheid te koopen? vroeg Raffles.

Een verachtelijk schouderophalen was het eenige antwoord.

—Dat vermoedde ik wel! zeide Raffles kalm. Nu, dan zullen wij het zonder jouw voorlichting moeten doen!

Raffles trad nu op den grijzen bediende toe, die doodsbleek in een hoek was blijven staan, en zeide:

—Ik geloof aan uw gelaat te kunnen zien, dat gij volstrekt niets weet van het dubbelleven van uw meester.

—Ik weet volstrekt niets, mijnheer! jammerde de oude man. Ik begrijp volstrekt niet, wat er gaande is. Wat wilt gij eigenlijk van mijnheer Finn?

—Dat zul je later wel zien, vriend! antwoordde Raffles. Is er nog een derde bediende?

—Ja, mijnheer, maar die heeft vandaag zijn uitgaansavond!

—Zooveel te beter! Ik geloof wel, dat gij part noch deel hebt aan hetgeen uw meester op zijn geweten heeft, maar ik zal toch gedwongen zijn u te beletten hem te waarschuwen!

Na zich te hebben overtuigd, dat de gebonden medeplichtige zich niet verroeren kon, geleidde Raffles den ouden man naar een kleine ontvangkamer achter in het huis gelegen, waarvan hij de deur op slot draaide.

—Ziezoo, zeide hij, nu kunnen wij op ons gemak de zaak eens onderzoeken, begon Raffles, zoodra de deur achter den ouden man gesloten was.

Aanstonds werd een aanvang gemaakt met een stelselmatig onderzoek van het geheele huis, maar, zooals Raffles wel verwachtte, kon hij niets ontdekken in de papieren en brieven, welke hij in en op de schrijftafel van Buster Finn ontdekte.

Als hij werkelijk de chef van de bende was, dan was hij sluw genoeg om in zijn eigen woning geen compromitteerende stukken te bewaren.

—Natuurlijk heeft de bandiet nog een andere woning, waar wij genoeg bezwarends zouden vinden! zeide Raffles teleurgesteld. Nu, dan schiet er niets anders over, dan dat wij kalm zijn terugkomst afwachten en zien, waarheen hij zich begeeft. Jij, Charly, hebt ongeveer dezelfde figuur als Francis, en je moet zijn rol overnemen—Henderson en ik zullen ons verbergen.

—En de oude bediende?

—Die blijft waar hij is—je moet maar zeggen, dat hij zich ter ruste heeft begeven.

Francis werd losgemaakt, van zijn livrei ontdaan, opnieuw stevig gebonden en gekneveld en in een zolderkamer opgesloten, waar Charly met de hulp van Raffles zijn gelaat zoo zorgvuldig mogelijk namaakte, en daarop de livrei aantrok.

Terwijl hij dit deed, vroeg hij op zachten toon:

—Ik zou wel één ding willen weten—als de bediende Finn waarschuwen wilde, dan moet hij op de hoogte zijn geweest van zijn identiteit! En ik heb altijd gehoord, dat niemand wist, wie de chef van de bende was?

—Deze man zal de eenige uitzondering zijn geweest, antwoordde Raffles. Het is ook wel begrijpelijk, dat Finn in zijn huis een vertrouwd persoon moest hebben, ingeval er gevaar dreigde!

Charly was nu gereed en nam plaats op de bank in de vestibule, en wachtte, terwijl Raffles en Henderson zich achter twee zware pilasters verborgen hielden.

Juist om half twaalf knarste de sleutel in het slot van de buitendeur, en Finn trad binnen.

Hij ging aanstonds op den gewaanden bediende toe en zeide kortaf:

—Maak je gereed, om mij naar de plek te rijden, Francis. Er is haast bij. Een voorgevoel zegt mij, dat er gevaar dreigt!

Zonder een woord te spreken, stond Charly op en verliet de vestibule.

Hij begreep, dat Finn gewend was zich door zijn vertrouwde naar de plaats van samenkomst te laten rijden.

Tot het laatste oogenblik had de jonge man getwijfeld, hij kón het niet gelooven, maar nu vielen hem eindelijk de schellen van de oogen—het ongelooflijke was waar—Finn, de man met het bleeke, onnoozele gezicht, de salongek, was inderdaad een hoogst gevaarlijk misdadiger!

Eenige minuten later had hij de auto uit de garage gehaald, en haar vóór het trottoir gereden.

Finn had zich intusschen naar zijn kamer begeven en van die gelegenheid had Raffles gebruik gemaakt, om Henderson snel naar buiten te zenden, om een huurauto te halen, die op een honderdtal meters van het huis moest wachten.

Finn kwam weder terug, met een klein valies bij zich—daarin bevonden zich waarschijnlijk zijn zwarte kap en nog eenige voorwerpen, welke hij noodig kon hebben.

Hij liep de vestibule door, opende de voordeur, zag de auto wachten en nam er in plaats.

Nauwelijks hadden Raffles en Henderson het toeslaan van de voordeur gehoord, gevolgd door het getoeter van de auto, of zij snelden op hun beurt het huis uit en ijlden naar de wachtende huur-auto.

—Een pond fooi, als je die groene auto daar vóór ons uit niet uit het oog verliest, maar zóó, dat het niet te merken is!

—Accoord, mijnheer! zeide de chauffeur grinnikend.

De achtervolging begon.

De door Charly bestuurde auto reed dwars door geheel New-York, de Brooklyn Bridge over en stond eindelijk stil aan het begin eener nauwe straat.

Finn stapte uit, wisselde op zachten toon eenige woorden met den man, dien hij voor zijn vertrouwde aanzag, en liep de straat in.

Charly deed de auto keeren, maar toen sprong hij van den wagen, drukte zich tegen den muur, trok zijn pet over zijn oogen, en begon Finn te volgen, nog altijd meenende, dat Raffles zich moest vergissen, en dat de jonge man hier niets anders zocht dan een of ander avontuurtje.

De straat liep uit op een onbewoond veld, en eensklaps was het, alsof Finn door den grond was gezonken—hij was nergens meer te zien!

Charly stampvoette van woede en teleurstelling, keek nog even naar alle richtingen en liep toen de auto tegemoet, welke de zijne gevolgd was.

Hij deelde Raffles op zachten toon mede, wat hem wedervaren was, maar de Groote Onbekende glimlachte en zeide:

—Busto zit in de auto! Nu wij eenmaal op het spoor van onzen man zijn, kan hij ons niet meer ontkomen! Maar wij hebben politiehulp noodig, want wij kunnen niet weten, met hoevelen de bandieten zijn! Wacht—daar zie ik al een politiepost!

Raffles wees op een roode lantaarn, welke op eenige meters afstand aanduidde, dat daar een politiebureau was.

Hij wendde zich tot den chauffeur en zeide:

—Wacht hier op dezelfde plek op ons, vriend! Je zult het je niet beklagen.

En met die woorden begaf Raffles zich naar den politiepost, waar hij mededeeling deed van zijn vermoedens, zorg dragende, dat hij zich niet versprak.

Hij was voorzien van brieven en kaartjes van Chesterton, en de dienstdoende brigadier twijfelde dan ook geen seconde aan zijn identiteit.

Een kwartier later waren er ruim dertig agenten op weg, den kaalgeschoren Busto volgend, die door Raffles aan de lijn werd gehouden.

—Waar brengt die hond ons toch naar toe, mijnheer Chesterton? vroeg de inspecteur, die de leiding van de kleine expeditie had overgenomen, op verbaasden toon. Hij voert ons naar het open veld. Daar kan de kerel zich toch onmogelijk verscholen hebben.

—Hij is daar zoo zeker als iets! antwoordde Raffles rustig. Mijn hond bedriegt zich niet. Als de man niet op den grond is, dan is hij er onder.

De inspecteur gaf een schreeuw van verwondering.

—Dat is niet ondenkbaar, mijnheer! riep hij uit. De grond hier onder onze voeten is inderdaad ondermijnd. Eenige jaren geleden zou hier het begin zijn gemaakt van een groote tunnel onder de Hudson door, ten behoeve van dan ondergrondschen spoorweg, maar door een onbegrijpelijke fout werd de richting verkeerd genomen, en moest men na een maand weder den arbeid staken en elders opnieuw beginnen. Men dekte weder zand over het tunneldak, dat over een lengte van bijna zestig meter gereed was gekomen, daar het de kosten niet zou loonen, de betonnen tunnel weder stuk te slaan. Maar het is mij onbegrijpelijk, hoe men daar toegang zou hebben weten te krijgen.

Busto zou spoedig opheldering in deze zaak geven.

Het dier bracht de politiemannen tot voor een zeer grooten hoop steenen, en bleef daar zacht grommend en snuffelend stilstaan.

—Hier is de ingang! zeide Raffles eenvoudig.

—Ja, op deze hoogte heb ik Finn eensklaps zien verdwijnen! fluisterde Charly.

De inspecteur wierp een blik om zich heen.

Hij en zijn mannen bevonden zich nu op een zeer groot, woest terrein, voornamelijk uit zand en steenen bestaande, en door een schutting aan drie zijden omgeven.

—Het is niet mogelijk, dat hier veel mannen zijn vergaderd, want het zou zijn opgevallen! zeide hij zacht. De vraag is maar—hoe komen wij hier naar beneden? Er moet bepaald een geheime ingang zijn.

—En een geheime uitgang elders ook! voegde Raffles er aan toe. Er is maar een middel—gij moet die hoop steenen opblazen. Daaronder is de ingang.

—Maar ik heb geen dynamiet! riep de inspecteur uit.

—Ik wel, of althans iets dat er op gelijkt, zeide Raffles lakoniek. Ga wat achteruit, en storm dadelijk de trap af, zoodra de losbarsting heeft plaats gehad.

En zonder het antwoord van den inspecteur af te wachten, drong Raffles de agenten achteruit, haalde een zijner werpgranaten te voorschijn, en slingerde die met kracht tegen den hoop steenen.

Een oorverdoovende losbarsting deed zich hooren en een regen van steengruis daalde neder.

Door de stofwolk stormden de agenten vooruit, en wierpen zich in de gevormde opening.

Raffles greep den inspecteur op het laatste oogenblik bij den arm en zeide:

—Als uw man een snede in de pink heeft, dan is het de Moloch. Ik zelf heb hem vanmiddag die wonde met opzet toegebracht, om hem later te kunnen herkennen, in geval hij zich mocht vermommen.

Terwijl de inspecteur zich op zijn beurt in den tunnelingang stortte, wendde Raffles zich tot zijn metgezellen en zeide op zonderlingen toon:

—Ik beschouw onze taak als geëindigd, vrienden! Ik wil niet afwachten, wat Finn zal zeggen, als hij mijn hond ziet. Dat zou wel eens gevaar kunnen opleveren. De auto wacht ons—het oogenblik om voorzichtig te retireeren is aangebroken.

Den volgenden morgen bevatten de bladen het relaas van de gevaarlijke arrestatie van Buster Finn, en tien zijner luitenants, die zich slechts na een bloedig gevecht hadden laten grijpen, hetwelk vijf dooden had gekost, en zeven zwaargewonden.

New-York mocht nu inderdaad hopen, van een afschuwelijke plaag verlost te zijn.

En dat wederom door toedoen van den gevreesden vijand der politie—den Gentleman-inbreker—John Raffles.