Lord Lister No. 0301: Het einde van een schrikbewind

Part 1

Chapter 13,978 wordsPublic domain

LORD LISTER GENAAMD RAFFLES DE GROOTE ONBEKENDE.

NO. 301 HET EINDE VAN EEN SCHRIKBEWIND.

HET EINDE VAN EEN SCHRIKBEWIND.

HOOFDSTUK I.

WIE IS DE MOLOCH?

John Raffles alias Lord Lister, de gentleman-inbreker, bevond zich nog steeds te New-York, want het geheim van de bende van Het Kwade Oog hield nog steeds al zijn aandacht gevangen.

Reeds verscheidene weken geleden was hij, vergezeld door zijn trouwen vriend Charly Brand en den chauffeur Henderson, die hem eveneens in menig gevaarlijk avontuur trouw ter zijde had gestaan, naar de Vereenigde Staten gekomen.

En dat niet langs den gewonen weg, maar met het meest moderne voertuig, de vliegmachine.

Het was de „Duivel der Lucht”, ontsproten aan het geniale brein van den Grooten Onbekende, die de drie mannen had overgebracht, in iets minder dan tien uren.

Wat had Raffles wel kunnen bewegen, den nog altijd gevaarlijken overtocht te volbrengen?

Niets anders dan zijn zucht naar avonturen—en dan ook zijn behoefte om den strijd voort te zetten met den man, dien hij als zijn doodsvijand beschouwen moest, den aanvoerder van het wijdvertakte misdadigersgenootschap, dat van den Gouden Sleutel.

De naam van dezen man was Dokter Fox, en hij was op zijn beurt naar Amerika gegaan, ten einde daar door eigen aanschouwing zich een denkbeeld te vormen van de wijze waarop de bende van Het Kwade Oog optrad.

Slechts een paar maanden geleden was deze bende gesticht, en in dat korte tijdsverloop had zij schrik en angst weten te verspreiden door haar meedoogenlooze wreedheid, de geheimzinnigheid waarmede zij te werk ging, de onafwendbaarheid van haar vonnissen, en haar groot aantal leden.

Maar ook Raffles was spoedig in aanraking gekomen met deze vreeselijke bende en dat op eene wijze, welke voor de bandieten zeer ernstige gevolgen had—binnen enkele weken waren er eenige dozijnen leden in gevechten met de politie gedood, gewond, of gevangen genomen.

En dit alles was geschied door toedoen van John Raffles.

De oorsprong van zijn bemoeiingen lag in de omstandigheid dat de Bende van het Kwade Oog aan een der rijkste inwoners van de stad, den staalfabrikant Peter Vandyke, den eisch had gesteld om een ontzaglijke groote som, niet minder dan vijf millioen dollar, op een bepaalde plaats te deponeeren.

Dit geheele plan was in duigen gevallen toen Raffles er zich mede bemoeide, en hij zelf was met een groot deel van den buit gaan strijken.

Daarna had hij nog menig gevaarlijk avontuur beleefd, en na eenigen tijd had het den schijn alsof de bende zoo goed als vernietigd was toen bijna alle luitenants van den aanvoerder, op slechts weinigen na, in handen der politie vielen, alweder door toedoen van Raffles.

Maar de inwoners van New-York hadden te vroeg gejuicht.

Want de vreeselijke bende leek niet in den wortel te zijn aangetast, de geheimzinnige aanvoerder, die door zijn volgelingen „De Moloch” werd geheeten, was en bleef onvindbaar.

Door een toevalligen samenloop van omstandigheden was Raffles er, een paar dagen voor de gebeurtenissen welke wij thans zullen beschrijven, bijna in geslaagd, het geheim te doorgronden, het geheim van den Moloch.

Maar door een onvoorzichtigheid liep hij in een val, en het was slechts te danken aan de stoutmoedigheid van Charly Brand en Henderson dat hij bevrijd werd uit de cel, waarin de geheimzinnige aanvoerder hem had doen opsluiten, na hem te hebben verklaard dat hij niet meer dan vier en twintig uren zou krijgen om te bewijzen dat hij inderdaad de man was voor wien hij zich te New-York had uitgegeven, namelijk Willem van den Heuvel, een Nederlandsch staalhandelaar, die zaken kwam doen met Peter Vandyke.

Daar Raffles dat onmogelijk zou hebben kunnen aantoonen, en een enkel telegram aan den Amerikaanschen consul-generaal in Nederland voldoende zou zijn geweest, om het bedrog aan den dag te brengen, wist Raffles wel dat de dood hem wachtte, en hij zou waarschijnlijk reeds niet meer tot de levenden behooren als Charly en Henderson, om den terriër Busto niet te vergeten, hem niet ter hulp waren gekomen.

En zoo was Raffles dus weder in vrijheid, in ervaring rijker, maar nog steeds in het onzekere verkeerend, wat betreft de identiteit van den Moloch.

Zeker, hij was bij dit vreeselijke wezen in een vertrek geweest—maar hij was gebonden, en van het bendehoofd gescheiden door een gazen scherm. De Moloch zat in het donker—, hij zelf daarentegen stond in het volle licht. En van den geheimzinnigen bandiet had hij dus niets anders kunnen waarnemen dan zijn eigenaardige oogen en blijkbaar met opzet veranderde stem.

Het was omstreeks zeven uur in den morgen, toen Raffles en zijn beide makkers zich bevonden in de eenvoudig gemeubelde kamer van een huis in een der volksbuurten.

In deze woning hadden zij eenigen tijd vertoefd onder het mom van vertalers en copiisten, en Henderson had er gewoond gedurende den tijd, dat de zoogenaamde Willem van den Heuvel en zijn secretaris, welke rol door Charly Brand vervuld werd, in het Washington Hotel hadden gelogeerd.

Busto, de moedige terriër van Raffles, lag aan de voeten van zijn meester en scheen er innig over verheugd te zijn, dat hij hem zulk een grooten dienst had kunnen bewijzen.

Raffles had Charly en Henderson de hand toegestoken en zeide nu met een klank in zijn stem, die er slechts zelden in te hooren was:

—Zonder jullie, mijn vrienden, zou mijn lot beslist zijn geweest, en zou de aanvoerder van de bende van Het Kwade Oog mij stellig ter dood laten brengen, want hij kent geen medelijden voor iemand, die hem in den weg staat.

De oogen van Charly Brand schemerden vochtig, toen hij met trillende stem antwoordde:

—Ik dank den Hemel, Edward, dat wij Busto hebben medegenomen, want ik twijfel er aan, of wij zonder hem je verblijfplaats wel zouden hebben ontdekt!

—Ja, de hond heeft zich dapper gedragen! hernam Raffles, terwijl hij het fraaie dier over den kop streelde, hij heeft den hond van den Moloch zijn tanden laten voelen, en hem verscheurd! Apropos—herinnerd jullie je nog, hoe dat dier er uit zag? Dat zou wel eens een kostbare aanwijzing kunnen zijn!

—De hond was gitzwart, met wollig haar, op den kop na, die rood was met een zwart masker! antwoordde Charly onmiddellijk.

—Een vreemde combinatie—een zwart lichaam met een rooden kop, zeide Raffles hoofdschuddend, welk ras had de hond?

—Dat zou ik je waarlijk niet kunnen zeggen, antwoordde Charly, het dier had de grootte en den vorm van een Duitschen staanden hond, of ook wel van een Aire Dale Terriër—maar het haar geleek wel dat van een poedel of van een krulharigen Herdershond, een Rotweiler bijvoorbeeld.

—Het dier was daar zeker in den kelder van het huis, waar ik gevangen zat, vastgemaakt, om alarm te maken en indringers tegen te houden, zeide Raffles nadenkend.

—Is het niet mogelijk, Mylord, dat de hond aan een ander dan aan den Moloch toebehoort? vroeg Henderson nu.

—Neen, mijn vriend, dat komt mij niet waarschijnlijk voor, antwoordde Raffles; geen van de tien mannen die daar waren, en die een soort rechtbank samenstelden, zou het gewaagd hebben op eigen gezag een hond mede te brengen.

—Wat ben je nu eigenlijk van plan, Edward? vroeg Charly. Wordt het niet tijd om maar eens naar Londen terug te keeren, begin je niet genoeg van New-York te krijgen?

Raffles keek Charly strak aan, schudde het hoofd, en antwoordde:

—Teruggaan? Op dit oogenblik? Dat kan je geen ernst zijn! Ik ben in handen geweest van den Moloch, en ik zou mijn pogingen om hem te ontdekken opgeven? Nooit! De bende is nog niet vernietigd, zoolang de Moloch aan het hoofd er van staat—en ik wil en zal ontdekken wie hij is!

—Maar je hebt volstrekt geen aanknoopingspunt, Edward! riep Charly uit.

—Daarin vergis je je, mijn waarde, wij hebben integendeel een zeer kostbaar aanknoopingspunt—de lucht van den bandiet! Busto heeft een klein stuk geroken van de zwart gazen kap, welke het bendehoofd steeds schijnt te dragen als hij met zijn luitenants confereert—ik heb dat stukje gaas nog altijd en Busto heeft een goeden neus!

—Het is zeker, dat hij in het Central Park op een auto is toegevlogen, die ons voorbij reed en waarin zeven heeren gezeten waren!

—En een van die zeven mannen moet zonder den minsten twijfel de Moloch zijn geweest! riep Raffles uit. Mijn hond vergist zich niet!

—Maar ons onderzoek dienaangaande heeft volstrekt niets opgeleverd, Edward! hield Charly vol.

—Omdat wij geen tijd hebben kunnen vinden, het lang genoeg voort te zetten, dat is alles! In die auto zat om te beginnen Flannagan, de verloofde van miss Cissy Vandyke, de dochter van den staalkoning. Hij is inspecteur van politie, en daar hij zelf door een paar leden van de bende niet lang geleden bijna is vermoord, en er ternauwernood het leven heeft afgebracht, moet hij al dadelijk worden uitgeschakeld. Dan zat Buster Finn in de auto, de halfgare neef van Peter Vandyke, een sukkel, die eeuwig lacht om de kinderachtigste dingen, wiens aandacht bijna geheel en al in beslag wordt genomen door zijn dassen en overhemden, zijn zijden sokken en zijn wandelstokjes, en die niet meer hersens heeft dan een garnaal! Ook hij valt buiten iedere verdenking. Wij weten nu ook wel zeker, dat de heeren Chesterton en Brain, twee vrienden van den huize Vandyke, onmogelijk aan het hoofd van zulk een bende kunnen staan. Maar naar de levensomstandigheden van de drie overigen wil en zal ik nader onderzoek doen!

—Je weet, dat je op ons beiden kunt rekenen, antwoordde Charly eenvoudig. Als je werkelijk gelooft, dat de Moloch onder die drie mannen moet schuilen, dan moet het, dunkt mij, niet onmogelijk zijn, tenslotte achter zijn geheim te komen! Maar intusschen kun je nu bezwaarlijk als Willem van den Heuvel blijven voortleven!

—Waarom niet?

—Wel, het is nu wel glashelder dat de Moloch je doorzien heeft, en je ontvluchting uit zijn huis aan de grens van de stad zal het laatste restje van twijfel bij hem wegnemen! Als je werkelijk de Hollandsche staalhandelaar was geweest, dan zou het je niet moeilijk zijn gevallen, binnen vier-en-twintig uur je identiteit te bewijzen! En dan is er nog iets!

—Laat hooren!

—Je bent in de val geloopen, die de Moloch voor je had opgezet, doordat je gevolg hebt gegeven aan een gefingeerd schrijven van miss Cissy, die al eens in persoonlijke aanraking met Raffles is geweest! Zij schreef je een briefje, om je bij haar te ontbieden, daar ze je hulp noodig heette te hebben, en je bent op weg naar het huis van haren vader door de bandieten overvallen, bewusteloos geslagen en weggevoerd!

—Zeker! Wat zou dat alles?

—Wat dat zou? riep Charly uit. Toen ik een uur later nog niets van je vernam, en in doodelijke ongerustheid in onze hotelkamer op je terugkomst wachtte, daar je niet op het afgesproken uur had getelefoneerd, dat je goed en wel in het huis van den staalkoning zat, heb ik het jonge meisje opgebeld, en toen kwam de waarheid aan het licht, zij had je in het geheel niet geschreven! Het briefpapier moet haar zijn ontstolen en een bekwaam falsaris had haar handschrift nagebootst! Evenmin had zij je later een telefonische bevestiging van haar schrijven gegeven, de bandieten hadden je vraag opgevangen door den draad af te tappen!

—En welke beteekenis heeft dit alles nu volgens jou?

—Dat zul je hooren! Cissy Vandyke moet nu immers begrijpen, dat de man, dien zij om hulp heette te hebben verzocht, en Willem van den Heuvel een en dezelfde persoon zijn, anders had de truc van de bandieten geen doel! Die moeten geweten hebben, dat het jonge meisje met Raffles in verbinding had gestaan, en dat deze haar reeds menigmaal bij had gestaan! Begrijp je mij nu?

—Ik begrijp je, maar ik kan je vrees niet deelen! antwoordde Raffles kalm. En al kon ik dat wel, ik moet mijn rol van Willem van den Heuvel nog eenigen tijd blijven spelen, ook al zou er gevaar aan verbonden zijn!

—En waarom, als ik vragen mag?

—Omdat het de eenige wijze is, de bandieten op mijn spoor te houden!

—Maar voor den duivel ben je daar dan zoo op gesteld? vroeg Charly opgewonden.

—Dat niet bepaald, antwoordde Raffles glimlachend, maar ik zie geen ander middel, om den Moloch te ontmaskeren! Hij zal nu alles in het werk stellen, om zich van mij te ontdoen, en daartoe is het noodig, dat hij zich persoonlijk met de zaak bemoeit. Vroeg of laat, moet ik dus weder met hem in contact komen, en dan zal de slimste de sterkste overwinnen!

—Maar je stelt je op die wijze aan het vreeselijkste gevaar bloot! riep Charly uit.

—Ik erken, dat mijn weg niet over rozen zal gaan, hernam Raffles. Maar het moet! Ik wil en zal dien ellendeling, die in den korten tijd van zijn misdadige loopbaan reeds tientallen menschen heeft vermoord of doen vermoorden, alleen om hen te berooven, overwinnen, evenals ik thans dr. Fox overwonnen heb!

—Ja, de chef van het Genootschap van den Gouden Sleutel zit thans opnieuw achter slot en grendel, maar vergeet niet, dat dit hier te New-York reeds eenmaal het geval is geweest en dat de bende er toch in geslaagd is, hem met waarlijk duivelsche list te doen ontsnappen.

—Ik hoop, dat men hem ditmaal beter zal bewaken! zeide Raffles kortaf.

—En je wilt dus weder naar het Washington Hotel terugkeeren?

—Ja!

—Maar het geheele geval van je ontvoering zal heden reeds in geuren en kleuren in alle bladen staan! hield Charly aan.

—Ga jij het dan aan de redacties vertellen? vroeg Raffles spottend.

—Dat is dwaasheid—maar het zal wel op een andere wijze bekend worden.

—Als je mij dan maar eens wil zeggen, op welke manier! hernam Raffles, een weinig ongeduldig. De bandieten zelven, en de chauffeur van de auto incluis, die natuurlijk in het complot is geweest, zullen er zeker niet over spreken.

—Maar de portier van het hotel, die de auto besteld heeft.

—Welnu? Weet die man dan, wat er een kwartier rijdens verder met mij gebeurd is?

—Dat niet...... zeide Charly aarzelend, maar miss Cissy Vandyke......

—Die zal zeker niets zeggen, zeide Raffles op vasten toon. Neen, daarvoor is het meisje te edel. Ik weet niet, wat zij vermoedt, wat zij denkt, maar ik ben vast overtuigd, dat zij mij tot geen prijs in het verderf zou willen storten. Vergeet niet, dat ik haar en haar vader het leven heb gered. En als je zelf je mond niet hebt voorbij gepraat, dan is er niemand die kan weten, wat er in den afgeloopen nacht met Willem van den Heuvel is geschied.

—Je hebt misschien gelijk! mompelde Charly. Maar toch blijf ik het gevaarlijk noemen.

—Zooveel te beter! zeide Raffles droogjes. Zonder gevaar zou het leven voor mij geen waarde hebben.

—Nu, dan kun je nu tevreden zijn! riep Charly half boos, half lachend uit. Er is gevaar in overvloed.

Henderson had gedurende dit geheele gesprek geen woord gesproken en had zijn meester onophoudelijk aangezien.

Nu zeide hij met trillende stem:

—Neem mij niet kwalijk, Mylord, maar als het gevaar werkelijk groot is, dan zou ik u willen verzoeken, u te mogen vergezellen, en niet meer hier te worden gelaten.

—Ik waardeer je goede bedoeling, Henderson, zeide Raffles op zachten toon, maar het is voor alles beter, dat je voorloopig hier blijft. Je kunt ons beiden, van groot nut zijn, geloof me.

—Zooals Mylord beveelt, zeide de reus eenvoudig.

Voor hem was van dit oogenblik af de zaak afgedaan!

HOOFDSTUK II.

EEN POLITIEVERSLAG.

Denzelfden morgen trok Raffles weder naar het Washington Hotel, alsof er niets was gebeurd.

Hij wist maar al te goed, dat er onder het personeel minstens eenige spionnen van de Bende van het Kwade Oog waren, maar hij nam zich voor, een oogje in het zeil te houden, en zich niet bloot te geven.

De strijd tegen den Moloch, den aanvoerder van de vreeselijke misdadigersbende was thans opnieuw ontbrand, en Raffles had een duren eed gezworen, dat hij hem tot het bittere einde zou voortzetten.

In Londen had hij het weten op te nemen tegen het Genootschap van den Gouden Sleutel—en niet zonder succes—hier zou hij de Bende van het Kwade Oog uitroeien, al zou het hem het leven kosten.

Met deze voornemens bezield, betrok Raffles zijn kamer weder.

De portier keek wel eenigszins verbaasd, dat hij den Hollandschen staalhandelaar op zulk een uur zag terugkomen, terwijl hij wist, dat hij den nacht niet in het hotel had doorgebracht, maar de zaak liet hem verder onverschillig.

Ten koste van een groote fooi had Raffles verkregen, dat Busto, de terriër, steeds bij hem moest zijn.

Hij had begrepen, dat de bende er alles op zou zetten, den hond, nu hij eenmaal lucht had gekregen van den Moloch, uit den weg te ruimen.

En Busto was juist het eenige, die hem weder op het spoor zou kunnen brengen.

De beide vrienden bewoonden te zamen drie kamers, waarvan twee slaapkamers en één, die als werkvertrek was ingericht.

Zij liepen alle ineen en kwamen bovendien ieder met een deur op de breede gang uit.

Zij waren nog niet lang op hun kamers terug of de middagédities van de groote bladen werden afgeroepen.

Charly haastte zich naar buiten, teneinde snel een blad te gaan koopen.

Met een nummer van de „New-York World” keerde hij terug.

Hij vouwde het blad haastig open, en doorliep vlug den inhoud, terwijl Raffles hem met de oogen volgde.

Eindelijk slaakte de jonge man een lichten kreet en zeide op fluisterenden toon:

—De heeren journalisten zijn er vlug bij geweest! Er staat een heel relaas over de geschiedenis van vannacht in het blad!

—Maar toch zeker niet over mijn gevangenneming? vroeg Raffles. Want dat is onmogelijk. Dat kan niemand weten, als de bandieten het niet zelf verraden hebben.

—Neen, daar staat niets van in, maar wacht, dan zal ik het je voorlezen.

De beide mannen namen plaats, en Charly begon met vaste stem voor te lezen:

„EEN GEHEIMZINNIGE ZAAK.

Het huis aan de stadsgrens.

In den afgeloopen nacht heeft de politie een vondst gedaan, welke tot allerlei vermoedens aanleiding geeft, en waarvan zij denkt, dat zij in verband moet staan met een of anderen aanslag van de Bende van het Kwade Oog.

Omstreeks drie uur in den nacht reed een politie-agent de ronde in de Pershing Street, een straat in het uiterste Noorden van de stad, die nog slechts aan één zijde is volgebouwd.

De huizenrij, die aan het onbebouwde veld grenst, is nog lang niet gereed.

Ongeveer in het midden van deze nieuwe straat bevindt zich een huis van zes verdiepingen, dat eveneens pas gereed is gekomen, en dat verhuurd was aan een groote maatschappij, die er echter slechts eenige vertrekken gemeubeld had. Laten wij er hier aanstonds aan toevoegen, dat de huur voor drie maanden vooruit betaald was, maar de politie er niet in geslaagd is, deze maatschappij terug te vinden!

Zooals uit het volgende duidelijk blijkt, bestond zij dan ook niet, en heeft zij ook nimmer bestaan.

Naast dit huis staan aan weerszijden twee andere gebouwen, die nog slechts voor de helft voltooid zijn.

De agent liep langzaam langs den zijmuur van een dier huizen, om zich te overtuigen, dat alles in orde was, want in de laatste nachten was hier hout en ijzer weggesleept door nachtelijke bezoekers.

De ordebewaarder vond echter niets verdachts, totdat hij de achterzijde van het zooeven genoemde huis bereikte.

Daar zag hij een man op den grond uitgestrekt liggen, met het gelaat naar den grond gekeerd.

Meenende, dat de man wellicht beschonken was, wilde hij hem bij den arm grijpen, toen hij zijn hand verschrikt terugtrok—zij was nat van bloed!

Dadelijk deed hij zijn dienstlantaarn ontgloeien en een enkele blik was voldoende, om hem te doen zien, dat hij een lijk gevonden had.

In de keel van den man gaapte een vreeselijke wond, die slechts afkomstig kon zijn van den beet van een hond; de sporen van de nagels van het dier waren nog duidelijk te zien.

De agent keek om zich heen, maar hij kon volstrekt niets verdachts ontdekken.

Daarop onderzocht hij de kleederen van den doode.

De man had alles nog bij zich—portefeuille, portemonnaie, ringen, een gouden sigarettenkoker en een brillanten doekspeld—in ieder geval mocht men hier niet aan roof denken.

De agent trachtte de achterdeur van het huis te openen, maar deze was stevig op slot.

Hij wendde den blik naar de onbebouwde vlakte, en toen viel hem een hooge, stalen telefoonmast in het oog.

Onwillekeurig wendde hij zijn blik naar de werkkooi in den top van den mast, toen een kreet van verbazing hem ontsnapte—deze kooi was met een venster op de bovenste verdieping verbonden door een touw of een stalen tros, waarvan de rechte lijn scherp afstak tegen den reeds lichter wordenden hemel.

De agent begreep nu, dat er in dit huis iets geheimzinnigs, iets vreeselijks moest zijn voorgevallen, en hij ging dadelijk assistentie halen.

Een half uur later waren ongeveer 10 agenten, onder aanvoering van een inspecteur en twee detectives, ter plaatse.

Men moest de voordeur met geweld openen, want ook deze was op slot.

Dadelijk verspreidden de agenten zich door het geheele huis en begonnen het van den kelder tot den zolder te doorzoeken.

En in den kelder deden zij een hoogst verrassende vondst!

Daar lag het lijk van een tamelijk grooten hond, met een zwarte vacht, die blijkbaar in een gevecht met een soortgenoot, waarschijnlijk dezelfde, die den man aan de achterzijde van het huis den strot had doorgebeten, het leven had gelaten.

Men wilde het kadaver van den hond reeds in een hoek werpen toen een der agenten een merkwaardige ontdekking deed.

Het zwarte vel van den hond was hier en daar bij lappen van het lichaam gescheurd, maar toen de agent wat nauwkeuriger toekeek, zag hij onder de zwarte huid—een tweede vel!

En dat vel was roestbruin, rood, zooals hondenliefhebbers het noemen.

Wie schetst de verbazing van de ordebewakers, toen het bleek dat de zoogenaamde zwarte hond over zijn geheele lichaam even rosbruin was als aan den kop, en dat hij gestoken was in wat wij een overjas zouden noemen—een voortreffelijk gemaakte tweede huid, met echt, zwart, krullend hondenhaar begroeid.

Er was een kleine opening voor het korte staartstompje gelaten en de „overjas” hield op bij den halsband, die nauw om den hals van het dier sloot.

En het was vrij gemakkelijk, door dezen halsband te openen, het dier zijn jasje aan- en uit te trekken, dat onder den buik was dichtgeregen.

Een oogenblik stonden de agenten sprakeloos en vroegen zich af, wat het doel van deze zonderlinge kleedij kon zijn, maar de inspecteur wilde geen tijd verliezen, beval een der agenten den hond mede te nemen, en zette het onderzoek voort.

In een kamer gelijkvloers vond men een lange tafel met een vuurrood kleed bedekt, waarachter tien stoelen stonden.

Een groote hoek van het vertrek was afgesloten met een zwart gazen scherm, dat tot de zoldering reikte en waarachter, toen men het had stukgesneden, niets anders dan een gemakkelijke leunstoel was geplaatst.

Men zal zich herinneren, dat men eenzelfde inrichting niet lang geleden eveneens heeft aangetroffen in de Boston Street in een afgelegen huis, waar na een hevig gevecht anderhalf dozijn luitenants van den chef der „Bende van het Kwade Oog” gevangen werden genomen.

Daar was echter in den afgeschoten hoek een luik, dat met een onderaardsche gang in verbinding bleek te staan—hier was slechts een deur aanwezig, uitkomende op een smalle gang, die regelrecht naar de achterdeur voerde.

De inspecteur wist nu wel reeds, waaraan hij zich te houden had, maar toch werd het onderzoek voortgezet.

Men doorzocht alle étages, maar vond slechts volkomen leege kamers, zonder een enkel meubelstuk.

Zoo bereikte men de zesde verdieping, en daar zou de verbazing van de agenten nog toenemen.

Want aan het einde van een vrij breede gang vond men een cel, met een stevige stalen deur, en een getralied venster.