Lord Lister No. 0119: Het Genootschap der Droomers

Part 6

Chapter 61,163 wordsPublic domain

Ik bedankte hem; hij legde de zweep over zijn paard en vervolgde zijn weg. Ik dacht, dat ik den spoorwegbeambte verkeerd verstaan had en dat hij had willen zeggen, dat het vijf-en-dertig minuten loopen was tot aan het boschje en dan nog eens vijf-en-dertig minuten naar Chigny. Dat was zoo’n heel erge vergissing niet; overigens is het ook een feit, dat de beambten der kleine spoorwegstations in den regel niet veel topografische kennis hebben van het omliggende land. Ik had op mijn uitstapjes al meermalen de gelegenheid gehad deze opmerking te maken. Deze man kon mij dus heel goed den afstand zoo’n beetje op goed geluk hebben genoemd. In allen gevalle was het pas drie uur in den middag en had ik ruim den tijd om den trein van zeven uur te halen, na het huis van vader Perrin bezocht te hebben. Ik ging het bosch in, en wandelde langzaam voort om de frischheid op te snuiven van een windje, dat ternauwernood de bladeren deed ritselen.

Het was een lang bosch; de laan, die ik volgde, liep uit op een groote uitgestrektheid land, dat met koren en haver bezaaid was, groen en vlak zoover het oog reikte. Geen enkele heuvel brak er de eentonigheid van af; men ontdekte niet het geringste van een dorp. Alleen verhief zich op enkele passen afstand van mij, aan het begin van deze vlakte, een stulp, bestemd om gereedschappen in te bergen, die potdicht was.

Het was nu al minstens een uur, dat ik aan het loopen was. Ik rustte een oogenblikje uit, mij voornemende daarna eenvoudig weer naar het station terug te keeren, toen ik uit een boschje een boerin te voorschijn zag treden, die gras in haar boezelaar droeg. Zij werd gevolgd door twee kinderen, die lentebloemen in de hand droegen. Dit landelijk tooneeltje ontnam mij het voornemen om te vertrekken en ik trad, met de hoed in de hand, op de boerin toe.

„Waar ligt toch Chigny? Men had mij gezegd, dat ik, als ik uit het bosch kwam, Chigny zou zien. Ben ik soms verdwaald?”

„Wel neen, mijnheer, Chigny is daar”... en zij wees naar den linkerkant van het bosch. „U hebt u alleen vergist in den weg, denk ik. Bij den kruisweg is u recht doorgeloopen, maar u had het voetpad moeten nemen.”

„Maar hoe kan ik dan nu naar Chigny komen?”

„U volgt dit pad hier langs het bosch, slaat dan links af en steekt de rivier over. Chigny ligt aan de overzijde.”

„Is er een brug over de rivier?” vroeg ik wantrouwend.

„Van drie bogen, mijnheer.”

„En in hoeveel tijd kan ik in Chigny zijn?”

Zij keek mij aan, als om de snelheid mijner beenen te berekenen, en antwoordde:

„O, het is niet ver. Vijf-en-dertig minuten.”

Ik stond versteld. Dit cijfer begon mij al heel wonderlijk toe te schijnen, en die drie afstanden, elk van vijf-en-dertig minuten, waren een inderdaad zeer vreemd verschijnsel. Ik begon te vermoeden, dat ieder een loopje met mij nam. Maar hoe kon de boerin weten, dat zoowel de spoorwegbeambte als de karrevoerder mij eveneens hadden verzekerd, dat ik in vijf-en-dertig minuten te Chigny zou zijn, en welke waarschijnlijkheid bestond er om aan te nemen, dat een boerin, een karrevoerder en een spoorwegbeambte zich zouden hebben verstaan om een poets te spelen aan een Parijzenaar, die voor de eerste maal in die streek kwam? Klaarblijkelijk was het hier niets anders dan een eenvoudige toevalligheid, die de vermoeienis, de warmte en mijn zenuwachtigheid mij verkeerd deden opnemen. Weldra was dit vermoeden dan ook weer uit mijn geest verdwenen. Een half uur lang liep ik het voetpad af, dat de boerin mij had aangewezen, en toen sloeg ik den weg in, die naar de rivier afliep, en trachtte mij te oriënteeren. De weg liep wederom tusschen de vlakke en eentonige velden, die aan den horizont verdwenen; op een heuvel, die zoowat een 5 à 600 meter verder was, zag ik een groepje van vier huizen staan, die meer op een hoeve en toebehooren, dan op een dorp geleken. Maar toch kon het immers ook wel Chigny zijn.

Plotseling hoorde ik van den kant van de rivier het geluid van liederen. Het waren waschmeisjes, die haar bedrijf uitoefenden.

Ik naderde.

„Dat is zeker Chigny, daar, meisjes?”

Eén harer antwoordde:

„Neen, dat is het gehucht Bray. Chigny is verder.”

„En hoe ver dan nog?”

Drie stemmen antwoordden in koor:

„Vijf-en-dertig minuten!”

Ik was geheel overbluft en bijna ongerust. Er was iets fantastisch in dit avontuur. Hoe kwam het, dat de waschmeisjes hetzelfde zeiden als de boerin, de karrevoerder en de spoorwegbeambte?

„En het huis van vader Perrin, kent u dat?” vroeg ik verder.

Eén uitroep:

„Dat geloof ik! het mooiste van de streek!”

„Is het niet verhuurd?”

„Nog niet. Maar het zal niet lang meer duren. Elk jaar komen er Parijzenaars.”

Ik groette en vervolgde mijn weg. Ik liep de brug over en hield stil in het gehucht Bray, bij den herbergier, waar ik iets gebruikte. Ik rekende uit, dat ik, als ik over tien minuten in Chigny was, nog den trein kon halen en vroeg den waard om inlichtingen.

„Waar ligt Chigny?”

Hij strekte de hand uit.

„Daar!”

„Hoe lang zou ik noodig hebben om er te komen?”

Op den meest natuurlijken toon van de wereld antwoordde hij:

„Vijf-en-dertig minuten!”

Nu stond ik niet alleen verbaasd, maar werd tevens kwaad. Ik keek den herbergier eens aan, maar deze zag er heel kalm en verstrooid uit. Niets wettigde de onderstelling van een fopperij.

„U komt misschien om het huis van vader Perrin te huren?” vroeg hij.

„Juist,” antwoordde ik.

„Dat is tot nu toe nog te huur.”

Woedend verliet ik de herberg, het was al over zessen. De zon neigde ten onder. Ik liep het veld in, op goed geluk, zonder eenig doel, ten prooi aan een koortsachtige opwinding. Een uur lang liep ik zoo voort, trachtende de oplossing te vinden van dit flauwe complot.

De avond viel. Ik was heelemaal verdwaald. Tegen een uur of acht hoorde ik het geluid van een loopend paard en tot mijn groote verwondering, bemerkte ik, dat het een genummerd huurrijtuig was, dat op vijf-en-twintig kilometer van Parijs op de groote wegen trachtte een vrachtje op te sporen.

Hoe kwam dat rijtuig juist daar?

Dat was geheimzinnig. Ik riep den koetsier aan, als waren wij op een der boulevards, en hij hield stil zonder iets meer. Ik stapte in en wij bereikten het station weer voor den trein van elf uur. Ik had wel lust den koetsier de hand te drukken.

Aan het station zocht ik naar den beambte, die mij zulke mooie inlichtingen had gegeven. Hij was er niet meer.

Dat jaar heb ik Parijs niet meer verlaten, hoewel ik er schrikkelijk van de warmte heb geleden. Ik heb trouwens nooit geweten wat dat huis van vader Perrin voor een woning was en naar aanleiding van welke legende men den menschen, die het wilden bezoeken, vertelde, dat het vijf-en-dertig minuten van het station af lag.