Lord Lister No. 0117: De museumdiefstal
Part 4
„Och kom, Bob, ze krijgt genoeg van hem, dat zegt ze zelf. Maar weet je, ze stuurt tegenwoordig geregeld geld aan een zuster van ’r, die verleden jaar geopereerd is en nou nog altijd buiten woont. Jansen weet daar natuurlijk niks van, maar, zie je, haar zuster had natuurlijk geen rooje cent, toen ze uit het ziekenhuis kwam en nou ondersteunt Kaatje haar nog tijdelijk.”
„Is dat die zuster, die hier vroeger kellnerin was in de Warmoesstraat?”
„Ja, een knappe meid, veel mooier dan Ka, want als die d’r haar niet zoo mooi blond verfde, zou je eens wat zien!”
Het gesprek werd nu afgebroken door de komst van een der livreibedienden, die op fluisterenden toon zijn meester iets vroeg.
Heemberg gaf een bevestigend antwoord, waarop eenige oogenblikken later de zachte tonen van een wals door de zalen klonken en reeds zweefden danslustige paren over den spiegelgladden parketvloer.
„Zijt gij een liefhebber van dansen, graaf?” vroeg Heemberg, die zich weer bij Raffles had gevoegd, nadat Betty aan den arm van een zijner vrienden tusschen de dansenden was verdwenen.
„Neen, ik dans niet,” antwoordde lord Lister, „maar ik kijk er met genoegen naar.”
„Och, aan zoo’n enkel walsje bezondig ik mij wel eens,” sprak de gastheer weer, „maar die moderne dansen zijn mij te geleerd en ik ben te oud om nog van die malle bokkesprongen te leeren maken. Mag ik misschien, terwijl de anderen zich hier amuseeren, het genoegen hebben, u mijn schilderijenverzameling eens te laten zien?”
„Als het niet te veel moeite is, dan heel graag!” antwoordde Raffles. „Ik interesseer mij bijzonder voor schilderijen en men vertelde mij reeds, dat uw collectie zeer kostbaar en interessant is.”
„Dan zal ik ook jonkheer Beekbergen en twee anderen van mijn gasten, die mijn schilderijen nog niet kennen, vragen of zij lust hebben om mee te gaan. De wals is juist geëindigd.”
De heeren volgden den gastheer naar de hooger gelegen étage, waar een drietal ineenloopende zalen tot een klein schilderijenmuseum waren ingericht.
Heemberg had geld noch moeite gespaard om de zalenbouw door bekende architecten zóó te doen inrichten, dat het binnenvallende licht op de meest gunstige wijze de schilderijen bescheen.
Het was inderdaad niet alleen een kostbare, maar ook een belangwekkende verzameling van de moderne Nederlandsche meesters.
Er waren er van Israëls, Mesdag, van Thérèse Schwarze en van Theophile de Bock, watergezichten van Poggenbeek en interieurtjes van Blommers.
Ook hingen er werken van Bisschop, van Maris en veel andere meesters.
„Ik ben voortdurend bezig, mijn verzameling aan te vullen,” sprak de gastheer en op blufferigen toon liet hij er op volgen:
„U ziet, heeren, dat ik hier al voor een heelen duit bij elkaar heb, maar dat kan me niet bommen. Een schilderijenverzameling staat altijd gekleed en de dingen houden hun waarde.”
„Bent u niet bang voor diefstal?” informeerde lord Lister en hij keek den parvenu met zijn groote oogen aan.
„Inbraak? Welneen. Mijn huis is goed verzegeld en wordt uitstekend bewaakt.”
„Oho, dat is geen bezwaar!” mengde Charly Brand zich in het gesprek.
„Het Louvre-Museum heette ook goed bewaakt en toch heeft een halfgekke Italiaan op een goeien dag de Mona Lisa weggekaapt.”
Allen lachten, toen Charly deze opmerking maakte en de gastheer voegde den jongen spreker toe:
„Zoo’n wereldberoemd stukje zou ik ook nog wel in mijn verzameling willen hebben. Als u eens zooiets tegenkomt, jonker, hou ik me aanbevolen. Ik zal u reëel behandelen.”
Op dit oogenblik kwam een der gasten, die tot nog toe zich met dansen en converseeren had vermaakt, de trap op en naar den gastheer toe, wien hij een hand op den schouder legde.
„Heemberg,” sprak hij, „nu je niet in het geroezemoes van de feestzaal bent, kom ik je even een verzoek doen. Ik wou je vragen, of je voor een flink bedrag wilt inteekenen voor het nieuwe kinderhuis. Ik sprak je er reeds over. Het is voor de verwaarloosde stakkers, die zonder vader of moeder het leven door moeten en geen cent bezitten. Jij zult zeker de lijst der inteekenaren met een groot bedrag willen openen.”
Heemberg’s gelaat had een gansch andere uitdrukking aangenomen.
„Geen cent geef ik je voor die schreeuwleelijkerds,” sprak hij op bijtenden toon. „En doe me nou een pleizier, Plankenga, en maal me niet meer aan mijn ooren met je kinderhuis. Je weet wel, dat ik me met liefdadigheid en al dien onzin niet ophoud. Veel pleizier, kerel!”
Hij draaide zich op zijn hielen een halven slag om, wees met een luchtig gebaar naar een schilderij, dat een Weesmeisje voorstelde, dat van een oud-Hollandsche kast een aarden schotel tilde en sprak tot zijn gasten:
„Dat heb ik verleden week voor mijn verzameling aangekocht. Niet duur, heeren! Acht mille! Een koopje, wat?”
Raffles zag hoe teleurgesteld de heer met de inteekenlijst zich afwendde.
„Een oogenblik, mijnheer Plankenga,” sprak hij, terwijl hij toetrad op den philanthroop.
„Mag ik misschien met een klein bedrag de rij der inteekenaren openen?”
Plankenga boog.
„Met genoegen, graaf.”
Raffles nam het papier, haalde zijn gouden vulpenhouder te voorschijn, zette den naam: Van Sloten tot Haersveld en vulde daarachter het bedrag van vijfduizend gulden in.
Een blos van genoegen trok over het gelaat van Plankenga.
„Vijfduizend gulden!” riep hij uit, „maar dat is enorm, graaf! Ik dank u uit naam van de arme toekomstige verpleegden voor die koninklijke gift!”
Allen betuigden thans om strijd hun bewondering voor deze daad, Heemberg alleen lachte ironisch en noemde de daad van den graaf belachelijk.
En Charly, in wiens groote blauwe oogen een ongeveinsde verbazing weerspiegelde, floot zachtjes voor zich heen het wijsje van het liedje, dat hij op Koninginnedag een troepje thuiskomende feestgangers had hooren zingen:
„Wie zal dat betalen Zoete, lieve Gerretje?”
Het antwoord op deze onuitgesproken vraag zou de naaste toekomst brengen.
VIERDE HOOFDSTUK.
DE MUSEUMDIEFSTAL.
„Linksaf, Charly en dan de trap op!”
„Wat ken je hier den weg goed, Edward!”
„Die is toch zoo moeilijk niet te kennen, als men eenige keeren hier is geweest.”
„Waarom heb je me niet vaker meegenomen?”
„Omdat ik hier altijd heen ging, als jij je elders bezighield, met fietsen, roeien, tennissen!”
Lord Lister en Charly Brand waren dien middag naar het Rijksmuseum gegaan. Ze hadden langen tijd doorgebracht in de Nachtwachtzaal en ook had Raffles zich bijzonder geïnteresseerd voor de Lombokschatten, die in een aantal vitrines lagen ten toon gesteld.
„Kom, Edward,” drong Charly aan, „ik ben doodmoe, laat ons in Trianon een kop thee gaan drinken. Of willen we naar huis gaan?”
Maar de Groote Onbekende wilde van geen heengaan weten.
„Neen, Charly, ik blijf nog een beetje ronddolen door al die kleine en groote zalen vol kunstschatten, die zulke onmetelijke sommen vertegenwoordigen. Je kunt gerust heengaan, als het je begint te vervelen.”
„Van vervelen is geen sprake,” antwoordde de jonge secretaris, maar zijn zuur gezicht wees er op, dat hij het liefst zoo gauw mogelijk het Museum had verlaten. „Neen, neen,” voegde hij er haastig aan toe, toen hij het ironische lachje zag, dat speelde om lord Lister’s lippen, „je kunt me gerust gelooven, Edward, ik verveel me heelemaal niet. Maar dat Museum-slenteren maakt mij zoo loom en vermoeid.”
„Zoo’n jonge kerel,” spotte lord Lister, „kom, boy, je moet het dan nog maar een tijdje uithouden, dan eet en slaap je goed.”
En zoo wandelde het tweetal verder door de groote zalen en de kleine kabinetten. Wonderlijk lang bleef de Groote Onbekende toeven in een van die zijkabinetjes, waarvan de oude meesters zulke juweeltjes van schilderkunst hangen.
Zijn monocle in het rechteroog gedrukt, correct in zijn elegante overjas, wandelde John C. Raffles van den eenen muur naar den anderen, bekeek, als een kunstkenner, de prachtige meesterwerken, onderzocht ook de lijsten van de meest beroemde, kleine stukken, vergewiste zich ten slotte van de manier, waarop deze schilderijen aan den muur waren bevestigd.
Tegen vier uur verlieten John C. Raffles, de Groote Onbekende, en zijn secretaris het statige Museumgebouw.
Twee dagen later, op een Donderdagmorgen, werd heel Amsterdam, gansch het land en tevens geheel de beschaafde wereld opgeschrikt door het bericht van een even brutale als geheimzinnige diefstal.
„De Avondschool”, van Gerard Dou was, met lijst en al, uit het Rijksmuseum verdwenen.
Niemand kon eenige oplossing van de geruchtmakende zaak geven.
De kranten, tuk op een schokkend nieuwtje, plozen het geval uit en het was inderdaad grappig, na te gaan, welke veronderstellingen werden geuit.
Doch niet alleen door de dagbladen.
De directeuren van kunstinstellingen verklaarden als hun positieve meening, dat hier slechts door een internationale dievenbende kon zijn opgetreden. De bende moest zeker overal haar vertakkingen hebben en een groot aantal personen tellen.
Men zou dan als volgt te werk zijn gegaan: De leden van de bende waren op dien middag allen het Museum gaan bezoeken; ze hadden zich opgehouden in de nabijheid van het gestolen schilderij om zaalwachters en suppoosten af te leiden. En onderwijl had de dief zijn slag geslagen.
Dat was de meest voor de hand liggende oplossing en de politie, hierop afgaande, had al dienzelfden dag de hand gelegd op een zeer groot aantal personen, waarvan de Museumbeambten meenden, hen op den dag van het gepleegde misdrijf te hebben gezien.
Maar men had al de verdachte personen weer terstond na het verhoor op vrije voeten moeten stellen. Zij allen toch konden bewijzen, dien Woensdag het Museum niet te hebben bezocht.
Dat was wel een groote teleurstelling voor de politiemannen niet alleen, maar ook voor de kunstminnaars, de stedelijke autoriteiten en de krantenmenschen.
De gebeurtenis had echter de stof opgejaagd voor kolommen druks. Levensgeschiedenissen, niet slechts van Gerard Dou, maar ook van diens beroemde tijdgenooten vulden heele pagina’s en al die lectuur werd door het publiek verslonden.
De Staat der Nederlanden was bestolen voor een geweldig bedrag. De waarde van de Avondschool werd getaxeerd. In alle buitenlandsche kranten las men de namen Amsterdam, Rijksmuseum, Gerard Dou, Avondschool. En de Engelschen en Amerikanen, die tijdens hun bezoeken aan Neerlands hoofdstad urenlang in het Museum hadden vertoefd, en die zich het schilderij herinnerden, vertelden in hunne salons en clubs fabelachtige verhalen van dat wonderlijke landje, dat zulke reusachtige schatten borg in het grootsche gebouw aan de Stadhouderskade.
Ansichtkaartenhandelaars maakten geweldige zaken.
„Ik had nooit gedacht,” zei Charly Brand, toen hij de verhalen over den diefstal in de Hollandsche en in de Engelsche bladen uitvoerig had gelezen en nadat hij een groot aantal personen over den ongehoorden Museumdiefstal had gesproken—„ik had nooit gedacht, Edward, dat die koele, gereserveerde Hollanders zich zóó warm konden maken voor een zaak van nationaal belang. Heb je die gesprekken gehoord? Ik ben er eenvoudig paf van, Edward!”
De Groote Onbekende was dien middag thuisgebleven. Hij had, aldus had hij ten minste zijn jongen secretaris verteld, een lichte vermaning van hoofdpijn. Daarom had hij het beter gevonden, na den lunch wat rust te nemen en, na een paar aspirine-poeders te hebben geslikt, had John C. Raffles zich uitgestrekt op den divan om wat te gaan rusten.
Bij Charly’s woorden keek hij op uit het tijdschrift, dat hij zat door te bladeren.
Zijn gelaat was kalm als steeds en zijn bruine oogen keken den jongen Brand vriendelijk aan.
„Maar Charly,” sprak hij, „waarom zouden de Hollanders ook niet eens warm kunnen loopen? Kijk nou eens naar ons eigen volkje. Het Engelsche ras is wel het flegmatieke bij uitnemendheid. En heb je nooit in de Londensche club de heetste woordenwisselingen meegemaakt?”
Toen, met een voor hem zéér ongewone belangstelling, vroeg hij zijn secretaris:
„En, Charly, wat hadden de Hollandsche vrienden zoo al te vertellen over dien zeldzamen diefstal?”
„O, van alles. Je hadt het moeten hooren, Edward, hoe opgewonden ze waren en welke weddenschappen ze zooal hebben aangegaan.”
„Zoo,” antwoordde lord Lister, „hebben ze zooveel weddenschappen aangegaan.”
En toen op vroolijken toon voegde hij er aan toe:
„Ik heb zoo’n idee, Charly, dat je huishoudkas wel heel gauw gestijfd zal worden!”
„Zoo?” vroeg de secretaris, „heb je een plannetje, Edward?”
„Ja, ik heb een plannetje, boy, een héél mooi plannetje! En er is alle kans op, dat het zal slagen!”
„Ik mag ’t lijden,” zuchtte Charly, „want ik heb ’t vandaag al met James aan den stok gehad over de betaling van onze laatste bezending champagne.”
„Laat James de quitanties overmorgen maar terug laten komen, Charly!”
Charly zweeg en dacht:
„Edward heeft weer een van z’n overmoedige buien. Ik zal James vooreerst dat bevel nog maar niet overbrengen.”
VIJFDE HOOFDSTUK.
DE SCHUILPLAATS VAN DE „AVONDSCHOOL”.
Tot de personen, die het meest onder den indruk waren van den diefstal in het Rijksmuseum behoorde zeker wel Jan Heemberg, die het prachtige huis bewoonde aan de Heerengracht te Amsterdam.
Hij was den vorigen avond zeer laat thuis gekomen van een souper bij een zijner vrienden en had ’s morgens een gat in den dag geslapen.
Toen hij eindelijk in de eetkamer was verschenen om te ontbijten en, zooals hij gewoonlijk deed, daarbij zijn ochtendkrant ontvouwde, was zijn oog al aanstonds gevallen op het belangrijke bericht en hij had aanvankelijk zijn oogen nauwelijks durven gelooven.
„Een schilderij van zoo groote waarde gestolen! Een van onze meest beroemde meesterwerken uit het Rijksmuseum ontvreemd!”
Telkens herhaalde hij het weer tot zichzelf en nogmaals las hij, wat de krant ervan wist te vertellen.
Haastiger dan anders gebruikte hij zijn ontbijt; toen kleedde hij zich om uit te gaan.
Waarheen, wist hij eigenlijk zelf niet.
Maar hij wilde de straat op om te hooren, of er reeds iets naders bekend was omtrent dezen ongehoorden diefstal.
Voor de sigarenwinkels verdrongen zich de voorbijgangers om de bulletins te lezen, welke daar voor de ramen hingen.
Vol ongeduld werkte Heemberg zich naar voren, maar teleurgesteld wandelde hij weer naar huis terug, toen hij had gezien, dat het dezelfde berichten waren, die hij reeds thuis in zijn krant had gelezen.
Hij brandde van verlangen om vrienden of kennissen te ontmoeten en met hen over het nieuws te spreken.
Zou hij naar de club gaan?
Het was nog erg vroeg, misschien vond hij er nog niemand, maar komaan, het was te probeeren.
Een zijner bedienden gaf hij bevel, onmiddellijk de auto te laten voorkomen en eenige minuten later liet Heemberg zich naar het clubgebouw rijden.
Hij verscheen daar anders nooit op dit gedeelte van den dag en verbaasd keek hij op, toen hij in de leeszaal reeds verscheiden plaatsen bezet vond.
Hij liep deze zaal door en kwam door de zich geruischloos openende donkergroene deur in de daaraan grenzende speel- en conversatiezaal.
Verscheiden leden van de Club zaten hier bijeen en Heemberg zag onmiddellijk, dat er weinig werd gespeeld en daarentegen druk gepraat.
Heemberg kende de aanwezigen allen persoonlijk en begaf zich naar een vrij groote, ronde tafel, waaraan een vijftal heeren had plaats genomen.
„Goeden morgen, goeden morgen!” sprak hij op luidruchtiger toon dan noodig was. „Is deze stoel nog vrij?”
„Zeker, neem plaats, kerel!” sprak Frits van Egelen. „Hoe ben je zoo vroeg op ’t pad? Ook eruit gelokt door het reuzennieuwtje van den schilderijendiefstal?”
„Om je de waarheid te zeggen, ja!” antwoordde Heemberg. „Zijn er al meer bijzonderheden bekend? Alles wat ik weet, is het bericht uit de ochtendbladen.”
„Meer weten wij ook niet”, vertelde Van Egelen weer!
Hij haalde het kopje koffie, dat de kellner juist voor hem had gebracht, naar zich toe en vermengde het donkere vocht met de suiker en den room.
„Een brutaal stukje, weergaloos brutaal!” riep een oudachtig heertje uit, dat naast van Egelen zat. „Ik veronderstel, dat deze diefstal verband houdt met andere Museumdiefstallen die in de laatste jaren zijn gepleegd.”
„Ons land is er in dat opzicht tot dusverre nog vrij goed afgekomen”, beweerde de beweeglijke bankdirecteur weer. „Maar ik ben het met u eens, professor, dat het vermoeden voor de hand ligt om aan een complot te denken.”
„Hoe bedoel je?” vroeg Heemberg met groote belangstelling.
„Wel, men zal hier te doen hebben met een internationale bende van museumdieven, die nu eens hun slag slaan in Italië, dan in Frankrijk of Engeland en eindelijk ook ons landje een bezoek waardig hebben gekeurd.”
„Ik zie de groote waarschijnlijkheid van die veronderstelling niet in”, mengde zich nu graaf Van Sloten tot Haersveld in het gesprek.
De jonge edelman had tot dusverre bijna voortdurend gezwegen en slechts af en toe een kleine opmerking ten beste gegeven.
Juist haalde hij zijn kostbaren gouden sigarettenkoker te voorschijn en terwijl hij deze opende om er een sigaret uit te nemen, vervolgde hij:
„Mijns inziens is de mogelijkheid volstrekt niet buitengesloten, dat een enkel persoon, zonder handlangers of medeplichtigen, het kostbare doek heeft gestolen.
„De bewaking in de meeste musea is onvoldoende, tenminste...”—hij wachtte een bijna ondeelbaar oogenblik,—„tenminste waar het een handigen dief betreft.”
„Maar hier, in het Rijksmuseum krioelt het immers van suppoosten!” riep Heemberg uit. „Mij lijkt het een verduivelde kunst om dáár iets te gappen!”
„En toch ziet u, dat het mogelijk is geweest”, lachte graaf Van Sloten een beetje ironisch.
„Ik betwijfel het, of wel ooit uit zal komen, in welke handen de „Avondschool” is beland!” sprak de lange, magere heer naast den professor en die aan Raffles was voorgesteld als een bekend letterkundige.
„Het is overbekend, dat er, vooral in Amerika, door rijke verzamelaars schatten worden betaald voor kunstwerken en antiquiteiten, die uit de museums der geheele wereld afkomstig zijn.”
„Zeker!” riep Heemberg uit, „ik heb vroeger eens gelezen van een Amerikaansch millionnair die er in de onderaardsche gewelven van zijn woning een groote verzameling op nahield van voorwerpen, die hij op dergelijke wijze had verkregen.
„Een half menschenleven had hij eraan besteed om van her- en derwaarts de kostbaarheden bijeen te zamelen en het eenige genot, dat bij ervan had, was, dat hij urenlang in het diepste geheim kon ronddwalen door de rij onderaardsche vertrekken, die als ’t ware een klein museum vormden.
„Niemand heeft hij ooit deelgenoot gemaakt van zijn misdadige liefhebberij.”
„En op welke wijze is zijn geheim dan ten slotte wereldkundig geworden?” vroeg de magere letterkundige.
„Door een bekend Amerikaansch detective, wiens naam ik me op het oogenblik niet herinner. Deze was naar aanleiding van een brutale antiquiteitendiefstal het wild op het spoor gekomen. Er waren verscheiden handlangers bij betrokken, maar het eind van de geschiedenis was toch, dat de schatrijke vent ontmaskerd is. Herinneren de heeren zich deze zaak niet? Het is jaren geleden, maar op mij heeft ze toen een geweldigen indruk gemaakt.”
Een bijna onmerkbare glimlach gleed over het gelaat van graaf Van Sloten tot Haersveld en terwijl hij den rijken Amsterdammer aankeek, sprak hij:
„Het ware te wenschen, dat ook in dit geval, waar het den diefstal betreft van een zoo kostbaar eigendom der Nederlandsche regeering, van zulk een wereldberoemd meesterstuk, dat ook nu een bijzonder schrandere detective de schuilplaats van het gestolen schilderij ontdekte!”
„Ja, hadden wij hier maar een Sherlock Holmes!” riep de kleine bankdirecteur op levendigen toon uit.
„Of een Raffles!” voegde de letterkundige eraan toe. „Voor de scherpe oogen van dergelijke mannen blijft niet veel verborgen. Maar in ons landje vindt men huns gelijken helaas niet. Daarvoor moet je in Engeland of in Amerika komen!”
„Wie weet!” sprak graaf Van Sloten, terwijl hij Frits van Egelen met een hoffelijk gebaar zijn gouden sigarettenkoker voorhield.
„Echte Egyptische, ik kan ze u aanbevelen,” vervolgde hij tot den sympathieken bankdirecteur.
En toen deze een sigaret uit het étui had genomen, stond graaf Van Sloten op.
„Het wordt mijn tijd, heeren, ik heb wat hoofdpijn!” sprak hij en groette beleefd.
Toen wendde hij zich nogmaals tot Frits van Egelen, die eveneens was opgestaan, en vroeg met een beminnelijken glimlach:
„Heb ik het genoegen, dat u in mijn auto meerijdt?”
Een oogenblik later verlieten de beide heeren samen het gebouw van de club.
Dien middag gebruikte Jan Heemberg den lunch met een paar vrienden in Trianon, het moderestaurant op het Leidscheplein.
Toen hij thuiskwam, was de schemering van den vroegen winteravond reeds gevallen en de gaslantaarns langs de stille, deftige Heerengracht wierpen hun schijnsel over het plaveisel.
De zware huisdeur viel dicht achter den millionnair en nadat hij hoed en pels aan een der bedienden had afgegeven, liep hij de breede witmarmeren gang door en opende de deur van zijn studeerkamer.
Gestudeerd had Heemberg in deze kamer echter niet veel. Wel stonden breede boekenkasten, gevuld met kostbare werken, langs de wanden, wel strekte de gemakkelijke stoel voor het prachtige schrijfbureau zijn armen uit, als om tot studie uit te noodigen daar in dat rustige vertrek, maar de arbeid, die Heemberg hier verrichtte, bestond bijna uitsluitend in het doorbladeren van geïllustreerde tijdschriften, het lezen en beantwoorden van menig billet-doux.
Ook nu lagen eenige brieven, die in den loop van den dag waren aangekomen, op de schrijftafel. Achteloos bekeek Heemberg de adressen en legde met een onverschillig gebaar een sterk geparfumeerd briefje in rosen omslag terzijde.
„Daar heb ik geen haast mee,” mompelde hij, „Lora verveelt mij met haar eeuwige verwijten. Ik heb haar meer dan eens duidelijk te verstaan gegeven, dat ik genoeg van haar heb en daar dient ze eindelijk in te berusten. Ze is jong en mooi en zal waarachtig wel een anderen aanbidder kunnen krijgen.”
Toen nam hij een met zilver gemonteerde papiersnijder op en opende het eenvoudige vierkante couvert, waarop met flinke, duidelijke letters zijn naam en adres geschreven stond.
„Kranige hand!” sprak hij tot zichzelf, terwijl hij den brief uit het enveloppe haalde.
Zooals dat steeds zijn gewoonte was, zocht hij eerst naar de onderteekening van den brief, maar hij zag dat deze ontbrak.
Nu begon hij den inhoud van het schrijven te lezen en steeds spannender werd de uitdrukking van zijn gelaat, steeds grooter zijn verbazing, toen hij het volgende las:
„Het is mij bekend, dat het sinds lang een hartewensch van u is geweest, om uw schilderijen verzameling te kunnen aanvullen met een der kostbare werken van onze oude meesters.
Daarom is het mij een bijzonder genoegen u heden te mogen gelukwenschen met het feit, dat uw wensch eindelijk in vervulling is gekomen.
Immers, wie zou het bezit van de „Avondschool” van onzen onsterfelijken Gerard Dou meer op prijs kunnen stellen dan gij, die de kunst zoozeer naar waarde weet te schatten?
Ik hoop, dat het schilderij de plaats, welke het in uw collectie heeft gekregen, nog lang zal mogen innemen.”
Tot driemaal toe herlas Jan Heemberg den inhoud van het korte briefje. Toen stak hij het met een zenuwachtig lachje in den zak van zijn jas en verliet het vertrek om zich haastig naar boven te spoeden.
Nauwelijks gunde hij zich den tijd om het electrische licht in de kamers, waar zijn schilderijenverzameling zich bevond, op te draaien en toen het heldere schijnsel der lampen de reeks vertrekken als in zonlicht baadde, vloog zijn blik langs de hooge, breede wanden, waaraan tallooze doeken in zwaar vergulde lijsten hingen.
Reeds was hij twee der ruime zalen, die één groot geheel vormden, doorgeloopen, zonder dat iets buitengewoons zijn oog trok en nu trad hij het vertrek binnen, waar eerst kort geleden het „Weesmeisje” dat hij voor acht mille had gekocht, aan een der muren was neergehangen naast een doek van Breitner.