Lord Lister No. 0117: De museumdiefstal

Part 2

Chapter 23,882 wordsPublic domain

Welk een slag was het voor hem geweest, toen hij, van een korte reis naar Spitehead teruggekeerd, het vreeselijke bericht ontving, dat Florence niet teruggekeerd was van een wandeling in het park van Preston-Hall, het verblijf haars vaders, en dat zij waarschijnlijk ontvoerd was geworden door de Hooglandsche Schotten, die gewoonlijk de grenzen onzeker maakten.

Zulke overvallen waren niets zeldzaams en de politie gaf zich in zulke gevallen ook niet erg veel moeite.

Maar hier bleven ook de navorschingen van Warthon en van de talrijke familieleden zijner bruid zonder gevolg.

En thans, nu hij reeds alle hoop had opgegeven, drong plotseling een heldere lichtstraal in zijn in duisternis gehulde ziel.

Den voormaligen edelman, en straatroover was de ontroering des kapiteins niet ontgaan.

Iets als een triomf vloog er over zijn bleek en verwilderd gelaat. Maar met het zich van de zege bewuste geduld van een indiaan wachtte hij op een vraag, die nog komen zou—nog komen moest.

En zij kwam.

„Waar is zij? Waar is Lady Preston?” klonk het van de bevende lippen van den zeeman. „Als je een mensch bent, zal je mij het antwoord niet weigeren. Welk nut zou je er ook van hebben? Je vrijheid is je toch voor altijd ontnomen.”

„Gij handelt al zeer weinig diplomatisch, Sir John”, antwoordde Lee ironisch.

„Gij vergeet, dat ik, die levenslang gedeporteerd ben, ook geen verdere schade van mijn stilzwijgen te wachten heb.”

„De straffen konden je dwingen.—”

„Spaar mij uw bedreigingen, kapitein. Geen macht ter wereld zal mij met geweld een bekentenis ontlokken.”

De vastberaden toon, waarop deze woorden gesproken werden, deed den kapitein inzien, dat hij op die manier zijn doel nooit zou bereiken. Hij moest deze trotsche weerspannigheid anders behandelen.

„Je hardnekkigheid zal je slechts schade doen”, zeide hij streng. „Aan den anderen kant kan ik veel, zeer veel voor je doen. Wijs mij de plaats aan, waar je Lady Preston verborgen hebt, dan zal ik den koning verzoeken, je genade te schenken of althans je straf te bekorten of te verzachten.”

„IJdele beloften, al even belachelijk als uw bedreigingen”, antwoordde de gevangene. „Als ik eenmaal mijn geheim had prijs gegeven, dan zoudt ge mij weldra vergeten. Maar zelfs in het beste geval—denkt gij, dat men in Engeland zoo goedhartig is om een straatroover de vrijheid weer te geven, omdat hij een smachtend minnaar aan zijn geliefde heeft geholpen? Neen, kapitein, op die manier worden wij het nooit eens.”

„Ellendeling!” viel de kapitein woedend uit. „Doe boete voor je misdaden door een goede daad. Heeft je hart dan geen menschelijke gevoelens meer?”

„Gaat gij preeken?” lachte de misdadiger.

„Hoe dom! Waarom zegt ge niet liever: de eene goede daad tegen de andere?”

„Hoe moet ik dat begrijpen?”

„Verschaf mij de vrijheid door de macht, die gij als bevelhebber aan boord geniet en de plaats waar ik Lady Preston verborgen heb, zal geen geheim voor u zijn.”

„Ik moet—?”

„Mij helpen vluchten. Wanneer ge mij eerst in handen van het gerecht uitlevert, dan is alles uit, voor mij en—voor u!”

Deze woorden maakten den kapitein de bedoeling van zijn voormaligen medeminnaar duidelijk.

Hij walgde.

„Dus zou ik de vrijheid van het ontvoerde meisje moeten koopen door een vergrijp tegen mijn plicht!” riep hij uit. „Ik, een officier in koninklijke dienst, zou een gevangene, een tienvoudige roover, laten ontkomen? Ellendeling, ik moest je dadelijk aan den nok van de mast laten bengelen!”

De misdadiger bewaarde zijn kalmte. „Waarom die onnoodige opwinding, kapitein? Gij kunt mij laten ophangen—daar hebt gij het recht toe. Maar wat zal er dan van de schoone Florence worden? Mijn geheim zou ik met mij meenemen. Wij hebben beiden den tijd, denk eens na over mijn voorstel.”

Warthon gevoelde zijn onmacht, maar hij waagde het niet, zijn gedachten verder uit te spinnen.

Zijn hart bonsde en de duffe lucht in deze kleine cel, dreigde hem te zullen doen stikken.

Hij rukte de deur open en verwijderde zich met langzame schreden, terwijl de sergeant de grendels weer dichtschoof.

De dagen werden weken, de weken maanden.

Voor de celbewoners aan boord was het een tijd van vreeselijke eentonigheid, de eenige afwisseling was elken dag twee uur militaire wandeling op het dek, waar de frissche lucht de longen moest verfrisschen.

Met den kapitein had in dien tusschentijd een zonderlinge verandering plaats gehad.

Sedert dien dag van zijn onderhoud met Lee was zijn ernst in droefheid veranderd.

Het maakte den indruk alsof hij door een idee was bevangen, dat hem geheel en al beheerschte.

Intusschen trok de „Victory” haar voren door de zeeën van het zuidelijk halfrond en verder naar het Oosten.

De Tafelberg bleef achter, schemerend in het licht der ondergaande zon.

Eindelijk, na een onafgebroken vaart van honderd en tien dagen, kwam de Australische kust...

Het was vroeg in den morgen, de lucht was koel, de zee hoog. Terwijl de kapitein door zijn kijker het opduikende land beschouwde, naderde hem de sergeant met zijn eene hand aan zijn sjako en met de andere een klein voorwerp vasthoudende.

Het was een zilveren medaillon aan een dun snoer.

Warthon wierp een vragenden blik op den sergeant.

„Nummer 47 droeg het om zijn hals.”

Warthon schrok. „Kerry Morris?”

„Om u te dienen, kapitein, Kerry Morris. Hij wilde het wel niet afgeven, maar natuurlijk nam ik het hem af.”

De kapitein draaide het medaillon in zijn vingers rond, totdat het deksel open sprong.

De inhoud was een lok goudblond haar, met een blauw zijden lint omwikkeld.

„Breng no. 47 in mijn hut”, beval hij met bevende stem.

De sergeant verwijderde zich haastig.

Toen Lee de hut van den kapitein binnentrad, leunde deze nadenkend over zijn kaartentafel heen.

De wachten in de gang bleven voor de deur staan. De binnentredende wilde met het voorgeschreven melden beginnen, maar Warthon sneed hem het woord af.

„Wat heeft dit te beteekenen?”

Lee wierp een blik op het geopende medaillon en antwoordde: „Het is mijn eigendom, dat de heeren van de politie mij hebben laten behouden.”

„Dit haar—”

„Krulde eenmaal op het hoofd van Lady Preston”, zei de misdadiger. „Haar weerstand was vergeefs; mijn schaar was sneller dan hare hand.”

Warthon drukte zijn lippen op den blonden haarlok van het meisje, dat hij zoozeer had lief gehad en nog beminde.

Lee zag zijn doel nabij.

„Kapitein”, zei hij „gij hebt Lady Florence nog lief. Dan is uw aarzelen mij onbegrijpelijk.”

„Mijn aarzelen?”

„Waarom zooveel omslag maken? Wij verstaan elkander immers! Waarom wilt gij van uw levensgeluk afzien? Gij behoeft het slechts te willen en Lady Florence wordt de uwe. Plicht en eer zijn holle frasen. Mijne vrijheid moet de prijs van Lady Florence zijn. Wij zijn in het gezicht der Australische kust. De tijd dringt, besluit dus.”

Het was Warthon alsof deze man een demonischen invloed op hem uitoefende.

En hij kon zich daar niet aan onttrekken, want Lee had slechts herhaald wat hij zichzelf reeds ontelbare malen had voorgehouden.

Hij had nu de keus of Florence te verliezen, of voor een oogenblik zijn eer als officier te vergeten.

En hij besloot tot het laatste.

Hij zag zich weder als den gaarne gezienen gast in het huis der Prestons en de bekoorlijke Florence luisterde naar zijne vurige woorden.

En toen toonde zij hem blozend den jongen man, die het, ofschoon bekend als een woesteling en doordraaier, toch gewaagd had, haar van zijn liefde te spreken.

De oude Preston, een man van strenge grondbeginselen, had den onterfden zoon van den baronet, kortaf de deur gewezen.

Harry Lee was vertrokken, maar woedend en dorstend naar wraak.

Eenige weken van het reinste geluk vervlogen voor de beide gelieven, toen trad de dienst scheidend tusschen beide.

Warthon moest een reis van verscheidene maanden ondernemen.

Toen hij weder te Preston-Hall terugkeerde, ontving hij de vreeselijke tijding, dat men op zekeren avond de bekoorlijke dochter des huizes ontvoerd had.

In die bewogen tijden behoort zoo iets geenszins tot de zeldzaamheden en bij de langzaamheid der Engelsche en Schotsche justitie, zou een bevredigende uitslag der ingestelde nasporingen een merkwaardigheid zijn geweest.

De aan schuilhoeken zoo rijke Schotse bergstreken verzwaarden de vervolging van het spoor.

Warthon liep rond als een vertwijfelde.

En nu had het lot hem de roover van zijn geluk in handen geleverd.

Hij zag de mogelijkheid voor zich, zijn Florence terug te vinden; en deze man verlangde daarvoor als prijs, slechts zijn vrijheid!

De kapitein streed een korten, maar zware strijd; toen zei hij met neergeslagen blik:

Het zij zoo! Je zult je vrijheid hebben!”

Het vale gezicht van den misdadiger werd hooger gekleurd; het blijde gevoel der naderende vrijheid deed hem sidderen van geluk.

„En wanneer zal het zijn—en hoe?” vroeg hij haastig.

„Daar moet ik eens rijpelijk over nadenken, want ik kan je niet zoo maar loslaten zonder meer. Het moet den schijn van een vlucht hebben. Kan je zwemmen?”

„Zeker.”

„Goed. Maar eerst—waar is Lady Preston?”

„Wie staat mij borg dat mijn vlucht zal gelukken, of dat gij werkelijk—”

„Mijn woord. Ik zweer het je!”

„Goed, ik geloof u. Gij zijt een edelman en daarom wil ik u vertrouwen—”

„Dus?” vroeg de kapitein bevend van spanning.

„De sleutel tot het nest van het geroofde vogeltje ligt in uwe hand: het is het medaillon. Luister nu goed: Graafschap Essex, dorp Linghdale en de weduwe Mik, de „oude Mik” genaamd. Geef deze het medaillon met een groet van Kerry Morris en dan zal de oude vrouw u naar de plaats brengen, waar Lady Florence zich bevind.”

„Bedrieg je mij niet?” vroeg Warthon, voor wien zich plotseling een wereld van geluk opende.

Lee hief de rechterhand op tot een eed en zei plechtig:

„Zoo waar er een God boven ons is, ik sprak de waarheid!”

„Hoor dan wat ik je te zeggen heb: nog heden zal ik ergens in een stille bocht binnenloopen om water in te nemen. Ik zal zorgen, dat je aan dek bent en dat de marinier, die de wacht heeft, zijn geweer in je onmiddellijke nabijheid achterlaat, want in de wildernis van Westelijk Australië heb je in elk geval een wapen noodig.

„De jacht zal je in het leven houden, totdat het een of andere schip in zicht komt, dat je als schipbreukeling zal opnemen.

„Hier is een kruithoorn en een zak kogels—bewaar die goed.—

„En ga nu heen. Het verdere komt wel terecht.”

De zak met kogels en de gevulde kruithoorn verdwenen op handige wijze in de wijde beenbekleeding van den gevangene.

Warthon schelde en de mariniers namen den misdadiger in hun midden en voerden hem in zijn cel terug.

Alleen gebleven, liet de kapitein zuchtend het hoofd in zijn handen zinken.

„God vergeve het mij”, mompelde hij, „wanneer ik heb misdreven, maar ik heb het alleen gedaan uit liefde voor jou, mijn Florence! God schenke ons een gelukkig wederzien!”

De maan stond helder en klaar aan den hemel, toen het acht glazen sloeg—middernacht.

Zij bestraalde het idyllische beeld van een kleine, in de diepste rust slapende baai en van het op het zilveren water wiegelende schip—de „Victory”.

Kapitein Warthon had goed vaarwater gevonden en zijn schip tot dicht bij den oever gebracht.

De naar den wal gezonden jol had een kleine, onder langbladerige eucalyptussen voortstroomende beek gevonden, die goed drinkwater opleverde.

De bevelhebber van het schip verkeerde in een nauwelijks te overmeesteren opwinding; zijn ongeduld nam eerst een einde, toen de acht klokslagen door de warme lucht galmden.

Hij liet door den officier van de wacht den sergeant met een marinier bij zich roepen on ving met die twee zijn gewone ronde aan, waarbij hij eenige cellen binnentrad, het laatst die van nummer 47.

Hier bewoog zich niets—geen melding, geen gedruisch.

Het zwarte licht van een buiten aan een balk hangende lantaarn deed evenwel de op den grond liggende bewegenlooze gestalte van den misdadiger herkennen.

„De hond slaapt”, zei de sergeant en stiet den misdadiger met den voet aan.

Maar Lee verroerde zich niet.

„Alle donders, ik geloof, dat de kerel dood is.”

„Hij zal ziek zijn,” waagde de marinier aan te merken.

„Naar het dek met hem!” beval de kapitein, „hij is flauw gevallen in die duffe lucht.

„Help hem oppakken, sergeant, de frissche lucht zal hem opknappen.”

Soldaat en sergeant droegen den bewusteloze gezamenlijk naar het middendek.

Het bleeke licht van de volle maan viel op het gelaat van den misdadiger, die met gesloten oogen op den grond lag.

Lee speelde zijn rol meesterlijk.

Warthon wierp een vorschenden blik om zich heen; er was geen gevaar: op de voorplecht patrouilleerde de boegpost op zijn dooie gemak.

„Je moet hem zijn ketting afnemen”, zeide de kapitein, „ik geloof, dat zijn aderen opzwellen.”

De sergeant deed wat hem bevolen was. De ketenen vielen af.

„Sergeant”, vervolgde de kapitein, „laat je door den officier van de wacht wat salmiak geven, de sleutel van de medicijnkast hangt in mijn hut. En jij, marinier, haal jij gauw een puts water...

„Laat je geweer maar hier, zet het daar maar tegen aan, dan ben je gauwer terug.”

De sergeant en de marinier verwijderden zich met snelle schreden—het verwachte oogenblik was daar!

„Sta op!”

Als een bliksemstraal was Lee op de been; één blik in het rond was hem voldoende: hij bevond zich met Warthon alleen; zijn gespierde hand greep het geweer, waarvan de bajonet in het maanlicht flonkerde.

„Goed gedaan, Sir John Warthon”, fluisterde hij met een duivelschen lach, „ga na haar de aangeduide plaats en zoek uw bruid.

„De oude Mik kan u de plek wijzen—maar dood, begraven!

„Met deze hand bracht ik haar om, toen zij weigerde mijn vrouw te worden.... met dezelfde hand, die nu op u wraak zal nemen.”

De officier versteende schier bij deze woorden; hij greep naar zijn pistool, het was te laat.

De kolf van het geweer flikkerde in de lucht en bonsde toen op zijn hoofd neer.

Met een luiden kreet viel de kapitein op het dek neder, terwijl de pistool hem uit de hand viel en afging.

Een seconde later sprong de vluchteling over boord en in het water.

De knal van het pistoolschot had de geheele bemanning gealarmeerd; het regende kogels om den vluchteling heen die evenwel, met krachtigen slag het water klievend, weldra in den duisternis verdween.

Ook de nasporingen, die den volgenden dag in het bosch naar hem werden gedaan, waren vergeefsch.

Lee was verdwenen en nooit heeft men weder iets van hem gehoord. De bewering van den ellendeling bleek evenwel juist te zijn, zooals kapitein Warthon ervoer, nadat hij van zijn zware verwonding genezen en naar Engeland was teruggekeerd.

Hij begaf zich naar Linghdale naar de weduwe Mik, een oude, dikke, in kwaad gerucht staande vrouw, op wier gelaat haar misdadige aard duidelijk te lezen was, liet haar het medaillon zien, bracht haar een groet van Kerry Morris en verzocht haar, terwijl hij haar eenige goudstukken toestopte, hem naar het graf van de vermoorde Florence te brengen.

De oude vrouw voldeed aan zijn verlangen, en toonde hem onder een dikken beukeboom den grafheuvel, die de geliefde zijns harten bedekte.

Kapitein Warthon en de ongelukkige ouders lieten het stoffelijk overschot van de vermoorde Florence naar Preston Hall overbrengen, waar het in het familiegraf werd bijgezet.

Toen de plechtigheid was afgeloopen, verliet kapitein Warthon Engeland voor altijd.

Hij had van het oude vaderland een afkeer gekregen.

In de jonge, tot zelfstandigheid gekomen Noord-Amerikaansche Republiek heeft hij later een zeer beduidende, tot de geschiedenis behoorende rol gespeeld.”

In ademlooze spanning had Charly geluisterd naar het lugubere verhaal van zijn vriend.

„Toe, Edward”, drong hij aan, „vertel nog meer van die boeiende, tragische geschiedenissen. Ik tref het niet vaak, dat je zoo mededeelzaam bent.

Lord Lister lachte en maakte een ontkennende beweging met het hoofd.

„Wel, Charly, je zoudt me zoo nog uren aan de praat houden. ’t Is voor vandaag mooi geweest! O, ja, wat ik zeggen wou, heb je me straks niet om iets gevraagd?”

Charly moest nu wel lachen.

„Ja, Edward, ik sprak je over onze berooide kas!”

„Juist, dàt was ’t! Ik dacht, dat je onze armoede waart vergeten! ’t Blijft dus afgesproken, boy, dat ik je binnen een week een ronde som zal overhandigen!”

Charly knikte toestemmend.

Hoe zijn vriend in het rustige Amsterdam het zou moeten aanleggen om een kapitaaltje te bemachtigen?

„Ik weet het niet”, peinsde Charly, toen hij zich naar zijn kamer begaf, „ik weet het niet en ik begrijp het niet. Maar ik houd m’n hart vast!”

TWEEDE HOOFDSTUK.

IN DE WHISTCLUB.

„Charly, je moet vanavond je heil alleen zoeken”, sprak lord Lister tot zijn jongen vriend en secretaris.

De beide heeren zaten tegenover elkaar aan den welvoorzienen disch in de eetkamer der mooie villa in het Willemspark.

Deze kamer was op bijzonder kostbare wijze door den Grooten Onbekende ingericht. Echte gobelins van bijna onschatbare waarde bedekten de wanden en het ameublement, dat hij hierheen had laten overbrengen, was vele eeuwen oud.

Oude James, die deze meubelen reeds in het kasteel van Lord Listers grootvader had gekend, behandelde elk stuk steeds met de grootste zorg en soms gleed zijn rimpelige hand niet zonder eenige teederheid langs de sierlijke lijnen van het breede buffet, over de armleuningen der antieke stoelen.

Wanneer de oude, getrouwe bediende in deze kamer vertoefde, waar alles hem herinnerde aan lang vervlogen jaren, zag hij in zijn verbeelding weer terug dat kleine gezin, waar geluk en vrede hadden geheerscht.

Daar, in dien stoel, met het kunstige snijwerk en de mat-blauwe zijden bekleeding, had de jonge vrouw gezeten, de echtgenoote van lord Roland Lister, een der rijkste edellieden van Engeland.

Hoe goed herinnerde James zich nog de slanke gestalte, het fijnbesneden, beeldschoone gelaat en de groote, donkere oogen der jonge vrouw.

En lord Roland zelf, de eenige erfgenaam van de onmetelijke bezittingen zijner voorouders! Nog kwam een uitdrukking van trots op het gelaat van ouden James, als hij terugdacht aan hem, wien hij jarenlang had gediend met de grootste trouw en verknochtheid.

Lord Roland was het toonbeeld geweest van een waren edelman, zoowel wat zijn uiterlijk betrof, als waar het zijn karakter gold.

En zijn bekoorlijke jonge vrouw stond hem in alles steeds ter zijde, zij was niet alleen de gracieuse, beminnelijke gastvrouw, de vertegenwoordigster van een der oudste adellijke geslachten van het Vereenigde Koninkrijk, maar vooral was zij een trouwe gade, een liefdevolle, verstandige moeder geweest voor haar eenigen zoon, den kleinen Edward.

Zooveel mogelijk had zij steeds zelf gezorgd voor de opvoeding van haar kind. Urenlang had zij elken dag met hem gespeeld, met hem gewandeld en gestoeid in het prachtige park, dat bij het zomerverblijf der familie behoorde en later, toen de vlugge, intelligente jongen moest studeeren, had zijn moeder hem met altijd even onuitputtelijk geduld en teedere liefde door menig vervelend studieuur heengeholpen.

Het had den jeugdigen Edward met zijn bijzonder helder brein niet de minste moeite gekost om al zijn examens op schitterende wijze af te leggen.

Doch toen was plotseling een ommekeer gekomen—toen was het geweest, alsof het geluk, dat deze drie menschen tot nu toe op hun levensweg had gevolgd, hun opeens den rug had toegekeerd.

Op een mooien zomerdag—oude James herinnerde het zich, alsof het gisteren was geweest—was lord Roland dood thuisgebracht. Bij een val van zijn paard had hij den nek gebroken en zoo was hij plotseling heengegaan uit het leven, dat zoo mooi en zonnig voor hem was geweest, zonder een enkel woord van afscheid voor zijn vrouw en kind.

Edward had zijn moeder dapper terzijde gestaan in die dagen van zware beproeving, maar de jonge vrouw had zich niet kunnen heenzetten over den dood van hem, dien zij boven alles had liefgehad en twee jaar later was zij haar echtgenoot gevolgd.

Toen ook haar lijk was bijgezet in het familiegraf der Listers, was Edward nog geen achttien jaar.

Een neef van zijn vader was benoemd tot zijn voogd en toen de jonge lord eenige jaren later meerderjarig werd verklaard, bleek het, dat deze neef, een man van een valsch en oneerlijk karakter, zijn pupil op de meest schandelijke wijze had bestolen.

Van de groote rijkdommen zijner voorouders was slechts een vrij onaanzienlijk kapitaal overgebleven, het grootste gedeelte der onroerende goederen was bezwaard met hypotheek en het bleek lord Edward Lister, dat op zóó geraffineerde, geslepen manier te werk moest zijn gegaan, dat het hem misschien nimmer zou gelukken, den schurkachtigen edelman te ontmaskeren.

Een scherpe, vastberaden trek was in die dagen op het gelaat van den jongen man verschenen en een zeldzaam besluit was gerijpt in zijn hersenen.

Hij, die door de slechtheid van anderen zoo schandelijk bedrogen was, hij wilde zich voortaan tot levensdoel stellen om de misdaden der voorname schurken te wreken, te wreken op gansch eigenaardige wijze.

Hij wilde de beschermer der ongelukkigen en verdrukten worden, hij zou den gewetenloozen rijkaards ontnemen, wat zij zich wederrechtelijk hadden toegeëigend om die schatten daarna terug te geven aan hen, aan wien ze eenmaal hadden toebehoord.

En hoe schitterend was hij de gelofte, die hij zichzelf toen had gedaan, nagekomen!

Hoevele misdaden had hij reeds verhinderd, hoevele arme bedrogenen had hij weer in het bezit gesteld van hun rechtmatige eigendommen, maar vooral—hoe ontelbaar vele rijke schurken waren door hem gestraft en ontmaskerd!— —

Oude James wist dit alles en het geheim, dat het leven van zijn jongen meester omhulde, was hem heiliger dan zijn eigen leven.

Charly Brand, die zich vol ijver bezig hield met het ontleden van een gebraden kuiken, keek op van zijn bord.

„Wat bedoel je, Edward? Welke plannen heb je dan voor vanavond, dat je mijn gezelschap zoo goed kunt missen?”

„Niets bijzonders, mijn jongen. Maar ik wil een paar uur naar de Whistclub gaan en omdat ik weet, hoe weinig jij om dat spel geeft, wilde ik je voorstellen, je elders te gaan amuseeren.”

„Uitstekend, Edward! Ja, liever dan den ganschen avond aan het speeltafeltje te zitten, ga ik „Carmen” nog eens horen van de Italiaansche Opera. Ik hoorde gisteren op het tennisveld van freule Van Spalen, dat de bezetting bijzonder goed moet zijn.

„Toevallig bood zij mij voor vanavond een plaats aan in haar loge.”

„Die je natuurlijk gretig hebt aangenomen?”

„Welneen, want ik kende jouw plannen niet en je weet wel, dat ik het gezelschap van mijn vriend en meester boven elk ander prefereer!”

„Ook boven dat van freule Elise van Spalen?” vroeg lord Lister met een guitigen glimlach.

Charly lachte terug zonder te antwoorden.

Het was waar, het mooie, blonde freuletje, dat zoo meesterlijk tenniste en op fietstochtjes onvermoeid en altijd even bekoorlijk was, had het licht ontvlambare hart van den jongen secretaris van bewondering vervuld, maar dergelijke verliefdheden duurden bij hem slechts korten tijd.

Lord Lister wist dit evengoed als Charly zelf en daarom hadden de beide vrienden reeds dikwijls hartelijk gelachen om de ontelbare genegenheden, welke Charly in den loop der jaren voor de vertegenwoordigsters van het schoone geslacht had opgevat.

Onberispelijk gekleed in zijn avondtoilet, met een rozenknop in het knoopsgat, nam Charly een uurtje later afscheid van zijn vriend om zich naar het Paleis voor Volksvlijt te begeven, waar de Italiaansche opera dat seizoen haar voorstellingen gaf.

Eerst tegen negen uur verliet lord Lister, alias Raffles, de Groote Onbekende, zijn villa in het Willemspark, welke hij nu reeds geruimen tijd bewoonde onder den naam van graaf Van Sloten tot Haersveld.

Toen graaf Van Sloten het voorname clublokaal binnentrad, waren hier reeds vele bezoekers bijeen.