Lord Lister No. 0115: Een Sinterklaas-verrassing
Part 1
LORD LISTER GENAAMD RAFFLES DE GROOTE ONBEKENDE.
NO. 115 EEN SINT NICOLAAS-VERRASSING
EEN SINTERKLAAS-VERRASSING.
EERSTE HOOFDSTUK.
VIJF DECEMBER.
Het was op den avond van vijf December.
Gestadig viel de regen neer uit de pikdonkere lucht, korte rukwinden deden af en toe de vensterruiten trillen en maakten het hun, die op straat moesten zijn, nog onaangenamer dan het neerstroomende water dit reeds deed.
„Geen mooie Sinterklaasavond,” herhaalden de menschen telkens en telkens weer.
„Neen, vanavond moest het helder, droog weer zijn; zoo’n beetje vorst, dat hoort er zoo bij.”
„En wat sneeuw!”
„Nou, voor sneeuw is het nog te vroeg, daarmee kunnen we wel tot Kerstmis wachten.”
Deze en dergelijke opmerkingen hoorde men vooral in de winkels, waar het in de vroege avonduren nog buitengewoon druk was en waar bijna geen handen genoeg waren om het gekochte in te pakken.
Ondanks het ongunstige weer heerschte er in de straten van Rotterdam een buitengewone drukte, de levendigheid, die den Hollandschen Sinterklaasavond kenmerkt.
Dienstmeisjes, loopjongens en kruiers, allen beladen met groote en kleinere pakken, begaven zich naar de adressen der gelukkigen, voor wie de surprises waren bestemd; handkarren, overdekt met glimmend natte dekkleeden, vigelantes en vrachtwagens, alles bewoog zich door de straten om de tallooze pakken, manden en kisten af te leveren.
... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ... ...
In een statig heerenhuis aan den Westersingel, waar een schild boven de deur verkondigde, dat daar het Spaansche consulaat gevestigd was, zaten in de ruime huiskamer een heer en een dame.
Beiden waren den middelbaren leeftijd reeds gepasseerd, doch terwijl het gelaat van den heer reeds werd omlijst door zilverwitte haren en een grijzen baard, vertoonde het uiterlijk der dame nog slechts weinig sporen van den naderenden herfst.
Slechts eenige fijne rimpeltjes omkransten de groote grijze oogen en lagen aan weerszijden van den goedgevormden mond.
Het donkerbruine haar, dat boven het voorhoofd gescheiden en in een eenvoudigen wrong was opgemaakt, had nog slechts weinig van zijn glans verloren.
Slechts hier en daar liep een zilveren draad er doorheen.
Ook de gestalte der dame, die toch reeds de vijftig was gepasseerd, had nog veel van haar jeugdige sierlijkheid behouden.
Op het eerste gezicht zou men haar echtgenoot, jonkheer Deelman, wel twintig jaar meer geven dan zijn vrouw.
Wanneer de grijze consul echter den blik zijner energieke oogen opsloeg, als zijn heldere, welluidende stem zich tot den bezoeker richtte en hij zijn veerkrachtige gestalte verhief, zag men de vergissing in en begreep men, dat dit zilverwit van haren en baard was als een vroege sneeuwbui, die de natuur in vollen herfsttooi heeft verrast en is neergevallen op nog groene struiken, nog niet ontbladerde boomen.
In hun rustige woonkamer, die met goeden smaak eenvoudig en deftig gemeubeld was, zat het echtpaar bij elkaar op dezen avond van feestvreugde en verrassingen.
Vroeger was ook onder hun dak die avond van 5 December vol ongeduld verbeid en in luidruchtige vroolijkheid gevierd.
Toen dartelden door de breede gangen en ruime kamers twee jonge meisjes, de beide eenige kinderen van den consul en diens vrouw. Louise, het slanke blonde meisje en de donkere Nora, het sprekend evenbeeld harer moeder.
Hun blonde dochter echter had reeds op achttienjarigen leeftijd het ouderlijk huis verlaten om den man harer keuze, een bekend musicus, naar het buitenland te volgen.
Nu woonde zij reeds verscheidene jaren in Berlijn, waar haar echtgenoot het middelpunt der musicale wereld was geworden en waar Loes, zooals mama haar nog bij voorkeur noemde, geheel opging in de zorg voor haar beide jongens en in de verplichtingen, die het leven haar, als vrouw van een beroemdheid, oplegde.
En Nora, de beeldschoone jongste dochter, had al spoedig het voorbeeld van haar zuster gevolgd.
Het was niet zonder eenige teleurstelling in het hart, dat de ouders hun mooie Nora, die reeds eenige aanzienlijke partijen had afgeslagen, de vrouw hadden zien worden van een eenvoudigen Duitschen ingenieur, dien zij gedurende een zomerverblijf in Wiesbaden hadden leeren kennen en die stormenderhand het hart van het Hollandsche meisje had veroverd.
Doch Karl Willmer bleek zooveel uitstekende eigenschappen te hebben, hij was hun bij nadere kennismaking zoo sympathiek geworden, dat ook zij den smeekenden blik zijner trouwhartige oogen niet hadden kunnen weerstaan en hem de hand van hun nog eenig overgebleven kind hadden toegestaan.
Nadat Nora en Karl Willmer hun huwelijksreis waren gaan maken om daarna hun eigen woning op te zoeken in Wiesbaden, was het stil en eenzaam geworden in het huis van jonkheer Deelman.
De bejaarde heer, die zeer gefortuneerd was, had zich met nog meer lust dan tevoren aan zijn zaken gewijd. Hij was het hoofd eener aanzienlijke reedersfirma.
Voor zijn vrouw echter was het leven kalm en vrij eentonig geworden.
Wel bleven vrienden en kennissen hen trouw bezoeken, maar de ware vroolijkheid, de meest ongekunstelde feestvreugde heerschte slechts dan in het deftige heerenhuis, als de logeerkamers, met teedere zorg lang te voren reeds in gereedheid gebracht, in beslag waren genomen door hun kinderen en kleinkinderen.
Wanneer eenige keeren per jaar de beide dochters met man en kinderen tijdelijk hun intrek hadden genomen in het huis aan den Westersingel, als vroolijke stemmen en trippelende voetjes door de ruimten klonken, als de twee Berlijnsche kleinzoontjes, nu reeds jongens van zeven en negen jaar, en het bekoorlijke dochtertje van Nora en Karl om beurten op grootvaders knie mochten paardjerijden en allen tegelijk door grootmoeder werden vertroeteld, dan weer voelde mevrouw Deelman zich volmaakt gelukkig.
Met een stillen glimlach kon zij, als zij de deur zachtjes had geopend, op den drempel der kamer blijven stilstaan, wanneer zij daarbinnen de aardige groep zag, die haar man vormde met zijn drie kleinkinderen om zich heen.
De beide mooie blonde jongens, elk aan een kant van grootvader zittend, met blozende wangen en schitterende oogen luisterend naar lange, boeiende verhalen uit grootpa’s jeugd, verhalen van guitige jongensstreken en kattekwaad, die gretig ingang vonden bij de jeugdige toehoorders en hen af en toe deden schateren van lachen.
En het vierjarige kleindochtertje, het fijne, bruine krullekopje, geleund tegen grootvaders schouder, het kleine handje spelend met den langen, witten baard, luisterde aandachtig mee, instemmend met het lachen der neefjes, al kon zij nog niet altijd volgen, wat daar voor grappigs werd verteld.
Mevrouw Deelman legde het roze mutsje, waarop zij juist een koket strikje had vastgehecht, even neer. Met teederen blik bekeek zij haar kunstwerk nog eens, zich voorstellende hoe beeldig het aardige kapje haar mooie kleindochtertje zou staan.
Toen werd het voorzichtig in een ruime lade eener antieke kast weggeborgen bij de andere geschenken, die daar reeds sinds eenige weken in werden verzameld, om tegen Kerstmis naar de kinderen in Duitschland te worden verzonden.
Het oud-Hollandsche Sinterklaasfeest had, sinds de beide dochters in Duitschland woonden, plaats gemaakt voor den „Weihnachtsfeier”, het feest van den verlichten Kerstboom.
De heer Deelman legde het laatste blad van de „Nieuwe Rotterdammer” op tafel, wierp een blik op de pendule, die tien uur aanwees en schoof een speeltafeltje, waarop een schaakbord met stukken gereedstond, tot vlak bij de groote schemerlamp, die haar schijnsel wierp in een gezellig hoekje van de kamer.
Dit was voor zijn vrouw het teeken, om zich nog een uurtje te verdiepen in het schaakspel, waarop beiden verzot waren.
„Ik zal trachten mijn schade van gisteravond in te halen,” sprak mevrouw Deelman, terwijl zij plaats nam in haar gemakkelijk stoeltje, dat haar man bij de speeltafel had geplaatst.
„Ja, ik geloof, dat je gisteravond met je gedachten elders waart,” antwoordde haar man op schertsenden toon.
„Wou het niet vlotten met het mutsje voor Baby of hadt je andere ernstige zorgen?”
„Juist geraden, man!” klonk het terug. „Nu echter kan ik al mijn gedachten aan het spel wijden, want het mutsje is af.”
„En is het naar genoegen, grootmoedertje?”
„Och ja, het is zoo gemakkelijk, iets voor Baby te maken alles staat haar goed...
„Ho, ho!” lachte de grootvader, „laten we nu maar gauw ons spelletje beginnen, want als jij over je kleindochtertje begint, komt er geen eind aan de loftuitingen. IJdele grootmoeder!” plaagde hij.
Jonkheer Deelman nam uit een geopend kistje een versche sigaar en nam plaats in een gemakkelijken stoel tegenover zijn vrouw.
Op dat oogenblik werd er op de kamerdeur geklopt en een der dienstboden verscheen op den drempel, met beide handen een groote mand vasthoudende.
Verbaasd keek het echtpaar op, toen het meisje meedeelde:
„Deze mand werd hier zooeven bezorgd voor mijnheer en mevrouw!”
„Door wien, Anna?” vroeg mevrouw Deelman, den pion, dien zij tusschen duim en wijsvinger vasthield, neerzettende.
„Een heer, in pelsjas gekleed, gaf hem mij persoonlijk af. Hij kwam per auto en is dadelijk weer weggereden.”
„Zei hij er verder niets bij?” informeerde mevrouw weer.
„Alleen, dat ik er erg voorzichtig mee moest zijn, vooral niet laten vallen.”
„Het is goed, Anna. Wil je de mand maar op den divan zetten?”
Het meisje plaatste uiterst voorzichtig de vierkante mand, die van breede, witte spaanders gevlochten was, op de aangewezen plaats en verliet het vertrek.
„Een Sinterklaas-surprise voor ons!” sprak mevrouw weer, terwijl zij opstond en zich naar den divan begaf.
„Dat is sinds jaren niet meer voorgekomen. Zeker een aardigheid van een der kennissen.”
„Ik zou niet weten van wien,” bromde de heer des huizes, maar half in zijn schik, dat de aandacht van zijn vrouw nu geheel was afgeleid van het geliefkoosde spel.
„Allen weten, dat wij, nu de kinderen getrouwd zijn, geen Sinterklaasfeest meer vieren en wij zijn toch te oud om nog voor den gek te worden gehouden.”
Intusschen was mevrouw ijverig bezig, het rood-zijden koord, dat kruiselings om de mand was gebonden, los te maken.
Een adres was niet te vinden en het deksel was slechts losjes bovenop de mand gelegd.
„Een eigenaardige verpakking,” sprak zij half tot zichzelf, half tot haar man, die, genietende van zijn sigaar en behaaglijk in zijn stoel achterover leunende, op een afstand naar zijn vrouw keek.
Deze legde juist het spanen deksel op een stoel naast den divan en haalde iets uit de mand te voorschijn, dat veel op een witten sluier geleek.
Een kreet van verbazing ontsnapte op dit oogenblik aan haar lippen en nu stond ook haar echtgenoot haastig op om een blik in de geheimzinnige mand te werpen, die dan toch werkelijk een surprise scheen te bevatten.
Met een paar schreden was hij zijn vrouw genaderd en nauwelijks had ook hij een blik geworpen in de geopende mand of een langgerekt: „Hè” kwam van zijn lippen.
Voor de oogen van het verbaasde echtpaar lag, in rose watten verpakt, een kind, een echt, levend kind, dat, zeker wakker geworden door het volle licht, waardoor het werd beschenen, de donkerbruine oogjes opsloeg en het mondje opende om eens flink te geeuwen.
„Een kind!” was alles, wat mevrouw kon uitbrengen.
„Een fatale vergissing! Natuurlijk verkeerd bezorgd!” riep jonkheer Deelman, op half verontwaardigden, half lachenden toon.
„De hemel weet, wat voor roman daar achter steekt!” vervolgde hij.
Met echt vrouwelijke voorzichtigheid nam zijn echtgenoote intusschen het kleine wicht, dat hoogstens vijf maanden kon tellen, uit de zachte verpakking.
Het was een knap kindje van donkere gelaatskleur, met groote bruine oogen en zwart krullend haar.
Het had een kleinen mond met kersroode lipjes, frissche, blozende wangen en een vrij grooten neus. De kleine handjes waren goed verzorgd en het geheele uiterlijk van het kind sprak van uitstekende verpleging.
„Wat wil je met het Sinterklaascadeau gaan doen? Ik zou het maar rustig weer in de rose watten leggen,” meende de Spaansche consul.
Het kindje knipoogde eens tegen het electrische licht boven de tafel, keek toen met zijn donkere oogen naar de vrouw, in wier arm het lag, en lachte haar vriendelijk toe.
„Ik kan het arme wurm toch niet meer in die mand terugleggen,” antwoordde zij, onwillekeurig een blik vol teederheid op het hulpelooze wezentje werpende. „Vindt je het niet het beste om de kleertjes eens te onderzoeken? Wie weet, of we niet eenig herkenningsteeken vinden.”
„Maar lieve vrouw!” riep de heer Deelman uit, „je denkt toch geen oogenblik aan de mogelijkheid, dat dit kleine menschje inderdaad bij ons bezorgd moest worden?
„Natuurlijk heeft de brenger zich in het adres vergist. Je zult zien, dat het geheele pakket straks teruggehaald wordt.”
„Ik begrijp evenmin iets van de zending als jij,” antwoordde mevrouw op zachten toon, terwijl zij op een stoel plaats nam en het kindje languit op haar schoot legde. „Ik vermoed echter, dat hier een geheim achter schuilt. Hoe dikwijls leest men niet van dergelijke......”
Doch haar man liet haar niet uitspreken.
„In elk geval zal men ons toch niet in zoo’n interessante geheimzinnige geschiedenis willen betrekken,” sprak hij. „Maar ga gerust je gang. Kijk maar eens, welke ophelderingen je vindt.”
Met geoefende hand begon nu de bejaarde dame het kind van de bovenkleertjes te ontdoen.
„Alles is van de fijnste stof vervaardigd en de borduursels zijn werkelijk kostbaar,” sprak zij, toen het fijne jurkje was losgeknoopt en de prachtige onderkleertjes te voorschijn kwamen.
„En kijk eens!” riep zij uit, haar man een klein kleedingstuk voorhoudende. „Zoowaar een kroon is erin geborduurd! En hier ook!” vervolgde zij, een kunstig bewerkt rokje nauwkeurig bekijkende.
„Dus van adellijken bloede!” sprak mijnheer, die, ondanks zijn schijnbare onverschilligheid, elke beweging van zijn vrouw met de oogen volgde.
Inderdaad waren alle kleedingstukken voorzien van een kroontje, doch monogram of initialen ontbraken verder geheel.
Om den molligen hals van den kleinen jongen was een uiterst dun gouden kettinkje bevestigd en hieraan hing een medaillon van goud, ingelegd met een kroontje van kleine diamanten.
Voorzichtig opende mevrouw Deelman het medaillon en zij zag, dat dit twee miniatuurportretten bevatte, een heer en een dame voorstellende.
Met de hoofden vlak bij elkaar bekeek het echtpaar met nieuwsgierigen blik de beide kleine, doch zeer scherp uitgevoerde portretten en bijna gelijktijdig fluisterden zij:
„Zeker de beide ouders.”
Het kindje was nu nog alleen gekleed in een hemdje van het allerfijnste linnen en behaaglijk met de mooigevormde beentjes om zich heen trappelend, ook de armpjes onophoudelijk bewegend, keek het met zijn groote donkere kijkers in de kamer rond, steeds den blik weer gevestigd houdend op de electrische lichtjes in roomwitte, peervormige glazen.
Mevrouw Deelman had ook het hemdje losgemaakt en toen zij ook dit wilde uittrekken om het aan een nauwkeurig onderzoek te onderwerpen, voelde zij, dat midden op de borst van dit kleedingstuk iets was bevestigd.
Voorzichtig schoof zij de gevulde armpjes van den onverwachten kleinen bezoeker uit de korte mouwtjes en toen zag zij, dat tusschen de dubbele borst van het hemdje een zeer dun papier was genaaid.
Met eenige moeite werden de beide lagen van elkaar getornd en met steeds grooter wordende verbazing lazen zij samen wat op het papier geschreven stond.
Het was een chèque op de nieuwe Rotterdamsche Bank, groot een half millioen gulden.
Zwijgend keken zij elkaar aan.
Na eenige oogenblikken sprak consul Deelman:
„Het wordt mij hoe langer hoe onbegrijpelijker! Een kind van voorname afkomst, een half millioen meebrengende... en dat alles wordt bij ons op deze geheimzinnige manier bezorgd...... Ik weet niet, wat ik er van moet denken!”
„Ik evenmin,” antwoordde zijn vrouw. „Eén ding weet ik echter wel: ik zal het kleine baasje weer een gedeelte van zijn kleertjes moeten aantrekken en het dan een bedje verschaffen.”
„Ben je dan van plan het kind hier te houden, Marie?”
„In elk geval zullen we het toch tot morgen bij ons moeten houden. We kunnen het kind toch nu, in den laten avond, niet meer laten weghalen?”
Met vrouwelijke teederheid trok zij den kleinen vreemdeling weer zijn hempje aan.
Toen sprak zij aarzelend, met een verlegen lachje:
„Ik heb in de chiffonnière nog zooveel kindergoed. Mij dunkt, dat ik wat nachtkleertjes moest halen......”
Reeds had zij den donkeroogigen jongen op den divan neergelegd en, terwijl haar man weer in zijn stoel was gaan zitten en peinzend voor zich uit keek, was zij haastig naar een zij vertrek gegaan, vanwaar zij eenige oogenblikken later terugkeerde met een wit bundeltje over den arm.
Een half uur daarna lag de kleine, nu gehuld in luier en nachtjaponnetje, welke eenmaal hadden toebehoord aan de dochtertjes van jonkheer Deelman, rustig te slapen in een wit kinderledikantje.
Het speeltafeltje met het schaakbord was weer in den hoek geschoven, de hooge electrische schemerlamp, die zooeven nog haar licht had geworpen over de glimmende pionnen, kasteelen en koningin, was uitgedraaid en jonkheer Deelman bekeek telkens opnieuw de beide miniatuurportretten in het kostbare gouden medaillon.
Eindelijk werd dit met de fijne kleertjes en de chèque, die op het kindje waren bevonden, zorgvuldig opgeborgen in de brandkast en, zich nog steeds verliezende in allerlei gissingen, begaf lang na middernacht het echtpaar zich ter ruste.
TWEEDE HOOFDSTUK.
RAFFLES MAAKT KENNIS.
„Wat denk je er van, Charly, om van avond eens een kijkje te gaan nemen in het Panopticum,” vroeg Lord Lister zijn vriend en secretaris Charly Brand, die tegenover hem in een wijden fauteuil had plaats genomen en nu in langzame trekjes een Egyptische sigaret in fijne, blauwe rookwolkjes deed opgaan.
Lord Edward Lister woonde nu sinds geruimen tijd met zijn vriend Charly Brand in de hoofdstad van Nederland.
Den grooten onbekende beviel het leven in het kleine landje en speciaal in de hoofdstad van Nederland, uitstekend.
Zijn Londensche avonturen was hij moede en met een onmerkbaren glimlach dacht hij nog eens terug aan zijn laatste reis naar Amerika en het avontuur, dat hem bijna het leven had gekost en zonder naar Charly’s antwoord te luisteren, verviel hij in een langdurige mijmering.
Hij reisde destijds naar Harrisburg om een vriend te bezoeken, die daar directeur der waterwerken was.
Den ganschen nacht reeds had het geregend en toen de Groote Onbekende te Harrisburg aankwam, verdween zijn hoop, dat het weer zou ophelderen gansch en al.
Ook hier viel de regen in stroomen neer.
Roberts haalde zijn vriend van het station en al spoedig begon men over het slechte weer te spreken.
„’t Is vervelend Edward,” zei Roberts „dat de regen maar niet op wil houden; hij bederft den watertoevoer en de menschen kijken mij er op aan, alsof ik het helpen kan.
„Zijn de vergaarbakken dicht bij de stad?” vroeg Raffles.
„Neen. Ze zijn ver weg, boven in de bergen; morgen kun je wel eens meerijden, dan moet ik inspectie houden.”
„Dolgraag,” had Lord Lister geantwoord.
Den volgenden middag was het tweetal naar boven in het gebergte gereden.
Al spoedig had men daar een kleine herberg bereikt, die in den volksmond „Het watergat” werd genoemd.
De vrienden sprongen uit de rammelkast.
Een machine-opzichter naderde en groette.
„Alles in orde?” vroeg Roberts.
„Ja, meneer! Alles in orde, behalve dan— — —”
„Wel, behalve?”
„De indamming aan de zuidzijde van het reservoir bevalt me niet.”
Roberts ontstelde.
„Ga mee” sprak hij kortaf.
Weldra werd de indamming zichtbaar, die het water der drie grootste reservoirs der Toledo-waterwerken bevatte.
Een frissche bries dreef het water in kleine golfjes tegen den bovenaan gemetselden dam, nu en dan spattend tegen het metselwerk.
„Hier is de minder veilige plek, die ik van morgen heb gevonden,” zeide de opzichter.
„Neem dadelijk mannen en vul dit aan,” sprak Roberts, wijzende op een kleine spleet, die een minder geoefend oog stellig ontgaan zou zijn.
Al lager en lager zakten de donkere, grauwe wolken boven de geheele omgeving. Een zachte, klagende toon scheen door de lucht te trillen. De wind kon het niet wezen, daar deze bijna geheel was gaan liggen. De boomen bewogen nauwelijks— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —
Het was den Grooten Onbekende, in zijn wijden armstoel geleund, plotseling, alsof hij de wonderlijke emoties uit die dagen wederom doorleefde en hij hoorde het Roberts vragen.
„Zou je niet alleen naar huis willen rijden, Edward?”
„Waarom? Ben je van plan hier te blijven? Dreigt er gevaar?” luidde de wedervraag.
„Dat nu juist niet, Edward. Maar ik acht het mijn plicht hier te blijven. Morgen of overmorgen zal ik volgen.”
„Laat me bij je blijven, Roberts.”
Zoo werd besloten, dat Lord Lister zoude blijven.
Door vermoeienis overmand begaf Raffles zich ter ruste.
Om vijf uur in den morgen, in het grauwe schemerlicht, kwam Roberts de kamer binnen.
„Kleed je zoo snel mogelijk aan en kom beneden” sprak hij, en toen:
„Verlies geen tijd en praat niet; ik heb je hulp noodig.”
De Groote Onbekende sprong haastig op en snelde naar het raam toe om naar buiten te zien.
Nog steeds viel de regen in stroomen neer. Met geweld stortte het water van de hoogten. De wind boog de takken en huilde door de twijgen.
Haastig kleedde zich Lord Lister om zich naar zijn vriend te begeven, die bezig was een spoorboekje door te zien, dat hij steeds op zak droeg.
„Wil je een paard nemen, Edward en naar het verbindingsstation rijden?” vroeg hij.
„Natuurlijk. Een rit bij stroomenden regen is spoedig volbracht, kerel. Binnen vijf minuten kan ik klaar zijn! Waar is het paard?”
Raffles ging zijn regenjas halen en toen hij terug kwam, stond het paard reeds voor de deur, waarvan Roberts de riemen nakeek.
„Edward, rijd naar den stationschef te Lowton en zeg hem, dat het zuidelijke reservoir het geen drie uur meer houden kan.
„Het water zal doorbreken en het groote viaduct vernielen even als alle bruggen van de zijrivier. Hij moet het spoorwegverkeer tegenhouden en de reizigers redden. Vaarwel, Edward, je rijdt op je leven.—Als de dam doorbreekt, zal ik het signaalgeschut ter waarschuwing afvuren. Vaarwel, kerel!”
Werktuigelijk greep Lord Lister de teugels.
Zwijgend knikte hij zijn vriend toe—toen begon de woeste rit.
Nog drie uren!
Dan zou het water het dal overstroomen!!
Voor honderden menschenlevens had hij te rijden!!!
Het Lowtonstation lag op eenige mijlen afstands.
De weg voerde door moerassige weiden en gezwollen beeken; de stormwind joeg den regen.
Alle wilskracht werd van den ruiter vereischt om zijn taak ten uitvoer te brengen, maar Lord Lister achtte het zijn plicht vol te houden.
Hij zette zijn paard tot spoed aan— — — — — —
Nu splitste zich de weg. Langen tijd tot aarzelen was er niet—geen handwijzer wees den weg—de ruiter sloeg den linkschen kant in.
In vliegen den galop, voortgedreven door den ontzettenden wind, joeg de Groote Onbekende verder.
En weder splitste zich de weg—hier stond een handwijzer, hier was te lezen, welke richting thans moest worden genomen.
De ruiter verloor schier zijn bezinning!— —Op den handwijzer stond in de richting, die hij volgde:
„Naar Toledo en Smithville”.
Raffles kon zijn oogen niet vertrouwen!—Den vorigen dag had hij met zijn vriend toch dien zelfden weg afgelegd. En nu schoot het hem door de gedachte, dat hij in de verkeerde richting had gereden.
Het was een noodlottige vergissing!
’t Was omstreeks zes uur.
Een der drie kostbare uren was verloopen en de ruiter was verder van het doel van zijn tocht verwijderd dan op het oogenblik, toen hij zijn tocht begon.
Wat moest hij doen?
Twee uur bleven er nog.
Nog drie mijlen bergopwaarts en nog zeven mijlen over het moeras moesten worden afgelegd, voordat het station was bereikt.
Tot lang overleg was het nu de tijd niet.