Lord Lister No. 0114: Raffles in Groningen
Part 4
Er moest nog heel wat worden afgewerkt, vóórdat de optocht gereed was, maar dank zij het flinke optreden van Peepstra en zijn helpers vlotte alles uitnemend en om twaalf uur vertrok de stoet van de Korenbeurs om allereerst over de Vischmarkt en Groote Markt door de oude Ebbingestraat en vandaar langs de Singels te trekken.
Het was een fraaie stoet.
Aller oogen werden geboeid door de mooie kleurschakeering, door de schoone groepeering der wagens en door de bekoorlijke gezichtjes der jonge vrouwen, die haar medewerking verleenden.
De slanke, elegante figuur van den persoon, die Willem de Zwijger voorstelde, trok de aandacht der Groningers in sterke mate.
Wie was hij?
Men kende dezen jonge prins niet als een figuur uit de Groningsche studentenwereld.
Men herinnerde zich niet, hem bij vroegere studentenfeesten te hebben gezien.
En de enkelen, die in het fijne aristocratische gelaat boven de breede plooikraag de trekken herkenden van graaf Van Lissen van Duinen maakten vergelijkingen tusschen hem en de studenten uit de hoofdstad.
En dat vergelijk viel dan niet altijd in het voordeel der Groningers uit, hoewel hun stoere figuren zich weer uitstekend leenden voor het uitbeelden van de robuste geuzen.
Maar de allermeeste aandacht trok een wagen met een reusachtig groot groen varken, de honderdvoudige vergrooting van een steenen kinderspaarpot.
Dat groote, groene varken was gemaakt van bordpapier.
Naast dezen spaarpotwagen liepen twaalf Groningsche studenten en ieder van hen droeg een langen stok, aan het einde waarvan een fluweelen zak was bevestigd.
De jongelui hielden die zakjes voor aan de duizenden toeschouwers en ze staken ze eveneens toe aan de kijkers, die op balkons en achter de hoog opgeschoven vensters van eerste en tweede verdiepingen hadden postgevat.
Telkens leegden ze dan hun zakjes, als deze te zwaar werden boven de wijde opening, die het spaarvarken in zijn rug droeg.
Wat op deze manier vloeide uit de beurzen der duizenden en tienduizenden kijkers in den grooten, hollen buik van het groene dier, was bestemd voor de Groningsche armen.
Het idee om aldus een mooie som gelds bijeen te brengen voor de minder met geld en goed bedeelden uit de feestvierende Academiestad, was uitgegaan van Gerard Peepstra. Suze had toen den wagen ontworpen; ze had een teekening gemaakt van het groote spaarvarken, dat zou staan voor een trog en op een vloer, die geheel was bedekt met zachtgroen mos.
Het geheel was uitstekend geslaagd en het was zoo oorspronkelijk van opzet en zoo hartelijk bedoeld, dat het aller sympathie droeg.
De geldstukken rinkelden voortdurend neer in de fluweelen zakken der onvermoeide studenten, die maar steeds vroegen—altijd meer, altijd meer.
Geen oogenblik rustten ze uit van hun vermoeiende taak en toen omstreeks vijf uur in den namiddag de optocht was geëindigd en de laatste deelnemers weer in de Korenbeurs verdwenen om zich daar te ontdoen van het allerergste stof en de eerste en hevige dorst te lesschen, toen waren er vele duizenden guldens neergevallen in de grage ingewanden van het groene varken.
Dien avond werd een groot bal gegeven door den Senaat van het Groningsche Studentenkorps en den hoofdpersonen uit den optocht werden gouden herinneringsmedailles geboden.
De burgemeester der stad hield een aardige toespraak, toen hij den dames en heeren de medailles op hun schitterende kleedij spelde, want velen droegen—een tikje menschelijke ijdelheid was hieraan niet vreemd—hun kleeren uit den optocht.
Niet alzoo graaf Van Lissen van Duinen.
Uiterst correct in zijn smoking, met flonkerende juweelen knoopjes in zijn overhemd en een enkelen kostbaren diamant aan den pink van zijn linkerhand, droeg de graaf een orchidee in het knoopsgat.
Toen de burgervader hem de gouden medaille wilde opspelden, nam hij de zeldzame bloem van zijn jas weg, bracht ze even aan de lippen en bood ze toen met een hoffelijk gebaar en een innemenden glimlach aan de echtgenoote van den burgemeester.
De schoone, aristocratische dame aanvaardde zeer gaarne deze kleine, maar toch zoo uiterst fijne attentie van den knappen gast van het korps.
En alle in de zaal aanwezige vrouwen benijdden haar dit voorrecht.
Het bal was zeer geanimeerd en de mooie Suze Peepstra was de koningin ervan.
Het was zes uur in den morgen toen het laatste groepje studenten de feestzaal verliet en zij stoorden de nog slapende stadsgenooten, toen hun jonge stemmen, frisch nog, ondanks de genoten feestvreugde, het lied van het Groninger Studentenkorps aanhieven.
Fier en krachtig klonken de woorden:
Dat zwaard moet tijden tarten, Die vijl zal tijden staan, Die band om onze harten, Nog lang zijn kronkels slaan. Hoe ver uiteen gedreven, Hoe wijd van deze stad, Vereend zijn wij voor ’t leven Door ’t wachtwoord Vindicat. [1]
ZEVENDE HOOFDSTUK.
HET GEMASKERDE BAL.
Voor het gebouw van de Harmonie, in de Oude Kijk in ’t Jatstraat, stond een lange file van rijtuigen.
Slechts langzaam schoven de voertuigen, bij korte tusschenpoozen, voorwaarts en nog steeds kwamen uit alle gedeelten der academiestad andere aan, die bezoekers brachten voor het groote, gemaskerde bal, dat op dien avond de rij der feestelijkheden zou besluiten.
Telkens als het portier van een rijtuig werd geopend, zag men dames en heeren in allerlei fantastische costuums uitstappen, het kleine tuintje vóór den ingang van het gebouw met haastige schreden doorloopen en verdwijnen door de glazen deuren, welke naar de groote concertzaal leidden.
In deze zaal, die prachtig was versierd en die geheel was herschapen in een lustoord, zou het gemaskerde bal worden gegeven.
Achter groen en bloemen verscholen had een gedeelte van het Harmonie-orkest plaatsgenomen.
In de hoeken der zaal waren buffetten en champagnetentjes aangebracht. De glazen deuren naar den tuin stonden alle wijd open.
De veranda’s waren met kleurige lampions verlicht en het geheel vormde, op dezen prachtigen zomeravond een bijzonder feestelijk terrein.
Steeds voller werd het in de groote zaal en aangrenzende ruimten, nog steeds stroomden de bezoekers binnen, vroolijk klonken de stemmen, helder lachen werd onophoudelijk vernomen.
Men nam elkaar met nieuwsgierige blikken op, trachtend te raden, welk bekend gelaat achter de zijden maskers verborgen kon zijn.
Men begroette elkaar, deed elkaar vragen, soms met veranderde stem, meende soms een goeden vriend of lief vriendinnetje te herkennen, om een oogenblik later tot de ontdekking te komen, dat men zich toch had vergist.
Er was een keur van de mooiste, smaakvolste toiletten, naast verscheidene, die allergeestigst waren bedacht, andere, die minder geslaagd waren.
Het binnenkomen van een troepje Zigeuners, op een afstand gezien in havelooze plunje gestoken, die echter in werkelijkheid van de fijnste stoffen was vervaardigd, trok aller aandacht.
Keizer Wilhelm bewoog zich door de zaal, aan zijn arm de kleine Mignon in haar korte rokje rondleidende, koningin Anna van Engeland stond druk te redevoeren met Carmen en een schalksche Pierrette bood een rozeknop uit haar bouquet aan een langen, mageren schaapherder.
Ook vele heeren, eenvoudig in domino gehuld, bevonden zich tusschen de feestvierenden.
In een der kleinere zijvertrekken werd men in de gelegenheid gesteld om zich van een masker en een domino te voorzien en hiervan had menigeen, die ongecostumeerd was gekomen, gebruik gemaakt.
In deze kamer, waarin groote spiegels waren opgehangen en eenige kamerschermen neergezet, opdat de bezoekers er zich ongestoord in hun masker en domino konden steken, was juist een lange, slanke heer binnengekomen, die zich van een zwartzijden domino en dito masker had voorzien en zich hiermede achter een breed Japansch scherm, met gouden vogels geborduurd, had begeven.
Voor den spiegel, die achter het scherm aan den muur hing, schuierde hij den kortgeknipten donkeren knevel op en juist had hij zich het halve masker voor het gelaat gebonden, zoodat alleen de schitterende zwarte oogen er doorheen zichtbaar waren, toen de deur van het vertrek opnieuw werd geopend en twee heeren binnenkwamen.
Ook zij hadden zich van eenvoudige zijden domino’s voorzien en toen zij, op eenigen afstand van het Japansche scherm gekomen, daar fluisterend bleven staan praten, gluurde de eenzame heer met het zwarte masker even door een reet, tusschen twee gedeelten van het goudbestikte schut.
Het vertrek was overigens geheel leeg.
Aan den tegenoverliggenden muur, achter een soort toonbank, zat de juffrouw, die het beheer had over de te verhuren domino’s. Zij verslond met gretige blikken een feuilleton in het „Nieuwsblad van het Noorden” en lette er nauwelijks op of de heeren zich in een rooden, zwarten of violetten mantel hulden.
„Dus je weet zeker, dat zij als Margaretha gekleed is?” fluisterde een der heeren den ander in.
De onbekende achter het scherm talmde wonderlijk lang met het omslaan van zijn wijden, zwarten mantel.
Zijn scherp, geoefend oor verloor geen enkelen klank, geen enkel woord van hetgeen daar gefluisterd werd en steeds meer rekte de lenige gestalte zich uit, toen de ander, een man met kortgeknipt, donkerbruin haar en loerende oogen antwoordde:
„Ja, Peepstra kon het niet langer voor zich houden, dat zei ik je immers. Hij als Faust, zijn zuster als Margaretha.”
„Dus jij vraagt haar te dansen, wandelt met haar in den tuin en dan achter de muziektent...”
Terwijl hij zich den donkerbruinen mantel om de schouders sloeg, wierp de ander een korten, scherp onder zoekenden blik door het leege vertrek en fluisterde terug:
„Je volgt ons ongemerkt, het andere zal wel in orde komen.”
Een honend lachen was het antwoord.
De beide donkerbruine domino’s verlieten het kleine zaaltje.
De juffrouw achter de toonbank was juist aan een bijzonder boeiend gedeelte van den roman gekomen en merkte niet eens op, dat van achter het scherm met de gouden vogels en bloemen een lange gestalte in wijden zwartzijden mantel te voorschijn kwam, die nu als een snelle schaduw door de deur verdween.
De zwarte gedaante gleed de balzaal binnen en was weldra in het gewoel der wandelende en dansende paren verdwenen.
Zijn donkere oogen zochten van achter het zijden masker tusschen de zich om hem heen bewegende menigte en weldra scheen hij gevonden te hebben wat hij zocht.
Hij had op een stoel bij een klein marmeren tafeltje plaats genomen en keek vol belangstelling naar een aardig groepje, dat wandelend naderde.
De costuums waren uitstekend gekozen, goed van teekening en snit en de kleine groep trok de algemeene aandacht.
Het waren Faust en Margaretha, die gearmd kwamen aanwandelen, terwijl vlak achter hen Martha aan den arm van Mefisto liep.
Faust was een jonge man van lange gestalte. Het buis en de korte broek waren van donkerblauw fluweel en ivoorkleurig glanzend satijn gemaakt, zijden kousen omsloten de fraai gevormde beenen, terwijl de voeten in kostbare schoenen staken, geheel passend bij het toilet.
Een blauwfluweelen baret met prachtigen, golvenden struisveer bedekte het hoofd. Van het gelaat was alleen de blonde baard zichtbaar, terwijl een paar intelligente blauwe oogen overmoedig tintelden.
Lachend toonde hij zijn prachtige witte tanden en het was geen wonder, dat de jonge meisjes in het voorbijgaan lange blikken wierpen op dezen ideaal-Faust.
De Margaretha aan zijn zijde was een allerbevalligste verschijning.
Het eenvoudige lichtblauwe kleed, van kostbare stof vervaardigd en zwaar achter haar sleepend, omsloot een elegante, sierlijke gestalte, wier volmaakte vormen uitstekend tot hun recht kwamen in dit ouderwetsch gewaad.
Het fijne kopje, dat gedeeltelijk achter een wit satijnen masker was verborgen, droeg een schat van goudblond haar, dat eenvoudig in tweeën gescheiden, in een paar zware vlechten neerhing.
Het fijne witte borduurwerk, waarmede de japon was gegarneerd en het kleine taschje, dat aan haar zijde hing, waren op zichzelf al kunstwerken.
Zij had een gebedenboekje met gouden slot in het fijne, blanke handje en hield, ook terwijl Faust soms teeder met haar fluisterde, het hoofdje zedig terneergebogen.
Een aardig contrast met dit tweetal vormden Mefisto, in zijn nauwsluitend vuurrood gewaad met het korte wijde manteltje, de roode muts met haneveer op het hoofd en Martha, de oude kokette, die met een reusachtige zonnebloem op haar boezem prijkte.
Het bal was nu in vollen gang.
De muziek zette opnieuw in en de verleidelijke tonen van een wals weerklonken door de ruime zaal.
De heer in den zwarten domino was uit zijn stoel opgestaan en slenterde langzaam in de richting van het podium, dat een groot prieel van rozen en klimop geleek.
Daar, in een hoek, bij een der buffetten stonden Faust en Margaretha.
De jonge man had zijn dame juist een glas sorbet aangereikt, dat zij langzaam ledigde.
De zwarte domino was vlak naast hen komen staan. Ook hij dronk met blijkbaar welbehagen een glas van een der verkoelende dranken.
„Nu laat ik je straks aan je lot over,” hoorde hij Faust met welluidende stem zeggen. „Het wordt tijd, dat ik me eens ga wiegen op de tonen van dezen Donau-wals,” voegde hij er lachend aan toe.
„Je behoeft je over mij verder niet ongerust te maken,” antwoordde Margaretha, terwijl zij den Romeinschen krijger, die naast haar geleider stond, aankeek. „Mijn cavalier wacht al met ongeduld.”
„Vermoei je maar niet te veel, sla af en toe eens een enkel dansje over,” vermaande de stem van Faust.
„O ja, in den tuin is het ook zoo verrukkelijk, daar zullen we elkaar weleens ontmoeten!” lachte zij terug en tegelijkertijd nam zij den arm van den forschgebouwden Romein en begaf zich met hem onder de dansende paren.
De zwarte domino had zijn leeg glas neergezet en volgde met de oogen weer de dansers.
Daar zweefde Margaretha hem voorbij, den langen sleep van haar kleedje bevallig opgenomen, met haar rechterhand losjes den schouder van haar danser aanrakende.
Haar kleine, sierlijke voetjes raakten bijna den gladden dansvloer niet en ook nu ging een ongewone bekoring van haar uit.
De eenzame toeschouwer zag, hoe zij zich geheel overgaf aan het genot van den dans, maar tevens ontging het hem niet, hoe op eenigen afstand van hem een heer in donkerbruinen zijden domino evenveel belang scheen te stellen in de danseres met de lange blonde vlechten als hij zelf.
Ook zag hij, hoe deze heer daarna teekenen van verstandhouding wisselde met een tweeden domino, die aan de zijde van een aardig Tyroolsch boerinnetje in zijn nabijheid stond.
ACHTSTE HOOFDSTUK.
DE ONTVOERING.
Het was warm geworden in de balzaal.
De zachte zomerlucht, die door de geopende deuren naar binnen kwam, bracht slechts weinig koelte aan en de waaiers der dames deden druk dienst.
De tafeltjes onder de lange veranda’s waren alle bezet. Kellners droegen verfrisschende dranken aan en menig paartje gaf er de voorkeur aan om langzaam op en neer te wandelen.
In het voorste gedeelte van den tuin, tot daar, waar de muziektent zich bevond, was het helder verlicht. In het stuk, dat daarachter lag, brandde slechts een enkele gasvlam.
Het was door den breeden muziek koepel als ’t ware gescheiden van het overige feestterrein.
Slechts enkele wandelaars begaven zich daarheen; men bleef liever in het verlichte, gezellige gedeelte, waar gedanst, gelachen en pret gemaakt werd.
Een der paren had juist de warme zaal verlaten.
Het was de bekoorlijke Margaretha, die, moe van het dansen en snakkende naar wat buitenlucht, in druk gesprek met een eenvoudigen bruinen domino, zich naar den tuin begaf.
„Dus u hebt den souperdans al besproken?” vroeg de heer, die naast haar liep, op teleurgestelden toon.
„Ja, het spijt mij voor u, maar u komt daarvoor een beetje laat. Het is, geloof ik, al elf uur!”
„Om u de waarheid te zeggen, weet ik niets van den tijd. Als men in het gezelschap is van zooveel bekoorlijke jonge dames, weet men alleen, dat de tijd veel te snel vervliegt!” antwoordde de heer met het bruinzijden masker.
„Hebt u er iets op tegen, den tuin verder door te loopen?” vervolgde hij, toen het jonge meisje wilde terugkeeren.
„Het is daar niet meer gezellig, allen blijven hier, in het verlichte gedeelte,” klonk het aarzelend.
„De tuin is zoo klein, laten wij onze wandeling zoo ver mogelijk uitstrekken. Of voelt ge u niet veilig in mijn geleide, Margaretha?”
Een helder lachje klonk van haar lippen.
„De tuin van de Harmonie onveilig?” herhaalde zij. „Kom, ik zal het er dan maar op wagen!”
Schertsend liepen zij verder, hij vertelde haar van een gemaskerd bal, dat hij eens in Parijs had bijgewoond.
„Het was een zoogenaamd Apachenbal,” sprak de heer, terwijl hij met spiedenden blik om zich heen keek.
„Gij kunt u niet voorstellen, hoeveel werk er gemaakt was van de costuums, die alle uit de fijnste, kostbaarste stoffen waren vervaardigd, terwijl zij toch den indruk maakten van waardelooze lompen.
„De groep Zigeuners van vanavond herinnerde mij onwillekeurig aan dat schitterende Parijsche feest.”
Zij waren nu, zeer langzaam voortloopende, tot achter de muziektent gekomen.
Het was daar inderdaad, zooals Margaretha had gezegd, eenzaam en vrij donker. Zij waren op dat oogenblik daar de eenige wandelaars.
Plotseling haalde de bruine domino van onder zijn wijden mantel een klein voorwerp te voorschijn.
Bliksemsnel sloeg hij zijn rechterarm om het middel van het jonge meisje en in hetzelfde oogenblik hield hij haar een geopend fleschje onder den neus.
Zonder eenig geluid te geven hing zij bewusteloos in zijn arm en terwijl uit de duisternis van een groepje, hooge struiken een tweede donkere gedaante snel te voorschijn kwam, die handig de bewustelooze in zijn eigen bruinen domino hulde, welken hij reeds van te voren had losgemaakt, nam hij het bewustelooze lichaam in zijn armen over en begaf zich met haastige schreden naar den uitgang.
Zijn helper liep langs den anderen kant naar de richting van de balzaal terug, terwijl hij eenige oogenblikken later het gebouw, waar de feestvreugde bijna haar toppunt had bereikt, verliet.
Geen der beide mannen had opgemerkt, hoe in het onzekere licht achter de muziektent geen enkele hunner bewegingen was ontgaan aan de scherpe blikken van een persoon, die zich op een donker plekje had schuil gehouden.
Lord Lister, alias John C. Raffles, de Groote Onbekende, had, gehuld in zijn dunnen zwarten mantel, het gelaat nog steeds ten deele bedekt door het zwarte masker, in den bruinen domino, die aan de zijde van Margaretha liep, terstond een der beide samenzweerders uit de kleedkamer herkend.
Toen hij de zuster van den student Peepstra met een van de schurken door de zaal had zien wandelen, had hij onmiddellijk begrepen, dat nu het plan der beide kerels ten uitvoer gebracht zou worden, het plan, in de kleedkamer afgeluisterd.
Op eenigen afstand van hem, schijnbaar met onverschillige blikken naar de bonte menigte kijkend, die zich kostelijk amuseerde, had Raffles den anderen bruinen domino zien zitten, die dichtbij het Japansche scherm had staan praten.
Blijkbaar wachtte hij totdat zijn kameraad zich met het jonge meisje naar den tuin zou begeven om hen dan volgens afspraak daarheen te volgen.
Zoo snel als hij zich door de menschenvolte heen kon werken, had Raffles de feestzaal verlaten en toen hij zich had verborgen in een uiterste hoekje van den tuin, waar het onder de zware struiken zoo donker was, dat niemand een menschelijke gedaante zou vermoeden op die donkere plek, wachtte hij op de dingen, die komen zouden.
Zijn geduld was niet lang op de proef gesteld.
Toen hij zag, op welke wijze de beide vreemdelingen zich meester maakten van het jonge meisje, omklemde zijn band in een plotselinge opwelling van woede den browning, die in zijn zak verborgen was.
Maar neen—nòg was het oogenblik niet gekomen om te handelen en zoo snel mogelijk uit zijn schuilhoek te voorschijn komende, haastte hij zich om eerder dan de man, die het lichaam van het bewustelooze meisje wegdroeg, bij den uitgang van het gebouw te komen.
In een oogwenk had hij in de kleedkamer zijn maskerademantel verwisseld voor zijn dunne overjas en, met den glimmenden cylinder op het hoofd verliet hij de Harmonie.
Eenige minuten later reed een rijtuig door de Oude Kijk in ’t Jatstraat, waarin twee heeren zaten, die een bewustelooze dame bij zich hadden.
Het was Harry Kleyston en Martin Norwald gelukt om zonder opzien te verwekken het gebouw te verlaten.
Wel hadden bij de helder verlichte veranda eenige nieuwsgierigen geïnformeerd naar hetgeen was voorgevallen, maar de heer, die in onberispelijk avondtoilet was gekleed, deelde hun mede, dat zijn jonge vrouw, waarschijnlijk ten gevolge van het drukke dansen en de kolossale warmte in de zaal, een lichte flauwte had gekregen.
Daar zijn rijtuig toch wachtte, zoo vertelde hij verder, was het maar het verstandigst om met haar naar huis terug te rijden.
Het blonde hoofd met de prachtige, zware haarvlechten was geheel verborgen in den kanten avonddoek, die Suze Peepstra reeds voor het verlaten van de balzaal om had geslagen en haar lichtblauw kostuum was bedekt door de donkerbruine domino.
Daar niemand den vreemden heer kende, werd er niet veel notitie van het geval genomen.
Men had het te druk met dansen, pret maken en intrigeeren!
NEGENDE HOOFDSTUK.
GERED.
Op eenigen afstand van het rijtuig, waarin de beide schurken zaten met het jonge meisje, volgde een tweede rijtuig.
Hierin bevond zich slechts één persoon, namelijk de heer die, in dunne zwarte overjas en met den cylinder op het donkere haar, zooeven het Harmoniegebouw had verlaten.
John C. Raffles had eenige korte bevelen gegeven aan den koetsier en met een „Begrepen mijnheer!” had deze weer op den bok plaats genomen.
Het tweede rijtuig bleef op zoo groot mogelijken afstand achter het eerste aanrijden.
In de straten van Groningen lette niemand op de beide voortrollende voertuigen.
Een kwartiertje later hield het eerste rijtuig, nadat het de Steentilstraat was doorgereden en toen een der buitenwegen had ingeslagen, stil aan het Eemskanaal.
Een klein, onaanzienlijk turfscheepje lag er gemeerd.
Op het dek glansde het geelachtige schijnsel van een enkele petroleumlantaarn en in het vale licht onderscheidde men bij de vrij breede loopplank de gedaante van een man in schipperskleeren.
Het was schipper Harmsen.
Hij had aan de beide handelaars in blanke slavinnen zijn turfscheepje afgestaan om het geschaakte jonge meisje naar Delfzijl te voeren. Vandaar zou het dan verder per stoomboot over Hamburg naar New-York gaan.
De handlangers der beide schurken: Roode Jim en Moeder Bessie hadden de noodige bevelen ontvangen.
Zij waren ervan verwittigd, dat Kleyston en Norwald weer een goede vangst op het oog hadden en bij ondervinding wisten ze, dat hun die buit niet licht zou ontsnappen.
Zoo’n beeldschoon meisje—dat zou een aardig winstje geven.
Jim had al berekend, dat hij voor zijn portie heel wat dollars kon opstrijken. En makkelijk verdiend was ’t ook. Logies voor een enkelen nacht—goede, maar uiterst strenge behandeling en bewaking—en dan onder toezicht van Kleyston, den leider van de heele onderneming, ingescheept naar New-York, op de boot van James Baser, die óók al meer dan eens zulke zaakjes bij de hand had gehad en het klappen van de zweep maar opperbest kende.
Schipper Harmsen zag in de verte het rijtuig naderen en hij begreep, dat de beide heeren zouden komen met hun „zuster.”
Hij had terstond gesnapt dat hier van een zuster geen sprake kon zijn.
Twee manskerels met een zuster; mannen, die zoo’n hoop geld hebben, behoefden niet in een turfschip naar Delfzijl te zeilen.
Neen, daar zat een vuil zaakje achter.
„Afijn”, redeneerde Harmen, „wat gait mie dat an? Niks! Daor is de kerke mit oet!”— — —
De koetsier sprong van den bok.
„Hier is je belooning,” sprak Norwald en hij gaf den man een bankbiljet van vijf-en-twintig gulden.
„Haast je nu naar de stad terug.”
Dat liet de koetsier zich geen twee keer zeggen.