Lord Lister No. 0114: Raffles in Groningen

Part 2

Chapter 23,897 wordsPublic domain

„Och, heel eenvoudig, het beest moest van de kermis van Groningen, waar het in een kooi te kijk had gestaan, verder getransporteerd worden. In Hoogezand brak het door woest het hok rond te fladderen, een vleugel. De eigenaar was razend van wanhoop, want het dier was voor hem een groot verlies—de attractie uit zijn menagerie.

„Ik logeerde toevallig in het dorp en vlak voor het huis waar ik vertoefde bleef de groote verhuiswagen staan.

„Ik bood aan, het beest voor den kop te schieten—ik had een revolver in m’n koffer, maar mijn oom, die veearts is, ried den man van het beestenspel den adelaar niet te dooden. De vleugel kon nog best in orde komen.

„Ziedaar mijn avontuur.”

Ze scholden allen Deelma voor een flauwen vent, maar hij had de lachers op zijn hand en noodigde zijn vrienden uit, dan maar gevaarlijker en even betrouwbare jachtavonturen te verhalen.

DERDE HOOFDSTUK.

DE WEDDENSCHAP.

„We krijgen honderd man marechaussées extra in de stad tijdens de lustrumfeesten,” vertelde, wat later in den middag, het kroeglid Jansman, „de kerels zullen er zeker de orde wel in houden!”

„Onze politiemannen zijn anders niet voor een kleintje vervaard,” kwam de magere Emmius daar tegen op. „Bij een bezoek aan andere steden ben ik steeds tot de conclusie gekomen, dat de Groningsche politie een kranig korps vormt. Maar over politie gesproken—ik las vanmorgen, dat de Rotterdamsche recherche al vier weken vergeefs zoekt naar den moordenaar van de 80-jarige weduwe en haar 50-jarige dochter. ’t Blijft een hopeloos werkje.”

„Nederland moest een Sherlock Holmes onder z’n bewoners tellen,” zei Peepstra lachend.

„In ernst Ger,” ging Emmius hier op door, „jij maakt er een grapje van, maar zulke kerels zijn toch maar een geruststelling voor een groot deel van het volk!”

„Geloof jij dan aan het bestaan van zulke mannen, die zijn geschapen door de fantasie van een of anderen schrijver?”

„Ik weet niet”, verklaarde Emmius, „of Sherlock Holmes ooit heeft geleefd, maar aan het bestaan van den grooten, onbekenden Raffles geloof ik zeker. Ik ben ervan overtuigd, dat die lord Lister, waarover zooveel geschreven wordt, wel degelijk in Londen woont en leeft en arbeidt en dat hij daar al heel wat lugubere zaakjes aan het licht heeft gebracht, waar politie en justitie geen gat in zagen, en geen weg mee wisten.”

Emmius wond zich àl betoogende op. Een hoogroode blos gloeide op zijn wangen toen hij voortging:

„Ik heb herhaaldelijk gehoord en gelezen van dien gentleman, die er werk van maakt, de verdrukten en onrechtvaardig bejegenden te helpen en hunne belagers te straffen! ’t Is waar, hij doet dat op een andere wijze dan de justitie het zou doen; hij straft op zijn manier, doch op geen onrechtvaardige! Ik bewonder hem en ik stel vertrouwen in hem en ik kan het voor ons land slechts betreuren, dat wij niet prat kunnen gaan op zoo’n man!”

Toen, zich wendend tot de beide vreemdelingen:

„Ik zou in dezen uw oordeel wel eens willen hooren, mijne heeren, want ik geloof, hier alleen te staan!”

Op het blozende gelaat van Brandenga verscheen een verlegen trek. Hij zweeg en keek even naar zijn vriend.

Graaf Van Lissen van Duinen tipte de asch van den sigaar, die hem zoo even door Jansma was geboden.

„U vraagt mijn meening in dezen?” vroeg hij en in zijn oogen tintelde een uitdrukking vol spot, „ik ben het volkomen met u eens, meneer Emmius. Want ik hoorde en las niet alleen van Lord Lister verhalen, ik had ook het voorrecht—ik althans noem het een voorrecht—om hem persoonlijk te leeren kennen. Lord Edward Lister, alias John C. Raffles, is mijn vriend en mocht ik uw aller misnoegen misschien mij op den hals halen, ik moet hier ronduit verklaren dat Lord Listers praktijken mijn volle sympathie hebben!”

Eenige oogenblikken heerschte stilte in den vriendenkring.

Toen echter stond lange Ger op en, zijn glas hoog houdend, waarin de Bourgogne purper fonkelde, stiet hij aan met Van Lissen en riep uit:

„Ik drink op Lord Edward Lister!”

Dat was voor de andere Groningers het sein ook hun glas te ledigen op den Grooten Londenschen Onbekende. Vroolijk klonk het nu dooreen:

„Op den gentleman-dief!”

„Op Raffles!”

„Hoera voor dien kranigen Engelschen lord!”

En allen stieten aan met den slanken edelman.

„Wel,” lachte nu Emmius, „het verbaast me eigenlijk geenszins, graaf Van Lissen, dat ge zooveel sympathie gevoelt voor dien Londenschen gentleman. Al zou die toegevendheid alleen maar voortvloeien uit de treffende gelijkenis van uwe namen. Eduard van Lissen—Edward Lister!—Aardig is dat!”

„Nietwaar?” Graaf Van Lissen van Duinen keek den spreker even aan met z’n innemenden glimlach en Emmius voelde zich onweerstaanbaar aangetrokken tot den sympathieken Lord.

„U neemt mijn scherts toch niet kwalijk?” vroeg hij, „ik bedoelde het louter als een grap!”

„Ik drink op uw gezondheid,” repliceerde de jonge man, wederom glimlachend.

„Hoe ziet die gentleman-dief eruit?” informeerde Jansman, „inderdaad als een gentleman—of als een dief?”

„Daarover zoudt ge zelf eens moeten oordeelen. Ik raad u een reisje naar Londen aan!” viel Brandenga in en hij wierp een snellen blik naar zijn vriend, dien deze opving—maar negeerde.

„Zou Raffles niet eens naar Groningen kunnen komen?” informeerde Jansman.

„Kerel, je bent gek,” viel Peepstra in, „Raffles vertoont zich toch nergens onder zijn naam. Dat zou hem, om zoo te zeggen, z’n kop kosten!”

„Ik zal mijn vriend naar Groningen nooden,” sprak Van Lissen, „dan kunt ge hem zien en leeren kennen!”

Allen lachten.

„Graaf Lissen is een onverbeterlijke grappenmaker,” piepte een mager roodharig studentje, „ik wed met hem, dat hij ons een valschen gentleman-boef onder den neus draait. Ik wed om een mooi ding!”

De slanke, lenige gestalte van den lord verhief zich uit zijn stoel en met zijn groote, bruine oogen keek hij den kleinen, nietigen spreker aan.

„Ik ben niet gewoon, onder valsche voorspiegelingen het een of ander te beloven,” begon hij. „Maar u stelt mij voor met u te wedden! Ik neem uw weddenschap aan, meneer Smitten. Hoe veel zet ge?”

„Duizend gulden!”

Met een minachtend schouderophalen wendde Van Lissen zich af.

„Laat ons zeggen, duizend pond, meneer Smitten! Voor duizend gulden zal ik den lord zeker niet naar Nederland krijgen. Afgesproken?”

Smitten keek zuinig.

Hij was de zoon van een schatrijken heereboer uit het Noorden der provincie. Hij was de rijkste van alle korpsleden, maar hij was niet heel royaal. Smitten had alleen héél veel geld over—voor zichzelven en hij stond bekend als een eerste-klas doordraaier.

„Twaalfduizend gulden,” begon hij, „da’s veel graaf, da’s een heeleboel!”

„Maar kerel, je kunt ze toch winnen,” viel Emmius bij, „en dan geef je een gloeiende fuif. Vooruit, ga de weddenschap aan!”

Smitten keek Peepstra eens aan.

„Wat denk jij ervan, Ger?”

„Ik zou ’t doen, kerel, ik zou ’t vast en stellig doen!” zei lange Ger.

„Dan moet ik precies weten, hoe de weddenschap luidt,” zei Smitten met een vrij benepen stem.

Het liefst had hij maar van de heele weddenschap afgezien, maar voor z’n vrienden durfde hij nu niet meer terugkrabbelen.

„Kijk,” zei graaf Van Lissen, „ik stel me de zaak zóó voor. Ik zorg ervoor, dat John C. Raffles, de Groote Onbekende, binnen den tijd van zes weken een bezoek van een week brengt aan de stad Groningen. Ik zal verder er voor zorgen, dat hij, geïntroduceerd op de „kroeg” met u allen kennis maakt en dat hij, als bewijs van zijn aanwezig zijn in de stad, het een of andere sterke stukje moet uithalen op politioneel gebied. Onder welken naam lord Lister hier zal worden geïntroduceerd en welk waagstuk hij zal bedrijven, kan ik u nu nog niet meedeelen. Ge zult dat echter vernemen, als daartoe de tijd gekomen is. Maar als de maand Juli is aangebroken, (dus op den eersten van die maand) en Raffles heeft in Groningen geen sporen van zijn arbeid achtergelaten, dan heb ik de weddenschap verloren. Gij allen hier zijt getuigen van mij en van den heer Smitten!”

„Me dunkt Smitten,” zei nu Peepstra, „dat je tegen dit voorstel niets kunt hebben. Bovendien is het idee van het aangaan van een weddenschap van jou uitgegaan.”

Smitten moest nu wel toegeven, en zoo werd tusschen den vreemden graaf en den kleinen rijken boerenzoon uit Warfum in de Groninger Studentensociëteit een weddenschap van twaalfduizend gulden aangegaan op... John C. Raffles.

VIERDE HOOFDSTUK.

DE APPARTEMENTEN AAN DE GROOTE SPILSLUIZEN.

„Charly, kijk niet zoo sip en schenk me een kop thee in! ’t Schijnt wel, dat je humeur vandaag niet in goede orde komt.”

De toegesprokene stond uit den wijden leunstoel op. Een diepe plooi trok samen tusschen zijn oogen, die in dit oogenblik hun jongensachtige uitdrukking hadden verloren.

Hij vulde uit een zilveren theepot twee koppen met thee en zette een daarvan neer op het rooktafeltje van den heer, die hem zoojuist een aanmerking had gemaakt op zijn minder aangenaam humeur van dezen dag.

„’t Is allemaal jouw schuld Edward,” begon hij toen, mokkend en pruilend als een klein kind, „jij doet de dolste dingen en je sleept mij onwillekeurig mee in je drieste avonturen!”

„Wat is er nou weer, m’n jongen?”

„Wat er is? vraag je dat nog?”

„Ja—wat er is!!”

„Er is, Edward, dat jij maar heel goedsmoeds in de studentenkroeg een weddenschap aangaat op twaalf mille!”

„Zitten die twaalfduizend gulden je dan zoo hoog?”

„Och nee, kerel, maar dat je je hier in een kleine stad van niet meer dan een dikke zestigduizend inwoners durft bloot te stellen aan zoo’n waaghalzerij! Je wilt Raffles hier laten komen en hem een of ander stout stukje laten uithalen. Jij zelf, jij, lord Edward Lister, wilt dus nu in het stille Groningen aan ’t werk gaan, alsof je in ’t hartje van Londen zit, waar het je niet moeilijk valt. Baxter, dien aartsdommen politie-inspecteur te verschalken, Marholm, de „vloo”, Baxters secretaris, op je hand te krijgen en al de mannen van Scotland Yard een hak te zetten. Dat zal hier toch heel anders gaan! Hier zal nu de heele studentenwereld niet alleen, maar heel Groningen je komst verbeiden en je zult natuurlijk de politie in handen vallen, want iedereen zal op je letten. Ik dacht hier nu eens een prettigen tijd te gaan doorbrengen en de Groningsche schoonen het hof wat te maken. Natuurlijk steek jij weer een spaak in het wiel en begint hier het spelletje, waar je in Londen nooit genoeg van hebt gekregen en dat jou en mij nog eens tegen de lamp zal doen loopen.”

Zonder een woord te zeggen, een ironischen glimlach om de lippen, haalde de ander een gouden sigarettenkoker te voorschijn, waarvan het deksel was ingelegd met kostbare robijnen en diamanten.

Nadat hij zelf een sigaret met gouden mondstuk had aangestoken, hield hij ook zijn vriend den koker voor en lachend sprak hij:

„Kom, steek ook eens op, Charly!”

Charly Brand, de secretaris en boezemvriend van den Grooten Onbekenden John C. Raffles, keek met vragenden blik den lord aan.

„Wenscht lord Edward Lister mijn vraag van zooeven niet te beantwoorden?” vroeg hij, terwijl hij een sigaret uit het kostbare étui nam.

„Ik zou toch zoo heel graag willen weten of ik ditmaal voor jonge dame of voor een oude tooverkol moet fungeeren en onder welke vermomming jij zelf van plan bent, hier op te treden.

„Denk er aan, Edward, dat ik dien Gerard Peepstra voor een schranderen, klaren kop beschouw. Ik geloof niet, dat hij gemakkelijk om den tuin zal zijn te leiden.”

Weer lachte de Groote Onbekende.

Maar ditmaal verbrak hij toch het stilzwijgen.

„Jouw hulp, Charly, heb ik dezen keer waarschijnlijk niet noodig, ik zal alleen alle risico op mij nemen. Beschouw jij ons verblijf in Groningen maar als een vacantiereisje, als een ontspanning, die je wel noodig hebt. Ik zal je in het minst niet beletten, de Groningsche schoonen te bewonderen en het hof te maken.

„Met je opmerking omtrent de intelligentie van „langen Ger” ben ik het volkomen eens; ik maak je mijn compliment over je opmerkingsgave, mijn jongen!

„Des te grooter zal mijn voldoening zijn, als ik ook hem het bewijs heb geleverd, dat een Engelsche lord nog snuggerder kan zijn dan een Groningsche student.

„En laat ons nu eens over wat anders praten. We zijn nog te kort in de hoofdstad van deze Noordelijke provincie om reeds een oordeel te kunnen vellen over haar bewoners. Dat komt later.

„Lees liever dit bericht eens uit de „Times”. Het zal je zeker goed doen, te vernemen, hoe onze vriend Baxter van mijn afwezigheid gebruik heeft gemaakt om wat op verhaal te komen na de vele teleurstellingen, die ik hem in de laatste jaren heb berokkend.”

Raffles overhandigde zijn vriend de krant, terwijl hij nog opmerkte:

„Het schijnt, dat de zenuwen van onzen politie-inspecteur totaal in de war waren!”

„De arme!” riep Charly lachend uit.

De jonge secretaris nam het blad en las het volgende bericht:

„Londen, Scotland Yard.

Hedenmorgen is de inspecteur van politie James Baxter voor den tijd van drie weken naar het eiland Wight vertrokken.

Den inspecteur is dit extra-verlof verleend, omdat hij in den laatsten tijd leed aan zware hoofdpijnen en slapeloosheid, een en ander een gevolg van overspanning, veroorzaakt door het vruchtelooze opsporen van den gentleman-dief John C. Raffles.

Nu Londen den laatsten tijd bevrijd schijnt te zijn van het telkens onverwacht optreden van lord Edward Lister, heeft de lord mayor gemeend, dat de politie-inspecteur wel voor korten tijd gemist kan worden.

De secretaris van den politie-inspecteur, de heer Marholm, zal zoolang de functies van den heer James Baxter waarnemen.

Men hoopt, dat de afwezigheid van onzen bekwamen politiechef niet van al te grooten invloed zal zijn op het Londensche boevengilde.”

„Wat zou ’k mijn goeden vriend Marholm graag eens willen zien fungeeren in het „heilige der heiligen!” riep Raffles met vroolijken spot uit.

„Ik stel me voor”, vervolgde hij, „hoe hij zijn waardigheid weet op te houden, hoe hij ontelbare pijpjes per dag stopt en zich hult in dikke rookwolken. Hoe hij af en toe de kistjes sigaren van zijn afwezigen chef aanspreekt en herhaaldelijk te kampen zal hebben met den onwil der detectives.”

„Ik denk”, beweerde Charly, „dat „de vloo”, zooals wij den kleinen, dikken secretaris immers altijd noemden, de zaak heel kalm zal opvatten. De fluweelen sofa van den politie-inspecteur zal ook op diens plaatsvervanger wel een onweerstaanbare aantrekkingskracht uitoefenen.”

„Ik gun Marholm die extra-rust van harte, al was het alleen maar daarom, dan zou ik voorloopig nog een poosje uit Londen wegblijven, want met mijn terugkeer zouden Baxter’s uitstapje en Marholm’s rustuurtjes heel spoedig een eind nemen.”

„Je bent toch een nobele kerel, Edward, dat je zooveel over hebt voor je medemenschen.”

Raffles verhief zich uit zijn gemakkelijken fauteuil, wierp het overblijfsel van zijn sigaret in een aschbakje, stak een nieuwe op en trad naar het venster.

Over het water van de Spilsluizen had hij een ruim uitzicht op het groote plein, dat aan twee kanten is begrensd door deftige heerenhuizen, in wier gevels hier en daar nog kostbare overblijfselen uit vroeger eeuwen zijn te bewonderen.

Tegenover de onbeplante Ossenmarkt wuifden de hooge boomen van het Guyotplein en onder het lommer stoeiden en speelden de kleine verpleegden uit het Doofstommen-Instituut, dat zoo rustig in dit gedeelte der oude stad is gelegen.

Uit de Nieuwe Boteringestraat marcheerde een troep soldaten de groote boogbrug over, om zich door de stad naar de Infanteriekazerne aan den Heereweg te begeven.

„Kom, Charly!” sprak Raffles, „kleed je en vergezel mij op een wandeling door de stad. Ik ben zeer benieuwd om deze provinciestad, waarop de bewoners zoo trotsch schijnen te zijn, in bijzonderheden te leeren kennen.

Na zijn kopje thee te hebben geledigd, stond Charly op en verliet het vertrek om zich naar zijn slaapkamer te begeven.

Een kwartiertje later verlieten de beide jonge mannen het huis en begonnen hun eerste wandeling door de academiestad van het Noorden.

Raffles had, zooals hij dat steeds gewend was, zich ook hier onmiddellijk een gids en plattegrond van de stad en omgeving aangeschaft en, nadat hij dien morgen een uurtje hierin ijverig had gestudeerd, voelde hij zich reeds zoo zeker van het terrein en zoo thuis op het vreemde grondgebied, dat hij Charly beloofde, hem tot betrouwbaren geleider te zullen dienen.

Door de Oude Ebbingestraat wandelden zij in de richting van de Groote Markt, waar zij den vorigen middag kennis hadden gemaakt met het clubje studenten en waar zij, van achter de ramen van het sociëteitsgebouw, reeds belangstellende blikken hadden geworpen over het ruime plein.

Vóór het breede, massieve gebouw, geheel uit hardsteen opgetrokken en toebehoorende aan een der grootste Nederlandsche industrieelen, bleven zij even staan en lord Lister vertelde zijn vriend iets van de levensgeschiedenis van den schatrijken, alom bekenden fabrikant, die, nu reeds lang gestorven, als doodarme jongen was begonnen en wiens lijfspreuk was geweest: „Help u zelven!”

Toen begaven zij zich naar den Martinitoren dien zij beklommen om, op een hoogte van bijna honderd meter gekomen, te genieten van het mooie panorama, dat zich aan hun blikken vertoonde.

Het Stadhuis, eenige mooie gevels uit de zeventiende eeuw of van nog ouder datum, trokken hun belangstelling en ook het tweede ruime plein in het midden der stad, de Vischmarkt, met op den achtergrond de Korenbeurs en Akerk, maakten een gunstigen indruk op de beide vreemdelingen.

Toen keerden zij langs de huizenrij aan de Zuidzijde terug en liepen Groningens voornaamste winkelstraat in, de Heerenstraat, en bereikten zoo het kleine plantsoen aan het einde dier straat, dat aan weerszijden is ingesloten door groote, statige gebouwen en vanwaar naar beide zijden de mooie singels en de breede grachten loopen, gedeeltelijk de oude stad insluitende.

Over het viaduct bereikten zij den Heereweg, die Groningen met Drente verbindt. Zij wandelden door tot aan den Watertoren en keerden toen terug om voor een der aardige café’s vlak bij het Sterrebosch een oogenblik plaats te nemen.

Het was daar nog rustig in dat vroege uur, maar de spraakzame kellner vertelde hun, dat er op mooie zomermiddagen en vooral des Zondags meestal geen tafeltje onbezet was.

„En we zullen het dit jaar nog veel drukker krijgen dan gewoonlijk!” vervolgde de zwartgerokte bediende, „want, ziet u, heeren, de studentenfeesten trekken altijd een massa vreemdelingen hierheen. Dan komen de rijke boeren, wier zoons hier studeeren, allemaal met hun vrouwen en dochters naar stad en—ik weet niet of de heeren zoolang hier blijven—maar dan moet u zoo in den namiddag hier komen zitten! Knappe meisjes kunt u dan bij massa’s zien......”

Glimlachend beloofde Charly den goeden raad van den kellner te zullen opvolgen.

Door het Sterrebosch wandelden Raffles en zijn vriend naar de stad terug, nu den deftigen Heeresingel volgende.

Zonder veel moeite vond lord Lister den weg naar het plantsoen aan het andere gedeelte der stad, het Noorderplantsoen. Zijn zeer uitgebreide gids, welke hij dien morgen bestudeerd had, vertelde hiervan, dat het een zéér uitgestrekt plantsoen was, dat kon wedijveren met de wandelparken in andere groote hoofdsteden.

Zij dwaalden een kwartiertje door de aardige lanen van dit wandelplantsoen, dat gedeeltelijk is aangelegd op de oude stadswallen en lachend sprak Charly tot zijn vriend:

„Inderdaad, Edward, je zult evenals ik moeten constateeren, dat het Bois de Boulogne en Hyde Park hierbij in het niet verzinken.”

„Hou je spot maar gerust voor je”, sprak lord Lister, „mij bevalt het hier bijzonder wel.”

Tegen den middag eindigden de beide vrienden hun wandeling en gingen zij den lunch gebruiken in een der restaurants in het hartje van de stad.

„Ziezoo,” sprak Raffles, toen de kellner, die het bestelde had gebracht, zich weer van hun tafeltje had verwijderd, „ik heb mij nu vrijwel georiënteerd in Groningen en moet eerlijk bekennen, dat de stad een prettigen indruk op mij maakt. Nu stel ik je echter voor om de eerstvolgende dagen wat uitstapjes te gaan maken.”

„Waar wil je het eerst naar toe?” vroeg Charly, die op het oogenblik meer belang stelde in zijn malschen biefstuk met aardappelen dan in Groningens omstreken.

„Eerst de beide lustoorden van de Groningers eens gaan zien,” antwoordde lord Lister, terwijl hij het wijnglas van Charly nog eens vulde.

„Lustoorden?” vroeg de jonge secretaris, even van zijn bord opkijkende.

„Ja, vanmiddag gaan wij per tram naar Zuidlaren, een dorp dat zeer schilderachtig moet zijn en vanwaar wij heel gemakkelijk een mooie wandeling kunnen maken over de Drentsche heide. Ik wil namelijk eenige van die beroemde hunnebedden gaan bezichtigen en hoop, dat je mijn belangstelling in deze eeuwenoude monumenten deelt.”

„Ja zeker!” riep Charly nu vol vuur uit.

Ook hij had meermalen, eerst in de Engelsche, later ook in de Hollandsche geïllustreerde tijdschriften over deze merkwaardige graftombes gelezen.

„En dat andere lustoord, hoe heet dat?” informeerde Charly verder.

„Daarover hoorde ik gisteren de studenten spreken,” antwoordde lord Lister. „Het is ook een klein dorpje, Paterswolde, waarheen men veel gaat om er op het meer wat te roeien of te zeilen en daar wij deze sport langen tijd hebben moeten ontberen, lijkt mij de gelegenheid zeer gunstig om hier ons hart weer eens op te halen.”

Charly was zeer ingenomen met de plannen van zijn vriend en op schertsenden toon sprak Raffles:

„Het doet me genoegen te zien, dat langzamerhand je goede humeur is teruggekomen, ouwe jongen!”

Onder het genot van een kopje koffie en een geurige sigaar bleven de beide heeren nog wat zitten praten, totdat het tijd werd om de tram te gaan opzoeken, die hen naar Drentschen bodem zou brengen.

VIJFDE HOOFDSTUK.

DE HANDELAAR IN BLANKE SLAVINNEN.

Aan den Radersingel, een der stille buitensingels van Groningen, zaten in een ruime achterkamer twee mannen bij elkaar.

De kamer, waarin het tweetal zich bevond, was slechts voorzien van de hoognoodige meubelen. Een stevige vierkante tafel stond in het midden onder de helder brandende gaslamp, een viertal stoelen met eenvoudige, rieten zittingen, een schrijftafel met bureaustoel en een breede boekenkast, waarvoor een groen gordijn aan ringetjes was opgehangen, voltooiden het ameublement.

Aan de muren hingen eenige landkaarten. Naast een groote wandkaart van Europa hing een even groote van Amerika en de muur daartegenover werd gedeeltelijk bedekt door een kaart van Nederland.

Op de tafel lagen boeken, reisgidsen en papieren verspreid, schijnbaar zonder eenige orde en regel, terwijl op het geopende schrijfbureau een stapeltje brieven lag, welke blijkbaar pas waren aangekomen, want de couverts waren nog gesloten.

De heer, die aan het schrijfbureau had plaats genomen, had juist de verstelbare gaslamp aan zijn rechterhand aangestoken en haalde nu uit een zwartleeren portefeuille eenige portretten te voorschijn.

Nadat hij op twee ervan een vluchtigen blik had geworpen, legde hij ze met onverschillig gebaar op de schrijftafel neer.

Het derde portret scheen meer zijn belangstelling op te wekken.

Met kennersoog bekeek hij lang het mooie vrouwenkopje, dat erop was gefotografeerd en een roofdierachtige uitdrukking verscheen op zijn gelaat.

Toen stond hij op, begaf zich naar de tafel en legde, zonder een woord te zeggen, het portret vóór den ander neer.

De man, die daar ijverig had zitten bladeren in een groote, zeer uitgebreide reisgids in rooden omslag, af en toe aanteekeningen makende in bijna onleesbare geheimzinnige teekens, keek zijn vriend aan.

Doch toen deze, nog steeds zwijgend, naar zijn schrijfbureau terugkeerde, wierp ook hij een langen, onderzoekenden blik op het portret.

Een grijnslach verscheen op zijn lippen.

Hij was een man van een forschgebouwde, gezette gestalte, met een vaalbleeken tint.

Zijn dunne, vast opeengesloten lippen en zijn scherpe, grijze oogen gaven zijn gelaat een uitdrukking van sluwheid en wilskracht.

Harry Kleyston was in New-York geboren.